1. De rechter-commissaris beëdigt de getuige, indien er naar zijn oordeel gegrond vermoeden bestaat dat deze niet op de terechtzitting zal kunnen verschijnen, of ingeval de overlegging van beëdigde getuigenissen nodig is om de uitlevering van de verdachte te verkrijgen.

  2. Indien een getuige met gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke storing van zijn geestvermogens, naar het oordeel van de rechter-commissaris, de betekenis van de eed niet voldoende beseft, of indien een getuige de volle ouderdom van vijftien jaren nog niet heeft bereikt, wordt hij niet beëdigd doch aangemaand de gehele waarheid en niets anders dan de waarheid te zeggen.

  3. Van de reden van de beëdiging of aanmaning wordt in het proces-verbaal melding gemaakt.