1. De officier van justitie die de in artikel 177a bedoelde vordering doet, kan bij dringende noodzakelijkheid ter inbeslagneming huiszoeking doen op elke plaats waar zich vermoedelijk bescheiden of gegevens als bedoeld in artikel 177b, of vermogensbestanddelen die voordeel in de zin van artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht BES vertegenwoordigen, bevinden.

  2. Ten aanzien van het eerste lid is artikel 122, tweede lid, van overeenkomstige toepassing en zijn de artikelen 155 tot en met 164 van toepassing.