Wetboek van Strafrecht BES Laatste controle 30-03-2026, laatste wijziging 23-03-2026.

Inhoud
Eerste boek Algemeene bepalingen
Titel I Omvang van de werking der strafwet
Titel II Straffen
Titel IIa Onttrekking aan het verkeer, ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel en schadevergoeding
Titel III Uitsluiting, vermindering en verhooging der strafbaarheid
Titel IV Poging en voorbereiding
Titel V Deelneming aan strafbare feiten
Titel VI Samenloop van strafbare feiten
Titel VII Indiening en intrekking der klachte bij misdrijven alleen op klachte vervolgbaar
Titel VIII Verval van het recht tot strafvordering en van de straf
Titel VIIIa Bijzondere bepalingen voor jeugdigen
Titel IX Beteekenis van sommige in het wetboek voorkomende uitdrukkingen
Slotbepaling
Tweede boek Misdrijven
Titel I Misdrijven tegen de veiligheid van den Staat
Titel II Misdrijven tegen de Koninklijke waardigheid
Titel III Misdrijven tegen hoofden van bevriende Staten en andere internationaal beschermde personen
Titel IV Misdrijven betreffende de uitoefening van staatsplichten en staatsrechten
Titel V Misdrijven tegen de openbare orde
Titel VI Tweegevecht
Titel VII Misdrijven waardoor de algemeene veiligheid van personen of goederen wordt in gevaar gebracht
Titel VIII Misdrijven tegen het openbaar gezag
Titel IX Meineed
Titel X Valschheid in muntspeciën en munt- en bankbiljetten
Titel XI Valschheid in zegels en merken
Titel XII Valsheid met geschriften, gegevens en biometrische kenmerken
Titel XIII Misdrijven tegen den burgerlijken staat
Titel XIV Misdrijven tegen de zeden
Titel XV Verlating van hulpbehoevenden
Titel XVI Beleediging
Titel XVII Schending van geheimen
Titel XVIII Misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid
Titel XIX Misdrijven tegen het leven gericht
Titel XIXa Afbreking van zwangerschap
Titel XX Mishandeling
Titel XXI Veroorzaken van den dood of van lichamelijk letsel door schuld
Titel XXII Diefstal en strooperij
Titel XXIII Afpersing en afdreiging
Titel XXIV Verduistering
Titel XXV Bedrog
Titel XXVI Benadeeling van schuldeischers en rechthebbenden
Titel XXVII Vernieling of beschadiging van goederen
Titel XXVIII Ambtsmisdrijven
Titel XXIX Scheepvaart- en luchtvaartmisdrijven
Titel XXX Begunstiging
Titel XXXa Witwassen
Titel XXXb Financieren van terrorisme
Titel XXXI Bepalingen over herhaling van misdrijf aan verschillende titels gemeen
Derde boek Overtredingen
Titel I Overtredingen betreffende de algemeene veiligheid van personen en goederen
Titel II Overtredingen betreffende de openbare orde
Titel III Overtreding betreffende het openbaar gezag
Titel IV Overtredingen betreffende den burgerlijken staat
Titel V Overtreding betreffende hulpbehoevenden
Titel VI Overtredingen betreffende de zeden
Titel VII Overtredingen betreffende de veldpolitie
Titel VIII Ambtsovertredingen
Titel IX Scheepvaartovertredingen

Tweede boek

Misdrijven

Artikel 97

De aanslag ondernomen met het oogmerk om den Koning, de regeerende Koningin of den Regent van het leven of de vrijheid te berooven of tot regeeren ongeschikt te maken, wordt gestraft met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren.

Artikel 99

De aanslag ondernomen met het oogmerk om het grondgebied van den Staat geheel of gedeeltelijk onder vreemde heerschappij te brengen of om een deel daarvan af te scheiden, wordt gestraft met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren.

Artikel 99bis

Hij die door geweld of bedreiging met geweld een vergadering van de Raad van Ministers uiteenjaagt, tot het nemen of niet nemen van enig besluit dwingt, een lid uit die vergadering verwijdert of opzettelijk een lid verhindert die vergadering bij te wonen of daarin vrij en onbelemmerd zijn plicht te vervullen, wordt gestraft met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren.

Artikel 100

De aanslag, ondernomen met het oogmerk om omwenteling teweeg te brengen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren.

Leiders en aanleggers van een aanslag als in het eerste lid bedoeld, worden gestraft met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren.

Artikel 102

De samenspanning tot een der in de artikelen 97, 99, 99bis en 100 omschreven misdrijven wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste tien jaren. Dezelfde straf is toepasselijk op hem, die met het oogmerk om een der in de artikelen 97, 99, 99bis en 100 omschreven misdrijven voor te bereiden of te bevorderen:

  1. een ander tracht te bewegen om het misdrijf te plegen, te doen plegen of mede te plegen, om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen;

  2. gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van het misdrijf zich of anderen tracht te verschaffen;

  3. voorwerpen voorhanden heeft waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van het misdrijf;

  4. plannen voor de uitvoering van het misdrijf, welke bestemd zijn om aan anderen te worden medegedeeld, in gereedheid brengt of onder zich heeft;

  5. eenigen maatregel vanwege de Regering genomen om de uitvoering van het misdrijf te voorkomen of te onderdrukken, tracht te beletten, te belemmeren of te verijdelen.

De voorwerpen, in het voorgaande lid, onder 3°, bedoeld, kunnen worden verbeurd verklaard.

Niet strafbaar is hij, van wien blijkt, dat zijn oogmerk enkel gericht is op het voorbereiden of bevorderen van staatkundige veranderingen in algemeenen zin.

Indien in een der gevallen, in de eerste twee leden van dit artikel bedoeld, het misdrijf is gevolgd, kan de straf worden verdubbeld.

Artikel 103

Hij die met een buitenlandsche mogendheid in verstandhouding treedt, met het oogmerk om haar tot het plegen van vijandelijkheden of tot het voeren van oorlog tegen den Staat te bewegen, haar in het daartoe opgevatte voornemen te versterken, haar hulp daarbij toe te zeggen of bij de voorbereiding hulp te verlenen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren.

Indien de vijandelijkheden worden gepleegd of de oorlog uitbreekt, wordt levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren opgelegd.

Artikel 103a

Met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren wordt gestraft:

  1. hij, die met een in het buitenland gevestigd persoon of lichaam in verstandhouding treedt, met het oogmerk om een zoodanig persoon of lichaam tot het verschaffen van steun aan het voorbereiden, bevorderen of teweegbrengen van omwenteling te bewegen, om een zoodanig persoon of lichaam in het daartoe opgevatte voornemen te versterken of aan een zoodanig persoon of lichaam daarbij hulp toe te zeggen of te verleenen, of om omwenteling voor te bereiden, te bevorderen of teweeg te brengen;

  2. hij, die eenig voorwerp invoert, dat geschikt is tot het verschaffen van stoffelijken steun aan het voorbereiden, bevorderen of teweegbrengen van omwenteling, indien hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden, dat het daartoe bestemd is:

  3. hij, die eenig voorwerp onder zich heeft of tot onderwerp eener overeenkomst maakt, dat geschikt is tot het verschaffen van stoffelijken steun aan het voorbereiden, bevorderden of teweegbrengen van omwenteling, indien hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden, dat het daartoe bestemd is en dat het voorwerp of eenig ander voorwerp, waarvoor het in de plaats is getreden, hetzij met die bestemming is ingevoerd, hetzij door of vanwege een in het buitenland gevestigd persoon of lichaam daartoe is bestemd.

De voorwerpen waarmede of met betrekking tot welke de in het voorgaande lid onder 2°–3° omschreven misdrijven zijn begaan, kunnen worden verbeurd verklaard.

Artikel 104

Hij die enig gegeven, waarvan de geheimhouding door het belang van de staat wordt geboden, daaronder begrepen enig voorwerp, waaraan een zodanig gegeven kan worden ontleend, opzettelijk mededeelt aan of ter beschikking stelt van een tot kennisneming daarvan niet gerechtigd persoon of lichaam, wordt, indien hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, dat het een zodanig gegeven betreft, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren.

Met dezelfde straf wordt gestraft hij die enig gegeven, dat van een verboden plaats afkomstig is en tot de veiligheid van de staat in betrekking staat, daaronder begrepen enig voorwerp, waaraan een zodanig gegeven kan worden ontleend, opzettelijk mededeelt aan of ter beschikking stelt van een tot kennisneming daarvan niet gerechtigd persoon of lichaam, indien hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat het een zodanig gegeven betreft.

Artikel 104a

Hij die enig gegeven als bedoeld in artikel 104 hetzij opzettelijk openbaar maakt, hetzij zonder daartoe gerechtigd te zijn opzettelijk mededeelt aan of ter beschikking stelt van een buitenlandse mogendheid, een in het buitenland gevestigd persoon of lichaam, dan wel een zodanig persoon of lichaam, dat gevaar ontstaat dat het gegeven aan een buitenlandse mogendheid of aan een in het buitenland gevestigd persoon of lichaam bekend wordt, wordt, indien hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, dat het een zodanig gegeven betreft, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren.

Indien de schuldige heeft gehandeld in tijd van oorlog dan wel in dienst of in opdracht van een buitenlandse mogendheid of van een in het buitenland gevestigd persoon of lichaam, kan levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren worden opgelegd.

Handelingen gepleegd ter voorbereiding van een misdrijf als omschreven in de voorgaande leden worden gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren.

Artikel 104b

Hij aan wiens schuld te wijten is, dat enig gegeven als bedoeld in artikel 104 openbaar wordt gemaakt dan wel ter beschikking komt van een tot kennisneming daarvan niet gerechtigd persoon of lichaam, wordt gestraft met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste één jaar.

Artikel 104c

  1. Met gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren wordt gestraft:

    1. hij die opzettelijk enig gegeven als bedoeld in artikel 104, zonder daartoe gerechtigd te zijn, onder zich neemt of houdt;

    2. hij die enige handeling verricht, ondernomen met het oogmerk om, zonder daartoe gerechtigd te zijn, de beschikking te krijgen over enig gegeven als bedoeld in artikel 104;

    3. hij die tersluik, onder een vals voorgeven, door middel van een vermomming of langs een andere dan de gewone toegang op of in een verboden plaats komt of tracht te komen, aldaar in dier voege aanwezig is, of zich op een van die wijzen of door een van die middelen vandaar verwijdert of tracht te verwijderen.

    De bepalingen onder 3° is niet toepasselijk, indien de rechter blijkt, dat de dader niet heeft gehandeld met het oogmerk bedoeld onder 2°.

Artikel 104d

  1. Met gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren of geldboete van de vijfde categorie wordt gestraft hij die, wetende dat daarvan gevaar is te duchten voor de veiligheid van de staat, van zijn bondgenoten of van een volkenrechtelijke organisatie, voor de vitale infrastructuur, voor de integriteit en exclusiviteit van hoogwaardige technologieën, of voor de veiligheid van een of meer personen, opzettelijk in heimelijke betrokkenheid met een buitenlandse mogendheid

    1. schadetoebrengende handelingen verricht ten behoeve van die buitenlandse mogendheid; of

    2. aan die buitenlandse mogendheid onmiddellijk of middellijk inlichtingen, een voorwerp of gegevens verstrekt.

  2. Met dezelfde straf wordt gestraft hij die een ander beweegt tot de in het eerste lid bedoelde handelingen.

  3. Gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren of geldboete van de vijfde categorie wordt opgelegd indien het feit:

    1. in tijd van oorlog is gepleegd;

    2. zwaar lichamelijk letsel of de dood ten gevolge heeft.

Artikel 105

Hij die eene hem vanwege de Regering opgedragen onderhandeling met eene buitenlandsche mogendheid opzettelijk ten nadeele van den Staat voert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren.

Artikel 106

Met gevangenisstraf van ten hoogste tien jaren wordt gestraft:

  1. hij die in geval van een oorlog, waarin het Koninkrijk niet betrokken is, opzettelijk enige handeling verricht, waardoor het gevaar ontstaat, dat de Staat in een oorlog wordt betrokken, of enig van regeringswege gegeven en bekend gemaakt bijzonder voorschrift tot handhaving van het niet deelnemen aan de oorlog opzettelijk overtreedt;

  2. hij die in tijd van oorlog, enig voorschrift van regeringswege in het belang van de veiligheid van de Staat gegeven en bekend gemaakt, opzettelijk overtreedt.

Artikel 106a

Artikel 106 onder 1° vindt overeenkomstige toepassing in geval van een gewapend conflict, dat niet als oorlog kan worden aangemerkt.

Artikel 106b

  1. Hij die op enigerlei wijze opzettelijk van het grondgebied van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba gebruik maakt bij het voorbereiden, bevorderen, teweegbrengen of uitvoeren van hetzij een gewelddadige omwenteling op het grondgebied van een bevriende mogendheid, hetzij enige andere tegen een dergelijke mogendheid of haar regering gerichte illegale actie, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste tien jaren.

  2. Hij aan wiens schuld te wijten is dat van het grondgebied van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba op enigerlei wijze gebruik wordt gemaakt bij enige handeling als bedoeld in het voorgaande lid wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren.

  3. Onder het grondgebied van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba wordt voor de toepassing van dit artikel mede verstaan de territoriale zee rond en het luchtruim boven de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

  4. Met gelijke straf en naar de onderscheiding, gemaakt in het eerste en tweede lid van dit artikel wordt gestraft de ingezetene van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, die deelneemt aan een poging tot gewelddadige omwenteling op het grondgebied van een bevriende mogendheid.

Artikel 107

De Nederlander die vrijwillig in krijgsdienst treedt bij eene buitenlandsche mogendheid, wetende dat deze met het Koninkrijk in oorlog is of in het vooruitzicht van een oorlog met het Koninkrijk, wordt, in het laatste geval indien de oorlog uitbreekt, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren.

Artikel 108

Met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren wordt gestraft hij die opzettelijk, in tijd van oorlog, den vijand hulp verleent of den Staat tegenover den vijand benadeelt.

Levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren wordt toegepast indien de dader:

  1. eenige kaart, plan, teekening of beschrijving van militaire werken of eenige inlichting betreffende militaire bewegingen of ontwerpen den vijand mededeelt of in handen speelt;

  2. als verspieder den vijand dient of een verspieder des vijands opneemt, verbergt of voorthelpt.

Levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren wordt toegepast indien de dader:

  1. eenige versterkte of bezette plaats of post, eenig middel van gemeenschap, eenig magazijn, eenigen krijgsvoorraad, enige krijgskas of enige verboden plaats, of wel de vloot of het leger of eenig deel daarvan aan den vijand verraadt, in ‘s vijands macht brengt, vernielt of onbruikbaar maakt, of eenige tot afweer of aanval beraamde of uitgevoerde onderwaterzetting of ander militair werk belet, belemmert of verijdelt;

  2. hetzij oproer, hetzij muiterij of desertie onder het krijgsvolk teweegbrengt of bevordert,

Artikel 109

De samenspanning tot een der in artikel 108 omschreven misdrijven wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren.

Artikel 110

Met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren wordt gestraft hij die, in tijd van oorlog, zonder oogmerk om den vijand hulp te verleenen of den Staat tegenover den vijand te benadeelen, opzettelijk:

  1. een verspieder des vijands opneemt, verbergt of voorthelpt;

  2. desertie van een krijgsman, in dienst van het Koninkrijk teweegbrengt of bevordert.

Artikel 111

Hij die in tijd van oorlog eenige bedriegelijke handeling pleegt bij levering van benoodigdheden ten dienste van de krijgsmacht, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren.

Met dezelfde straf wordt gestraft hij die, met het opzicht over de levering der goederen belast, de bedriegelijke handeling opzettelijk toelaat.

Artikel 112

Bij veroordeeling wegens het in artikel 97 omschreven misdrijf kan ontzetting van de in artikel 32, N°. 1–4, vermelde rechten worden uitgesproken.

Bij veroordeeling wegens een der in de artikelen 99–109 omschreven misdrijven, kan ontzetting van de in artikel 32, N°. 1–3, vermelde rechten worden uitgesproken.

Bij veroordeeling wegens het in artikel 111 omschreven misdrijf, kan de schuldige worden ontzet van de uitoefening van het beroep waarin hij het misdrijf begaan heeft en van de in artikel 32, N°. 1–4, vermelde rechten, en kan de openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak worden gelast.

Artikel 113

De straffen gesteld op de in de artikelen 108–111 omschreven feiten, zijn toepasselijk indien een dier feiten wordt gepleegd tegen of met betrekking tot de bondgenooten van den Staat in een gemeenschappelijken oorlog.

Artikel 113a

Indien een misdrijf, strafbaar gesteld in artikel 101, eerste lid, 102, eerste en tweede lid, is begaan met een terroristisch oogmerk, wordt de in dat artikel bepaalde tijdelijke gevangenisstraf met de helft verhoogd en wordt, indien op het misdrijf een tijdelijke gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren is gesteld, levenslange gevangenisstraf of tijdelijke gevangenisstraf van ten hoogste vierentwintig jaren opgelegd.

Artikel 114

  1. De aanslag op het leven of de vrijheid van de niet-regeerende Koningin, van den troonopvolger, of van een lid van het Koninklijk huis, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren.

  2. Indien de aanslag op het leven den dood tengevolge heeft of met voorbedachten rade wordt ondernomen, wordt levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren opgelegd.

Artikel 115

Elke feitelijke aanranding van den persoon des Konings of der Koningin, die niet valt in eene zwaardere strafbepaling, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zeven jaren en zes maanden.

Artikel 116

Elke feitelijke aanranding van den persoon van den troonopvolger, van een lid van het Koninklijk huis, of van den Regent, die niet valt in eene zwaardere strafbepaling, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren.

Artikel 122

Bij veroordeeling wegens een der in de artikelen 114, 115 en 116 omschreven misdrijven, kan ontzetting van de in artikel 32, N°. 1–4, vermelde rechten worden uitgesproken.

Artikel 122a

  1. Indien een misdrijf, strafbaar gesteld in artikel 114, is begaan met een terroristisch oogmerk, wordt de schuldige gestraft met levenslange of tijdelijke gevangenisstraf van ten hoogste vierentwintig jaren.

  2. Indien een misdrijf, strafbaar gesteld in de artikelen 115 en 116, is begaan met een terroristisch oogmerk, wordt de in dat artikel bepaalde tijdelijke gevangenisstraf met de helft verhoogd.

Artikel 122b

De samenspanning tot de in artikel 114 omschreven misdrijven, te begaan met een terroristisch oogmerk, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren.

Artikel 123

De aanslag op het leven of de vrijheid van een regeerend vorst of ander hoofd van een bevrienden Staat wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren. Indien de aanslag op het leven den dood tengevolge heeft of met voorbedachten rade wordt ondernomen, wordt levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren opgelegd.

Artikel 124

Elke feitelijk aanranding van den persoon van een regeerend vorst of ander hoofd van een bevrienden Staat, die niet valt in eene zwaardere strafbepaling, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren.

Artikel 124a

  1. De aanslag op het leven of de vrijheid van een internationaal beschermd persoon wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren.

  2. Indien de aanslag op het leven de dood ten gevolge heeft of met voorbedachten rade wordt ondernomen, kan levenslange gevangenisstraf of tijdelijke gevangenisstraf van ten hoogste vierentwintig jaren worden opgelegd.

Artikel 124b

Elke feitelijke aanranding van de persoon van een internationaal beschermd persoon, die niet valt in een zwaardere strafbepaling, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete van de vierde categorie.

Artikel 124c

Hij die opzettelijk geweld pleegt tegen de beschermde goederen van een internationaal beschermd persoon wordt, indien daardoor gevaar voor de veiligheid of de vrijheid van die persoon te duchten is, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zeven jaren.

Artikel 128

Bij veroordeeling wegens een der in de artikelen 123 en 124 omschreven misdrijven, kan ontzetting van de in artikel 32, N° 1–4, vermelde rechten worden uitgesproken.

Artikel 128a

  1. Indien een misdrijf, strafbaar gesteld in de artikelen 123, eerste lid, 124a en 124c is begaan met een terroristisch oogmerk, wordt de schuldige gestraft met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste vierentwintig jaren.

  2. Indien een misdrijf, strafbaar gesteld in artikel 124b, is begaan met een terroristisch oogmerk, wordt de in dat artikel bepaalde tijdelijke gevangenisstraf met de helft verhoogd.

Artikel 128b

De samenspanning tot de in artikel 123, eerste lid, 124a en 124c omschreven misdrijven, te begaan met een terroristisch oogmerk, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren.

Artikel 129

Hij die door geweld of bedreiging met geweld een vergadering van de beide kamers der Staten-Generaal of van een van deze of van hun krachtens het reglement van orde gevormde of benoemde commissies uiteenjaagt, tot het nemen of niet nemen van enig besluit dwingt, een lid, een minister of een staatssecretaris uit die vergadering verwijdert of opzettelijk een lid, een minister of een staatssecretaris verhindert die vergadering bij te wonen of daarin vrij en onbelemmerd zijn plicht te vervullen, wordt gestraft met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren.

Artikel 130

De samenspanning tot het in artikel 129 omschreven misdrijf wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste tien jaren. Artikel 102, tweede, derde en vierde lid is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 131

Hij die bij gelegenheid eener krachtens wettelijk voorschrift uitgeschreven verkiezing, door geweld of bedreiging met geweld opzettelijk iemand verhindert zijn of eens anders kiesrecht vrij en onbelemmerd uit te oefenen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar.

Artikel 132

Hij die bij gelegenheid eener krachtens wettelijk voorschrift uitgeschreven verkiezing, door gift of belofte iemand omkoopt om zijn of eens anders kiesrecht hetzij niet, hetzij op bepaalde wijze uit te oefenen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de eerste categorie.

Dezelfde straf wordt toegepast op de kiezer of de gemachtigde van een kiezer die zich door gift of belofte tot een of ander laat omkoopen.

Artikel 133

Hij die bij gelegenheid eener krachtens wettelijk voorschrift uitgeschreven verkiezing, eenige bedriegelijke handeling pleegt waardoor de stem van een kiezer van onwaarde wordt of een ander dan de door dien kiezer bedoelde persoon wordt aangewezen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden.

Artikel 134

Hij die opzettelijk zich voor een ander uitgevende, aan eene krachtens wettelijk voorschrift uitgeschreven verkiezing deelneemt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar.

Artikel 135

Hij die, bij gelegenheid eener krachtens wettelijk voorschrift uitgeschreven verkiezing, opzettelijk eene plaats gehad hebbende stemming verijdelt of eenige bedriegelijke handeling pleegt waardoor aan de stemming een andere uitslag wordt gegeven dan door de wettig ingeleverde stembiljetten zou zijn verkregen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar en zes maanden.

Artikel 136

Bij veroordeeling wegens het in artikel 129 omschreven misdrijf kan ontzetting van de in artikel 32, N°. 1–3, vermelde rechten worden uitgesproken. Bij veroordeeling wegens een der in de artikelen 130–135 omschreven misdrijven, kan ontzetting van de in artikel 32 N°. 3 vermelde rechten worden uitgesproken.

Artikel 136a

Indien een misdrijf, strafbaar gesteld in artikel 130, is begaan met een terroristisch oogmerk, wordt de in dat artikel bepaalde tijdelijke gevangenisstraf met de helft verhoogd.

Artikel 137

  1. Hij, die, mondeling of bij geschrifte, in het openbaar tot eenig strafbaar feit, tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag of tot eenige ongehoorzaamheid hetzij aan de wet hetzij aan een krachtens de wet gegeven ambtelijk bevel opruit, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren of geldboete van de eerste categorie.

  2. Indien het strafbare feit waartoe wordt opgeruid een terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf inhoudt, wordt de gevangenisstraf, gesteld op het in het eerste lid omschreven feit, met een derde verhoogd.

Artikel 138

  1. Hij, die een geschrift, waarin tot eenig strafbaar feit, tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag of tot eenige ongehoorzaamheid als in het vorige artikel omschreven wordt opgeruid, met het oogmerk om aan den opruienden inhoud ruchtbaarheid te geven of de ruchtbaarheid daarvan te vermeerderen, verspreidt, openlijk ten toon stelt of aanslaat, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete van de eerste categorie.

  2. Indien het strafbare feit waartoe bij geschrift wordt opgeruid een terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf inhoudt, wordt de gevangenisstraf, gesteld op het in het eerste lid omschreven feit, met een derde verhoogd.

Artikel 138a

Bij veroordeling wegens een der misdrijven, omschreven in de artikelen 137 en 138, kan ontzetting van de in artikel 32 vermelde rechten worden uitgesproken.

Artikel 139

Hij die in het openbaar, mondeling of bij geschrifte, aanbiedt inlichtingen, gelegenheid of middelen te verschaffen om eenig strafbaar feit te plegen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de eerste categorie.

Artikel 140

Hij die een geschrift waarin wordt aangeboden inlichtingen, gelegenheid of middelen te verschaffen om eenig strafbaar feit te plegen, met het oogmerk om aan dat aanbod ruchtbaarheid te geven of de ruchtbaarheid daarvan te vermeerderen, verspreidt, openlijk ten toon stelt of aanslaat, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de eerste categorie.

