-
Bij zijn vordering zendt het openbaar ministerie de daarop betrekking hebbende stukken aan het gerechtshof toe. De voorzitter van het gerechtshof bepaalt daarop onverwijld een dag voor het onderzoek van de zaak, tenzij hij vaststelt dat het openbaar ministerie in zijn vordering niet kan worden ontvangen. Indien zulks niet wordt vastgesteld, stelt de griffier een afschrift van de vordering en van de daarop betrekking hebbende stukken de advocaat-generaal bij het gerechtshof ter hand.
-
Hangende de beslissing van het gerechtshof op de vordering wordt de veroordeelde niet vervroegd in vrijheid gesteld.
-
Indien niet blijkt dat de veroordeelde een raadsman heeft, geeft de voorzitter op verzoek van de veroordeelde aan het bureau rechtsbijstandvoorziening last tot toevoeging van een raadsman. De veroordeelde en zijn raadsman kunnen voor de aanvang van het onderzoek van de stukken kennis nemen. Het bepaalde bij en krachtens artikel 34 van het Wetboek van Strafvordering is van overeenkomstige toepassing.
-
Zowel de advocaat-generaal als de veroordeelde is bevoegd getuigen en deskundigen te doen dagvaarden of schriftelijk te doen oproepen om bij het onderzoek tegenwoordig te zijn. De artikelen 260 en 263 van het Wetboek van Strafvordering vinden overeenkomstige toepassing. Het gerechtshof kan ambtshalve ook andere personen horen.
-
Het onderzoek vindt plaats ter openbare terechtzitting. De veroordeelde wordt in de gelegenheid gesteld bij de behandeling van zijn zaak tegenwoordig te zijn en zich door zijn raadsman te doen bijstaan. De advocaat-generaal is bij het onderzoek aanwezig en wordt terzake gehoord.
-
De artikelen 268, tweede lid, 269, 270, 271, eerste lid, 272, 273, eerste en tweede lid, 277, 281, 284, eerste lid, 287, tweede en derde lid, 288, eerste, tweede en vierde lid, 289, eerste, tweede en derde lid, 290 tot en met 297, 315, 319, 320, eerste en tweede lid, 321, 322, 324, 326 tot en met 331, 345, eerste en derde lid, en 346 van het Wetboek van Strafvordering vinden overeenkomstige toepassing.
-
De in het zesde lid genoemde artikelen vinden geen toepassing voor zover deze betrekking hebben op een getuige wiens identiteit niet of slechts ten dele blijkt.
Inhoud
Artikel 15b
Tekst van deze versie
-
Bij zijn vordering zendt het openbaar ministerie de daarop betrekking hebbende stukken aan het gerechtshof toe. De voorzitter van het gerechtshof bepaalt daarop onverwijld een dag voor het onderzoek van de zaak, tenzij hij vaststelt dat het openbaar ministerie in zijn vordering niet kan worden ontvangen. Indien zulks niet wordt vastgesteld, stelt de griffier een afschrift van de vordering en van de daarop betrekking hebbende stukken de advocaat-generaal bij het gerechtshof ter hand.
-
Hangende de beslissing van het gerechtshof op de vordering wordt de veroordeelde niet vervroegd in vrijheid gesteld.
-
Indien niet blijkt dat de veroordeelde een raadsman heeft, geeft de voorzitter op verzoek van de veroordeelde aan het bureau rechtsbijstandvoorziening last tot toevoeging van een raadsman. De veroordeelde en zijn raadsman kunnen voor de aanvang van het onderzoek van de stukken kennis nemen. Het bepaalde bij en krachtens artikel 34 van het Wetboek van Strafvordering is van overeenkomstige toepassing.
-
Zowel de advocaat-generaal als de veroordeelde is bevoegd getuigen en deskundigen te doen dagvaarden of schriftelijk te doen oproepen om bij het onderzoek tegenwoordig te zijn. De artikelen 260 en 263 van het Wetboek van Strafvordering vinden overeenkomstige toepassing. Het gerechtshof kan ambtshalve ook andere personen horen.
-
Het onderzoek vindt plaats ter openbare terechtzitting. De veroordeelde wordt in de gelegenheid gesteld bij de behandeling van zijn zaak tegenwoordig te zijn en zich door zijn raadsman te doen bijstaan. De advocaat-generaal is bij het onderzoek aanwezig en wordt terzake gehoord.
-
De artikelen 268, tweede lid, 269, 270, 271, eerste lid, 272, 273, eerste en tweede lid, 277, 281, 284, eerste lid, 287, tweede en derde lid, 288, eerste, tweede en vierde lid, 289, eerste, tweede en derde lid, 290 tot en met 297, 315, 319, 320, eerste en tweede lid, 321, 322, 324, 326 tot en met 331, 345, eerste en derde lid, en 346 van het Wetboek van Strafvordering vinden overeenkomstige toepassing.
-
De in het zesde lid genoemde artikelen vinden geen toepassing voor zover deze betrekking hebben op een getuige wiens identiteit niet of slechts ten dele blijkt.
Nog geen automatische verwijzingen.