Ten aanzien van degene die ten tijde van het begaan van een strafbaar feit de leeftijd van twaalf jaren doch nog niet die van achttien jaren heeft bereikt, zijn de artikelen in de vorige titels van dit boek van toepassing voor zover daarvan niet in deze titel wordt afgeweken.
Wetboek van Strafrecht BES Laatste controle 30-03-2026, laatste wijziging 23-03-2026.
Inhoud
Eerste boek Algemeene bepalingen
Titel I Omvang van de werking der strafwet
Titel II Straffen
- Artikel 9
- Artikel 10
- Artikel 11
- Artikel 12
- Artikel 13
- Artikel 14
- Artikel 15
- Artikel 16
- Artikel 17
- Artikel 17a
- Artikel 17b
- Artikel 17c
- Artikel 17d
- Artikel 17e
- Artikel 17f
- Artikel 17g
- Artikel 17h
- Artikel 17i
- Artikel 17j
- Artikel 17k
- Artikel 18
- Artikel 18a
- Artikel 18b
- Artikel 19
- Artikel 20
- Artikel 21
- Artikel 22
- Artikel 23
- Artikel 24
- Artikel 25
- Artikel 26
- Artikel 27
- Artikel 27a
- Artikel 27b
- Artikel 27c
- Artikel 28
- Artikel 28a
- Artikel 28b
- Artikel 29
- Artikel 30
- Artikel 31
- Artikel 31bis
- Artikel 32
- Artikel 33
- Artikel 34
- Artikel 35
- Artikel 35a
- Artikel 35b
- Artikel 36
- Artikel 36a
- Artikel 36b
- Artikel 37
- Artikel 38
Titel IIa Onttrekking aan het verkeer, ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel en schadevergoeding
Titel III Uitsluiting, vermindering en verhooging der strafbaarheid
Titel IV Poging en voorbereiding
Titel V Deelneming aan strafbare feiten
Titel VI Samenloop van strafbare feiten
Titel VII Indiening en intrekking der klachte bij misdrijven alleen op klachte vervolgbaar
Titel VIII Verval van het recht tot strafvordering en van de straf
Titel VIIIa Bijzondere bepalingen voor jeugdigen
Titel IX Beteekenis van sommige in het wetboek voorkomende uitdrukkingen
- Artikel 80
- Artikel 80a
- Artikel 81
- Artikel 82
- Artikel 82bis
- Artikel 82b
- Artikel 82c
- Artikel 82d
- Artikel 82e
- Artikel 83
- Artikel 84
- Artikel 84a
- Artikel 84b
- Artikel 84c
- Artikel 84d
- Artikel 85
- Artikel 86
- Artikel 86bis
- Artikel 87
- Artikel 88
- Artikel 89
- Artikel 89a
- Artikel 90
- Artikel 90a
- Artikel 90b
- Artikel 91
- Artikel 92
- Artikel 93
- Artikel 94
- Artikel 95
- Artikel 95bis
- Artikel 95ter
- Artikel 95c
- Artikel 95d
Tweede boek Misdrijven
Titel I Misdrijven tegen de veiligheid van den Staat
- Artikel 97
- Artikel 98
- Artikel 99
- Artikel 99bis
- Artikel 100
- Artikel 101
- Artikel 102
- Artikel 103
- Artikel 103a
- Artikel 104
- Artikel 104a
- Artikel 104b
- Artikel 104c
- Artikel 104d
- Artikel 105
- Artikel 106
- Artikel 106a
- Artikel 106b
- Artikel 107
- Artikel 108
- Artikel 109
- Artikel 110
- Artikel 111
- Artikel 112
- Artikel 113
- Artikel 113a
Titel II Misdrijven tegen de Koninklijke waardigheid
Titel III Misdrijven tegen hoofden van bevriende Staten en andere internationaal beschermde personen
Titel IV Misdrijven betreffende de uitoefening van staatsplichten en staatsrechten