Indien de schuldige het misdrijf in zijn beroep begaat en er, tijdens het plegen van het misdrijf, nog geen vijf jaren zijn verloopen, sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens gelijk misdrijf onherroepelijk is geworden, kan hij van de uitoefening van dat beroep worden ontzet.

Artikel 140a

Hij die zich of een ander opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaft of tracht te verschaffen tot het plegen van een terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf, dan wel zich kennis of vaardigheden daartoe verwerft of een ander bijbrengt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren of geldboete van de vijfde categorie.

Artikel 140bis

Hij die door een der in artikel 49 N°. 2° vermelde middelen een ander tracht te bewegen om een misdrijf te begaan, wordt, indien het misdrijf of een strafbare poging daartoe niet is gevolgd, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren of geldboete van de eerste categorie, echter met dien verstande dat nimmer eene zwaardere straf wordt uitgesproken dan terzake van poging tot het misdrijf of, indien zoodanige poging niet strafbaar is, terzake van het misdrijf zelf kan worden opgelegd. Deze bepaling is op hem niet van toepassing, indien het misdrijf of eene strafbare poging daartoe niet is gevolgd ten gevolge van omstandigheden van zijnen wil afhankelijk.

Artikel 141

Hij die, kennis dragende van een strafbare samenspanning tot enig misdrijf dan wel van een voornemen tot het plegen van een terroristisch misdrijf op een tijdstip waarop het plegen van dit misdrijf nog kan worden voorkomen, opzettelijk nalaat daarvan tijdig voldoende kennis te geven, hetzij aan de ambtenaren van de justitie of politie, hetzij aan de bedreigde, wordt, indien het misdrijf is gevolgd, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.

Artikel 142

Hij die, kennis dragende van een voornemen tot het plegen van een der in de artikelen 97–116 omschreven misdrijven, tot desertie in tijd van oorlog, tot militair verraad, tot moord, menschenroof of verkrachting of tot een der in Titel VII van dit Boek omschreven misdrijven voor zoover daardoor levensgevaar wordt veroorzaakt, op een tijdstip waarop het plegen van deze misdrijven nog kan worden voorkomen, opzettelijk nalaat daarvan tijdig voldoende kennis te geven, hetzij aan de ambtenaren der justitie of politie, hetzij aan den bedreigde, wordt, indien het misdrijf is gevolgd, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de eerste categorie.

Dezelfde straf is toepasselijk op hem die, kennis dragende van eenig in het eerste lid vermeld reeds gepleegd misdrijf waardoor levensgevaar is ontstaan, op een tijdstip waarop de gevolgen nog kunnen worden afgewend, opzettelijk nalaat daarvan gelijke kennisgeving te doen.

Artikel 143

De bepalingen van de artikelen 141 en 142 zijn niet van toepassing op hem die door de kennisgeving gevaar voor eene strafvervolging zou doen ontstaan voor zich zelven, voor een zijner bloedverwanten of aangehuwden in de rechte linie of in den tweeden of derden graad der zijlinie, voor zijn echtgenoot of gewezen echtgenoot, of voor een ander bij wiens vervolging hij zich, uit hoofde van zijn ambt of beroep, van het afleggen van getuigenis zou kunnen verschoonen.

Artikel 143a

  1. Hij die zich in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding, opzettelijk beledigend uitlaat over een groep mensen wegens hun ras, hun godsdienst of hun levensovertuiging, hun hetero- of homoseksuele gerichtheid of hun lichamelijke, psychische of verstandelijke handicap of geslacht, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.

  2. Indien het feit wordt gepleegd door een persoon die daarvan een beroep of gewoonte maakt of door twee of meer personen wordt gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie opgelegd.

Artikel 143b

  1. Hij die in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding, aanzet tot haat tegen of discriminatie van mensen of gewelddadig optreden tegen persoon of goed van mensen wegens hun ras, hun godsdienst of hun levensovertuiging, hun hetero- of homoseksuele gerichtheid of hun lichamelijke, psychische of verstandelijke handicap of geslacht, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.

  2. Indien het feit wordt gepleegd door een persoon die daarvan een beroep of gewoonte maakt of door twee of meer personen wordt gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie opgelegd.

Artikel 143c

  1. Hij die, anders dan ten behoeve van zakelijke berichtgeving,

    1. een uitlating openbaarmaakt, die, naar hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, voor een groep mensen wegens hun ras, hun godsdienst of hun levensovertuiging, hun hetero- of homoseksuele gerichtheid of hun lichamelijke, psychische of verstandelijke handicap of geslacht, beledigend is of aanzet tot haat of discriminatie van mensen of gewelddadig optreden tegen persoon of goed van mensen wegens hun ras, hun godsdienst of hun levensovertuiging, hun hetero- of homoseksuele gerichtheid of hun lichamelijke, psychische of verstandelijke handicap of geslacht;*

    2. een voorwerp waarin, naar hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, zulk een uitlating is vervat, verspreidt of ter openbaarmaking van die uitlating of verspreiding in voorraad heeft; wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de tweede categorie.

  2. Indien het feit wordt gepleegd door een persoon die daarvan een beroep of gewoonte maakt of door twee of meer personen wordt gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie opgelegd.

  3. Indien de schuldige een der strafbare feiten, omschreven in dit artikel, in zijn beroep begaat en er, tijdens het plegen van dit feit, nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een vroegere veroordeling van de schuldige wegens een van deze misdrijven onherroepelijk is geworden, kan hij van de uitoefening van dat beroep worden ontzet.

Artikel 143d

Hij die deelneemt of geldelijke of andere stoffelijke steun verleent aan activiteiten gericht op discriminatie van mensen wegens hun ras, hun godsdienst, hun levensovertuiging, hun geslacht, hun hetero- of homoseksuele gerichtheid of hun lichamelijke, psychische of verstandelijke handicap, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.

Artikel 143e

  1. Hij die in de uitoefening van een ambt, beroep of bedrijf personen opzettelijk discrimineert wegens hun ras, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie.

  2. Indien het feit wordt gepleegd door een persoon die daarvan een beroep of gewoonte maakt of door twee of meer verenigde personen wordt gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de vierde categorie opgelegd.

Artikel 144

Hij die, hetzij in de woning of in het bij eene woning behorend erf, hetzij in het besloten lokaal of erf, bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringt of, wederrechtelijk aldaar vertoevende, zich niet op de vordering van of vanwege den rechthebbende aanstonds verwijdert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de eerste categorie.

Hij die zich den toegang heeft verschaft door middel van braak of inklimming, van valsche sleutels, van een valsche order of van een valsch kostuum, of die, zonder voorkennis van den rechthebbende en anders dan tengevolge van vergissing binnengekomen, aldaar bij nacht wordt aangetroffen, wordt geacht te zijn binnengedrongen.

Indien hij bedreigingen uit of zich bedient van middelen geschikt om vrees aan te jagen, wordt hij gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar.

De in het eerste en derde lid bepaalde straffen kunnen met een derde worden verhoogd, indien twee of meer vereenigde personen het misdrijf plegen.

Artikel 144a

  1. Met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de vierde categorie wordt, als schuldig aan computervredebreuk, gestraft hij die opzettelijk en wederrechtelijk binnendringt in een geautomatiseerd werk of in een deel daarvan. Van binnendringen is in ieder geval sprake indien de toegang tot het werk wordt verworven:

    1. door het doorbreken van een beveiliging;

    2. door een technische ingreep;

    3. met behulp van valse signalen of een valse sleutel, of

    4. door het aannemen van een valse hoedanigheid.

  2. Met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie wordt gestraft computervredebreuk, indien de dader vervolgens gegevens die zijn opgeslagen, worden verwerkt of overgedragen door middel van een geautomatiseerd werk waarin hij zich wederrechtelijk bevindt, voor zichzelf of een ander overneemt, aftapt of opneemt.

  3. Met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie wordt gestraft computervredebreuk gepleegd door tussenkomst van een openbaar telecommunicatie netwerk, indien de dader vervolgens:

    1. met het oogmerk zichzelf of een ander wederrechtelijk te bevoordelen gebruik maakt van verwerkingscapaciteit van een geautomatiseerd werk;

    2. door tussenkomst van een geautomatiseerd werk waarin hij is binnengedrongen de toegang verwerft tot het geautomatiseerd werk van een derde.

  4. Indien het feit is gepleegd ten behoeve van een buitenlandse mogendheid wordt de op het feit gestelde gevangenisstraf met een derde verhoogd.

Artikel 144b

  1. Met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de vierde categorie wordt gestraft hij die opzettelijk en wederrechtelijk de toegang tot of het gebruik van een geautomatiseerd werk belemmert door daaraan gegevens aan te bieden of toe te zenden.

  2. Indien het feit is gepleegd ten behoeve van een buitenlandse mogendheid wordt de op het feit gestelde gevangenisstraf met een derde verhoogd.

Artikel 145

Hij die in een voor den openbaren dienst bestemd lokaal wederrechtelijk binnendringt of, wederrechtelijk aldaar vertoevende, zich niet op de vordering van den bevoegden ambtenaar aanstonds verwijdert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de eerste categorie.

Hij die zich den toegang heeft verschaft door middel van braak of inklimming, van valsche sleutels, van een valsche order of een valsch kostuum, of die zonder voorkennis van den bevoegden ambtenaar en anders dan tengevolge van vergissing binnengekomen, aldaar bij nacht wordt aangetroffen, wordt geacht te zijn binnengedrongen.

Indien hij bedreigingen uit of zich bedient van middelen geschikt om vrees aan te jagen, wordt hij gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar.

De in het eerste en derde lid bepaalde straffen kunnen met een derde worden verhoogd, indien twee of meer vereenigde personen het misdrijf plegen.

Artikel 145a

  1. Met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de vierde categorie wordt gestraft hij die met een technisch hulpmiddel een gesprek dat in een woning, besloten lokaal of erf wordt gevoerd opzettelijk:

    1. anders dan in opdracht van een deelnemer aan dat gesprek afluistert;

    2. zonder deelnemer aan dat gesprek te zijn en anders dan in opdracht van zulk een deelnemer opneemt.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing op het opnemen:

    1. van gegevens die worden verwerkt of overgedragen door middel van telecommunicatie of door middel van een geautomatiseerd werk;

    2. behoudens in geval van kennelijk misbruik, met een technisch hulpmiddel dat op gezag van degene bij wie de woning, het lokaal of het erf in gebruik is, niet heimelijk aanwezig is;

    3. ter uitvoering van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017.

Artikel 145b

  1. Met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de derde categorie wordt gestraft hij die, met het oogmerk een gesprek dat elders dan in een woning, besloten lokaal of erf wordt gevoerd af te luisteren of op te nemen, dat gesprek met een technisch hulpmiddel heimelijk:

    1. anders dan in opdracht van een deelnemer aan dat gesprek afluistert;

    2. zonder deelnemer aan dat gesprek te zijn en anders dan in opdracht van zulk een deelnemer opneemt.

  2. Artikel 145a, tweede lid, onder 1° en 3°, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 145c

  1. Met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de vierde categorie wordt gestraft hij die opzettelijk en wederrechtelijk met een technisch hulpmiddel gegevens aftapt of opneemt die niet voor hem bestemd zijn en die worden verwerkt of overgedragen door middel van telecommunicatie of door middel van een geautomatiseerd werk.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing op het aftappen of opnemen:

    1. van door middel van een radio-ontvangapparaat ontvangen gegevens, tenzij om de ontvangst mogelijk te maken een bijzondere inspanning is geleverd of een niet toegestane ontvanginrichting is gebruikt;

    2. door of in opdracht van de gerechtigde tot een voor de telecommunicatie gebezigde aansluiting, behoudens in geval van kennelijk misbruik;

    3. ten behoeve van de goede werking van een openbaar telecommunicatienetwerk, ten behoeve van de strafvordering, dan wel ter uitvoering van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017.

Artikel 145d

  1. Met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de vierde categorie wordt gestraft hij die met het oogmerk dat daardoor een gesprek, telecommunicatie of andere gegevensoverdracht of andere gegevensverwerking door een geautomatiseerd werk wederrechtelijk wordt afgeluisterd, afgetapt of opgenomen, een technisch hulpmiddel op een bepaalde plaats aanwezig doet zijn.

  2. Met dezelfde straf wordt gestraft hij die, met het oogmerk dat daarmee een misdrijf als bedoeld in artikel 144a, eerste lid, 144b of 145c wordt gepleegd:

    1. een technisch hulpmiddel dat hoofdzakelijk geschikt gemaakt of ontworpen is tot het plegen van een zodanig misdrijf, vervaardigt, verkoopt, verwerft, invoert, verspreidt of anderszins ter beschikking stelt of voorhanden heeft, of

    2. een computerwachtwoord, toegangscode of daarmee vergelijkbaar gegeven waardoor toegang kan worden gekregen tot een geautomatiseerd werk of een deel daarvan, verkoopt, verwerft, verspreidt of anderszins ter beschikking stelt of voorhanden heeft.

  3. Met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie wordt gestraft hij die het in het tweede lid bedoelde feit pleegt terwijl zijn oogmerk is gericht op een misdrijf als bedoeld in artikel 144a, tweede of derde lid.

Artikel 145e

Met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de vierde categorie wordt gestraft:

  1. hij die de beschikking heeft over een voorwerp waarop, naar hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, gegevens zijn vastgelegd die door wederrechtelijk afluisteren, aftappen of opnemen van een gesprek, telecommunicatie of andere gegevensoverdracht of andere gegevensverwerking door een geautomatiseerd werk zijn verkregen;

  2. hij die gegevens die hij door wederrechtelijk afluisteren, aftappen of opnemen van een gesprek, telecommunicatie of andere gegevensoverdracht of andere gegevensverwerking door een geautomatiseerd werk heeft verkregen of die, naar hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, ten gevolge van zulk afluisteren, aftappen of opnemen te zijner kennis zijn gekomen, opzettelijk aan een ander bekend maakt;

  3. hij die een voorwerp als omschreven onder 1° opzettelijk ter beschikking stelt van een ander.

Artikel 146

Deelneming aan eene organisatie, die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren of geldboete van de vijfde categorie.

Deelneming aan een andere bij algemene maatregel van bestuur verboden organisatie wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de eerste categorie.

Ten aanzien der oprichters of bestuurders kunnen deze gevangenisstraffen met een derde worden verhoogd.

Artikel 146a

  1. Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste achttien jaren.

  2. Oprichters, leiders of bestuurders van een organisatie als bedoeld in het eerste lid, worden gestraft met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste vierentwintig jaren.

  3. Onder deelneming als omschreven in het eerste lid wordt mede begrepen het verlenen van geldelijke of andere stoffelijke steun aan alsmede het werven van gelden of personen ten behoeve van de in dat lid omschreven organisatie.

Artikel 147

Zij die openlijk met vereenigde krachten geweld plegen tegen personen of goederen worden gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren en zes maanden.

De schuldige wordt gestraft:

  1. met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren, indien hij opzettelijk goederen vernielt of indien het door hem gepleegde geweld eenig lichamelijk letsel ten gevolge heeft;

  2. met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren, indien dat geweld zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft;

  3. met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren, indien dat geweld den dood ten gevolge heeft.

Artikel 83 blijft buiten toepassing.

Artikel 147bis

Hij, die door het opzettelijk verspreiden van een logenachtig bericht onrust verwekt onder de bevolking, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de eerste categorie.

Artikel 148

Hij die opzettelijk door valsche alarmkreten of signalen de rust verstoort, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee weken of geldboete van de eerste categorie.

Artikel 149

Hij die door geweld of bedreiging met geweld eene geoorloofde openbare vergadering verhindert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste negen maanden.

Artikel 150

Hij die opzettelijk door het verwekken van wanorde of het maken van gedruisch eene geoorloofde openbare vergadering stoort, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee weken of geldboete van de eerste categorie.

Artikel 151

Hij die door geweld of bedreiging met geweld hetzij eene geoorloofde openbare godsdienstige bijeenkomst, hetzij eene geoorloofde kerkelijke plechtigheid of lijkplechtigheid verhindert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar.

Artikel 152

Hij die opzettelijk door het verwekken van wanorde of het maken van gedruisch hetzij eene geoorloofde openbare godsdienstige bijeenkomst, hetzij eene geoorloofde kerkelijke plechtigheid of lijkplechtigheid stoort, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste eene maand of geldboete van de eerste categorie.

Artikel 153

Met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de eerste categorie wordt gestraft:

  1. hij die zich in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding, door smalende Godslasteringen op voor godsdienstige gevoelens krenkende wijze uitlaat;

  2. hij die een bedienaar van den godsdienst in de geoorloofde waarneming zijner bediening bespot;

  3. hij die voorwerpen aan eenen eeredienst gewijd, waar en wanneer de uitoefening van dien dienst geoorloofd is, beschimpt.

Artikel 154

Hij die opzettelijk den geoorloofden toegang tot eene begraafplaats of crematorium of het geoorloofd vervoer van een lijk naar eene begraafplaats of crematorium verhindert of belemmert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste eene maand of geldboete van de eerste categorie.

Artikel 155

Hij die opzettelijk een graf schendt of eenig op eene begraafplaats opgericht gedenkteeken opzettelijk en wederrechtelijk vernielt of beschadigt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar.

Artikel 156

Hij die opzettelijk en wederrechtelijk een lijk opgraaft of wegneemt of een opgegraven of weggenomen lijk verplaatst of vervoert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de eerste categorie.

Artikel 157

Hij die een lijk begraaft, verbrandt, vernietigt, verbergt, wegvoert of wegmaakt, met het oogmerk om het feit of de oorzaak van het overlijden, dan wel van het dood ter wereld komen te verhelen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaar of geldboete van de tweede categorie.

Artikel 163

Hij die opzettelijk brand sticht, eene ontploffing teweegbrengt of eene overstrooming veroorzaakt, wordt gestraft:

  1. met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren, indien daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;

  2. met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren, indien daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is;

  3. met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren, indien daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is en het feit iemands dood ten gevolge heeft.

Artikel 164

Hij aan wiens schuld brand, ontploffing of overstrooming te wijten is, wordt gestraft:

  1. met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de eerste categorie, indien daardoor gemeen gevaar voor goederen ontstaat;

  2. met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste zes maanden, of geldboete van de eerste categorie, indien daardoor levensgevaar voor een ander ontstaat;

  3. met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste een jaar, indien het feit iemands dood ten gevolge heeft.

Artikel 165

Hij die opzettelijk bij of in het vooruitzicht van brand bluschgereedschappen of bluschmiddelen wederrechtelijk verbergt of onbruikbaar maakt, of op eenige wijze de blussching van brand verhindert of belemmert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren.

Artikel 166

Hij die opzettelijk bij of in het vooruitzicht van watersnood, dijkmaterialen of gereedschappen wederrechtelijk verbergt of onbruikbaar maakt, eenige poging tot herstel van dijken of andere waterstaatswerken verijdelt, of de aangewende middelen tot het voorkomen of stuiten van overstrooming tegenwerkt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren.

Artikel 167

Hij die opzettelijk enig werk, dienend tot waterkering, waterlozing, gas- of waterleiding of riolering, vernielt, onbruikbaar maakt of beschadigt, wordt gestraft:

  1. met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren, indien daarvan gevaar voor overstroming of gemeen gevaar voor goederen te duchten is;

  2. met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren, indien daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is;

  3. met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren, indien daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is en het feit iemands dood ten gevolge heeft.

Artikel 167a

Hij die opzettelijk eenig electriciteitswerk vernielt, beschadigt of onbruikbaar maakt, stoornis in den gang of in de werking van zoodanig werk veroorzaakt, of een ten opzichte van zoodanig werk genomen veiligheidsmaatregel verijdelt, wordt gestraft:

  1. met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de eerste categorie, indien daardoor verhindering of bemoeilijking van stroomlevering ten algemeenen nutte ontstaat;

  2. met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren, indien daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;

  3. met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren, indien daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is;

  4. met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren, indien daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is en het feit iemands dood ten gevolge heeft.

Artikel 167b

Hij aan wiens schuld te wijten is, dat eenig electriciteitswerk wordt vernield, beschadigd, of onbruikbaar gemaakt, dat stoornis in den gang of in de werking van zoodanig werk ontstaat, of dat een ten opzichte van zoodanig werk genomen veiligheidsmaatregel wordt verijdeld, wordt gestraft:

  1. met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de eerste categorie, indien daardoor verhindering of bemoeilijking van stroomlevering ten algemeenen nutte of gemeen gevaar voor goederen ontstaat;

  2. met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de eerste categorie, indien daardoor levensgevaar voor een ander ontstaat;

  3. met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste een jaar, indien het feit iemands dood ten gevolge heeft.

Artikel 167c

Hij die opzettelijk mensen, dieren, planten of goederen aan ioniserende stralen blootstelt, dan wel mensen, dieren, planten, goederen, bodem, water of lucht met radioactieve stoffen besmet, wordt gestraft:

  1. met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren, indien daarvan gevaar voor de openbare gezondheid of levensgevaar voor een ander te duchten is;

  2. met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke gevangenisstraf van ten hoogste vierentwintig jaren, indien daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is en het feit iemands dood ten gevolge heeft.

Artikel 167d

Hij aan wiens schuld te wijten is dat mensen, dieren, planten of goederen aan ioniserende stralen worden blootgesteld, dan wel mensen, dieren, planten, goederen, bodem, water of lucht met radioactieve stoffen worden besmet, wordt gestraft:

  1. met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie, indien daarvan gevaar voor de openbare gezondheid of levensgevaar voor een ander te duchten is;

  2. met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie, indien daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is en het feit iemands dood ten gevolge heeft.

Artikel 167e

Hij die opzettelijk enig geautomatiseerd werk of enig werk voor telecommunicatie vernielt, beschadigt of onbruikbaar maakt, stoornis in de gang of in de werking van zodanig werk veroorzaakt, of een ten opzichte van zodanig werk genomen veiligheidsmaatregel verijdelt, wordt gestraft:

  1. met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie, indien daardoor wederrechtelijk verhindering of bemoeilijking van de opslag, verwerking of overdracht van gegevens ten algemene nutte of stoornis in een openbaar telecommunicatienetwerk of in de uitvoering van een openbare telecommunicatiedienst, ontstaat;

  2. met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren, indien daarvan gemeen gevaar voor goederen of voor de verlening van diensten te duchten is;

  3. met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren of geldboete van de vijfde categorie, indien daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is;

  4. met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren, indien daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is en het feit iemands dood ten gevolge heeft.

Artikel 167f

Hij aan wiens schuld te wijten is dat enig geautomatiseerd werk voor opslag of verwerking van gegevens of enig werk voor telecommunicatie wordt vernield, beschadigd of onbruikbaar gemaakt, dat stoornis in de gang of in de werking van zodanig werk ontstaat, of dat een ten opzichte van zodanig werk genomen veiligheidsmaatregel wordt verijdeld, wordt gestraft:

  1. met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de derde categorie, indien daardoor verhindering of bemoeilijking van de opslag of verwerking van gegevens ten algemenen nutte, stoornis in een openbaar telecommunicatienetwerk of in de uitvoering van een openbare telecommunicatiedienst, of gemeen gevaar voor goederen of voor de verlening van diensten ontstaat;

  2. met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie, indien daardoor levensgevaar voor een ander bestaat;

  3. met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie, indien het feit iemands dood ten gevolge heeft.

Artikel 168

Hij die opzettelijk eenig werk dienende voor het openbaar verkeer of het luchtverkeer vernielt, onbruikbaar maakt of beschadigt, eenigen openbaren land- of waterweg verspert of een ten aanzien van zoodanig werk of van zoodanigen weg genomen veiligheidsmaatregel verijdelt, wordt gestraft:

  1. met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren, indien daarvan gevaar voor de veiligheid van het verkeer te duchten is;

  2. met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren, indien daarvan gevaar voor de veiligheid van het verkeer te duchten is en het iemands dood ten gevolge heeft.

Artikel 168a

Hij die opzettelijk op een luchthaven een luchtvaartuig buiten bedrijf of enige voorziening vernielt, onbruikbaar maakt of beschadigt, dan wel de diensten op een luchthaven verstoort, wordt gestraft:

  1. met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren, indien daarvan gevaar voor de veiligheid van de luchtvaart of gemeen gevaar voor goederen, gebouwen of diensten op de luchthaven te duchten valt;

  2. met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren, indien daarvan gevaar voor de veiligheid van de luchtvaart of gemeen gevaar voor goederen, gebouwen of diensten op de luchthaven te duchten valt en het feit iemands dood ten gevolge heeft.

Artikel 169

Hij aan wiens schuld te wijten is dat eenig werk dienende voor het openbaar verkeer of het luchtverkeer wordt vernield, onbruikbaar gemaakt of beschadigd, eenige openbare land- of waterweg versperd of een ten aanzien van zoodanig werk of van zoodanigen weg genomen veiligheidsmaatregel verijdeld wordt, wordt gestraft:

  1. met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de eerste categorie, indien daardoor het verkeer onveilig wordt;

  2. met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste een jaar indien het feit iemands dood ten gevolge heeft.

Artikel 170

Hij die opzettelijk gevaar veroorzaakt voor het verkeer door mechanische kracht over een spoorweg of voor het luchtverkeer, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren.

