1. Het bevel tot uitlevering of overbrenging wordt niet gegeven aan de verdachte.

  2. Ten aanzien van brieven of andere geschriften kan het bevel alleen worden gegeven, indien deze van de verdachte afkomstig zijn, voor hem zijn bestemd of hem toebehoren, of wel indien zij het voorwerp van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan gediend hebben.