Wetboek van Strafrecht

Inhoud

Artikel 77tb

HISTORISCH
Deze versie geldt vanaf 01-07-2012.
  1. De voorwaardelijke beëindiging kan door de rechter die in eerste aanleg kennis heeft genomen van het misdrijf ter zake waarvan de maatregel is opgelegd, ambtshalve, of op vordering van het openbaar ministerie worden verlengd. De rechter bepaalt de duur van de verlenging.

  2. De totale duur van de voorwaardelijke beëindiging van de maatregel bedraagt ten hoogste twee jaar. De termijn van de voorwaardelijke beëindiging loopt niet wanneer de jeugdige zich langer dan een week onttrekt aan het toezicht.

  3. Tijdens de voorwaardelijke beëindiging van de maatregel kan de in het eerste lid bedoelde rechter ambtshalve, op vordering van het openbaar ministerie of op verzoek van de jeugdige of diens raadsman:

    1. bijzondere voorwaarden stellen die het gedrag van de jeugdige betreffen;

    2. aan een andere instelling dan die welke daarmee tevoren was belast, de begeleiding van de jeugdige opdragen;

    3. indien de jeugdige zich niet heeft gedragen naar de aanwijzingen bedoeld in artikel 77ta, eerste lid, onderdeel b, bevelen dat de jeugdige tijdens de voorwaardelijke beëindiging wordt teruggeplaatst in een inrichting als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen, dan wel, indien de jeugdige inmiddels de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt, in een penitentiaire inrichting als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Penitentiaire beginselenwet dan wel een inrichting als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden.

  4. De rechter bepaalt de duur van een terugplaatsing als bedoeld in het derde lid, onderdeel c. Deze duur kan de duur van de voorwaardelijke beëindiging niet overschrijden en bedraagt ten hoogste een jaar. Bij herhaalde terugplaatsing kan de totale duur van de terugplaatsingen de maximale duur van een jaar niet overstijgen. Een terugplaatsing kan maximaal twee keer worden toegepast.

  5. Indien de rechter bijzondere voorwaarden stelt, als bedoeld in het derde lid, onderdeel a, is artikel 77z van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de rechter de werking van de bijzondere voorwaarden kan beperken tot een in de beslissing te bepalen tijdsduur binnen de termijn waarmee de voorwaardelijke beëindiging wordt verlengd.

  6. Indien ten aanzien van de jeugdige een rechterlijke machtiging op grond van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen is gegeven, eindigt de maatregel onvoorwaardelijk.

  7. Artikel 77cca, eerste lid, derde tot en met zesde lid en achtste lid, is van overeenkomstige toepassing. Indien het openbaar ministerie de aanhouding noodzakelijk blijft vinden, dient het onverwijld een vordering tot voorlopige tenuitvoerlegging in bij de rechter-commissaris en een vordering als bedoeld in het derde lid bij de rechter.

01-07-2026 Huidig 01-01-2026 Historisch 01-07-2025 Historisch 15-05-2025 Historisch 01-01-2025 Historisch 01-10-2024 Historisch 01-07-2024 Historisch 01-01-2024 Historisch 01-10-2023 Historisch 01-09-2023 Historisch 01-07-2023 Historisch 01-01-2023 Historisch 01-10-2022 Historisch 01-07-2022 Historisch 01-03-2022 Historisch 26-01-2022 Historisch 01-01-2022 Historisch 01-07-2021 Historisch 01-05-2021 Historisch 25-07-2020 Historisch 01-07-2020 Historisch 01-01-2020 Historisch 01-04-2019 Historisch 01-03-2019 Historisch 01-01-2019 Historisch 16-10-2018 Historisch 19-09-2018 Historisch 01-07-2018 Historisch 01-05-2018 Historisch 01-01-2018 Historisch 01-09-2017 Historisch 01-03-2017 Historisch 01-01-2017 Historisch 01-07-2016 Historisch 20-04-2016 Historisch 01-01-2016 Historisch 17-11-2015 Historisch 01-08-2015 Historisch 01-07-2015 Historisch 01-01-2015 Historisch 01-07-2014 Historisch 01-05-2014 Historisch 01-04-2014 Historisch 01-03-2014 Historisch 15-02-2014 Historisch 20-01-2014 Historisch 06-01-2014 Historisch 01-01-2014 Historisch 15-11-2013 Historisch 01-09-2013 Historisch 20-08-2013 Historisch 01-07-2013 Historisch 01-04-2013 Historisch 01-01-2013 Historisch 01-11-2012 Historisch 01-10-2012 Historisch 01-07-2012 Historisch 09-05-2012 Historisch 01-04-2012 Historisch 03-01-2012 Historisch 01-01-2012 Historisch 31-12-2011 Historisch 02-07-2011 Historisch 01-07-2011 Historisch 01-03-2011 Historisch 01-01-2011 Historisch

