1. Bij personen met bevoegdheid tot verschoning, als bedoeld bij artikel 252, worden, tenzij met hun toestemming, niet in beslag genomen brieven of andere geschriften, waartoe hun plicht tot geheimhouding zich uitstrekt.

  2. Geschiedt bij zodanige personen huiszoeking, dan vindt zij, tenzij met hun toestemming, alleen plaats, voor zover zij zonder schending van het stands-, beroeps- of ambtsgeheim kan geschieden, en strekt zij zich niet uit tot brieven of andere geschriften die niet het voorwerp van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan gediend hebben.