Titel V Misdrijven tegen de openbare orde
- Artikel 136bis
- Artikel 136ter
- Artikel 136quater
- Artikel 136quinquies
- Artikel 137
- Artikel 138
- Artikel 138a
- Artikel 139
- Artikel 140
- Artikel 140a
- Artikel 140bis
- Artikel 141
- Artikel 142
- Artikel 143
- Artikel 143a
- Artikel 143b
- Artikel 143c
- Artikel 143d
- Artikel 143e
- Artikel 144
- Artikel 144a
- Artikel 144b
- Artikel 145
- Artikel 145a
- Artikel 145b
- Artikel 145c
- Artikel 145d
- Artikel 145e
- Artikel 146
- Artikel 146a
- Artikel 147
- Artikel 147bis
- Artikel 148
- Artikel 149
- Artikel 150
- Artikel 151
- Artikel 152
- Artikel 153
- Artikel 154
- Artikel 155
- Artikel 156
- Artikel 157
Titel VI Tweegevecht
Titel VII Misdrijven waardoor de algemeene veiligheid van personen of goederen wordt in gevaar gebracht
- Artikel 163
- Artikel 164
- Artikel 165
- Artikel 166
- Artikel 167
- Artikel 167a
- Artikel 167b
- Artikel 167c
- Artikel 167d
- Artikel 167e
- Artikel 167f
- Artikel 168
- Artikel 168a
- Artikel 169
- Artikel 170
- Artikel 171
- Artikel 172
- Artikel 173
- Artikel 174
- Artikel 175
- Artikel 176
- Artikel 177
- Artikel 178
- Artikel 179
- Artikel 179a
- Artikel 179b
- Artikel 180
- Artikel 181
- Artikel 182
- Artikel 182a
- Artikel 182b
Titel VIII Misdrijven tegen het openbaar gezag
- Artikel 183
- Artikel 183a
- Artikel 184
- Artikel 184a
- Artikel 185
- Artikel 186
- Artikel 187
- Artikel 188
- Artikel 189
- Artikel 190
- Artikel 190a
- Artikel 191
- Artikel 192
- Artikel 193
- Artikel 194
- Artikel 195
- Artikel 196
- Artikel 196a
- Artikel 197
- Artikel 198
- Artikel 198a
- Artikel 198b
- Artikel 198c
- Artikel 198d
- Artikel 199
- Artikel 200
- Artikel 201
- Artikel 202
- Artikel 203
- Artikel 203a
- Artikel 203b
- Artikel 203c
- Artikel 203d
- Artikel 204
- Artikel 205
- Artikel 206
- Artikel 207
- Artikel 208
- Artikel 209
- Artikel 210
- Artikel 211
- Artikel 212
Titel IX Meineed
Titel X Valschheid in muntspeciën en munt- en bankbiljetten
Titel XI Valschheid in zegels en merken
Titel XII Valsheid met geschriften, gegevens en biometrische kenmerken
Titel XIII Misdrijven tegen den burgerlijken staat
Titel XIV Misdrijven tegen de zeden
- Artikel 244
- Artikel 245
- Artikel 246
- Artikel 246bis
- Artikel 247
- Artikel 248
- Artikel 249
- Artikel 250
- Artikel 251
- Artikel 252
- Artikel 253
- Artikel 254
- Artikel 255
- Artikel 256
- Artikel 256a
- Artikel 256b
- Artikel 256c
- Artikel 256d
- Artikel 257
- Artikel 258
- Artikel 259
- Artikel 260
- Artikel 261
- Artikel 263
- Artikel 264
- Artikel 265
- Artikel 266
Titel XV Verlating van hulpbehoevenden
Titel XVI Beleediging
Titel XVII Schending van geheimen
Titel XVIII Misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid
Titel XIX Misdrijven tegen het leven gericht
Titel XIXa Afbreking van zwangerschap
Titel XX Mishandeling
Titel XXI Veroorzaken van den dood of van lichamelijk letsel door schuld
