1. In geval van een schouw of huiszoeking kan de daarmee belaste rechter of ambtenaar de nodige maatregelen tot bewaking of afsluiting nemen en bevelen dat niemand zich, zonder zijn uitdrukkelijke bewilliging, van de plaats van de schouw of van de huiszoeking zal verwijderen, zolang het onderzoek aldaar niet is afgelopen.

  2. Artikel 165, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.