1. In het vonnis waarbij de vrijheidsbeperkende maatregel wordt opgelegd, beveelt de rechter dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan.

  2. De artikelen 38v, 38w, tweede tot en met het vierde lid, en artikel 6:3:10, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, zijn van overeenkomstige toepassing.