Vergelijking met vorige versie

Vergeleken met 01-04-2012

Tekst van deze versie

  1. De voorwaardelijke beëindiging kan door de rechter die in eerste aanleg kennis heeft genomen van het misdrijf ter zake waarvan de maatregel is opgelegd, ambtshalve, of op vordering van het openbaar ministerie telkens met ten hoogste een jaar worden verlengd. De rechter bepaalt de duur van de verlenging.
  2. De totale duur van de voorwaardelijke beëindiging van de maatregel bedraagt ten hoogste twee jaar. De termijn van de voorwaardelijke beëindiging loopt niet wanneer de jeugdige zich langer dan een week onttrekt aan het toezicht.
  3. DeTijdens de voorwaardelijke beëindiging van de maatregel kan de in het eerste lid bedoelde rechter, beslist op vordering van het openbaar ministerie op zijn vroegst na drie maanden en ten hoogste na zes maanden nadat de maatregel voorwaardelijk werd beëindigd tot verlenging als bedoeld in het eerste lid. De rechter kan daarbij ambtshalve, op vordering van het openbaar ministerie of op verzoek van de jeugdige of diens raadsman:

    1. debijzondere voorwaardelijkevoorwaarden beëindigingstellen omzettendie inhet een onvoorwaardelijke beëindiginggedrag van de maatregel,jeugdige hetzijbetreffen;
    2. indienaan een andere instelling dan die welke daarmee tevoren was belast, de begeleiding van de jeugdige zich niet heeft gedragen naar de aanwijzingen bedoeld in artikel 77ta, eerste lid, onderdeel b, bevelen dat de jeugdige voor een maximale duur van een jaar wordt teruggeplaatst in een inrichting als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen, dan wel, indien de jeugdige inmiddels de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt, in een penitentiaire inrichting als bedoeld in artikel 1, onderdeel b. van de Penitentiaire beginselenwet dan wel een inrichting als bedoeld in artikel 1, onderdeel b. van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden.opdragen;
    3. Na het einde vanindien de duurjeugdige vanzich niet heeft gedragen naar de terugplaatsingaanwijzingen bedoeld in artikel 77ta, eerste lid, onderdeel b, bevelen dat de jeugdige tijdens de voorwaardelijke beëindiging wordt teruggeplaatst in een inrichting als bedoeld in hetartikel vorige lid,1, onderdeel b, eindigtvan de maatregelBeginselenwet onvoorwaardelijk.justitiële jeugdinrichtingen, dan wel, indien de jeugdige inmiddels de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt, in een penitentiaire inrichting als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Penitentiaire beginselenwet dan wel een inrichting als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden.
  4. De rechter bepaalt de duur van een terugplaatsing als bedoeld in het eerstederde lidlid, bedoeldeonderdeel rechterc. Deze duur kan daarbij:de duur van de voorwaardelijke beëindiging niet overschrijden en bedraagt ten hoogste een jaar. Bij herhaalde terugplaatsing kan de totale duur van de terugplaatsingen de maximale duur van een jaar niet overstijgen. Een terugplaatsing kan maximaal twee keer worden toegepast.
  5. Indien de rechter bijzondere voorwaarden aanvullenstelt, ofals wijzigen;bedoeld in het derde lid, onderdeel a, is artikel 77z van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de rechter de werking van de bijzondere voorwaarden kan beperken tot een in de beslissing te bepalen tijdsduur binnen de termijn waarmee de voorwaardelijke beëindiging wordt verlengd.
  6. aanIndien eenten andere instelling dan die welke daarmede tevoren was belast, de begeleidingaanzien van de jeugdige opdragen;een rechterlijke machtiging op grond van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen is gegeven, eindigt de maatregel onvoorwaardelijk.
  7. Artikel 77cca, eerste lid, derde tot en met zesde lid en achtste lid, is van overeenkomstige toepassing. Indien het openbaar ministerie de aanhouding noodzakelijk blijft vinden, dient het onverwijld een vordering tot voorlopige tenuitvoerlegging in bij de rechter-commissaris en een vordering als bedoeld in het derde lid bij de rechter.

Nog geen automatische verwijzingen.

Deze actie vereist een account
Log in of maak een account om arceringen, annotaties, tags en dossiers te gebruiken.
← terug naar Wetboek van Strafrecht