Indien het feit iemands dood ten gevolge heeft, wordt de schuldige gestraft met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren.

Artikel 171

Hij aan wiens schuld te wijten is dat gevaar ontstaat voor het verkeer door mechanische kracht over een spoorweg of voor het luchtverkeer, wordt gestraft met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de eerste categorie.

Indien het feit iemands dood ten gevolge heeft, wordt de schuldige gestraft met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste een jaar.

Artikel 172

Hij die opzettelijk een voor de veiligheid der scheepvaart of luchtvaart gesteld teken of hulpmiddel vernielt, beschadigt, wegneemt of verplaatst, de werking daarvan verijdelt, of een verkeerd teken stelt, wordt gestraft:

  1. met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren, indien daarvan gevaar voor de veiligheid der scheepvaart of luchtvaart te duchten is;

  2. met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren, indien daarvan gevaar voor de veiligheid der scheepvaart of luchtvaart te duchten is en het feit het zinken, stranden of verongelukken van een vaartuig of een luchtvaartuig ten gevolge heeft;

  3. met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren, indien daarvan gevaar voor de veiligheid der scheepvaart of luchtvaart te duchten is en het feit iemands dood ten gevolge heeft.

Artikel 173

Hij aan wiens schuld vernieling, beschadiging, wegneming of verplaatsing van een voor de veiligheid der scheepvaart of luchtvaart gesteld teken of hulpmiddel dan wel de verijdeling van de werking daarvan of het stellen van een verkeerd teken te wijten is, wordt gestraft:

  1. met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de eerste categorie, indien daardoor de scheepvaart of de luchtvaart onveilig wordt;

  2. met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de eerste categorie, indien het feit het zinken, stranden of verongelukken van een vaartuig of een luchtvaartuig ten gevolge heeft;

  3. met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste een jaar, indien het feit iemands dood ten gevolge heeft.

Artikel 174

Hij die enig vaartuig of luchtvaartuig opzettelijk en wederrechtelijk doet zinken, stranden of verongelukken, vernielt, onbruikbaar maakt of beschadigt, wordt gestraft:

  1. met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren, indien daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is;

  2. met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren, indien daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is en het feit iemand dood ten gevolge heeft.

Artikel 175

Hij aan wiens schuld te wijten is dat eenig vaartuig of luchtvaartuig zinkt, strandt of verongelukt, vernield, onbruikbaar gemaakt of beschadigd wordt, wordt gestraft:

  1. met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de eerste categorie, indien daardoor levensgevaar voor een ander ontstaat;

  2. met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste een jaar, indien het feit iemands dood ten gevolge heeft.

Artikel 176

Hij die enig gebouw, getimmerte, installatie ter zee of voor het publiek toegankelijke plaats opzettelijk vernielt of beschadigt, wordt gestraft:

  1. met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren, indien daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;

  2. met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren, indien daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is;

  3. met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren, indien daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is en het feit iemands dood ten gevolge heeft.

Artikel 177

Hij aan wiens schuld de vernieling of beschadiging van enig gebouw, getimmerte, installatie ter zee of voor het publiek toegankelijke plaats te wijten is, wordt gestraft:

  1. met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de eerste categorie, indien daardoor gemeen gevaar voor goederen ontstaat;

  2. met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de eerste categorie, indien daardoor levensgevaar voor een ander ontstaat;

  3. met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste een jaar, indien het feit iemands dood ten gevolge heeft.

Artikel 178

  1. Hij die opzettelijk en wederrechtelijk een stof in een inrichting ten behoeve van de drinkwatervoorziening of in een tot gezamenlijk gebruik van of met anderen bestemde waterleiding brengt, dan wel de aanmaak van drinkwater in of de toevoer van drinkwater vanuit de openbare drinkwatervoorziening belemmert, wordt gestraft:

    1. met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren of geldboete van de vijfde categorie, indien daarvan gevaar voor een ander te duchten is;

    2. met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren of geldboete van de vijfde categorie, indien daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is en het feit iemands dood ten gevolg heeft.

  2. Hij die opzettelijk enig voor de openbare drinkwatervoorziening bestemd werk vernielt, beschadigt of onbruikbaar maakt, stoornis in de gang of in de werking van zodanig werk veroorzaakt, of een ten opzichte van zodanig werk genomen veiligheidsmaatregel verijdelt, wordt, indien daardoor verhindering of bemoeilijking van de openbare drinkwatervoorziening te duchten is, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de vierde categorie.

Artikel 179

  1. Hij aan wiens schuld te wijten is, dat wederrechtelijk een stof in een inrichting ten behoeve van de drinkwatervoorziening of in een tot gezamenlijk gebruik van of met anderen bestemde waterleiding, wordt gebracht, wordt gestraft:

    1. met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de vierde categorie, indien daarvan gevaar voor de openbare gezondheid of levensgevaar voor een ander te duchten is;

    2. met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie, indien daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is en het feit iemands dood ten gevolge heeft.

  2. Hij aan wiens schuld te wijten is, dat enig voor de openbare drinkwatervoorziening bestemd werk wordt vernield, beschadigd, of onbruikbaar gemaakt, dat stoornis in de gang of in de werking van een zodanig werk ontstaat of dat een ten opzichte van zodanig werk genomen veiligheidsmaatregel wordt verijdeld, wordt, indien daardoor verhindering of bemoeilijking van de openbare drinkwatervoorziening te duchten is, gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de vierde categorie.

Artikel 179a

Hij die opzettelijk en wederrechtelijk een stof op of in de bodem, in de lucht of in het oppervlaktewater brengt, wordt gestraft:

  1. met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren, indien daarvan gevaar voor de openbare gezondheid of levensgevaar voor een ander te duchten is;

  2. met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren, indien daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is en het feit iemands dood ten gevolge heeft.

Artikel 179b

Hij aan wiens schuld te wijten is, dat wederrechtelijk een stof op of in de bodem, in de lucht of in het oppervlaktewater wordt gebracht, wordt gestraft:

  1. met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste een jaar en geldboete van de derde categorie, indien daarvan gevaar voor de openbare gezondheid of levensgevaar voor een ander te duchten is;

  2. met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie, indien daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is en het feit iemands dood ten gevolge heeft.

Artikel 180

Hij die waren verkoopt, te koop aanbiedt, aflevert of uitdeelt, wetende dat zij voor het leven of de gezondheid schadelijk zijn, en dat schadelijk karakter verzwijgende, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren.

Indien het feit iemands dood ten gevolge heeft, wordt de schuldige gestraft met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren.

Artikel 181

Hij, aan wiens schuld te wijten is dat waren, schadelijk voor het leven of de gezondheid, verkocht, afgeleverd of uitgedeeld worden, zonder dat de kooper of verkrijger met dat schadelijk karakter bekend is, wordt gestraft met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de eerste categorie.

Indien het feit iemands dood ten gevolge heeft, wordt de schuldige gestraft met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste een jaar.

De waren kunnen worden verbeurd verklaard.

Artikel 182

Bij veroordeeling wegens eenig in dezen Titel omschreven misdrijf, kan de schuldige worden ontzet van de uitoefening van het beroep waarin hij het misdrijf begaan heeft.

Bij veroordeeling wegens een der in de artikelen 180 en 181 omschreven misdrijven, kan de rechter de openbaarmaking zijner uitspraak gelasten.

Artikel 182a

  1. Indien op een misdrijf, strafbaar gesteld in de artikelen 163, 165, 166, 167, 167a, 168, 168a, 172, 174, 176, 178 en 180, een gevangenisstraf van minder dan vijftien jaar is gesteld en het is begaan met een terroristisch oogmerk, wordt de in dat artikel bepaalde tijdelijke gevangenisstraf met de helft verhoogd.

  2. Indien op een misdrijf, strafbaar gesteld in de artikelen genoemd in het eerste lid, een gevangenisstraf van vijftien jaar is gesteld en het is begaan met een terroristisch oogmerk, kan levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste vierentwintig jaren worden opgelegd.

Artikel 182b

De samenspanning tot de in de artikelen 163, 167, 167a, onderdelen 3° en 4°, 168, 168a, 172, 174, 176, 178 en 180 omschreven misdrijven, te begaan met een terroristisch oogmerk, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren.

Artikel 183

  1. Met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie wordt gestraft:

    1. hij die een ambtenaar een gift of belofte doet dan wel een dienst verleent of aanbiedt met het oogmerk om hem te bewegen in zijn bediening, in strijd met zijn plicht, iets te doen of na te laten;

    2. hij die een ambtenaar een gift of belofte doet dan wel een dienst verleent of aanbiedt ten gevolge of naar aanleiding van hetgeen door deze in zijn huidige of vroegere bediening, in strijd met zijn plicht, is gedaan of nagelaten.

  2. Met dezelfde straf wordt gestraft hij die een feit als in het eerste lid, onder 1°, omschreven, begaat jegens een persoon in het vooruitzicht van een aanstelling als ambtenaar, indien de aanstelling als ambtenaar is gevolgd.

  3. Ontzetting van de in artikel 32, onder 1° tot en met 4°, vermelde rechten kan worden uitgesproken.

  4. Indien het feit is gepleegd ten behoeve van een buitenlandse mogendheid wordt de op het feit gestelde gevangenisstraf met een derde verhoogd.

Artikel 183a

  1. Met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vijfde categorie wordt gestraft:

    1. hij die een ambtenaar een gift of belofte doet dan wel een dienst verleent of aanbiedt met het oogmerk om hem te bewegen in zijn bediening, zonder daardoor in strijd met zijn plicht te handelen, iets te doen of na te laten;

    2. hij die een ambtenaar een gift of belofte doet dan wel een dienst verleent of aanbiedt ten gevolge of naar aanleiding van hetgeen door deze in zijn huidige of vroegere bediening, zonder daardoor in strijd met zijn plicht te handelen, is gedaan of nagelaten.

  2. Met dezelfde straf wordt gestraft hij die een feit als in het eerste lid, onder 1°, omschreven, begaat jegens een persoon in het vooruitzicht van een aanstelling als ambtenaar, indien de aanstelling van ambtenaar is gevolgd.

  3. Ontzetting van de in artikel 32, onder 1° tot en met 4°, vermelde rechten kan worden uitgesproken.

  4. Indien het feit is gepleegd ten behoeve van een buitenlandse mogendheid wordt de op het feit gestelde gevangenisstraf met een derde verhoogd.

Artikel 184

  1. Hij die een rechter een gift of belofte doet dan wel een dienst verleent of aanbiedt met het oogmerk invloed uit te oefenen op de beslissing van een aan diens oordeel onderworpen zaak, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.

  2. Indien die gift of belofte gedaan wordt dan wel die dienst verleend of aangeboden wordt met het oogmerk om een veroordeling in een strafzaak te verkrijgen, wordt de schuldige gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren of geldboete van de vijfde categorie.

  3. Ontzetting van de in artikel 32, onder 1° tot en met 4°, vermelde rechten kan worden uitgesproken.

  4. Indien het feit is gepleegd ten behoeve van een buitenlandse mogendheid wordt de op het feit gestelde gevangenisstraf met een derde verhoogd.

Artikel 184a

  1. Met ambtenaren worden ten aanzien van de artikelen 183 en 183a gelijkgesteld personen in de openbare dienst van een vreemde staat of van een volkenrechtelijke organisatie.

  2. Met ambtenaren worden ten aanzien van de artikelen 183, eerste lid, onder 2°, en 183a, eerste lid, onder 2°, voormalige ambtenaren gelijkgesteld.

  3. Met rechter wordt ten aanzien van artikel 184 gelijkgesteld de rechter van een vreemde staat of van een volkenrechtelijke organisatie.

Artikel 185

Hij die door geweld of bedreiging met geweld een ambtenaar dwingt tot volvoeren eener ambtsverrichting of het nalaten eener rechtmatige ambtsverrichting, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren.

Artikel 186

Hij die zich met geweld of bedreiging met geweld verzet tegen een ambtenaar werkzaam in de rechtmatige uitoefening zijner bediening, of tegen personen die hem daarbij krachtens wettelijke verplichting of op zijn verzoek bijstand verleenen, wordt, als schuldig aan wederspannigheid, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de eerste categorie.

Artikel 187

De dwang en de wederspannigheid in de artikelen 185 en 186 omschreven worden gestraft:

  1. met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren, indien het misdrijf of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden eenig lichamelijk letsel ten gevolge hebben;

  2. met gevangenisstraf van ten hoogste zeven jaren en zes maanden, indien zij zwaar lichamelijk letsel ten gevolge hebben;

  3. met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren, indien zij den dood ten gevolge hebben.

Artikel 188

De dwang en de wederspannigheid in de artikelen 185 en 186 omschreven, door twee of meer personen met vereenigde krachten gepleegd, worden gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren.

De schuldige wordt gestraft:

  1. met gevangenisstraf van ten hoogste zeven jaren en zes maanden, indien het door hem gepleegde misdrijf of de daarbij door hem gepleegde feitelijkheden eenig lichamelijk letsel ten gevolge hebben;

  2. met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren, indien zij zwaar lichamelijk letsel ten gevolge hebben;

  3. met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren, indien zij den dood ten gevolge hebben.

Artikel 189

Met ambtenaren worden ten aanzien van de artikelen 185–189 gelijkgesteld de schipper of gezagvoerder van een luchtvaartuig die een bevoegdheid uitoefent of een verplichting vervult, welke hem als zodanig is toegekend of opgelegd bij een bepaling van het Wetboek van Strafvordering BES.

Artikel 190

Hij die opzettelijk niet voldoet aan een bevel of eene vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van eenig toezicht belast of door een ambtenaar belast met of bevoegd verklaard tot het opsporen of onderzoeken van strafbare feiten, alsmede hij die opzettelijk eenige handeling, door een dier ambtenaren ondernomen ter uitvoering van eenig wettelijk voorschrift, belet, belemmert of verijdelt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.

Met den in het eerste gedeelte van het vorige lid bedoelden ambtenaar wordt gelijkgesteld ieder die, krachtens wettelijk voorschrift, voortdurend of tijdelijk met eenigen openbaren dienst is belast.

Met een vordering of handeling als bedoeld in het eerste lid worden gelijkgesteld een vordering of handeling van de schipper of gezagvoerder van een luchtvaartuig die een bevoegdheid uitoefent of een verplichting vervult, welke hem als zodanig is toegekend of opgelegd bij een bepaling van het Wetboek van Strafvordering BES.

Indien tijdens het plegen van het misdrijf nog geen twee jaren zijn verloopen, sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens gelijk misdrijf onherroepelijk is geworden, kunnen de straffen met een derde worden verhoogd.

Artikel 190a

Met ambtenaren worden ten aanzien van de artikelen 185 tot en met 188, 190 en 191 gelijkgesteld personen in de openbare dienst van een vreemde staat of van een volkenrechtelijke organisatie die in de openbare lichamen op door het volkenrecht toegelaten wijze hun bediening uitoefenen.

Artikel 191

Hij die bij eene terechtzitting of ter plaatse waar een ambtenaar in het openbaar in de rechtmatige uitoefening zijner bediening werkzaam is, opschudding veroorzaakt en na het door of van wege het bevoegd gezag gegeven bevel zich niet verwijdert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee weken of geldboete van de eerste categorie.

Artikel 192

Hij die opzettelijk bij gelegenheid van een volksoploop zich niet onmiddellijk verwijdert na het derde door of van wege het bevoegd gezag gegeven bevel, wordt, als schuldig aan deelneming aan samenscholing, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.

Artikel 193

Hij die eene bekendmaking, van wege het bevoegd gezag in het openbaar gedaan, wederrechtelijk afscheurt, onleesbaar maakt of beschadigt, met het oogmerk om de kennisneming daarvan te beletten of te bemoeilijken, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste eene maand of geldboete van de eerste categorie.

Artikel 194

Hij die aangifte of klachte doet dat een strafbaar feit gepleegd is, wetende dat het niet gepleegd is, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar.

Artikel 195

  1. Met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de eerste categorie wordt gestraft:

    1. hij die opzettelijk iemand die schuldig is aan of vervolgd wordt ter zake van eenig misdrijf, verbergt of hem behulpzaam is in het ontkomen aan de nasporing van of aanhouding door de ambtenaren der justitie of politie;

    2. hij die nadat eenig misdrijf is gepleegd, met het oogmerk om het te bedekken of de nasporing of vervolging te beletten of te bemoeilijken, voorwerpen waarop of waarmede het misdrijf gepleegd is of andere sporen van het misdrijf vernietigt, wegmaakt, verbergt of aan het onderzoek van de ambtenaren der justitie of politie onttrekt;

    3. hij die opzettelijk voorwerpen die kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 38e aan te tonen, met het oogmerk om de inbeslagneming daarvan te beletten, te belemmeren of te verijdelen, verbergt, vernietigt, wegmaakt of aan het onderzoek van de ambtenaren van de politie of justitie onttrekt, dan wel door het opzettelijk verstrekken van gegevens of inlichtingen aan derden die inbeslagneming belet, belemmert of verijdelt.

  2. In het geval het misdrijf, bedoeld in het eerste lid, een terroristisch misdrijf betreft, kan gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie worden opgelegd.

  3. Deze bepalingen zijn niet van toepassing op hem die de daarin vermelde handelingen verricht ten einde gevaar van vervolging te ontgaan of af te wenden van een zijner bloedverwanten of aangehuwden in de rechte linie of in den tweeden of derden graad der zijlinie of van zijn echtgenoot of gewezen echtgenoot.

  4. Met ambtenaren van de justitie of politie worden gelijkgesteld: personen in de openbare dienst van een internationaal gerecht dat zijn rechtsmacht ontleent aan een verdrag waarbij het Koninkrijk partij is, die belast zijn met de opsporing of vervolging van enig misdrijf.

Artikel 196

Hij die opzettelijk eene gerechtelijke lijkschouwing belet, belemmert of verijdelt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de eerste categorie.

Artikel 196a

Hij die, na op openbaar gezag of krachtens rechterlijke uitspraak tijdelijk van zijn vrijheid te zijn beroofd, zich daaraan, al dan niet met behulp van derden, onttrekt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste tien jaren.

Artikel 197

Hij die opzettelijk iemand, op openbaar gezag of krachtens rechterlijke uitspraak of beschikking van de vrijheid beroofd, bevrijdt of bij zijne zelfbevrijding behulpzaam is, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren.

Artikel 198

Hij die, wettelijk als getuige, als deskundige of als tolk opgeroepen, opzettelijk niet voldoet aan eenige wettelijke verplichting die hij als zoodanig te vervullen heeft, wordt gestraft:

  1. in strafzaken met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden;

  2. in andere zaken met gevangenisstraf van ten hoogste vier maanden.

Met dezelfde straf als genoemd in het eerste lid, onder 2°, wordt degene bedreigd die opzettelijk of wederrechtelijk weigert de gevraagde medewerking, bedoeld in artikel 142, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES, te verlenen.

Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op de partij in een burgerlijke procedure die, wanneer zij als getuige wordt gehoord, weigert op de haar gestelde vragen te antwoorden.

Artikel 198a

Hij die opzettelijk niet voldoet aan de vordering van een parlementaire enquêtecommissie tot het hebben van inzage in of het nemen van afschrift van of het op andere wijze kennisnemen van documenten wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier maanden of geldboete van de tweede categorie.

Artikel 198b

Hij die opzettelijk niet voldoet aan een vordering van een parlementaire enquêtecommissie tot het verstrekken van schriftelijke inlichtingen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.

Artikel 198c

Hij die opzettelijk een parlementaire enquêtecommissie of door haar aangewezen personen belet, belemmert of verhindert een plaats te betreden, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.

Artikel 198d

De misdrijven genoemd in de artikelen 198 tot en met 198c worden niet vervolgd, indien zij zijn begaan door een lid van de Staten-Generaal, een minister of een staatssecretaris.

Artikel 199

Hij die opzettelijk niet voldoet aan een wettig bevel tot overlegging van een stuk hetwelk beweerd wordt valsch of vervalscht te zijn, of hetwelk dienen moet ter vergelijking met een ander waarvan de valschheid of vervalsching beweerd, of de echtheid ontkend of niet erkend wordt, wordt gestraft:

  1. in strafzaken met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden;

  2. in andere zaken met gevangenisstraf van ten hoogste vier maanden.

Artikel 200

Hij die, in staat van faillissement verklaard of als echtgenoot van een gefailleerde met wie hij in gemeenschap van goederen is gehuwd of als bestuurder of commissaris eener in staat van faillissement verklaarde vennootschap, maatschappij, vereniging of stichting, wettelijk opgeroepen tot het geven van inlichtingen, hetzij zonder geldige reden opzettelijk wegblijft, hetzij weigert de vereischte inlichtingen te geven, hetzij opzettelijk verkeerde inlichtingen geeft, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar.

Artikel 201

Hij die een recht uitoefent, wetende dat hij daarvan bij rechterlijke uitspraak is ontzet, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de tweede categorie.

Artikel 202

Hij die opzettelijk onderscheidingsteekenen draagt of eene daad verricht behoorende tot een ambt dat hij niet bekleedt of waarin hij geschorst is, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de eerste categorie.

Artikel 203

Een vreemdeling die in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba verblijft, terwijl hij weet of ernstige redenen heeft te vermoeden dat hij op grond van een wettelijke voorschrift ongewenst is verklaard, wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie.

Artikel 203a

  1. Hij die een ander behulpzaam is bij het zich verschaffen van toegang tot of doorreis door de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba of een staat die is toegetreden tot het op 15 november 2000 te New York totstandgekomen Protocol tegen de smokkel van migranten over land, over de zee en in de lucht, tot aanvulling van het op 15 november 2000 te New York totstandgekomen Verdrag tegen transnationale georganiseerde misdaad, of hem daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaft, terwijl hij weet of ernstige redenen heeft te vermoeden dat die toegang of doorreis wederrechtelijk is, wordt als schuldig aan mensensmokkel gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie.

  2. Hij die een ander uit winstbejag behulpzaam is bij het zich verschaffen van verblijf in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba of een staat die is toegetreden tot het in het eerste lid genoemde protocol, of hem daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaft, terwijl hij weet of ernstige redenen heeft te vermoeden dat dat verblijf wederrechtelijk is, wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie.

  3. Indien een van de feiten, omschreven in het eerste en tweede lid, wordt begaan in de uitoefening van enig ambt of beroep, wordt gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie opgelegd.

  4. Indien een van de feiten, omschreven in het eerste en tweede lid, wordt begaan door een persoon die daarvan een beroep of gewoonte maakt of in vereniging wordt begaan door meerdere personen, wordt gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren of geldboete van de vijfde categorie opgelegd.

  5. Indien een van de feiten, omschreven in het eerste en tweede lid, zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft of daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is, wordt gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren of geldboete van de vijfde categorie opgelegd.

  6. Indien een van de feiten, omschreven in het eerste en tweede lid, de dood ten gevolge heeft, wordt een gevangenisstraf van het hoogste vijftien jaren of geldboete van de vijfde categorie opgelegd.

Artikel 203b

Hij die een ander, die zich wederrechtelijk toegang tot of verblijf in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba heeft verschaft, krachtens overeenkomst of aanstelling arbeid doet verrichten, terwijl hij weet of ernstige redenen heeft om te vermoeden dat de toegang of dat verblijf wederrechtelijk is, wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de vijfde categorie.

Artikel 203c

Hij die van het in artikel 203a omschreven feit een beroep of gewoonte maakt wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie.

Artikel 203d

Bij veroordeling wegens een van de in de artikelen 203a en 203b omschreven misdrijven, kan de rechter de ontzetting uitspreken van de in artikel 32, onder 1° tot en met 4°, vermelde rechten.

Artikel 204

  1. Hij die opzettelijk eenig goed aan het krachtens de wet daarop gelegd beslag of aan een gerechtelijke bewaring onttrekt of, wetende dat het daaraan onttrokken is, het verbergt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren.

  2. Met dezelfde straf wordt gestraft hij die opzettelijk eenig krachtens de wet in beslag genomen goed vernielt, beschadigt onbruikbaar maakt.

  3. Met dezelfde straf wordt gestraft de bewaarder die opzettelijk een dezer feiten pleegt of toelaat, of de dader als medeplichtige ter zijde staat.

Artikel 205

Hij die opzettelijk zegels waarmede voorwerpen door of vanwege het bevoegd openbaar gezag verzegeld zijn, verbreekt, opheft of beschadigt, of de door zoodanig zegel bewerkte afsluiting op andere wijze verijdelt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren,

De bewaarder die opzettelijk het feit pleegt of toelaat, of den dader als medeplichtige ter zijde staat, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren.

Indien het feit ten gevolge van onachtzaamheid des bewaarders gepleegd is, wordt deze gestraft met hechtenis van ten hoogste eene maand of geldboete van de eerste categorie.

Artikel 206

  1. Hij die opzettelijk zaken, bestemd om voor de bevoegde macht tot overtuiging of bewijs te dienen, akten, bescheiden of registers die voortdurend of tijdelijk op openbaar gezag bewaard worden, of hetzij aan een ambtenaar, hetzij aan een ander in het belang van den openbaren dienst zijn ter hand gesteld, vernielt, beschadigt, onbruikbaar maakt of wegmaakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren.

