1. Na de aanvang van het onderzoek vraagt de voorzitter de verdachte, of, zo er meer verdachten zijn, ieder van hen in de volgorde waarin zij zijn gedagvaard, naar naam en voornamen, leeftijd, geboorteplaats, beroep en woon- of verblijfplaats.

  2. Hij vermaant hem oplettend te zijn op hetgeen hij zal horen.

  3. Daarna doet hij de verdachte, mededeling van diens recht om zich te onthouden van antwoorden en, indien de verdachte geen raadsman heeft, van diens recht om zich door een raadsman te doen bijstaan.