Titel XXII Diefstal en strooperij
Titel XXIII Afpersing en afdreiging
Titel XXIV Verduistering
Titel XXV Bedrog
Titel XXVI Benadeeling van schuldeischers en rechthebbenden
Titel XXVII Vernieling of beschadiging van goederen
Titel XXVIII Ambtsmisdrijven
- Artikel 372bis
- Artikel 372ter
- Artikel 373
- Artikel 374
- Artikel 374bis
- Artikel 374ter
- Artikel 374quater
- Artikel 375
- Artikel 376
- Artikel 377
- Artikel 378
- Artikel 379
- Artikel 380
- Artikel 380a
- Artikel 381
- Artikel 382
- Artikel 383
- Artikel 384
- Artikel 385
- Artikel 386
- Artikel 387
- Artikel 388
- Artikel 389
- Artikel 390
- Artikel 390bis
- Artikel 391
- Artikel 392
- Artikel 393
- Artikel 394
Titel XXIX Scheepvaart- en luchtvaartmisdrijven
- Artikel 395
- Artikel 396
- Artikel 397
- Artikel 398
- Artikel 399
- Artikel 399a
- Artikel 399b
- Artikel 399c
- Artikel 399d
- Artikel 400
- Artikel 401
- Artikel 402
- Artikel 403
- Artikel 403bis
- Artikel 403ter
- Artikel 404
- Artikel 405
- Artikel 406
- Artikel 407
- Artikel 408
- Artikel 409
- Artikel 410
- Artikel 411
- Artikel 412
- Artikel 413
- Artikel 414
- Artikel 415
- Artikel 416
- Artikel 417
- Artikel 418
- Artikel 419
- Artikel 420
- Artikel 421
- Artikel 422
- Artikel 423
- Artikel 424
- Artikel 425
- Artikel 426
- Artikel 427
- Artikel 428
- Artikel 429
- Artikel 430
- Artikel 430a
- Artikel 430b
Titel XXX Begunstiging
Titel XXXb Financieren van terrorisme
Titel XXXI Bepalingen over herhaling van misdrijf aan verschillende titels gemeen
Derde boek Overtredingen
Titel I Overtredingen betreffende de algemeene veiligheid van personen en goederen
Titel II Overtredingen betreffende de openbare orde
- Artikel 448bis
- Artikel 448b
- Artikel 448c
- Artikel 448d
- Artikel 449
- Artikel 450
- Artikel 451
- Artikel 452
- Artikel 453
- Artikel 454
- Artikel 454a
- Artikel 454b
- Artikel 454c
- Artikel 455
- Artikel 455bis
- Artikel 455ter
- Artikel 455quater
- Artikel 455quinquies
- Artikel 456
- Artikel 457
- Artikel 457bis
- Artikel 457ter
- Artikel 458
- Artikel 459
- Artikel 460
- Artikel 461
- Artikel 461a
- Artikel 462
Titel III Overtreding betreffende het openbaar gezag
Titel IV Overtredingen betreffende den burgerlijken staat
Titel V Overtreding betreffende hulpbehoevenden
Titel VI Overtredingen betreffende de zeden
Titel VII Overtredingen betreffende de veldpolitie
Titel VIII Ambtsovertredingen
Titel IX Scheepvaartovertredingen
Titel VIIIa
Artikel 79b
-
Ten aanzien van degene die ten tijde van het begaan van een strafbaar feit de leeftijd van zestien jaren doch nog niet die van achttien jaren heeft bereikt, kan de rechter de artikelen 79a tot en met 79z buiten toepassing laten en recht doen overeenkomstig de bepalingen in de voorgaande titels vervat, indien hij daartoe grond vindt in de ernst van het begane feit, de persoonlijkheid van de dader alsmede in de omstandigheden waaronder het feit is begaan.