  2. Onder bevoegde macht wordt mede verstaan: een internationaal gerecht dat zijn rechtsmacht ontleent aan een verdrag waarbij het Koninkrijk partij is.

Artikel 207

Hij die opzettelijk brieven of andere stukken, aan een post- of telegraafkantoor bezorgd of in eene postbus gestoken, aan hunne bestemming onttrekt, opent of beschadigt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar.

Artikel 208

Indien de schuldige aan een der in de artikelen 204–207 omschreven misdrijven zich den toegang tot de plaats van het misdrijf verschaft of het goed onder zijn bereik brengt door middel van braak, verbreking of inklimming, van valsche sleutels, van een valsche order of van een valsch kostuum, kan de straf met ten hoogste een jaar gevangenisstraf worden verhoogd.

Artikel 209

Hij die, in tijd van vrede, opzettelijk desertie van een krijgsman, in dienst van den Staat, uitlokt door een der in artikel 49 N°. 2 vermelde middelen, of bevordert op eenige in artikel 50 vermelde wijze, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden.

Artikel 210

Hij die, in tijd van vrede, opzettelijk oproer of muiterij van krijgslieden, in dienst van den Staat, uitlokt door een der in artikel 49 N°. 2 vermelde middelen, of bevordert op eenige in artikel 50 vermelde wijze, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren.

Artikel 211

  1. Hij die, zonder toestemming van de Koning, iemand voor vreemde krijgsdienst of gewapende strijd werft, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie.

  2. Indien de gewapende strijd waarvoor wordt geworven, het plegen van een terroristisch misdrijf inhoudt, wordt de gevangenisstraf, gesteld op het in het eerste lid omschreven feit, met een derde verhoogd.

Artikel 212

Met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren wordt gestraft:

  1. hij die zich opzettelijk voor den dienst bij de schutterij ongeschikt maakt of laat maken;

  2. hij die een ander op diens verzoek opzettelijk voor dien dienst ongeschikt maakt.

Indien in het laatste geval het feit den dood ten gevolge heeft, wordt gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren opgelegd.

Artikel 213

Hij die in de gevallen waarin een wettelijk voorschrift eene verklaring onder eede vordert of daaraan rechtsgevolgen verbindt, mondeling of schriftelijk, persoonlijk of door een bijzonder daartoe gemachtigde, opzettelijk eene valsche verklaring onder eede aflegt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren.

Indien de valsche verklaring onder eede is afgelegd in eene strafzaak ten nadeele van den beklaagde of verdachte, wordt de schuldige gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren.

Met den eed staat gelijk de belofte of bevestiging, die krachtens de wet voor den eed in de plaats treedt.

Ontzetting van de in artikel 32, N°. 1–4, vermelde rechten kan worden uitgesproken.

Artikel 213a

  1. Hij die in de gevallen waarin door of krachtens een verdrag waarbij het Koninkrijk partij is, een verklaring onder ede of onder een daarvoor in de plaats tredende bevestiging of belofte wordt gevorderd, voor een internationaal gerecht mondeling of schriftelijk, persoonlijk of door een bijzonder daartoe gemachtigde, opzettelijk een valse verklaring in die vorm aflegt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.

  2. De leden 2 en 4 van artikel 213 zijn van toepassing

Artikel 213b

  1. Hij die in de gevallen waarin door of krachtens een verdrag een verklaring onder ede of onder een daarvoor in de plaats tredende bevestiging of belofte wordt gevorderd, in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, per videoconferentie, voor een rechterlijke autoriteit van een andere staat mondeling, persoonlijk, opzettelijk een valse verklaring aflegt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.

  2. Artikel 213, tweede en vierde lid, is van toepassing.

  3. Geen vervolging vindt plaats dan op klacht van de rechterlijke autoriteit voor wie de valse verklaring werd afgelegd. Artikel 68 blijft met betrekking tot de in dit lid bedoelde klacht buiten toepassing.

Artikel 214

Hij die muntspeciën of munt- of bankbiljetten namaakt of vervalscht, met het oogmerk om die muntspeciën of munt- of bankbiljetten als echt en onvervalscht uit te geven of te doen uitgeven, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren.

Artikel 215

Hij die opzettelijk als echte en onvervalschte muntspeciën of munt- of bankbiljetten uitgeeft muntspeciën of munt- of bankbiljetten, die hij zelf heeft nagemaakt of vervalscht of waarvan de valschheid of vervalsching hem, toen hij ze ontving, bekend was, of deze, met het oogmerk om ze als echt en onvervalscht uit te geven of te doen uitgeven, ontvangt, zich verschaft, in voorraad heeft, vervoert, invoert, doorvoert of uitvoert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren.

Artikel 216

Hij die opzettelijk en wederrechtelijk muntspeciën of munt- of bankbiljetten welke bestemd zijn om als wettig betaalmiddel in omloop te worden gebracht, in omloop brengt of, teneinde ze in omloop te brengen, ontvangt, zich verschaft, in voorraad heeft, vervoert, invoert, doorvoert of uitvoert, wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie.

Artikel 219

Hij die opzettelijk valse of vervalste muntspeciën of valse of vervalste munt- of bankbiljetten uitgeeft, wordt, behoudens artikel 215, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaar of geldboete van de vierde categorie.

Artikel 220

Hij die stoffen, voorwerpen of gegevens vervaardigt, ontvangt, zich verschaft of voorhanden heeft waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het namaken of vervalsen van muntspeciën of van munt- of bankbiljetten, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie.

Artikel 220a

Bij veroordeeling wegens een der in dezen titel omschreven misdrijven worden:

  1. de valsche, vervalschte of geschonden muntspeciën,

  2. de valsche, of vervalschte munt- of bankbiljetten,

  3. de stoffen, voorwerpen of gegevens, uit hun aard bestemd tot het namaken, vervalschen of in waarde verminderen van muntspecien of het namaken of vervalschen van munt- of bankbiljetten,

  4. voor zoover daarmede met misdrijf is gepleegd of zij het voorwerp daarvan hebben uitgemaakt,

  5. verbeurdverklaard, ook indien zij niet aan den veroordeelde toebehooren.

Artikel 221

Bij veroordeeling wegens een der in de artikelen 214 tot en met 216 omschreven misdrijven, kan ontzetting van de in artikel 32, N°. 1–4, vermelde rechten worden uitgesproken.

Artikel 222

  1. Met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren wordt gestraft:

    1. hij die van rijkswege uitgegeven zegels namaakt of vervalscht, met het oogmerk om die zegels als echt en onvervalscht te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

    2. hij die, met gelijk oogmerk, zoodanige zegels vervaardigt door wederrechtelijk gebruik te maken van echte stempels.

  2. Het bepaalde in het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op zegels die krachtens de wet worden uitgegeven.

Artikel 223

Met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of een geldboete van de vierde categorie wordt gestraft:

  1. hij die op een aan ijk onderworpen meetinstrument valse merken plaatst of echte vervalst, met het oogmerk om die meetinstrumenten te gebruiken of door anderen te doen gebruiken alsof de daarop geplaatste merken echt en onvervalst waren;

  2. hij die, met gelijk oogmerk, op de bedoelde voorwerpen merken plaatst door wederrechtelijk gebruik te maken van echte stempels.

Artikel 224

Met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren wordt gestraft:

  1. hij die andere dan de in artikel 223 bedoelde merken, die krachtens wettelijk voorschrift op goederen of hunne verpakking moeten of kunnen worden geplaatst, daarop valschelijk plaatst of echte vervalscht, met het oogmerk om die goederen te gebruiken of door anderen te doen gebruiken alsof de daarop geplaatste merken echt en onvervalscht waren;

  2. hij die, met gelijk oogmerk, op de bedoelde goederen of hunne verpakking merken plaatst door wederrechtelijk gebruik te maken van echte stempels;

  3. hij die echte merken gebruikt voor goederen of hunne verpakking waarvoor die merken niet bestemd zijn, met het oogmerk om die goederen te gebruiken of door anderen te doen gebruiken alsof de bedoelde merken daarvoor bestemd waren.

Artikel 225

Hij die opzettelijk valsche, vervalschte of wederrechtelijk vervaardigde zegels, teekenen of merken, of de voorwerpen waaraan zij wederrechtelijk verbonden zijn, gebruikt, verkoopt, te koop aanbiedt, aflevert, ten verkoop in voorraad heeft of binnen de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba invoert, als waren die zegels, teekenen of merken echt en onvervalscht en niet wederrechtelijk vervaardigd of wederrechtelijk aan de voorwerpen verbonden, wordt gestraft met dezelfde straffen als in de artikelen 222–224 zijn bepaald, naar de daar gemaakte onderscheidingen.

Artikel 226

  1. Hij die een aan ijk onderworpen meetinstrument ontdoet van het daarop geplaatste afkeuringsmerk, met het oogmerk om die voorwerpen te gebruiken of door anderen te doen gebruiken als waren zij niet afgekeurd, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of een geldboete van de derde categorie.

  2. Met dezelfde straf wordt gestraft hij die opzettelijk deze van dat afkeuringsmerk ontdane meetinstrumenten gebruikt, verkoopt, te koop aanbiedt, aflevert, ten verkoop in voorraad heeft, als waren zij niet afgekeurd.

Artikel 227

Hij die van rijkswege uitgegeven zegels, welke reeds tot gebruik hebben gediend, ontdoet van het merk bestemd om ze voor verder gebruik ongeschikt te maken, met het oogmerk om die zegels te gebruiken of door anderen te doen gebruiken als waren zij nog niet gebruikt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete van de eerste categorie.

Met dezelfde straffen wordt gestraft hij die opzettelijk deze van dat merk ontdane zegels gebruikt, verkoopt, te koop aanbiedt, aflevert, ten verkoop in voorraad heeft of binnen de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba invoert, als waren zij nog niet gebruikt.

Artikel 227bis

De bepalingen van de artikelen 222, 224, 225 en 227 zijn naar de daar gemaakte onderscheidingen mede van toepassing, indien de daarin omschreven feiten worden gepleegd met betrekking tot zegels of merken van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten, een buitenlandse mogendheid of een volkenrechtelijke organisatie.

Artikel 228

Hij die stoffen of voorwerpen voorhanden heeft waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van eenig in artikel 222 of in artikel 227bis in verband met artikel 222 omschreven misdrijf, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de eerste categorie.

De stoffen en voorwerpen worden verbeurd verklaard.

Artikel 229

Bij veroordeeling wegens een der in de artikelen 222–227bis omschreven misdrijven, kan ontzetting van de in artikel 32, N°. 1–4, vermelde rechten worden uitgesproken.

Artikel 230

  1. Hij die een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk opmaakt of vervalst, met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, wordt als schuldig aan valsheid in geschrift gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.

  2. Met dezelfde straf wordt gestraft hij die opzettelijk gebruik maakt van het valse of vervalste geschrift als ware het echt en onvervalst dan wel opzettelijk zodanig geschrift aflevert of voorhanden heeft, terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat dit geschrift bestemd is voor zodanig gebruik.

  3. Indien een feit, omschreven in het eerste of tweede lid, wordt gepleegd met het oogmerk om een terroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken, wordt de op het feit gestelde gevangenisstraf met een derde verhoogd.

Artikel 231

De schuldige aan valschheid in geschrifte wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zeven jaren, indien zij gepleegd is:

  1. in authentieke akten;

  2. in schuldbrieven of certificaten van schuld van eenigen Staat, enig eilandgebied, eenige provincie, gemeente of openbare instelling;

  3. in aandeelen of schuldbrieven of certificaten van aandeel of schuld van eenige vereniging, stichting of vennootschap;

  4. in talons, dividend-, of rentebewijzen behoorende tot een der onder de beide voorgaande nummers omschreven stukken, of in de bewijzen in plaats van deze stukken uitgegeven;

  5. in voor omloop bestemd krediet- of handelspapier.

Met dezelfde straf wordt gestraft hij die opzettelijk gebruik maakt van eenig in het eerste lid vermeld valsch of vervalscht geschrift als ware het echt en onvervalscht, indien uit dat gebruik eenig nadeel kan ontstaan.

Artikel 231a

Hij die enig geschrift valselijk opmaakt of vervalst met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, wordt, indien uit dat gebruik aanranding van iemands eer of goede naam kan ontstaan, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren.

Met dezelfde straf wordt gestraft hij die opzettelijk gebruik maakte van het valse of vervalste geschrift als ware het echt en onvervalst, indien uit dat gebruik aanranding van iemands eer of goede naam kan ontstaan.

Artikel 232

Hij die in eene authentieke akte een valsche opgave doet opnemen aangaande een feit, van welks waarheid de akte moet doen blijken, met het oogmerk om die akte te gebruiken of door anderen te doen gebruiken als ware zijne opgave in overeenstemming met de waarheid, wordt, indien uit dat gebruik eenig nadeel kan ontstaan, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren.

Met dezelfde straf wordt gestraft hij die opzettelijk gebruik maakt van de akte als ware de inhoud in overeenstemming met de waarheid, indien uit dat gebruik eenig nadeel kan ontstaan.

Artikel 232a

Hij die, anders dan door valsheid in geschrift, opzettelijk niet naar waarheid gegevens verstrekt aan degene door wie of door wiens tussenkomst enige verstrekking of tegemoetkoming wordt verleend, wordt, indien het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl hij weet of redelijkerwijze moet vermoeden dat de verstrekte gegevens van belang zijn voor de vaststelling van zijn of eens anders recht op die verstrekking of tegemoetkoming dan wel voor de hoogte of de duur van een dergelijke verstrekking of tegemoetkoming, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie.

Artikel 232b

Hij die, in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, opzettelijk nalaat tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, wordt, indien het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl hij weet of redelijkerwijze moet vermoeden dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van zijn of eens anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming dan wel voor de hoogte of de duur van een dergelijke verstrekking of tegemoetkoming, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie.

Artikel 233

De geneeskundige of verloskundige die opzettelijk een valse verklaring afgeeft nopens een geboorte, een oorzaak van overlijden dan wel nopens het al of niet bestaan of bestaan hebben van ziekten, zwakheden of gebreken, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren.

Indien de verklaring wordt afgegeven met het oogmerk om iemand in een psychiatrisch ziekenhuis te doen opnemen of terughouden, wordt gevangenisstraf van ten hoogste zeven jaren en zes maanden opgelegd.

Met dezelfde straffen wordt gestraft hij die opzettelijk van de valsche verklaring gebruik maakt als ware de inhoud in overeenstemming met de waarheid.

Artikel 234

Hij die eene schriftelijke geneeskundige verklaring nopens het al of niet bestaan of bestaan hebben van ziekten, zwakheden of gebreken valschelijk opmaakt of vervalscht, met het oogmerk om het openbaar gezag of verzekeraars te misleiden, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren.

Met dezelfde straf wordt gestraft hij die, met gelijk oogmerk, van de valsche of vervalschte verklaring gebruik maakt als ware zij echt en onvervalscht.

Artikel 235

Hij die een getuigschrift van goed gedrag, bekwaamheid, armoede, gebreken of andere omstandigheden valschelijk opmaakt of vervalscht, met het oogmerk om het te gebruiken of door anderen te doen gebruiken tot het verkrijgen van eene indienststelling of tot het opwekken van welwillendheid en hulpbetoon, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar.

Met dezelfde straf wordt gestraft hij die opzettelijk gebruik maakt van eenig in het eerste lid vermeld valsch of vervalscht getuigschrift als ware het echt en onvervalscht.

Artikel 236

  1. Hij die een reisdocument, een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 2 van de Wet identificatieplicht BES of een ander identiteitsbewijs dat afgegeven is door een dienst of organisatie van vitaal of nationaal belang, valselijk opmaakt of vervalst, of een zodanig geschrift op grond van valse gegevens doet verstrekken dan wel een zodanig geschrift dat aan hem of een ander verstrekt is, ter beschikking stelt van een derde met het oogmerk het door deze te doen gebruiken als ware het aan hem verstrekt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.

  2. Met dezelfde straf wordt gestraft hij die een reisdocument of een identiteitsbewijs als bedoeld in het eerste lid aflevert of voorhanden heeft waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat het vals of vervalst is, dan wel opzettelijk gebruik maakt van een vals of vervalst reisdocument of identiteitsbewijs als bedoeld in het eerste lid. Met dezelfde straf wordt gestraft hij die opzettelijk en wederrechtelijk gebruik maakt van een bij het bevoegd gezag als vermist opgegeven of een niet op zijn naam gesteld reisdocument of identiteitsbewijs als bedoeld in het eerste lid.

  3. Artikel 230, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 236a

  1. Hij die biometrische kenmerken of biometrische persoonsgegevens valselijk opmaakt of vervalst met het oogmerk om deze als echt en onvervalst te gebruiken of te doen gebruiken in gevallen waarin die kenmerken of persoonsgegevens worden gebruikt voor het vaststellen van iemands identiteit, teneinde zijn identiteit te verhelen of de identiteit van een ander te verhelen of misbruiken, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.

  2. Met dezelfde straf wordt gestraft hij die in gevallen waarin biometrische kenmerken of biometrische persoonsgegevens worden gebruikt voor het vaststellen van iemands identiteit, opzettelijk gebruik maakt van valse of vervalste biometrische kenmerken of biometrische persoonsgegevens als waren deze echt en onvervalst met het oogmerk om zijn identiteit te verhelen of de identiteit van een ander te misbruiken of opzettelijk gebruik maakt van biometrische kenmerken of biometrische persoonsgegevens van een ander met het oogmerk om de verdenking van een strafbaar feit op de ander of niet op hem te doen ontstaan.

  3. Artikel 230, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 236b

Hij die opzettelijk en wederrechtelijk identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische persoonsgegevens, van een ander gebruikt met het oogmerk om zijn identiteit te verhelen of de identiteit van de ander te verhelen of misbruiken, waardoor uit dat gebruik enig nadeel kan ontstaan, wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren of geldboete van de vijfde categorie.

Artikel 237

  1. Hij die opzettelijk een betaalpas, waardekaart, enige andere voor het publiek beschikbare kaart of een voor het publiek beschikbare drager van identificerende persoonsgegevens, bestemd voor het verrichten of verkrijgen van betalingen of andere prestaties langs geautomatiseerde weg, valselijk opmaakt of vervalst, met het oogmerk zichzelf of een ander te bevoordelen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vierde categorie.

  2. Met dezelfde straf wordt gestraft hij die opzettelijk gebruik maakt van de valse of vervalste pas of kaart als ware deze echt en onvervalst, dan wel opzettelijk zodanige pas of kaart aflevert, voorhanden heeft, ontvangt, zich verschaft, vervoert, verkoopt of overdraagt, terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de pas of kaart bestemd is voor zodanig gebruik.

Artikel 239

  1. Hij die stoffen, voorwerpen of gegevens vervaardigt, ontvangt, zich verschaft, verkoopt, overdraagt of voorhanden heeft waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van een der in de artikelen 231, 236, eerste lid, 236a, eerste lid, 236b en 237, eerste lid, omschreven misdrijven, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie.

  2. Artikel 230, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 240

Bij veroordeeling wegens een der in artikelen 230–234 omschreven misdrijven, kan ontzetting van de in artikel 32, N°. 1–4, vermelde rechten worden uitgesproken.

Artikel 241

Hij die door eenige handeling opzettelijk eens anders afstamming onzeker maakt, wordt als schuldig aan verduistering van staat, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren.

Ontzetting van de in artikel 32, N°. 1–4, vermelde rechten kan worden uitgesproken.

Vervolging heeft niet plaats dan nadat een verzoek tot inroeping of tot betwisting van staat is gedaan en de burgerlijke rechter daarop een eindbeslissing heeft gegeven. Indien het verzoek echter door het stilzitten van partijen onvoldoende voortgang vindt, kan vervolging ook plaats hebben nadat de burgerlijke rechter heeft beslist dat er een begin van bewijs is.

Artikel 242

Met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren wordt gestraft:

  1. hij die opzettelijk een dubbel huwelijk aangaat;

  2. hij die een huwelijk aangaat, wetende dat de wederpartij daardoor een dubbel huwelijk aangaat.

Indien hij die opzettelijk een dubbel huwelijk aangaat, aan de wederpartij zijn gehuwden staat heeft verzwegen, wordt hij gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren.

Ontzetting van de in artikel 32, N°. 1–4, vermelde rechten kan worden uitgesproken.

Artikel 243

De ongehuwde die een huwelijk aangaat, opzettelijk aan de wederpartij verzwijgende dat daartegen eenig wettig beletsel bestaat, wordt, indien op grond van dat beletsel de nietigheid van het huwelijk is uitgesproken, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren.

Artikel 244

Met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie wordt gestraft schennis van de eerbaarheid:

  1. op of aan een plaats, voor het openbaar verkeer bestemd;

  2. op een andere dan onder 1° bedoelde openbare plaats, toegankelijk voor personen beneden de leeftijd van zestien jaar;

  3. op een niet openbare plaats, indien een ander daarbij zijns ondanks tegenwoordig is.

Artikel 245

Met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie wordt gestraft hij die weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat een afbeelding of voorwerp aanstotelijk voor de eerbaarheid is en die afbeelding of dat voorwerp:

  1. op of aan een plaats, voor het openbaar verkeer bestemd, openlijk tentoonstelt of aanbiedt;

  2. aan iemand, anders dan op diens verzoek, toezendt.

Artikel 246

Met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie wordt gestraft hij die een afbeelding, een voorwerp of een gegevensdrager, bevattende een afbeelding waarvan de vertoning schadelijk is te achten voor personen beneden de leeftijd van zestien jaar, verstrekt, aanbiedt of vertoont aan een minderjarige van wie hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, dat deze jonger is dan zestien jaar.

Artikel 246bis

  1. Met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie wordt gestraft degene die een afbeelding – of een gegevensdrager, bevattende een afbeelding – van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, verspreidt, aanbiedt, openlijk tentoonstelt, vervaardigt, invoert, doorvoert, uitvoert, verwerft, in bezit heeft of zich door middel van een geautomatiseerd werk of met gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang daartoe verschaft.

  2. Met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie wordt gestraft degene die van het plegen van een van de misdrijven, omschreven in het eerste lid, een beroep of een gewoonte maakt.

Artikel 248

Hij die door geweld of een andere feitelijkheid of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid iemand dwingt tot het ondergaan van handelingen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, wordt als schuldig aan verkrachting gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier en twintig jaren.

Artikel 249

Hij die met iemand van wie hij weet dat hij in staat van bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeert, dan wel aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens lijdt dat hij niet of onvolkomen in staat is zijn wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden, handelingen pleegt die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zestien jaren.

Artikel 250

Hij die met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen pleegt die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier en twintig jaren.

Artikel 251

  1. Hij die met iemand die wel de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt ontuchtige handelingen pleegt, die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zestien jaren.

  2. Het openbaar ministerie stelt alvorens tot vervolging over te gaan de minderjarige, zo dit mogelijk is, in de gelegenheid zijn mening over de wenselijkheid van een vervolging voor het gepleegde feit kenbaar te maken.

Artikel 252

Hij die door geweld of een andere feitelijkheid of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid iemand dwingt tot het plegen of dulden van ontuchtige handelingen, wordt, als schuldig aan feitelijke aanranding van de eerbaarheid, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zestien jaren.

Artikel 253

  1. Hij die met iemand van wie hij weet dat hij in staat van bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeert, dan wel aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens lijdt dat hij niet of onvolkomen in staat is zijn wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden, of met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen pleegt of laatstgemelde tot het plegen of dulden van zodanige handelingen buiten echt met een derde verleidt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren.

  2. Indien het misdrijf van het vorige lid gepleegd is ten aanzien van een minderjarige die twaalf jaar of ouder is, stelt het openbaar ministerie alvorens tot vervolging over te gaan de minderjarige, zo dit mogelijk is, in de gelegenheid zijn mening over de wenselijkheid van een vervolging voor het gepleegde feit kenbaar te maken.

Artikel 254

  1. De in de artikelen 246bis, 248 tot en met 253, 256 tot en met 256d, 257 en 258 bepaalde gevangenisstraffen kunnen met een derde worden verhoogd, indien het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

  2. De in de artikelen 246bis, 248 tot en met 253, 256 tot en met 256d, 257 en 258 bepaalde gevangenisstraffen kunnen met een derde worden verhoogd, indien de schuldige het feit begaat tegen zijn kind, een kind over wie hij het gezag uitoefent, een kind dat hij verzorgt of opvoedt als behorend tot zijn gezin, zijn pupil, een aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige of zijn minderjarige bediende of ondergeschikte.

  3. Indien een der in de artikelen 249 en 251–253 omschreven misdrijven zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft, wordt gevangenisstraf van ten hoogste vier en twintig jaren opgelegd.

  4. Indien een der in de artikelen 248–253 omschreven misdrijven den dood ten gevolge heeft, wordt levenslange gevangenisstraf dan wel een tijdelijke gevangenisstraf van ten hoogste vier en twintig jaren opgelegd.

Artikel 256

Hij die door giften of beloften van geld of goed, misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht of misleiding een persoon waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat deze de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, opzettelijk beweegt ontuchtige handelingen met hem te plegen of zoodanige handelingen van hem te dulden, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren.

