1. Ter plaatse waar en binnen de grenzen binnen welke zij bevoegd zijn tot opsporing, zijn hulpofficieren van justitie:

    1. [vervallen]

    2. alle ambtenaren van politie in de rang van inspekteur en de daarboven gelegen rangen;

    3. de ambtenaren van de recherche;

    4. de door Onze Minister van Justitie aan te wijzen hoofdagenten van politie, met uitzondering van het personeel van de politie, dat is aangesteld om uitsluitend werkzaamheden te verrichten ten behoeve van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten; hun bevoegdheden als hulpofficier kunnen door de officier van justitie, hoofd van het parket, tot bepaalde taken worden beperkt;

    5. de officieren van de Koninklijke marechaussee;

    6. andere door Onze Minister van Justitie aangewezen personen.

  2. De hulpofficieren van justitie zijn gehouden alle inlichtingen te verstrekken en onderzoek te bewerkstelligen als door de officier van justitie wordt gevorderd.