1. In geval van een strafbaar feit als omschreven in de artikelen 97 tot en met 102, 103a tot en met 104d, 245, 246, 256, 258, 259, 260, 265 of 447 van het Wetboek van Strafrecht BES, zijn de opsporingsambtenaren te allen tijde bevoegd ter inbeslagneming de uitlevering te vorderen van alle voor inbeslagneming vatbare voorwerpen.

  2. Zij hebben te allen tijde vrije toegang tot alle plaatsen, waar redelijkerwijze vermoed kan worden, dat een zodanig strafbaar feit wordt begaan. De artikelen 155 tot en met 164 zijn van toepassing.