Artikel 256a

Hij die ontucht pleegt met iemand die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling en die de leeftijd van zestien jaren maar nog niet de leeftijd van achttien jaren heeft bereikt, wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vierde categorie.

Artikel 256b

Hij die opzettelijk aanwezig is bij het plegen van ontuchtige handelingen door een persoon waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat deze de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt dan wel bij het vertonen van afbeeldingen van dergelijke handelingen in een daarvoor bestemde gelegenheid, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vierde categorie.

Artikel 256c

  1. Hij die een persoon van wie hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat deze de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, met ontuchtig oogmerk ertoe beweegt getuige te zijn van seksuele handelingen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.

  2. Artikel 251, tweede lid, is van toepassing.

Artikel 256d

  1. Hij die door middel van een geautomatiseerd werk of met gebruikmaking van een communicatiedienst een persoon van wie hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat deze de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, een ontmoeting voorstelt met het oogmerk ontuchtige handelingen met die persoon te plegen of een afbeelding van een seksuele gedraging waarbij die persoon is betrokken, te vervaardigen wordt, indien hij enige handeling onderneemt gericht op het verwezenlijken van die ontmoeting, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.

  2. Artikel 251, tweede lid, is van toepassing.

Artikel 257

Hij die ontucht pleegt met zijn minderjarig kind, stiefkind of pleegkind, zijn pupil, een aan zijne zorg, opleiding of waakzaamheid toevertrouwden minderjarige of zijn minderjarige bediende of ondergeschikte, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren.

Met dezelfde straf wordt gestraft:

  1. de ambtenaar die ontucht pleegt met een persoon aan zijn gezag onderworpen of aan zijne waakzaamheid toevertrouwd of aanbevolen;

  2. de bestuurder, geneeskundige, onderwijzer, beambte, opzichter of bediende in een gevangenis, tuchtschool, opvoedingsgesticht, weeshuis, ziekenhuis, psychiatrisch ziekenhuis of instelling van weldadigheid, die ontucht pleegt met een persoon daarin opgenomen;*

  3. Degene die, werkzaam in de gezondheidszorg of maatschappelijke zorg, ontucht pleegt met iemand die zich als patiënt of cliënt aan zijn hulp of zorg heeft toevertrouwd.

Artikel 258

Wordt gestraft:

  1. met gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren, hij die het plegen van ontucht door zijn minderjarig kind, stiefkind of pleegkind, zijn pupil, een aan zijne zorg, opleiding of waakzaamheid toevertrouwenden minderjarige of zijn minderjarige bediende of ondergeschikte met een derde opzettelijk teweegbrengt of bevordert;

  2. met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren, hij die, buiten de gevallen genoemd onder 1°., het plegen van ontucht door een minderjarige wiens minderjarigheid hij kent of redelijkerwijze moet vermoeden, met een derde opzettelijk teweegbrengt of bevordert.

Indien de schuldige van het plegen van het misdrijf een beroep of eene gewoonte maakt, kunnen de straffen met een derde worden verhoogd.

Artikel 259

Hij die van het opzettelijk teweegbrengen of bevorderen van ontucht door anderen met derden een beroep of eene gewoonte maakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de tweede categorie.

Artikel 261

Bij veroordeeling wegens een der in de artikelen 244, 248–253 en 255 tot en met 259 omschreven misdrijven, kan ontzetting van de in artikel 32, no. 1–4, vermelde rechten worden uitgesproken.

Indien de schuldige aan een der misdrijven in de artikelen 255 tot en met 259 omschreven het misdrijf in zijn beroep begaat, kan hij van de uitoefening van dat beroep worden ontzet.

Artikel 263

Met gevangenisstraf van ten hoogste negen maanden of geldboete van de derde categorie wordt gestraft:

  1. hij die aan iemand die in kenlijken staat van dronkenschap verkeert bedwelmenden drank verkoopt of toedient;

  2. hij die een kind beneden den leeftijd van zestien jaren opzettelijk dronken maakt;

  3. hij die iemand door geweld of bedreiging met geweld dwingt tot het gebruik van bedwelmenden drank.

Indien het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft, wordt de schuldige gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren.

Indien het feit den dood ten gevolge heeft, wordt hij gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren.

Indien de schuldige het misdrijf in zijn beroep begaat, kan hij van de uitoefening van dat beroep worden ontzet.

Artikel 264

Hij die een onder zijn wettig gezag staand kind beneden den leeftijd van twaalf jaren aan een ander afstaat of overlaat, wetende dat het tot of bij het uitoefenen van bedelarij, van gevaarlijke kunstverrichtingen of van gevaarlijken of de gezondheid ondermijnenden arbeid zal worden gebruikt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren.

Artikel 265

Met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de tweede categorie wordt gestraft:

  1. hij die, zonder redelijk doel of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar is, opzettelijk een dier pijn of letsel veroorzaakt of de gezondheid van een dier benadeelt;

  2. hij die zonder redelijk doel of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar is, opzettelijk aan een dier, dat geheel of ten dele aan hem toebehoort en onder zijn toezicht staat of aan een dier, tot welks verzorging hij verplicht is, de nodige verzorging onthoudt.

Het dier kan, indien het de schuldige toebehoort, worden verbeurdverklaard.

Indien tijdens het plegen van het misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen, sedert een vroegere veroordeling van de schuldige wegens een der strafbare feiten omschreven in dit artikel of in artikel 477, onherroepelijk is geworden, kan gevangenisstraf van ten hoogste een jaar worden opgelegd.

Artikel 266

  1. Met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de derde categorie wordt gestraft hij, die anders dan krachtens vergunning ingevolge artikel 1 van de Wet hazardspelen BES I:

    1. het opzettelijk aanbieden of geven van gelegenheid tot hazardspel als bedrijf uitoefent of opzettelijk in een onderneming daartoe deelneemt;

    2. opzettelijk het publiek gelegenheid tot hazardspel aanbiedt of geeft, of opzettelijk in een onderneming daartoe deelneemt, onverschillig of het gebruik maken van die gelegenheid al dan niet van enige voorwaarde of van de inachtneming van enige vorm afhankelijk is gesteld;

    3. het deelnemen aan hazardspel als bedrijf uitoefent.

  2. Indien de schuldige het misdrijf in zijn beroep begaat, kan hij van de uitoefening van dat beroep worden ontzet.

  3. Onder hazardspel wordt verstaan elk spel, waarbij in het algemeen de kans op winst van het toeval afhangt, ook wanneer die kans toeneemt met de meerdere geoefendheid of de grootere behendigheid van den speler. Daaronder worden begrepen alle kansovereenkomsten over den uitslag van wedstrijden of verdere spelen, welke niet tusschen hen die daaraan deelnemen zijn gesloten, zoomede alle weddenschappen. Daaronder worden niet begrepen loterijen naar de daarvan bij het eerste lid van artikel 1 Loterijwet BES gegeven omschrijving.

Artikel 267

Hij die opzettelijk iemand tot wiens onderhoud, verpleging of verzorging hij krachtens wet of eene overeenkomst verplicht is, in een hulpeloozen toestand brengt of laat, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de eerste categorie.

Artikel 268

Hij die een kind beneden den leeftijd van zeven jaren te vondeling legt of, met het oogmerk om er zich van te ontdoen, verlaat, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren en zes maanden.

Artikel 269

Indien een der in de artikelen 267 en 268 omschreven feiten zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft, wordt de schuldige gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zeven jaren en zes maanden.

Indien een dezer feiten den dood ten gevolge heeft, wordt hij gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren.

Artikel 270

Indien de schuldige aan het in artikel 268 omschreven misdrijf de vader of de moeder is, kunnen te zijnen aanzien de in de artikelen 268 en 269 bepaalde straffen met een derde worden verhoogd.

Artikel 271

Indien de moeder, onder de werking van vrees voor de ontdekking van hare bevalling, haar kind kort na de geboorte te vondeling legt of, met het oogmerk om er zich van te ontdoen, verlaat, wordt het maximum der in de artikelen 268 en 269 vermelde straffen tot de helft verminderd.

Artikel 272

Bij veroordeeling wegens een der in de artikelen 268–271 omschreven misdrijven kan ontzetting van de in artikel 32 N°. 4 vermelde rechten worden uitgesproken.

Artikel 272bis

Hij, die bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak veroordeeld zijnde om aan iemand levensonderhoud te verschaffen of om een bepaald bedrag te betalen voor de verzorging en de opvoeding van een minderjarige kind, hiermede opzettelijk geheel of gedeeltelijk in gebreke is gebleven gedurende een tijdsverloop van twee maanden, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of met geldboete van de eerste categorie.

Artikel 272ter

Hij, aan wiens schuld te wijten is, dat hij, bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak veroordeeld zijnde om aan iemand levensonderhoud te verschaffen of om een bepaald bedrag te betalen voor de verzorging en de opvoeding van een minderjarig kind, hiermede geheel of gedeeltelijk in gebreke is gebleven gedurende een tijdsverloop van twee maanden, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste zes maanden of met geldboete van de eerste categorie.

Artikel 273

  1. Hij die opzettelijk iemands eer of goeden naam aanrandt door telastlegging van een bepaald feit, met het kennelijk doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, wordt, als schuldig aan smaad, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de eerste categorie.

  2. Indien dit geschiedt door middel van geschriften of afbeeldingen, verspreid, openlijk ten toon gesteld of aangeslagen, wordt de dader, als schuldig aan smaadschrift, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de eerste categorie.

  3. Noch smaad, noch smaadschrift bestaat voor zoover de dader klaarblijkelijk heeft gehandeld in het algemeen belang of tot noodzakelijke verdediging.

Artikel 274

Hij die het misdrijf van smaad of smaadschrift pleegt ingeval het bewijs der waarheid van het te laste gelegde feit is toegelaten, wordt, indien hij dat bewijs niet levert en de telastlegging tegen beter weten is geschied, als schuldig aan laster, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren.

Artikel 275

Het bewijs der waarheid van het te laste gelegde feit wordt alleen toegelaten in de volgende gevallen:

  1. wanneer de rechter het onderzoek naar de waarheid noodig acht ter beoordeling van de bewering van den beklaagde dat hij in het algemeen belang of tot noodzakelijke verdediging gehandeld heeft;

  2. wanneer aan een ambtenaar een feit begaan in de uitoefening zijner bediening wordt te laste gelegd.

Artikel 276

Het in artikel 275 bedoeld bewijs is niet toegelaten, indien het te laste gelegde feit niet dan op klachte kan worden vervolgd en geene klachte is gedaan.

Artikel 277

Indien de beleedigde aan het te laste gelegde feit bij rechterlijk gewijsde onherroepelijk is schuldig verklaard, is veroordeeling wegens laster uitgesloten.

Indien hij van het te laste gelegde feit bij rechterlijk gewijsde onherroepelijk is vrijgesproken, wordt dat gewijsde als volkomen bewijs der onwaarheid van het feit aangemerkt.

Indien tegen den beleedigde wegens het hem te laste gelegde feit eene strafvervolging is aangevangen, wordt de vervolging wegens laster geschorst totdat bij gewijsde onherroepelijk over het te laste gelegde feit is beslist.

Artikel 278

Elke opzettelijke beleediging die niet het karakter van smaad of smaadschrift draagt, iemand hetzij in het openbaar mondeling of bij geschrifte, hetzij in zijne tegenwoordigheid mondeling of door feitelijkheden, hetzij door toegezonden of aangeboden geschrift, aangedaan, wordt, als eenvoudige beleediging, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de eerste categorie.

Artikel 279

De in de voorgaande artikelen van deze titel bepaalde straffen kunnen met een derde worden verhoogd, indien de belediging wordt aangedaan aan:

  1. de Koning, de echtgenoot van de Koning, de vermoedelijke opvolger van de Koning, diens echtgenoot, of de Regent;

  2. een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, met uitzondering van leden van algemeen vertegenwoordigende lichamen.

Artikel 280

Hij die opzettelijk tegen een bepaald persoon bij de overheid een valsche klacht of aangifte schriftelijk inlevert of in geschrift doet brengen, waardoor de eer of goede naam van dien persoon wordt aangerand, wordt, als schuldig aan lasterlijke aanklacht, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren.

Artikel 281

Hij die opzettelijk door eenige handeling een ander valschelijk onder verdenking brengt eenig strafbaar feit te hebben gepleegd, wordt, als schuldig aan lasterlijke verdachtmaking, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren.

Artikel 282

  1. Belediging, strafbaar krachtens deze titel, wordt niet vervolgd dan op klacht van hem tegen wie het misdrijf is gepleegd.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing op de gevallen voorzien in artikel 279.

  3. Het eerste lid is tevens niet van toepassing in geval van belediging van leden van algemeen vertegenwoordigende lichamen.

Artikel 283

Hij die ten aanzien van een overledene een feit pleegt dat, ware deze nog in leven, als smaadschrift of smaad zou zijn gekenmerkt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de eerste categorie.

Dit misdrijf wordt niet vervolgd dan op klachte hetzij van een der bloedverwanten of aangehuwden van den overledene in de rechte linie of zijlinie tot den tweeden graad, hetzij van zijn echtgenoot.

Artikel 284

  1. Hij die een geschrift of afbeelding van beleedigenden of voor een overledene smadelijken inhoud, met het oogmerk om aan den beleedigenden of smadelijken inhoud ruchtbaarheid te geven of de ruchtbaarheid daarvan te vermeerderen, verspreidt, openlijk ten toon stelt of aanslaat, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste eene maand of geldboete van de eerste categorie.

  2. Dit misdrijf wordt niet vervolgd dan op klachte van de in artikel 282 en het tweede lid van artikel 283 aangewezen personen.

Artikel 284a

Bij veroordeeling wegens een der misdrijven, omschreven in de artikelen 274, 280, 281 en 284, kan ontzetting van de in artikel 32 vermelde rechten worden uitgesproken.

Artikel 285

Hij die opzettelijk eenig geheim, hetwelk hij, uit hoofde van zijn hetzij tegenwoordig hetzij vroeger ambt of beroep, verplicht is te bewaren, bekend maakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de tweede categorie.

Indien dit misdrijf tegen een bepaald persoon gepleegd is, wordt het slechts vervolgd op diens klachte.

Indien het feit is gepleegd ten behoeve van een buitenlandse mogendheid wordt de op het feit gestelde gevangenisstraf met een derde verhoogd.

Artikel 286

  1. Met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie wordt gestraft hij die opzettelijk

    1. aangaande een onderneming van handel, nijverheid of dienstverlening bij welke hij werkzaam is of is geweest, bijzonderheden waarvan hem geheimhouding is opgelegd, bekend maakt of

    2. gegevens die door misdrijf zijn verkregen uit een geautomatiseerd werk van een onderneming van handel, nijverheid of dienstverlening en die betrekking hebben op deze onderneming, bekend maakt of uit winstbejag gebruikt, indien deze gegevens ten tijde van de bekendmaking of het gebruik niet algemeen bekend waren en daaruit enig nadeel kan ontstaan.

  2. Niet strafbaar is hij die te goeder trouw heeft kunnen aannemen dat het algemeen belang de bekendmaking vereiste.

  3. Geen vervolging heeft plaats dan op klacht van het bestuur van de onderneming.

  4. Indien het feit is gepleegd ten behoeve van een buitenlandse mogendheid wordt de op het feit gestelde gevangenisstraf met een derde verhoogd.

Artikel 286a

De persoon werkzaam bij enige instelling van vervoer die een aan zodanige instelling toevertrouwde brief, gesloten stuk of pakket opzettelijk en wederrechtelijk opent, daarvan inzage neemt of de inhoud aan een ander bekendmaakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar en zes maanden of geldboete van de vierde categorie.

Artikel 286b

  1. De persoon werkzaam bij enige openbare instelling van vervoer die een aan zodanige instelling toevertrouwde brief, briefkaart, stuk of pakket opzettelijk aan een ander dan de rechthebbende afgeeft, vernietigt, wegmaakt, zich toeeigent, of de inhoud wijzigt of enig daarin gesloten voorwerp zich toeeigent, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie.

  2. Indien zodanig stuk of voorwerp geldswaarde heeft, wordt de toe-eigening gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vierde categorie.

Artikel 286c

De persoon belast met de dienst van een ten algemenen nutte gebezigde telegraafinrichting wordt gestraft:

  1. met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar en zes maanden of geldboete van de vierde categorie, indien hij de inhoud van een aan zodanige inrichting toevertrouwd bericht opzettelijk en wederrechtelijk aan een ander bekendmaakt of een telegram opzettelijk en wederrechtelijk opent, daarvan inzage neemt of de inhoud aan een ander bekendmaakt;

  2. met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie, indien hij een aan zodanige inrichting toevertrouwd bericht of een telegram opzettelijk aan een ander dan de rechthebbende afgeeft, vernietigt, wegmaakt, zich toeeigent of de inhoud wijzigt.

Artikel 286d

  1. Met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar en zes maanden of geldboete van de vierde categorie wordt gestraft de persoon werkzaam bij een aanbieder van een openbaar telecommunicatienetwerk of een openbare telecommunicatiedienst:

    1. die opzettelijk en wederrechtelijk van gegevens kennisneemt die door tussenkomst van zodanig netwerk of zodanige dienst zijn opgeslagen, worden verwerkt of overgedragen en die niet voor hem zijn bestemd, zodanige gegevens voor zichzelf of een ander overneemt, aftapt of opneemt;

    2. die de beschikking heeft over een voorwerp waaraan, naar hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, een gegeven kan worden ontleend, dat door wederrechtelijk overnemen, aftappen of opnemen van zodanige gegevens is verkregen;

    3. die opzettelijk en wederrechtelijk de inhoud van zodanige gegevens aan een ander bekendmaakt;

    4. die opzettelijk en wederrechtelijk een voorwerp waaraan een gegeven omtrent de inhoud van zodanige gegevens kan worden ontleend, ter beschikking stelt van een ander.

  2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de persoon werkzaam bij een aanbieder van een niet-openbaar telecommunicatienetwerk of een niet-openbare telecommunicatiedienst.

Artikel 286e

Enig in de artikelen 286a tot en met 286d bedoeld persoon die opzettelijk toelaat dat een ander een der in deze artikelen vermelde feiten pleegt, of die ander daarbij als medeplichtige ter zijde staat, wordt gestraft met de straffen en naar de onderscheidingen in die bepalingen vastgesteld.

Artikel 286f

  1. Als schuldig aan mensenhandel wordt met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren of geldboete van de vijfde categorie gestraft:

    1. degene die een ander door dwang, geweld of een andere feitelijkheid of door dreiging met geweld of een andere feitelijkheid, door afpersing, fraude, misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht, door misbruik van een kwetsbare positie of door het geven of ontvangen van betalingen of voordelen om de instemming van een persoon te verkrijgen die zeggenschap over die ander heeft, werft, vervoert, overbrengt, huisvest of opneemt, met het oogmerk van uitbuiting van die ander of de verwijdering van diens organen;

    2. degene die een ander werft, vervoert, overbrengt, huisvest of opneemt, met het oogmerk van uitbuiting van die ander of de verwijdering van diens organen, terwijl die ander de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt;

    3. degene die een ander aanwerft, medeneemt of ontvoert met het oogmerk die ander in een ander land ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling;

    4. degene die een ander met een van de onder 1° genoemde middelen dwingt of beweegt zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten of zijn organen beschikbaar te stellen dan wel onder de onder 1° genoemde omstandigheden enige handeling onderneemt waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat die ander zich daardoor beschikbaar stelt tot het verrichten van arbeid of diensten of zijn organen beschikbaar stelt;

    5. degene die een ander ertoe brengt zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling of zijn organen tegen betaling beschikbaar te stellen dan wel ten aanzien van een ander enige handeling onderneemt waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat die ander zich daardoor beschikbaar stelt tot het verrichten van die handelingen of zijn organen tegen betaling beschikbaar stelt, terwijl die ander de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt;

    6. degene die opzettelijk voordeel trekt uit de uitbuiting van een ander;

    7. degene die opzettelijk voordeel trekt uit de verwijdering van organen van een ander, terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat diens organen onder de onder 1° bedoelde omstandigheden zijn verwijderd;

    8. degene die opzettelijk voordeel trekt uit seksuele handelingen van een ander met of voor een derde tegen betaling of de verwijdering van diens organen tegen betaling, terwijl die ander de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt;

    9. degene die een ander met een van de onder 1° genoemde middelen dwingt dan wel beweegt hem te bevoordelen uit de opbrengst van diens seksuele handelingen met of voor een derde of van de verwijdering van diens organen.

  2. Uitbuiting omvat ten minste uitbuiting van een ander in de prostitutie, andere vormen van seksuele uitbuiting, gedwongen of verplichte arbeid of diensten, slavernij en met slavernij of dienstbaarheid te vergelijken praktijken.

  3. De schuldige wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren of geldboete van de vijfde categorie, indien:

    1. de feiten, omschreven in het eerste lid, worden gepleegd door twee of meer verenigde personen;

    2. de persoon ten aanzien van wie de in het eerste lid omschreven feiten worden gepleegd, de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt.

  4. De feiten, omschreven in het eerste lid, gepleegd door twee of meer verenigde personen onder de omstandigheid, bedoeld in het derde lid, onder 2°, worden gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste achttien jaren of geldboete van de vijfde categorie.

  5. Indien een van de in het eerste lid omschreven feiten zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft of daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is, wordt levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste dertig jaren of geldboete van de vijfde categorie opgelegd.

  6. Indien een van de in het eerste lid omschreven feiten de dood ten gevolge heeft, wordt gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren of geldboete van de vijfde categorie opgelegd.

  7. Artikel 261 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 286g

  1. Hij die seksuele handelingen verricht met een ander, terwijl hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat die ander zich onder de in artikel 286f, eerste lid, onder 1°, bedoelde omstandigheden beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling, wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie.

  2. De schuldige wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vierde categorie indien degene ten aanzien van wie het in het eerste lid omschreven feit wordt gepleegd een persoon is die de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt.

Artikel 287

Hij die voor eigen of vreemde rekening slavenhandel drijft of opzettelijk daaraan middellijk of onmiddellijk deelneemt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren.

Artikel 288

Hij die als schipper dienst neemt of dienst doet op een vaartuig, wetende dat het tot het drijven van slavenhandel bestemd is, of het daartoe gebruikende, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren.

Indien het vervoer den dood van een of meer slaven ten gevolge heeft, wordt de schipper gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren.

Artikel 289

Hij die als schepeling dienst neemt op een vaartuig, wetende dat het tot het drijven van slavenhandel bestemd is of gebruikt wordt, of vrijwillig in dienst blijft na die bestemming of dit gebruik te hebben vernomen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren.

Artikel 290

Hij die voor eigen of vreemde rekening middellijk of onmiddellijk medewerkt tot het verhuren, vervrachten of verzekeren van een vaartuig, wetende dat het tot het drijven van slavenhandel bestemd is, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren.

Artikel 291

Hij die iemand uit de plaats van diens inwoning of van diens tijdelijk verblijf wegvoert, met het oogmerk om hem wederrechtelijk onder zijne of eens anders macht te brengen of hem in hulpeloozen toestand te verplaatsen, wordt als schuldig aan menschenroof, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren.

Artikel 292

  1. Hij die opzettelijk een minderjarige onttrekt aan het wettig over hem gesteld gezag of aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefent, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren.

  2. Gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren wordt opgelegd, indien list, geweld of bedreiging met geweld is gebezigd, of indien de minderjarige beneden de twaalf jaren oud is.

Artikel 293

Hij die opzettelijk een minderjarige die onttrokken is of zich onttrokken heeft aan het wettig over hem gesteld gezag of aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefent, verbergt of aan de nasporing van de ambtenaren der justitie of politie onttrekt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of, indien de minderjarige beneden de twaalf jaren oud is, met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren.

Artikel 294

Als schuldig aan schaking wordt gestraft:

  1. met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren, hij die eene minderjarige vrouw, zonder den wil van hare ouders of voogden, doch met hare toestemming wegvoert, met het oogmerk om zich haar bezit in of buiten echt te verzekeren;

  2. met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren, hij die eene vrouw door list, geweld of bedreiging met geweld wegvoert, met het oogmerk om zich haar bezit in of buiten echt te verzekeren.

Geene vervolging heeft plaats dan op klachte.

De klachte geschiedt:

  1. indien de vrouw tijdens de wegvoering minderjarig is, hetzij door haar zelve, hetzij door iemand wiens toestemming zij tot het aangaan van een huwelijk behoeft;

  2. Indien zij tijdens de wegvoering meerderjarig is, hetzij door haar zelve, hetzij door haren echtgenoot.

Indien de schaker met de weggevoerde een huwelijk heeft gesloten, heeft geene veroordeeling plaats, dan nadat de nietigheid van het huwelijk is uitgesproken.

Artikel 295

Hij die opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid berooft of beroofd houdt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zeven jaren en zes maanden.

Indien het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft, wordt de schuldige gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren.

Indien het feit den dood ten gevolge heeft, wordt hij gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren.

De in dit artikel bepaalde straffen zijn ook van toepassing op hem die opzettelijk tot de wederrechtelijke vrijheidsrooving eene plaats verschaft.

Artikel 295ao

  1. Hij die opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid berooft of beroofd houdt met het oogmerk een ander te dwingen iets te doen of niet te doen wordt als schuldig aan gijzeling gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaar of geldboete van de vijfde categorie.

