1. De officier van justitie houdt toezicht op de opsporing van strafbare feiten en kan daartoe aan de personen, die met de opsporing van strafbare feiten zijn belast of daartoe bevoegd zijn, de nodige bevelen geven.

  2. Hij heeft de leiding van het gehele voorbereidend onderzoek, onverminderd het in dit wetboek bepaalde omtrent de tussenkomst van de rechter-commissaris.

  3. In hoger beroep kan de procureur-generaal rechtstreeks opdracht tot nader onderzoek geven.