-
Bij toepassing van het eerste lid kan levenslange gevangenisstraf niet worden opgelegd.
Artikel 79c
Ten aanzien van degene die ten tijde van het begaan van het strafbaar feit de leeftijd van achttien jaren doch nog niet die van eenentwintig jaren heeft bereikt, kan de rechter, indien hij daartoe grond vindt in de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder het feit is begaan, recht doen overeenkomstig de artikelen 79a tot en met 79z.
Artikel 79d
-
De verjaringstermijn van het recht tot strafvordering, genoemd in artikel 72, eerste lid, wordt ten aanzien van misdrijven tot de helft van de daar bedoelde duur ingekort.
-
Het recht tot strafvordering voor misdrijven waarop levenslange gevangenisstraf is gesteld, verjaart in twintig jaren.
Artikel 79e
-
De opsporingsambtenaar die daartoe door de officier van justitie is aangewezen, kan na verkregen toestemming door de officier van justitie aan de verdachte voorstellen dat deze deelneemt aan een project. De deelneming strekt tot voorkoming van toezending van het opgemaakte proces-verbaal aan de officier van justitie. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden de strafbare feiten aangewezen die op deze wijze kunnen worden afgedaan.
-
Bij een voorstel als bedoeld in het eerste lid deelt de opsporingsambtenaar de verdachte mede dat hij niet verplicht is aan het project deel te nemen en licht hem in over de mogelijke gevolgen van niet-deelneming. Het voorstel, de mededeling en de inlichtingen over de mogelijke gevolgen worden daarbij de verdachte tevens schriftelijk ter hand gesteld.
-
De officier van justitie geeft algemene aanwijzingen omtrent de wijze van afdoening ingevolge het eerste lid. Deze aanwijzingen betreffen in ieder geval:
de projecten en de categorieën van strafbare feiten die, gelet op de aard van deze projecten, in aanmerking komen voor deze wijze van afdoening;
de duur van de deelneming, afhankelijk van de aard van het strafbare feit en het project en
de wijze waarop de toestemming van de officier van justitie kan worden verkregen.
-
De duur van de deelneming is ten hoogste twintig uren.
-
De opsporingsambtenaar doet in geval van misdrijf aan de rechtstreeks belanghebbende die hem bekend is, onverwijld mededeling van de datum waarop hij die voorstellen heeft gedaan.
-
Indien de opsporingsambtenaar, bedoeld in het eerste lid, van oordeel is dat de verdachte naar behoren aan een project heeft deelgenomen, stelt hij de officier van justitie en de verdachte hiervan schriftelijk in kennis. Daarmee vervalt het recht tot strafvordering, behalve indien een bevel wordt gegeven als bedoeld in artikel 25 van het Wetboek van Strafvordering BES. In dat geval houdt de rechter, indien hij een straf oplegt, rekening met de voltooide deelneming.
Artikel 79f
Bij toepassing van artikel 76 kan de officier van justitie tevens als voorwaarde stellen dat de verdachte zich zal richten naar de aanwijzingen van de reclassering voor een daarbij te bepalen termijn van ten hoogste zes maanden;
Artikel 79g
-
In plaats van de op een feit gestelde straffen worden de straffen en maatregelen opgelegd, in deze Titel voorzien.
-
Een hoofdstraf kan zowel afzonderlijk als tezamen met een andere hoofdstraf of met bijkomende straffen worden opgelegd.
-
Een maatregel kan zowel afzonderlijk als tezamen met hoofdstraffen, met bijkomende straffen en met andere maatregelen worden opgelegd.
Artikel 79h
-
De hoofdstraffen zijn:
in geval van misdrijf: jeugddetentie of geldboete;
in geval van overtreding: geldboete.
-
De bijkomende straffen zijn:
verbeurdverklaring;
ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen;
ontzetting van bepaalde rechten.