  2. Indien het feit de dood ten gevolge heeft wordt hij gestraft met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste vierentwintig jaren of geldboete van de vijfde categorie.

  3. Het vierde lid van artikel 295 is toepasselijk.

Artikel 295a

  1. Hij die opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid berooft of beroofd houdt met een terroristisch oogmerk, wordt gestraft met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste vierentwintig jaren.

  2. Artikel 295, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 295b

De samenspanning tot het in artikel 295a omschreven misdrijf wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren.

Artikel 296

Hij aan wiens schuld te wijten is dat iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroofd wordt of beroofd blijft, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de eerste categorie.

Indien het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft, wordt de schuldige gestraft met hechtenis van ten hoogste negen maanden.

Indien het feit den dood ten gevolge heeft, wordt hij gestraft met hechtenis van ten hoogste een jaar.

Artikel 297

  1. Met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren wordt gestraft:

    1. hij die een ander door geweld of eenige andere feitelijkheid of door bedreiging met geweld of eenige andere feitelijkheid, gericht hetzij tegen dien ander, hetzij tegen derden, wederrechtelijk dwingt iets te doen, niet te doen of te dulden;

    2. hij die een ander door bedreiging met smaad, smaadschrift of valsche aanklacht dwingt iets te doen, niet te doen of te dulden.

  2. In het geval, bedoeld in het eerste lid, onder 2°, wordt het misdrijf niet vervolgd dan op klachte van hem tegen wien het gepleegd is.

Artikel 297a

Hij die een ander door bedreiging met diefstal of afpersing van een splijtstof als bedoeld in het Verdrag inzake de fysieke beveiliging van kernmateriaal (Trb. 1981, 7) gericht tegen die ander of tegen derden wederrechtelijk dwingt iets te doen, niet te doen of te dulden, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar en zes maanden of geldboete van de vierde categorie.

Artikel 298

  1. Bedreiging met openlijk geweld met vereenigde krachten tegen personen of goederen, met geweld tegen een internationaal beschermd persoon of diens beschermde goederen, met eenig misdrijf waardoor de algemeene veiligheid van personen of goederen in gevaar wordt gebracht, met verkrachting, met feitelijke aanranding van de eerbaarheid, met eenig misdrijf tegen het leven gericht, met gijzeling, met zware mishandeling, met mishandeling met gebruikmaking van wapenen als bedoeld bij het tweede lid van artikel 1 van de Wapenwet BES of met brandstichting, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de derde categorie.

  2. Indien deze bedreiging schriftelijk en onder eene bepaalde voorwaarde geschiedt, wordt zij gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de derde categorie.

  3. Bedreiging met een terroristisch misdrijf wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren.

  4. Indien het feit, omschreven in het eerste, tweede of derde lid, wordt gepleegd met het oogmerk om een terroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken, wordt de op het feit gestelde gevangenisstraf met een derde verhoogd.

Artikel 298a

  1. Hij die opzettelijk mondeling, door gebaren, bij geschrift of afbeelding zich jegens een persoon uit, kennelijk om diens vrijheid om naar waarheid of geweten ten overstaan van een rechter of ambtenaar een verklaring af te leggen te beïnvloeden, terwijl hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden dat die verklaring zal worden afgelegd, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie.

  2. Met rechter of ambtenaar wordt gelijkgesteld: een rechter bij onderscheidenlijk een persoon in de openbare dienst van een internationaal gerecht dat zijn rechtsmacht ontleent aan een verdrag waarbij het Koninkrijk partij is.

Artikel 298b

  1. Degene die zich persoonsgegevens van een ander of een derde verschaft, deze gegevens verspreidt of anderszins ter beschikking stelt met het oogmerk om die ander vrees aan te jagen dan wel aan te laten jagen, ernstige overlast aan te doen dan wel aan te laten doen of hem in de uitoefening van zijn ambt of beroep ernstig te hinderen dan wel ernstig te laten hinderen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.

  2. Indien het feit, omschreven in het eerste lid, wordt gepleegd tegen een persoon in diens hoedanigheid van Minister, Staatssecretaris, Rijksvertegenwoordiger, gezaghebber, eilandgedeputeerde, lid van een algemeen vertegenwoordigend orgaan, rechter, lid van het openbaar ministerie, advocaat, journalist of publicist in het kader van nieuwsgaring, ambtenaar van politie of buitengewoon agent van politie wordt de op het feit gestelde gevangenisstraf met een derde verhoogd.

Artikel 299

Bij veroordeeling wegens een der in de artikelen 287 tot en met 295ao en in het tweede lid van artikel 298 omschreven misdrijven, kan ontzetting van de in artikel 32, N°. 1–4, vermelde rechten worden uitgesproken.

Artikel 300

Hij die opzettelijk een ander van het leven berooft, wordt, als schuldig aan doodslag, gestraft met levenslange gevangenisstraf dan wel een tijdelijke gevangenisstraf van ten hoogste vier en twintig jaren.

Artikel 301

Doodslag gevolgd, vergezeld of voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om bij betrapping op heeter daad, aan zich zelven of andere deelnemers aan dat feit hetzij straffeloosheid hetzij het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren, wordt gestraft met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste vier en twintig jaren.

Artikel 301a

Doodslag, gepleegd met een terroristisch oogmerk, wordt gestraft met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke gevangenisstraf van ten hoogste vierentwintig jaren.

Artikel 302

Hij die opzettelijk en met voorbedachten rade een ander van het leven berooft, wordt als schuldig aan moord, gestraft met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste vier en twintig jaren.

Artikel 302a

De samenspanning tot het in artikel 302 omschreven misdrijf, te begaan met een terroristisch oogmerk, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren.

Artikel 303

De moeder die, onder de werking van vrees voor de ontdekking van hare bevalling, haar kind bij of kort na de geboorte opzettelijk van het leven berooft, wordt, als schuldig aan kinderdoodslag, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren.

Artikel 304

De moeder die, ter uitvoering van een onder de werking van vrees voor de ontdekking van hare aanstaande bevalling genomen besluit, haar kind bij of kort na de geboorte opzettelijk van het leven berooft, wordt, als schuldig aan kindermoord, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren.

Artikel 305

De in de artikelen 303 en 304 omschreven misdrijven worden ten aanzien van anderen, die er aan deelnemen, als doodslag of als moord aangemerkt.

Artikel 306

  1. Hij die opzettelijk het leven van een ander op diens uitdrukkelijk en ernstig verlangen beëindigt, wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren of geldboete van de vijfde categorie.

  2. Het in het eerste lid bedoelde feit is niet strafbaar, indien het is begaan door een arts die daarbij voldoet aan de zorgvuldigheidseisen, bedoeld in artikel 2 van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding, en hiervan mededeling doet aan de gemeentelijke lijkschouwer overeenkomstig artikel 7, tweede lid, van de Wet op de lijkbezorging.

Artikel 307

  1. Hij die opzettelijk een ander tot zelfdoding aanzet, wordt, indien de zelfdoding volgt, gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete van de vierde categorie.

  2. Hij die opzettelijk een ander bij zelfdoding behulpzaam is of hem de middelen daartoe verschaft, wordt, indien de zelfdoding volgt, gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete van de vierde categorie. Artikel 306, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 312

Bij veroordeeling wegens doodslag, wegens moord of wegens een der in de artikelen 306, eerste lid, 312a en omschreven misdrijven, kan ontzetting van de in artikel 32, N°. 1–4, vermelde rechten worden uitgesproken.

Artikel 312a

  1. Hij die een vrouw een behandeling geeft, terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat daardoor zwangerschap kan worden afgebroken, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaar en zes maanden of geldboete van de vierde categorie.

  2. Indien het feit de dood van de vrouw ten gevolge heeft, wordt gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren opgelegd of geldboete van de vierde categorie.

  3. Indien het feit is begaan zonder toestemming van de vrouw, wordt gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren opgelegd of geldboete van de vijfde categorie.

  4. Indien het feit is begaan zonder toestemming van de vrouw en tevens haar dood ten gevolge heeft, wordt gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren opgelegd of geldboete van de vijfde categorie.

  5. Het in het eerste lid bedoelde feit is niet strafbaar, indien de behandeling is verricht door:

    1. een arts in een ziekenhuis of kliniek waarin zodanige behandeling volgens de Wet afbreking zwangerschap mag worden verricht;

    2. een huisarts die een medicamenteuze afbreking van de zwangerschap verricht volgens de Wet afbreking zwangerschap.

Artikel 313

Mishandeling wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren.

Indien het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft, wordt de schuldige gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren.

Indien het feit den dood ten gevolge heeft, wordt hij gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren.

Met mishandeling wordt gelijkgesteld opzettelijke benadeling der gezondheid.

Poging tot dit misdrijf is niet strafbaar.

Artikel 313a

  1. Hij die wederrechtelijk stelselmatig inbreuk maakt op eens anders persoonlijke levenssfeer met het oogmerk die ander te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden dan wel vrees aan te jagen, wordt als schuldig aan belaging, gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of een geldboete van de vijfde categorie.

  2. Vervolging vindt niet plaats dan op klacht van hem tegen wie het misdrijf is begaan.

Artikel 314

Mishandeling gepleegd met voorbedachten rade wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren.

Indien het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft, wordt de schuldige gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren.

Indien het feit den dood ten gevolge heeft, wordt hij gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zestien jaren.

Artikel 314a

Mishandeling gepleegd met gebruikmaking van wapenen, als bedoeld bij het tweede lid van artikel 1 van de Wapenwet BES, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren.

Indien het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft, wordt de schuldige gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren.

Indien het feit de dood ten gevolge heeft, wordt hij gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zestien jaren.

Artikel 314b

Mishandeling gepleegd met gebruikmaking van wapenen, als bedoeld bij het tweede lid van artikel 1 van de Wapenwet BES en met voorbedachten rade, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren.

Indien het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft, wordt de schuldige gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zestien jaren.

Indien het feit de dood ten gevolge heeft, wordt hij gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier en twintig jaren.

Artikel 315

Hij die aan een ander opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toebrengt, wordt, als schuldig aan zware mishandeling, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zestien jaren.

Indien het feit den dood ten gevolge heeft, wordt de schuldige gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twintig jaren.

Artikel 316

Zware mishandeling gepleegd met voorbedachten rade wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier en twintig jaren.

Indien het feit den dood ten gevolge heeft, wordt de schuldige gestraft met levenslange gevangenisstraf dan wel een tijdelijke gevangenisstraf van ten hoogste vier en twintig jaren.

Artikel 317

De in de artikelen 313–316 bepaalde straffen kunnen met een derde worden verhoogd:

  1. ten aanzien van den schuldige die het misdrijf begaat tegen zijne moeder, zijne wettigen vader, zijn echtgenoot of zijn kind;

  2. indien het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening zijner bediening;

  3. indien het misdrijf wordt gepleegd door toediening van voor het leven of de gezondheid schadelijke stoffen.

Artikel 318

Bij veroordeeling wegens een der in de artikelen 314 en 316 omschreven misdrijven kan ontzetting van de in artikel 32, no. 1–4, vermelde rechten worden uitgesproken.

Artikel 318a

Indien een misdrijf, strafbaar gesteld in artikel 315 en 316, is begaan met een terroristisch oogmerk, kan levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste vierentwintig jaren.

Artikel 318b

De samenspanning tot het in artikel 316 omschreven misdrijf, te begaan met een terroristisch oogmerk, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren.

Artikel 319

Zij die opzettelijk deelnemen aan een aanval of vechterij waarin onderscheiden personen zijn gewikkeld, worden, behoudens ieders verantwoordelijkheid voor de bijzondere door hem bedreven feiten, gestraft:

  1. met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren, indien de aanval of vechterij alleen zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft;

  2. met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren, indien de aanval of vechterij iemands dood ten gevolge heeft.

Artikel 320

Hij aan wiens schuld de dood van een ander te wijten is, wordt gestraft met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste negen maanden.

Indien de dood, bij gelegenheid van een botsing, aan- of overrijding met een door de schuldige bestuurd motorrijtuig, of bij gelegenheid van enige handeling ter voorkoming van een botsing met of aan of overrijding door dat motorrijtuig, veroorzaakt is door de botsing, aan- of overrijding dan wel door de handeling ter voorkoming daarvan, wordt degene, aan wiens schuld die dood te wijten is, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren.

Artikel 321

Hij aan wiens schuld te wijten is dat een ander zwaar lichamelijk letsel bekomt of zoodanig lichamelijk letsel waaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening zijner ambts- of beroepsbezigheden ontstaan, wordt gestraft met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de eerste categorie.

Indien het letsel, bij gelegenheid van een botsing, aan- of overrijding met een door de schuldige bestuurd motorrijtuig, of bij gelegenheid van enige handeling ter voorkoming van een botsing met of aan- of overrijding door dat motorrijtuig, veroorzaakt is door de botsing, aan of overrijding dan wel door de handeling ter voorkoming daarvan, wordt degene, aan wiens schuld dat letsel te wijten is, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste achttien maanden.

Artikel 321a

Indien de schuldige, in de gevallen bedoeld in het tweede lid van artikel 320 of het tweede lid van artikel 321, tijdens het ongeval onder zodanige invloed van het gebruik van alcoholhoudende drank verkeerde, dat hij niet in staat moest worden geacht het motorrijtuig naar behoren te besturen, wordt hij gestraft, in het geval bedoeld bij het tweede lid van artikel 320 met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren, en in het geval bedoeld bij het tweede lid van artikel 321 met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren.

Artikel 322

Indien de in dezen Titel omschreven misdrijven worden gepleegd in de uitoefening van eenig ambt of beroep, kan de straf met een derde worden verhoogd, kan ontzetting worden uitgesproken van de uitoefening van het beroep waarin het misdrijf is gepleegd en kan de rechter de openbaarmaking zijner uitspraak gelasten.

Artikel 323

Hij die eenig goed dat geheel of ten deele aan een ander toebehoort, wegneemt, met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, wordt, als schuldig aan diefstal, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie.

Artikel 324

Met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren wordt gestraft:

  1. diefstal van vee uit de weide;

  2. diefstal bij gelegenheid van brand, ontploffing, watersnood, schipbreuk, stranding, spoorwegongeval, oproer, muiterij of oorlogsnood;

  3. diefstal van een motorrijtuig;

  4. diefstal door twee of meer vereenigde personen;

  5. diefstal waarbij de schuldige zich den toegang tot de plaats des misdrijf heeft verschaft of het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking of inklimming, van valsche sleutels, van een valsche order of een valsch kostuum.

  6. diefstal met het oogmerk om een terroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijker te maken.

Artikel 324a

  1. Met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren wordt gestraft diefstal in een woning of op een bij een woning behorend erf, door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt.

  2. Indien de in het eerste lid omschreven diefstal vergezeld gaat van een der in artikel 324, onderdelen 4 en 5, vermelde omstandigheden, wordt gevangenisstraf van ten hoogste zestien jaren opgelegd.

Artikel 325

  1. Met gevangenisstraf van ten hoogste vier en twintig jaren wordt gestraft diefstal, voorafgaande, vergezeld of gevolgd van geweld of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om dien diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heeter daad, aan zich zelven of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren.

  2. Levenslange gevangenisstraf dan wel een tijdelijke gevangenisstraf van ten hoogste vierentwintig jaren wordt opgelegd:

    1. indien het feit den dood ten gevolge heeft;

    2. indien het feit wordt gepleegd met het oogmerk een terroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken.

Artikel 326

Bij veroordeeling wegens diefstal kan ontzetting van de in artikel 32, N°. 1–4, vermelde rechten worden uitgesproken.

Artikel 329

Indien de dader van of medeplichtige aan een der in dezen Titel omschreven misdrijven de niet van tafel en bed of van goederen gescheiden echtgenoot is van hem tegen wien het misdrijf is gepleegd, is de strafvervolging tegen dien dader of dien medeplichtige uitgesloten.

Indien hij zijn van tafel en bed of van goederen gescheiden echtgenoot is of zijn bloed- of aanverwant, hetzij in de rechte linie, hetzij in den tweeden graad der zijlinie, heeft de vervolging, voor zoover hem betreft, alleen plaats op eene tegen hem gerichte klachte van dengene tegen wien het misdrijf is gepleegd.

Artikel 330

  1. Hij die, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordeelen, door geweld of bedreiging met geweld iemand dwingt hetzij tot de afgifte van eenig goed, dat geheel of ten deele aan dezen of aan een derde toebehoort, hetzij tot het aangaan van ene schuld of het tenietdoen van eene inschuld, wordt, als schuldig aan afpersing, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier en twintig jaren.

  2. Levenslange gevangenisstraf dan wel een tijdelijke gevangenisstraf van het hoogste vier en twintig jaren wordt opgelegd, indien het feit de dood ten gevolge heeft.

  3. De bepalingen van artikel 325, tweede lid, zijn op dit misdrijf van toepassing.

Artikel 331

  1. Hij die, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordeelen, door bedreiging hetzij met smaad, smaadschrift of openbaring van een geheim, hetzij met klachte of aangifte van een strafbaar feit bij de overheid, iemand dwingt hetzij tot de afgifte van eenig goed dat geheel of ten deele aan dezen of aan een derde toebehoort, hetzij tot het aangaan van eene schuld of het tenietdoen van eene inschuld, wordt, als schuldig aan afdreiging, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren.

  2. Indien het feit wordt gepleegd met het oogmerk om een terroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken, wordt de op het feit gestelde gevangenisstraf met een derde verhoogd.

  3. Dit misdrijf wordt niet vervolgd dan op klachte van hem tegen wien het gepleegd is.

Artikel 332

De bepaling van artikel 329 is op de in dezen Titel omschreven misdrijven van toepassing

Artikel 333

Bij veroordeling wegens een der in dezen Titel omschreven misdrijven, kan ontzetting van de in artikel 32, N°. 1–4, vermelde rechten worden uitgesproken.

Artikel 334

Hij die opzettelijk eenig goed dat geheel of ten deele aan een ander toebehoort en dat hij anders dan door misdrijf onder zich heeft, wederrechtelijk zich toeeigent, wordt, als schuldig aan verduistering, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete van de eerste categorie.

Artikel 335

Verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijne persoonlijke dienstbetrekking of van zijn beroep, of tegen geldelijke vergoeding onder zich heeft, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren.

Artikel 335a

Indien een der in de artikelen 334 en 335 omschreven feiten wordt gepleegd met het oogmerk om een terroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken, wordt de op het feit gestelde gevangenisstraf met een derde verhoogd.

Artikel 336

Verduistering gepleegd door hem wien het goed uit noodzaak in bewaring is gegeven, of door voogden, curators, bewindvoerders, uitvoerders van uiterste wilsbeschikkingen of beheerders van verenigingen of van stichtingen, ten opzichte van eenig goed dat zij als zoodanig onder zich hebben, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren.

Artikel 336a

Hij die opzettelijk en wederrechtelijk een subsidie die met een bepaald doel door of vanwege de Europese Gemeenschappen is verstrekt, aanwendt voor andere doeleinden dan waarvoor zij is verstrekt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of een geldboete van de vierde categorie.

Artikel 337

De bepaling van artikel 329 is op de in dezen Titel omschreven misdrijven van toepassing.

Artikel 338

  1. Bij veroordeeling wegens een der in dezen Titel omschreven misdrijven, kan de rechter de openbaarmaking zijner uitspraak gelasten en ontzetting uitspreken van de in artikel 32, N°. 1–4, vermelde rechten.

  2. Indien de schuldige het misdrijf in zijn beroep begaat, kan hij van de uitoefening van dat beroep worden ontzet.

Artikel 339

  1. Hij die, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordeelen, hetzij door het aannemen van een valsche naam of van een valsche hoedanigheid, hetzij door listige kunstgrepen, hetzij door een samenweefsel van verdichtsels, iemand beweegt tot de afgifte van eenig goed of tot het aangaan van eene schuld of het tenietdoen van eene inschuld, wordt, als schuldig aan oplichting, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren.

  2. Indien het feit wordt gepleegd met het oogmerk om een terroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken, wordt de op het feit gestelde gevangenisstraf met een derde verhoogd.

Artikel 339a

Hij, die een beroep of eene gewoonte maakt van het koopen van goederen met het oogmerk om zonder volledige betaling zich of een ander de beschikking over die goederen te verzekeren, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren.

Artikel 339b

  1. Hij die, met het oogmerk daarvoor niet volledig te betalen, door een technische ingreep of met behulp van valse signalen, gebruik maakt van een dienst die via telecommunicatie aan het publiek wordt aangeboden, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie.

  2. Met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie wordt gestraft hij die opzettelijk een voorwerp dat kennelijk is bestemd, of gegevens die kennelijk zijn bestemd, tot het plegen van het misdrijf, bedoeld in het eerste lid,

    1. openlijk ter verspreiding aanbiedt;

    2. ter verspreiding of met het oog op de invoer in Nederland voorhanden heeft of

    3. uit winstbejag vervaardigt of bewaart.

  3. Hij die van het plegen van misdrijven als bedoeld in het tweede lid, zijn beroep maakt of het plegen van deze misdrijven als bedrijf uitoefent wordt gestraft hetzij met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie.

Artikel 340

Hij die door listige kunstgrepen den verzekeraar in dwaling brengt ten opzichte van omstandigheden tot, de verzekering betrekking hebbende, zoodat deze eene overeenkomst sluit die hij niet onder dezelfde voorwaarden zou hebben gesloten, indien hij den waren staat van zaken gekend had, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar.

Artikel 341

Hij die, met het oogmerk om zich of een ander, ten nadeele van den verzekeraar, wederrechtelijk te bevoordeelen, brand sticht of eene ontploffing teweegbrengt in eenig tegen brandgevaar verzekerd goed, of een vaartuig of luchtvaartuig, dat verzekerd is of waarvan de zich aan boord bevindende zaken of de te verdienen vracht zijn verzekerd, doet zinken, stranden of verongelukken, vernielt, onbruikbaar maakt of beschadigt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren.

Artikel 341bis

Hij, die, om het handels- of bedrijfsdebiet van zichzelven of van een ander te vestigen, te behouden of uit te breiden, eenige bedrieglijke handeling pleegt tot misleiding van het publiek of van een bepaald persoon, wordt, indien daaruit eenig nadeel voor concurrenten van hem of van dien ander kan ontstaan, als schuldig aan oneerlijke mededinging, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar, of geldboete van de derde categorie.

Artikel 341ter

  1. Hij die, anders dan als ambtenaar, werkzaam zijnde in dienstbetrekking of optredend als lasthebber, naar aanleiding van hetgeen hij in zijn betrekking of bij de uitvoering van zijn last heeft gedaan of nagelaten dan wel zal doen of nalaten, een gift, belofte of dienst aanneemt dan wel vraagt, en dit aannemen of vragen in strijd met de goede trouw verzwijgt tegenover zijn werkgever of lastgever, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.

  2. Met gelijke straf wordt gestraft hij die aan iemand die, anders dan als ambtenaar, werkzaam is in dienstbetrekking of optreedt als lasthebber, naar aanleiding van hetgeen deze in zijn betrekking of bij de uitvoering van zijn last heeft gedaan of nagelaten dan wel zal doen of nalaten, een gift of belofte doet dan wel een dienst verleent of aanbiedt van die aard of onder zodanige omstandigheden, dat hij redelijkerwijs moet aannemen dat deze de gift, belofte of dienst in strijd met de goede trouw zal verzwijgen tegenover zijn werkgever of lastgever.

  3. Indien het feit is gepleegd ten behoeve van een buitenlandse mogendheid wordt de op het feit gestelde gevangenisstraf met een derde verhoogd.

Artikel 341quater

  1. Met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie wordt gestraft hij die een gift of een belofte aanneemt naar aanleiding van hetgeen hij heeft gedaan of nagelaten dan wel zal doen of nalaten in verband met een op hem of op de persoon bij wie hij in dienst is, rustende wettelijke plicht tot

    1. het verstrekken van inlichtingen betreffende telecommunicatie aan de ambtenaren van de justitie of politie, dan wel

    2. het verlenen van medewerking aan het aftappen of opnemen van telecommunicatie.

  2. Met gelijke straf wordt gestraft hij die een ander een gift of een belofte doet naar aanleiding van hetgeen deze heeft gedaan of nagelaten dan wel zal doen of nalaten in verband met een op hem of op de persoon bij wie hij in dienst is, rustende wettelijke plicht als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 342

Met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar wordt gestraft de verkooper die den kooper bedriegt:

  1. door hem die een bepaald aangewezen voorwerp kocht, opzettelijk iets anders daarvoor in de plaats te leveren;

  2. ten opzichte van de aard, de hoedanigheid of de hoeveelheid van het geleverde, door het aanwenden van listige kunstgrepen.

Artikel 342bis

De houder van een cognossement, die opzettelijk over verschillende exemplaren daarvan onder bezwarenden titel beschikt ten behoeve van verschillende verkrijgers, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren.

Artikel 343

Hij die eet- of drinkwaren of geneesmiddelen verkoopt, te koop aanbiedt of aflevert, wetende dat zij vervalscht zijn en die vervalsching verzwijgende, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren.

Eet- of drinkwaren of geneesmiddelen zijn vervalscht, wanneer door bijmenging van vreemde bestanddeelen hunne waarde of hunne bruikbaarheid verminderd is.

Artikel 344

Met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren wordt gestraft de aannemer of de bouwmeester van eenig werk of de verkooper van bouwmaterialen, die bij de uitvoering van het werk of de levering der materialen eenige bedrieglijke handeling pleegt, ten gevolge waarvan de veiligheid van personen of goederen, of de veiligheid van den Staat in tijd van oorlog kan worden in gevaar gebracht.

Met dezelfde straf wordt gestraft hij die, met het opzicht over het werk of over de levering der materialen belast, de bedrieglijke handeling opzettelijk toelaat.

Artikel 345

Hij die, bij levering van benoodigdheden ten dienste van de krijgsmacht, eenige bedrieglijke handeling pleegt, ten gevolge waarvan de veiligheid van den Staat in tijd van oorlog kan worden in gevaar gebracht, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren.

Met dezelfde straf wordt gestraft hij die, met het opzicht over de levering der goederen belast, de bedrieglijke handeling opzettelijk toelaat.

Artikel 346

Hij die, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordeelen, hetgeen tot afbakening der grenzen van erven dient, vernielt, verplaatst, verwijdert of onbruikbaar maakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren.

Artikel 347

Hij die, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordeelen, door het verspreiden van een logenachtig bericht, den prijs van koopwaren, fondsen of geldwaardig papier doet stijgen of dalen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren.

Artikel 348

Hij die effecten uitgeeft of belast is met of zijn medewerking verleent tot het plaatsen van effecten, het publiek tot inschrijving of deelneming tracht te bewegen door het opzettelijk verzwijgen of verminken van ware, of voorspiegelen van valse feiten of omstandigheden, wordt gestraft met hetzij een gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren, hetzij een geldboete van de vijfde categorie, hetzij met beide straffen.

Met dezelfde straf wordt gestraft de natuurlijke persoon of de bestuurder, beheerende vennoot of commissaris van de vereniging, stichting of vennootschap, die het plegen van het feit opzettelijk toelaat.

Onder effecten wordt verstaan hetgeen daaronder in artikel 1 van de Wet toezicht effectenbeurzen BES wordt verstaan.

Artikel 349

De koopman, de bestuurder, beheerende vennoot of commissaris van eene vennootschap of coöperatie, die opzettelijk eene onware staat of eene onware balans, winst- en verliesrekening of toelichting op een van die stukken openbaar maakt of zoodanige openbaarmaking opzettelijk toelaat, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar.

Artikel 350

  1. Hij die opzettelijk:

    1. valse, vervalste of wederrechtelijk vervaardigde merken,

    2. waren, die zelf of op hun verpakking valselijk zijn voorzien van de handelsnaam van een ander of van het merk waarop een ander recht heeft,

    3. waren, die ter aanduiding van herkomst, valselijk van de naam van een bepaalde plaats, met bijvoeging van een verdichte handelsnaam, zijn voorzien,

    4. waren, waarop of op de verpakking waarvan een handelsnaam van een ander of een merk waarop een ander recht heeft, zij het dan ook met een geringe afwijking, is nagebootst of

    5. waren of onderdelen daarvan die valselijk hetzelfde uiterlijk vertonen als een tekening of model waarop een ander recht heeft, dan wel daarmede slechts ondergeschikte verschillen vertonen, invoert, doorvoert of uitvoert, verkoopt, te koop aanbiedt, aflevert, uitdeelt of in voorraad heeft, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste één jaar of geldboete van de derde categorie.

  2. Niet strafbaar is hij die enkele waren, onderdelen daarvan of merken als omschreven in het eerste lid in voorraad heeft uitsluitend voor eigen gebruik.

  3. Indien de schuldige van het plegen van het misdrijf, genoemd in het eerste lid, zijn beroep maakt of het plegen van dit misdrijf als bedrijf uitoefent, wordt hij gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie.

  4. Indien door het plegen van het misdrijf, genoemd in het eerste lid, gemeen gevaar voor personen of goederen te duchten is, wordt de schuldige gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie.

Artikel 351

De bepaling van artikel 329 is op de in dezen Titel omschreven misdrijven van toepassing.

Artikel 352

Bij veroordeeling wegens een der in dezen Titel omschreven misdrijven, kan de rechter de openbaarmaking zijner uitspraak gelasten en de schuldige worden ontzet van de uitoefening van het beroep waarin hij het misdrijf begaan heeft.

Bij veroordeeling wegens een der in de artikelen 339, 341, 344 en 345 omschreven misdrijven, kan ontzetting van de in artikel 32, N°. 1–4, vermelde rechten worden uitgesproken.

Artikel 353

De koopman die in staat van faillissement is verklaard, wordt, als schuldig aan eenvoudige bankbreuk, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar:

  1. indien zijne verteringen buitensporig zijn geweest;

  2. indien hij, met het oogmerk om zijn faillissement uit te stellen, wetende dat het daardoor niet kon worden voorkomen, op bezwarende voorwaarden geldopnemingen heeft gedaan;

  3. indien hij de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers waarmee hij ingevolge artikel 15a van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek BES een administratie gevoerd heeft en de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers die hij ingevolge dat artikel bewaard heeft, niet in ongeschonden staat te voorschijn brengt.

Artikel 354

De koopman die in staat van faillissement is verklaard, wordt, als schuldig aan bedrieglijke bankbreuk, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren, indien hij ter bedrieglijke verkorting van de rechten zijner schuldeischers:

  1. hetzij lasten verdicht heeft of verdicht, hetzij baten niet verantwoord heeft of niet verantwoordt, hetzij eenig goed aan den boedel onttrokken heeft of onttrekt;

  2. eenig goed hetzij om niet, hetzij klaarblijkelijk beneden de waarde heeft vervreemd;

  3. ter gelegenheid van zijn faillissement of op een tijdstip waarop hij wist dat het faillissement niet kon worden voorkomen, een zijner schuldeischers op eenige wijze bevoordeeld heeft of bevoordeelt;

  4. niet voldaan heeft of niet voldoet aan de op hem rustende verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 15a van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek BES, en het bewaren en te voorschijn brengen van boeken, bescheiden en gegevensdragers in dat artikel bedoeld.

Artikel 355

De bestuurder of commissaris eener naamlooze vennootschap of besloten vennootschap welke in staat van faillissement is verklaard, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar:

  1. indien hij heeft medegewerkt of zijne toestemming gegeven tot eenige handeling, in strijd met eenige wettelijke bepaling van de akte van oprichting, waaraan de door de vennootschap geleden verliezen geheel of grotendeels zijn te wijten;

  2. indien hij, met het oogmerk om het faillissement der vennootschap uit te stellen, wetende dat het daardoor niet kan worden voorkomen, heeft medegewerkt of zijn toestemming gegeven tot het doen van geldopnemingen op bezwarende voorwaarden;

  3. indien aan hem te wijten is, dat aan de in artikel 15a, eerste lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek BES omschreven verplichtingen niet is voldaan of dat de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers, waarmee volgens dat artikel administratie gevoerd is, en de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers die ingevolge dat artikel zijn bewaard, niet in ongeschonden staat worden te voorschijn gebracht.

Artikel 356

De bestuurder of commissaris eener naamlooze vennootschap of besloten vennootschap welke in staat van faillissement is verklaard, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren, indien hij ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeischers van de vennootschap:

  1. hetzij lasten verdicht heeft of verdicht, hetzij baten niet verantwoord heeft of niet verantwoordt, hetzij eenig goed aan den boedel onttrokken heeft of onttrekt;

  2. eenig goed hetzij om niet, hetzij klaarblijkelijk beneden de waarde heeft vervreemd;

  3. ter gelegenheid van het faillissement of op een tijdstip waarop hij wist dat het faillissement niet kon worden voorkomen, een der schuldeischers op eenige wijze bevoordeeld heeft of bevoordeelt;

  4. niet voldaan heeft of niet voldoet aan de op hem rustende verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 15a van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek BES, en het bewaren en te voorschijn brengen van boeken, bescheiden en gegevensdragers in dat artikel bedoeld.

Artikel 357

Met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren en zes maanden wordt gestraft hij die ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeischers:

  1. ingeval van faillissement of in het vooruitzicht daarvan, indien het faillissement is gevolgd, enig goed aan de boedel onttrekt of betaling aanneemt, hetzij van een niet opeisbare schuld, hetzij van een opeisbare schuld, in het laatste geval wetende, dat het faillissement van de schuldenaar reeds was aangevraagd of ten gevolge van overleg met de schuldenaar;

  2. bij verificatie der schuldvorderingen in geval van faillissement, eene niet bestaande schuldvordering voorwendt of eene bestaande tot een verhoogd bedrag doet gelden.

Artikel 358

De schuldeischer die tot een aangeboden gerechtelijk akkoord toetreedt tengevolge van eene overeenkomst hetzij met den schuldenaar, hetzij met een derde, waarbij hij bijzondere voordeelen heeft bedongen, wordt, in geval van aanneming van het akkoord, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar.

Gelijke straf wordt in hetzelfde geval toegepast op den schuldenaar of, indien deze eene vennootschap, vereniging of stichting is, op den bestuurder of commissaris, die zoodanige overeenkomst sluit.

Artikel 359

Hij die zonder koopman te zijn in staat van faillissement is verklaard, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren en zes maanden, indien hij, ter bedrieglijke verkorting van de rechten zijner schuldeischers, hetzij lasten verdicht heeft of verdicht, hetzij baten niet verantwoord heeft of niet verantwoordt, hetzij eenig goed aan den boedel onttrokken heeft of onttrekt, hetzij eenig goed om niet of klaarblijkelijk beneden de waarde heeft vervreemd, hetzij ter gelegenheid van zijn faillissement, of op een tijdstip waarop hij wist, dat het niet kon worden voorkomen een zijner schuldeischers op eenige wijze bevoordeeld heeft of bevoordeelt.

Artikel 360

De bestuurder of commissaris eener naamlooze vennootschap of besloten vennootschap die, buiten het geval van artikel 335, zijne medewerking heeft verleend of zijne toestemming gegeven tot eenige handeling in strijd met eenige wettelijke bepaling van de akte van oprichting, ten gevolge waarvan de vennootschap of vereniging ernstig nadeel ondervindt, wordt gestraft met geldboete van de derde categorie.

Artikel 361

Hij die opzettelijk zijn eigen goed of, ten behoeve van degene aan wie het toebehoort, een hem niet toebehorend goed onttrekt aan een pandrecht, een retentierecht of een recht van vruchtgebruik of gebruik van een ander, wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste een jaar en zes maanden.

Met dezelfde straf wordt gestraft hij die opzettelijk een goed dat is onderworpen aan een pandrecht, een retentierecht of een recht van vruchtgebruik of gebruik van een ander, vernielt, beschadigt of onbruikbaar maakt. De bepaling van artikel 329 is op deze misdrijven van toepassing.

Artikel 362

Bij veroordeeling wegens een der in artikelen 354, 356, 357 en 359 omschreven misdrijven, kan de schuldige worden ontzet van de in artikel 32, N°. 1–4, vermelde rechten.

Bij veroordeeling wegens een der in de artikelen 353–359 omschreven misdrijven, kan openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak worden gelast.

Artikel 366

  1. Hij die opzettelijk en wederrechtelijk eenig goed dat geheel of ten deele aan een ander toebehoort, vernielt, beschadigt, onbruikbaar maakt of wegmaakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de eerste categorie.

  2. Gelijke straf wordt toegepast op hem die opzettelijk en wederrechtelijk een dier dat geheel of ten deele aan een ander toebehoort, doodt, beschadigt, onbruikbaar maakt of wegmaakt.

Artikel 367

Hij die opzettelijk en wederrechtelijk hetgeen tot afbakening der grenzen van ervan of perceelen dient, vernielt, verplaatst, verwijdert, of onbruikbaar maakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de eerste categorie.

Artikel 367a

  1. Hij die opzettelijk en wederrechtelijk gegevens die door middel van een geautomatiseerd werk of door middel van telecommunicatie zijn opgeslagen, worden verwerkt of overgedragen, verandert, wist, onbruikbaar of ontoegankelijk maakt, dan wel andere gegevens daaraan toevoegt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.

  2. Hij die het feit, bedoeld in het eerste lid, pleegt na door tussenkomst van een openbaar telecommunicatienetwerk, wederrechtelijk in een geautomatiseerd werk te zijn binnengedrongen en daar ernstige schade met betrekking tot die gegevens veroorzaakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie.

  3. Hij die opzettelijk en wederrechtelijk gegevens ter beschikking stelt of verspreidt die zijn bestemd om schade aan te richten in een geautomatiseerd werk, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie.

  4. Indien het feit is gepleegd ten behoeve van een buitenlandse mogendheid wordt de op het feit gestelde gevangenisstraf met een derde verhoogd.

  5. Niet strafbaar is degene die het feit, bedoeld in het derde lid, pleegt met het oogmerk om schade als gevolg van deze gegevens te beperken.

Artikel 367b

  1. Hij aan wiens schuld te wijten is dat gegevens die door middel van een geautomatiseerd werk of door middel van telecommunicatie zijn opgeslagen, worden verwerkt of overgedragen, wederrechtelijk worden veranderd, gewist, onbruikbaar of ontoegankelijk gemaakt, dan wel dat andere gegevens daaraan worden toegevoegd, wordt, indien daardoor ernstige schade met betrekking tot die gegevens wordt veroorzaakt, gestraft met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste een maand of geldboete van de tweede categorie.

  2. Hij aan wiens schuld te wijten is dat gegevens wederrechtelijk ter beschikking gesteld of verspreid worden die zijn bestemd om schade aan te richten in een geautomatiseerd werk, wordt gestraft met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste een maand of geldboete van de tweede categorie.

Artikel 368

Hij die spoorweg-, telegraaf-, telefoon- of electriciteitswerken, geautomatiseerde werken of werken voor telecommunicatie, werken dienende tot waterkeering of waterloozing, gas- of waterleidingen of riolen, voor zoover deze werken, leidingen of riolen ten algemeenen nutte gebezigd worden, opzettelijk en wederrechtelijk vernielt, beschadigt of onbruikbaar maakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren.

Artikel 369

Hij aan wiens schuld te wijten is dat eenig in het vorig artikel bedoeld werk, leiding of riool vernield, beschadigd of onbruikbaar gemaakt wordt, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste een maand of een geldboete van de eerste categorie.

Artikel 370

Hij die opzettelijk en wederrechtelijk eenig gebouw, vaartuig of zijn lading, installatie ter zee of luchtvaartuig dat geheel of ten deele aan een ander toebehoort, vernielt of onbruikbaar maakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren.

Artikel 371

De bepaling van artikel 329 is op de in dezen Titel omschreven misdrijven van toepassing.

Artikel 372

Indien een der in dezen Titel omschreven misdrijven door twee of meer vereenigde personen gepleegd wordt, kan de straf met een derde worden verhoogd.

Artikel 372a

  1. Indien een der in de artikelen 366, 367a, 368 en 370 omschreven feiten worden gepleegd met het oogmerk om een terroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken, wordt de op het feit gestelde gevangenisstraf met een derde verhoogd.

  2. Indien een feit strafbaar gesteld in de artikelen 366, 367a, 368 of 370 is begaan met een terroristisch oogmerk, wordt de op het feit gestelde gevangenisstraf met de helft verhoogd.

Artikel 372bis

Met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete van de vierde categorie worden gestraft de hoofden van ministeriële departementen:

  1. die hun medeondertekening verlenen aan koninklijke besluiten of koninklijke beschikkingen, wetende dat daardoor de Grondwet of andere wetten of algemene maatregelen van inwendig bestuur van de staat worden geschonden;

  2. die uitvoering geven aan koninklijke besluiten of koninklijke beschikkingen, wetende dat deze niet van de vereiste medeondertekening van een of meer ministers zijn voorzien;

  3. die beschikkingen nemen of bevelen geven of bestaande beschikkingen of bevelen handhaven, wetende dat daardoor de Grondwet of andere wetten of algemene maatregelen van inwendig bestuur van de staat worden geschonden;

  4. die opzettelijk nalaten uitvoering te geven aan de bepalingen van de Grondwet of andere wetten of algemene maatregelen van inwendig bestuur van de staat, voor zover die uitvoering wegens de aard van het onderwerp tot hun ministeriële departementen behoort of uitdrukkelijk hem is opgedragen.

Artikel 372ter

Met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie worden gestraft de hoofden van ministeriële departementen aan wier grove schuld te wijten is dat de in artikel 372bis, onder 4°, omschreven uitvoering wordt nagelaten.

Artikel 373

De bevelhebber der gewapende macht die weigert of opzettelijk nalaat, op de wettige vordering van het bevoegde burgerlijk gezag, de onder zijn bevel staande macht aan te wenden, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren.

Artikel 374

  1. De ambtenaar die opzettelijk den bijstand der gewapende macht inroept tegen de uitvoering van wettelijke voorschriften, van wettige bevelen van het openbaar gezag of van rechterlijke uitspraken of bevelschriften, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren.

  2. Indien die uitvoering daardoor wordt verhinderd, wordt de schuldige gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren.

Artikel 374bis

De ambtenaar die, met het oogmerk om in de uitoefening van een openbare dienst stremming te veroorzaken of te doen voortduren, nalaat of op wettig gegeven last weigert werkzaamheden te verrichten, waartoe hij zich uitdrukkelijk of uit kracht van zijn ambt heeft verbonden, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de eerste categorie.

Artikel 374ter

Indien twee of meer personen tengevolge van samenspanning het misdrijf plegen in het vorig artikel omschreven, worden de schuldigen, zomede de leiders of aanleggers der samenspanning, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren.

Artikel 374quater

Indien het oogmerk bij artikel 374bis omschreven wordt bereikt, wordt gevangenisstraf opgelegd:

in geval van artikel 374bis van ten hoogste een jaar;

in geval van artikel 374ter van ten hoogste vier jaren.

Artikel 375

De ambtenaar of een ander met eenigen openbaren dienst voortdurend of tijdelijk belast persoon die opzettelijk geld, ongemunt goud of geldwaardig papier, dat hij in zijne bediening onder zich heeft, verduistert of toelaat dat het door een ander weggenomen of verduisterd wordt, of dien ander daarbij als medeplichtige ter zijde staat, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren.

Artikel 376

De ambtenaar of een ander met eenigen openbaren dienst voortdurend of tijdelijk belast persoon die opzettelijk boeken of registers, uitsluitend bestemd tot contrôle van de administratie, valschelijk opmaakt of vervalscht, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren.

Artikel 377

De ambtenaar of een ander met eenigen openbaren dienst voortdurend of tijdelijk belast persoon die opzettelijk zaken bestemd om voor de bevoegde macht tot overtuiging of bewijs te dienen, akten, bescheiden of registers, welke hij in zijne bediening onder zich heeft, verduistert, vernielt, beschadigt of onbruikbaar maakt, of toelaat dat zij door een ander worden weggemaakt, vernield, beschadigd of onbruikbaar gemaakt, of dien ander daarbij als medeplichtige ter zijde staat, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren en zes maanden.

Artikel 378

  1. Met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vijfde categorie wordt gestraft de ambtenaar:

    1. die een gift, belofte of dienst aanneemt, wetende of redelijkerwijs vermoedende dat deze hem gedaan, verleend of aangeboden wordt teneinde hem te bewegen om, zonder daardoor in strijd met zijn plicht te handelen, in zijn bediening iets te doen of na te laten;

    2. die een gift, belofte of dienst aanneemt, wetende of redelijkerwijs vermoedende dat deze hem gedaan, verleend of aangeboden wordt ten gevolge of naar aanleiding van hetgeen door hem, zonder daardoor in strijd met zijn plicht te handelen, in zijn huidige of vroegere bediening is gedaan of nagelaten;

    3. die een gift, belofte of dienst vraagt teneinde hem te bewegen om, zonder daardoor in strijd met zijn plicht te handelen, in zijn bediening iets te doen of na te laten;

    4. die een gift, belofte of dienst vraagt ten gevolge of naar aanleiding van hetgeen door hem, zonder daardoor in strijd met zijn plicht te handelen, in zijn huidige of vroegere bediening is gedaan of nagelaten.

  2. Met dezelfde straf wordt gestraft, hij die in het vooruitzicht van een aanstelling als ambtenaar, indien de aanstelling als ambtenaar is gevolgd, een feit begaat als in het eerste lid, onder 1° en 3°, omschreven.

  3. Hij die een feit als omschreven in het eerste lid begaat in verband met zijn hoedanigheid van minister, staatssecretaris, gezaghebber of lid van het bestuurscollege dan wel lid van een algemeen vertegenwoordigend orgaan, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie.

  4. Indien het feit is gepleegd ten behoeve van een buitenlandse mogendheid wordt de op het feit gestelde gevangenisstraf met een derde verhoogd.

Artikel 379

  1. Met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie wordt gestraft de ambtenaar:

    1. die een gift of belofte dan wel een dienst aanneemt, wetende of redelijkerwijs vermoedende dat deze hem gedaan, verleend of aangeboden wordt teneinde hem te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen of na te laten;

    2. die een gift of belofte dan wel een dienst aanneemt, wetende of redelijkerwijs vermoedende dat deze hem gedaan, verleend of aangeboden wordt ten gevolge of naar aanleiding van hetgeen door hem, in strijd met zijn plicht, in zijn huidige of vroegere bediening is gedaan of nagelaten;

    3. die een gift of belofte dan wel een dienst vraagt teneinde hem te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen of na te laten;

    4. die een gift of belofte dan wel een dienst vraagt ten gevolge of naar aanleiding van hetgeen door hem, in strijd met zijn plicht, in zijn huidige of vroegere bediening is gedaan of nagelaten.

  2. Met dezelfde straf wordt gestraft hij die in het vooruitzicht van een aanstelling als ambtenaar, indien de aanstelling als ambtenaar is gevolgd, een feit begaat als in het eerste lid, onder 1° en 3°, omschreven.

  3. Hij die een feit als omschreven in het eerste lid begaat in verband met zijn hoedanigheid van minister, staatssecretaris, gezaghebber of lid van het bestuurscollege dan wel lid van een algemeen vertegenwoordigend orgaan, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.

  4. Indien het feit is gepleegd ten behoeve van een buitenlandse mogendheid wordt de op het feit gestelde gevangenisstraf met een derde verhoogd.

Artikel 380

  1. De rechter die een gift, belofte of dienst aanneemt, wetende of redelijkerwijs vermoedende dat deze hem gedaan, verleend of aangeboden wordt teneinde invloed uit te oefenen op de beslissing van een aan zijn oordeel onderworpen zaak, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren of geldboete van de vijfde categorie.

  2. De rechter die een gift, belofte of dienst vraagt teneinde hem te bewegen om invloed uit te oefenen op de beslissing van een aan zijn oordeel onderworpen zaak, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren of geldboete van de vijfde categorie.

  3. Indien de gift, belofte of dienst wordt aangenomen, wetende of redelijkerwijs vermoedende dat deze gedaan, verleend of aangeboden wordt om een veroordeling in een strafzaak te verkrijgen, wordt de rechter gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren of geldboete van de vijfde categorie.

  4. Indien de gift, belofte of dienst wordt gevraagd teneinde hem te bewegen om een veroordeling in een strafzaak te verkrijgen, wordt de rechter gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren of geldboete van de vijfde categorie.

  5. Indien het feit is gepleegd ten behoeve van een buitenlandse mogendheid wordt de op het feit gestelde gevangenisstraf met een derde verhoogd.

Artikel 380a

  1. Met ambtenaren worden ten aanzien van de artikelen 377, 378 en 379 gelijkgesteld personen in de openbare dienst van een vreemde staat of van een volkenrechtelijke organisatie.

  2. Met ambtenaren worden ten aanzien van de artikelen 378, onder 2° en 4°, en 379, onder 2° en 4°, voormalige ambtenaren gelijkgesteld.

  3. Met rechter wordt ten aanzien van artikel 380 gelijkgesteld de rechter van een vreemde staat of van een volkenrechtelijke organisatie.

Artikel 381

De ambtenaar die door misbruik van gezag iemand dwingt iets te doen, niet te doen of te dulden, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren.

Artikel 382

De ambtenaar die in de uitoefening zijner bediening, als verschuldigd aan hem zelven, aan een ander ambtenaar of aan eenige openbare kas, vordert of ontvangt of bij eene uitbetaling terughoudt hetgeen hij weet dat niet verschuldigd is, wordt, als schuldig aan knevelarij, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren.

Artikel 383

De ambtenaar die, belast met de bewaking van iemand die op openbaar gezag of krachtens rechterlijke uitspraak of beschikking van de vrijheid is beroofd, hem opzettelijk laat ontsnappen of bevrijdt of bij zijne bevrijding of zelfbevrijding behulpzaam is, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren.

Indien de ontsnapping, bevrijding of zelfbevrijding aan zijne schuld te wijten is, wordt hij gestraft met hechtenis van ten hoogste vier maanden of geldboete van de tweede categorie.

Artikel 384

Met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren wordt gestraft

  1. de ambtenaar met het opsporen van strafbare feiten belast, die opzettelijk niet voldoet aan de vordering om van eene wederrechtelijke vrijheidsberooving te doen blijken of daarvan aan de hoogere macht opzettelijk niet onverwijld kennis geeft;

  2. de ambtenaar die, na in de uitoefening van zijne bediening kennis te hebben bekomen dat iemand op onwettige wijze van de vrijheid is beroofd, opzettelijk nalaat daarvan onverwijld kennis te geven aan een ambtenaar met het opsporen van strafbare feiten belast.

De ambtenaar aan wiens schuld eenig in dit artikel omschreven verzuim te wijten is, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de eerste categorie.

Artikel 385

Met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar wordt gestraft het hoofd van een gesticht, bestemd tot opsluiting van veroordeelden, voorloopig aangehoudenen of gegijzelden of van een opvoedingsgesticht of psychiatrisch ziekenhuis, die weigert te voldoen aan eene wettige vordering om iemand, die in het gesticht is opgenomen, te vertoonen, of om inzage te geven van het register van inschrijving of van de akte waarvan de inschrijving bij de wet gevorderd wordt.

Artikel 386

De ambtenaar die, met overschrijding van zijne bevoegdheid of zonder inachtneming van de bij de wet bepaalde vormen, hetzij in de woning of in het bij eene woning behoorend erf, hetzij in het besloten lokaal of erf, bij een ander in gebruik, diens ondanks binnentreedt of, wederrechtelijk aldaar vertoevende, zich niet op de vordering van of vanwege den rechthebbende aanstonds verwijdert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de eerste categorie.

Met gelijke straf wordt gestraft de ambtenaar die, ter gelegenheid eener huiszoeking, met overschrijding van zijne bevoegdheid of zonder inachtneming van de bij de wet bepaalde vormen, geschriften, boeken of andere papieren onderzoekt en in beslag neemt.

Artikel 387

De ambtenaar die, met overschrijding van zijne bevoegdheid, zich doet overleggen of in beslag neemt een aan eenige openbare instelling van vervoer toevertrouwden brief, briefkaart, stuk of pakket of een telegraphisch bericht dat zich in handen bevindt van een ambtenaar der telegraphie of van andere personen belast met den dienst van eene ten algemeenen nutte gebezigde telegraafinrichting, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren.

Dezelfde straf wordt opgelegd aan den ambtenaar die, met overschrijding van zijne bevoegdheid, zich door een ambtenaar der telefonie of door andere personen belast met den dienst van eene ten algemeenen nutte gebezigde telefooninrichting, doet inlichten ter zake van eenig verkeer hetwelk door tusschenkomst van die instelling is geschied.

Artikel 392

De ambtenaar die opzettelijk deelneemt, middellijk of onmiddellijk, aan aannemingen of leverantiën waarover hem op het tijdstip der handeling geheel of ten deele het bestuur of toezicht is opgedragen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de tweede categorie.

Artikel 393

  1. De ambtenaar van den burgerlijken stand die iemands huwelijk sluit, wetende dat deze daardoor een dubbel huwelijk aangaat, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren.

  2. De ambtenaar van den burgerlijken stand die iemands huwelijk sluit, wetende dat daartegen eenig ander wettig beletsel bestaat, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de eerste categorie.

Artikel 394

Bij veroordeeling wegens een der in de artikelen 375, 379, 380, 382, 389, laatste lid, en 393, eerste lid, omschreven misdrijven, kan ontzetting van de in artikel 32, N°. 3 en 4, vermelde rechten worden uitgesproken.

Artikel 395

Als schuldig aan zeeroof wordt gestraft:

  1. met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren, hij die als schipper dienst neemt of dienst doet op een vaartuig, wetende dat het bestemd is of het gebruikende om in open zee daden van geweld te plegen tegen andere vaartuigen of tegen zich daarop bevindende personen of goederen, zonder door eene oorlogvoerende mogendheid daartoe zijn gemachtigd of tot de oorlogsmarine eener erkende mogendheid te behooren;

  2. met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren, hij die, bekend met deze bestemming of dit gebruik, als schepeling dienst neemt op zoodanig vaartuig of vrijwillig in dienst blijft na daarmede bekend te zijn geworden.

Met het gemis van machtiging wordt gelijkgesteld het overschrijden van de machtiging alsmede het voorzien zijn van machtigingen afkomstig van tegen elkander oorlogvoerende mogendheden.

Artikel 83 blijft buiten toepassing.

Het in de vorige leden ten aanzien van de schipper en de schepeling bepaalde is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de gezagvoerder onderscheidenlijk het lid van de bemanning van een luchtvaartuig. Onder vaartuig wordt in de vorige leden luchtvaartuig begrepen en onder open zee het luchtruim daarboven.

Artikel 396

Indien de in artikel 395 omschreven daden van geweld den dood van een der zich op het aangevallen vaartuig of luchtvaartuig bevindende personen ten gevolge hebben, wordt de schipper of gezagvoerder en worden zij die aan de daden van geweld hebben deelgenomen met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren gestraft.

Artikel 397

Hij die voor eigen of vreemde rekening een vaartuig of luchtvaartuig uitrust met de in artikel 395 omschreven bestemming, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren.

Artikel 398

Hij die voor eigen of vreemde rekening middellijk of onmiddellijk medewerkt tot het verhuren, vervrachten of verzekeren van een vaartuig of luchtvaartuig, wetende dat het de in artikel 395 omschreven bestemming heeft, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren.

Artikel 399

Hij die een Nederlandsch vaartuig opzettelijk in de macht van zeeroovers brengt, wordt gestraft:

  1. indien hij de schipper is, met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren;

  2. in alle andere gevallen, met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren.

Artikel 399a

  1. Hij die een luchtvaartuig door geweld, bedreiging met geweld of vreesaanjaging in zijn macht brengt of houdt dan wel van zijn route doet afwijken, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren.

  2. Indien twee of meer personen gezamenlijk of ten gevolge van samenspanning het feit plegen, of indien het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft, dan wel het feit is gepleegd met het oogmerk iemand wederrechtelijk van zijn vrijheid te beroven of beroofd te houden, wordt gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren opgelegd.

  3. Indien het feit de dood ten gevolge heeft, wordt levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren opgelegd.

  4. De straffen, in het eerste lid bepaald, zijn toepasselijk op degene die de in dat lid omschreven misdrijven pleegt ten aanzien van een vaartuig, een installatie ter zee, een autobus of een ander middel van openbaar vervoer dan wel een voertuig met gevaarlijke lading.

Artikel 399b

  1. Hij die opzettelijk een ontplofbare of anderszins gemeengevaarlijke stof, of enig ander gemeengevaarlijk voorwerp aan boord van een luchtvaartuig plaatst of een daad van geweld begaat tegen iemand die zich aan boord van een luchtvaartuig tijdens de vlucht bevindt, wordt gestraft:

    1. met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren, indien daarvan gevaar voor de veiligheid van het luchtvaartuig te duchten is;

    2. met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren, indien daarvan gevaar voor de veiligheid van het luchtvaartuig te duchten is en het feit zwaar lichamelijk letsel voor een ander ten gevolge heeft;

    3. met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren, indien daarvan gevaar voor de veiligheid van het luchtvaartuig te duchten is en het feit iemands dood ten gevolge heeft.

  2. De straffen, in het eerste lid bepaald, zijn toepasselijk op degene die de in dit lid omschreven misdrijven pleegt ten aanzien van een vaartuig en een installatie ter zee. Onder gevaar voor de veiligheid van het luchtvaartuig wordt in het eerste lid tevens begrepen gevaar voor de veilige vaart van het vaartuig.

Artikel 399c

Hij die opzettelijk gegevens doorgeeft waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij onjuist zijn, wordt, indien daarvan gevaar voor een luchtvaartuig in vlucht of voor de veilige vaart van een vaartuig te duchten is, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie.

Artikel 399d

Hij die opzettelijk een daad van geweld begaat tegen iemand die zich op een luchthaven bevindt, wordt gestraft:

  1. met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren of geldboete van de vijfde categorie, indien daardoor levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen op de luchthaven te duchten valt;

  2. met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren of geldboete van de vijfde categorie, indien daardoor levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen op de luchthaven te duchten valt en het feit zwaar lichamelijk letsel voor een ander ten gevolge heeft;

  3. met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren of geldboete van de vijfde categorie, indien daardoor levensgevaar voor anderen op de luchthaven te duchten valt en het feit iemands dood ten gevolge heeft.

Artikel 400

De opvarende van een Nederlands schip, die zich wederrechtelijk van het schip meester maakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren.

Artikel 401

De schipper van een Nederlands schip die het schip aan den eigenaar of de reederij onttrekt en ten eigen bate gebruikt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zeven jaren en zes maanden.

Artikel 403bis

  1. De schipper van een Nederland vaartuig, die een scheepsverklaring doet opmaken, waarvan hij weet dat de inhoud in strijd is met de waarheid, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren.

  2. De schepeling die medewerkt tot het doen opmaken van eene scheepsverklaring, waarvan hij weet, dat de inhoud in strijd is met de waarheid, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren.

Artikel 403ter

Hij die ter voldoening aan het voorschrift van het vierde lid van artikel 194 of van het vierde lid van artikel 1303 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek BES een schriftelijke verklaring overlegt van welke hij weet dat de inhoud in strijd is met de waarheid, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren.

Artikel 404

De schipper van een Nederlands vaartuig die gedurende de reis zich opzettelijk aan het voeren van het vaartuig onttrekt, wordt, indien die gedraging de veiligheid van de opvarenden, het vaartuig of de lading in gevaar brengt, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren.

Artikel 410

De opvarende van een Nederlands schip die aan boord den schipper, of de schepeling, die aan boord of in dienst een meerdere in rang feitelijk aanrandt, zich met geweld of bedreiging met geweld tegen hem verzet of hem opzettelijk van zijne vrijheid van handelen beroofd, wordt als schuldig aan insubordinatie, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren.

De schuldige wordt gestraft:

  1. met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren, indien het misdrijf of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden eenig lichamelijk letsel ten gevolge hebben;

  2. met gevangenisstraf van ten hoogste zeven jaren en zes maanden, indien zij zwaar lichamelijk letsel ten gevolge hebben;

  3. met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren, indien zij den dood ten gevolge hebben.

Artikel 411

Insubordinatie gepleegd door twee of meer vereenigde personen, wordt, als muiterij, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren.

De schuldige wordt gestraft:

  1. met gevangenisstraf van ten hoogste zeven jaren en zes maanden, indien het door hem gepleegde misdrijf of de daarbij door hem gepleegde feitelijkheden eenig lichamelijk letsel ten gevolge hebben;

  2. met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren, indien zij zwaar lichamelijk letsel ten gevolge hebben;

  3. met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren, indien zij den dood ten gevolge hebben.

Artikel 412

Hij die aan boord van een Nederlands schip tot muiterij op dat schip opruit, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren.

Artikel 415

Met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de eerste categorie wordt gestraft de opvarende van een Nederlands schip:

  1. die opzettelijk niet gehoorzaamt aan eenig bevel des schippers in het belang van de veiligheid aan boord gegeven;

  2. die, wetende dat de schipper van zijne vrijheid beroofd is, hem niet naar vermogen te hulp komt;

  3. die, kennis dragende van een voornemen tot het plegen van insubordinatie, opzettelijk nalaat daarvan tijdig aan den schipper kennis te geven;*

  4. niet zijnde schepeling van een Nederlands schip, die opzettelijk niet gehoorzaamt aan enig bevel van de schipper tot handhaving van de orde en tucht aan boord gegeven.

De onder no. 3 vermelde bepaling is niet van toepassing indien de insubordinatie niet is gevolgd.

Artikel 416

De in de artikelen 400, 410 tot en met 415 bepaalde straffen kunnen met een derde worden verhoogd, indien de schuldige aan een der in die artikelen omschreven misdrijven scheepsofficier is.

Artikel 417

De schipper van een Nederlands schip, die met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordeelen of zoodanige bevoordeeling te bedekken, hetzij het schip verkoopt, hetzij geld opneemt op het schip, het scheepstoebehooren of den scheepsvoorraad, hetzij zaken aan boord van het schip of zaken van den scheepsvoorraad verkoopt of verpandt, hetzij verdichte schaden of uitgaven in rekening brengt, hetzij niet zorgt dat aan boord de vereischte dagboeken overeenkomstig de wettelijke voorschriften worden gehouden, hetzij bij het verlaten van het schip niet zorgt voor het behoud der scheepspapieren, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren.

Artikel 418

De schipper van een Nederlands schip die, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordeelen of zoodanige bevoordeeling te bedekken, van koers verandert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren.

Artikel 420

De schipper van een Nederlandsch vaartuig die, buiten noodzaak en buiten voorkennis van den eigenaar of de reederij, handelingen pleegt of gedoogt, wetende dat deze het vaartuig of de zaken aan boord daarvan aan opbrenging, aanhouding of ophouding blootstellen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de tweede categorie.

De opvarende die buiten noodzaak en buiten voorkennis van den schipper, met gelijke wetenschap gelijke handelingen pleegt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste negen maanden of geldboete van de tweede categorie.

Artikel 421

De schipper van een Nederlands schip die opzettelijk buiten noodzaak aan een opvarende niet verschaft datgene wat hij verplicht is hem te verschaffen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de eerste categorie.

Artikel 422

De schipper van een Nederlands schip die opzettelijk buiten noodzaak of in strijd met eenig wettelijk voorschrift goederen werpt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de eerste categorie.

Artikel 423

Hij die zaken aan boord van een vaartuig opzettelijk of wederrechtelijk vernielt, beschadigt, onbruikbaar maakt of wegmaakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren.

Artikel 424

De schipper die de vlag van het Koninkrijk voert, wetende dat hij daartoe niet gerechtigd is, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de eerste categorie.

Artikel 425

De schipper die opzettelijk door het voeren van eenig onderscheidingsteeken aan zijn vaartuig den schijn geeft alsof het een Nederlandsch oorlogsvaartuig ware, of een loodsvaartuig in wateren of zeegaten van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba dienst doende, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de eerste categorie.

Artikel 426

Hij die buiten noodzaak op een Nederlands schip optreedt als schipper, stuurman of machinist, wetende dat hem krachtens wettelijk voorschrift de bevoegdheid daartoe is ontnomen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de tweede categorie.

Artikel 427

De schipper van een Nederlands schip die zonder geldige reden weigert te voldoen aan een wettelijke vordering om een beklaagde of veroordeelde benevens de tot zijn zaak betrekkelijke stukken aan boord te nemen, wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de eerste categorie.

Artikel 428

De schipper van een Nederlands schip die een beklaagde of veroordeelde, die hij op een wettelijke vordering aan boord genomen heeft, opzettelijk laat ontsnappen of bevrijdt, of bij zijne bevrijding of zelfbevrijding behulpzaam is, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren.

Indien de ontsnapping, bevrijding of zelfbevrijding aan zijne schuld is te wijten, wordt hij gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van de eerste categorie.

Artikel 429

De schipper van een Nederlandsch vaartuig, die de op hem rustende verplichting tot hulpverleening, opzettelijk niet nakomt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren.

Artikel 430

Bij veroordeeling wegens een der in de artikelen 395–401, 417 en 418 omschreven misdrijven, kan ontzetting van de in artikel 32, no. 1–4, vermelde rechten worden uitgesproken.

Artikel 430a

Indien een misdrijf, strafbaar gesteld in een van de artikelen 399a tot en met 399d, is begaan met een terroristisch oogmerk, wordt de in dat artikel bepaalde tijdelijke gevangenisstraf met de helft verhoogd en kan, indien op dit misdrijf een tijdelijke gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren is gesteld, levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste vierentwintig jaren worden opgelegd.

Artikel 430b

De samenspanning tot een van de in de artikelen 399a, 399b en 399d omschreven misdrijven, te begaan met een terroristisch oogmerk, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren.

Artikel 431

Hij, die opzettelijk eenig door misdrijf verkregen voorwerp koopt, huurt, inruilt in pand neemt, als geschenk aanneemt of uit winstbejag verkoopt, verhuurt, verruilt, in pand geeft, vervoert, bewaart of verbergt, wordt als schuldig aan heling bestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vierde categorie.

Dezelfde straf wordt opgelegd aan hem die opzettelijk uit opbrengst van enig door misdrijf verkregen voorwerp voordeel trekt.

Artikel 432

Hij die een gewoonte maakt van het opzettelijk koopen, inruilen, in pand nemen of verbergen van door misdrijf verkregen voorwerpen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren.

Artikel 432bis

Hij die eenig voorwerp koopt, huurt, inruilt, in pand neemt, als geschenk aanneemt of uit winstbejag verkoopt, verhuurt, verruilt, in pand geeft, vervoert, bewaart of verbergt, wordt, indien aan zijne schuld te wijten is dat zijne handeling een door misdrijf verkregen voorwerp betreft, gestraft wordt met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaar of geldboete van de derde categorie.

Dezelfde straf wordt opgelegd aan hem die uit de opbrengst van eenig voorwerp voordeel trekt, indien aan zijne schuld te wijten is, dat zijne handeling een door misdrijf verkregen voorwerp betreft.

Artikel 432ter

Bij veroordeeling wegens een der in de artikelen 431–432bis omschreven misdrijven, kan ontzetting van de in artikel 32 N°. 1–4 vermelde rechten worden uitgesproken en kan de schuldige worden ontzet van de uitoefening van het beroep waarin hij het misdrijf begaan heeft.

Artikel 433

Hij die eenig geschrift of eenige afbeelding uitgeeft van strafbaren aard, wordt gestraft met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste een jaar of geldboete van de eerste categorie, indien:

  1. de dader noch bekend is, noch op de eerste aanmaning nadat tot het instellen van een gerechtelijk vooronderzoek is overgegaan is bekend gemaakt;

  2. de uitgever wist of moest verwachten, dat de dader op het tijdstip der uitgave strafrechtelijk niet vervolgbaar of buiten de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba gevestigd zou zijn.

Artikel 434

Hij die eenig geschrift of eenige afbeelding drukt van strafbare aard wordt gestraft met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste een jaar of geldboete van de eerste categorie, indien:

  1. de persoon op wiens last het stuk gedrukt is noch bekend is, noch op de eerste aanmaning nadat tot het instellen van een gerechtelijk vooronderzoek is overgegaan is bekend gemaakt;

  2. de drukker wist of moest verwachten, dat de persoon op wiens last het stuk gedrukt is, op het tijdstip der uitgave strafrechtelijk niet vervolgbaar of buiten de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba gevestigd zou zijn.

Artikel 435

Indien de aard van het geschrift of de afbeelding een misdrijf oplevert dat alleen op klachte vervolgbaar is, kan de uitgever of drukker in de gevallen der beide voorgaande artikelen alleen vervolgd worden op klachte van hem tegen wien dat misdrijf gepleegd is.

Artikel 435a

  1. Als schuldig aan witwassen wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren of geldboete van de vijfde categorie:

    1. hij die van een voorwerp de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding of de verplaatsing verbergt of verhult, dan wel verbergt of verhult wie de rechthebbende op een voorwerp is of het voorhanden heeft, terwijl hij weet of begrijpt dat het voorwerp – onmiddellijk of middellijk – afkomstig is uit enig misdrijf;

    2. hij die een voorwerp verwerft, voorhanden heeft, overdraagt of omzet of van een voorwerp gebruik maakt, terwijl hij weet of begrijpt dat het voorwerp – onmiddellijk of middellijk – afkomstig is uit enig misdrijf.

  2. Onder voorwerpen worden verstaan alle zaken en alle vermogensrechten.

Artikel 435b

Hij die van het plegen van witwassen een gewoonte maakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zestien jaren of geldboete van de vijfde categorie.

Artikel 435c

  1. Als schuldig aan schuldwitwassen wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaar of geldboete van de vierde categorie:

    1. hij die van een voorwerp de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding of de verplaatsing verbergt of verhult, dan wel verbergt of verhult wie de rechthebbende op een voorwerp is of het voorhanden heeft, terwijl hij redelijkerwijs moet vermoeden dat het voorwerp onmiddellijk of middellijk afkomstig is uit enig misdrijf;

    2. hij die een voorwerp verwerft, voorhanden heeft, overdraagt of omzet of van een voorwerp gebruik maakt, terwijl hij redelijkerwijs moet vermoeden dat het voorwerp – onmiddellijk of middellijk – afkomstig is uit enig misdrijf.

  2. Onder voorwerpen worden verstaan alle zaken en alle vermogensrechten.

Artikel 435d

Bij veroordeling wegens een der in deze titel omschreven misdrijven, kan de ontzetting van de in artikel 32, eerste lid, onder 1° en 2°, vermelde rechten worden uitgesproken.

Artikel 435e

  1. Als schuldig aan het financieren van terrorisme wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren of geldboete van de vijfde categorie:

    1. hij die zich of een ander opzettelijk middelen of inlichtingen verschaft dan wel opzettelijk voorwerpen verzamelt, verwerft, voorhanden heeft of aan een ander verschaft, die geheel of gedeeltelijk, onmiddellijk of middellijk, dienen om geldelijke steun te verlenen aan het plegen van een terroristisch misdrijf of een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf;

    2. hij die zich of een ander opzettelijk middelen of inlichtingen verschaft dan wel opzettelijk voorwerpen verzamelt, verwerft, voorhanden heeft of aan een ander verschaft, die geheel of gedeeltelijk, onmiddellijk of middellijk, dienen om geldelijke steun te verlenen aan het plegen van een van de misdrijven omschreven in:

      1. de artikelen 124a tot en met 124c alsmede artikel 298, indien dat misdrijf is gericht tegen een internationaal beschermd persoon of diens beschermde goederen;

      2. de artikelen 79 en 80 van de Kernenergiewet, de artikelen 167c, 179a en 297a alsmede de artikelen 146, 163, 230, 323 tot en met 325, 330, 331, 334, 335 en 339, indien het feit opzettelijk wederrechtelijk handelen betreft met betrekking tot kernmateriaal;

      3. de artikelen 168, 168a, 172, 174, 295ao, 370, 399a tot en met 399d;

      4. de artikelen 97 tot en met 102, 114, 123, 129, 130, 146, 163, 167, 167a, 167c, 170, 177, 178, 300, 301 en 302, indien het feiten betreft die worden gepleegd door middel van het opzettelijk wederrechtelijk tot ontlading of ontploffing brengen van een springstof of ander voorwerp, of het laten vrijkomen, verspreiden of inwerken van een voorwerp, waardoor levensgevaar, gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of aanzienlijke materiële schade te duchten is.

  2. Onder voorwerpen worden verstaan alle zaken en alle vermogensrechten.

Artikel 436

De in de artikelen 111, 180, 214–218, 222–227bis, 230–234, 323–325, 330, 331, 334–336, 339–345, 354, 356, 357, 359, 375, 377, 382, 417, 431 en 432 bepaalde gevangenisstraf kan met een derde worden verhoogd, indien tijdens het plegen van het misdrijf nog geen vijf jaren zijn verloopen, sedert de schuldige hetzij eene tegen hem wegens een der in die artikelen omschreven misdrijven uitgesproken gevangenisstraf, hetzij eene wegens diefstal, verduistering, heling, het opzettelijk voordeel trekken uit de opbrengst van eenig door misdrijf verkregen voorwerp of bedrog krachtens de militaire strafwetgeving opgelegde straf geheel of ten deele heeft ondergaan, of sedert die straf hem geheel is kwijtgescholden, of indien tijdens het plegen van het misdrijf het recht tot uitvoering dier straf nog niet is verjaard.

Artikel 437

De in de artikelen 114, eerste lid, 115, 116, 123, eerste lid, 124, 147, 187, 188, 300, 303, 306, eerste lid, 309, 310, 313–316, 395, 396, 410 en 411 bepaalde gevangenisstraf, alsmede de tijdelijke gevangenisstraf op te leggen krachtens de artikelen 97, 114, tweede en laatste lid, 123, tweede en laatste lid, 301 en 302, kan met een derde worden verhoogd, indien tijdens het plegen van het misdrijf nog geen vijf jaren zijn verloopen, sedert de schuldige, hetzij eene tegen hem wegens een der in die artikelen omschreven misdrijven uitgesproken gevangenisstraf, hetzij een wegens gewelddadig verzet tegen of mishandeling van meerderen of schildwachten, of van geweldenarijen tegen personen krachtens de militaire strafwetgeving opgelegde straf geheel of ten deele heeft ondergaan, of sedert die straf hem geheel is kwijtgescholden, of indien tijdens het plegen van het misdrijf het recht tot uitvoering dier straf nog niet is verjaard.

Artikel 438

De in de artikelen 273 tot en met 284, 433 en 434 bepaalde straffen kunnen met een derde worden verhoogd, indien tijdens het plegen van het misdrijf nog geen vijf jaren zijn verloopen, sedert de schuldige eene tegen hem wegens een der in die artikelen omschreven misdrijven uitgesproken gevangenisstraf geheel of ten deele heeft ondergaan, of sedert die straf hem geheel is kwijtgescholden, of indien tijdens het plegen van het misdrijf het recht tot uitvoering dier straf nog niet is verjaard.

← terug naar Wetboek van Strafrecht BES