-
De maatregelen zijn:
plaatsing in een inrichting voor jeugdigen;
onttrekking aan het verkeer;
ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel;
schadevergoeding.
Artikel 79i
-
De duur van de jeugddetentie is:
voor degene die ten tijde van het begaan van het misdrijf de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt: ten minste een dag en ten hoogste twaalf maanden, en
overigens ten hoogste vierentwintig maanden, doch voor strafbare feiten waarop een gevangenisstraf van maximaal dertig jaren dan wel een levenslange gevangenisstraf is gesteld: ten hoogste vier jaren.
-
De duur van de jeugddetentie wordt in de rechterlijke uitspraak aangewezen in dagen, weken, maanden of jaren.
-
De artikelen 30 en 31 zijn bij veroordeling tot jeugddetentie van overeenkomstige toepassing.
Artikel 79j
-
Indien de straf jeugddetentie is opgelegd, draagt Onze Minister van Justitie de tenuitvoerlegging op aan een door Onze Minister van Justitie aangewezen inrichting.
-
De rechter die de straf heeft opgelegd, kan de jeugdige aan wie een jeugddetentie is opgelegd, ambtshalve voorwaardelijk in vrijheid stellen. In geval van een voorwaardelijke invrijheidstelling wordt een proeftijd bepaald van ten hoogste twee jaren.
-
Bij toepassing van het tweede lid zijn de artikelen 79p tot en met 79u zo veel mogelijk van overeenkomstige toepassing.
-
De jeugdige aan wie een jeugddetentie is opgelegd wordt voorwaardelijk in vrijheid gesteld wanneer hij tweederde gedeelte daarvan heeft ondergaan. In geval van een voorwaardelijke invrijheidstelling wordt een proeftijd bepaald van ten hoogste twee jaren.
Artikel 79k
De straf van jeugddetentie kan door de rechter die de straf heeft opgelegd op vordering van het openbaar ministerie of op verzoek van de veroordeelde geheel of gedeeltelijk worden vervangen door een van de straffen genoemd in artikel 9 indien de tenuitvoerlegging van de opgelegde straf geheel of gedeeltelijk zou moeten plaatsvinden nadat de veroordeelde de leeftijd van achttien jaren heeft bereikt en deze naar het oordeel van de rechter niet meer voor een zodanige straf in aanmerking komt.
Artikel 79l
-
Het bedrag van de geldboete is ten minste USD 0,50 en ten hoogste USD 280. Artikel 27b is van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat de rechter bij elke geldboete kan bepalen dat het bedrag in gedeelten kan worden voldaan. De rechter stelt daarbij de hoogte van elk van die gedeelten vast.
-
De rechter beveelt bij de uitspraak waarbij geldboete wordt opgelegd, dat voor het geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast.
-
Indien geen of geen volledige betaling van het bedrag van de geldboete heeft plaatsgevonden en geen of geen volledig verhaal mogelijk is, kan de rechter die de straf heeft opgelegd het nog te betalen bedrag op vordering van het openbaar ministerie vervangen door jeugddetentie. De rechter, die de vervangende jeugddetentie heeft bevolen, kan de duur van de eerder opgelegde vervangende jeugddetentie ook wijzigen, tenzij deze reeds is aangevangen.
-
Indien de veroordeelde de leeftijd van achttien jaren heeft bereikt, legt de rechter vervangende hechtenis op, tenzij naar zijn oordeel de veroordeelde in aanmerking komt voor vervangende jeugddetentie.
-
De duur van de vervangende jeugddetentie of vervangende hechtenis is ten minste één dag en ten hoogste drie maanden. Voor elke volle USD 28 van de nog te betalen geldboete wordt niet meer dan één dag opgelegd. Door betaling van het nog te betalen bedrag vervalt de vervangende jeugddetentie of de vervangende hechtenis.
Artikel 79m
-
De maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen kan worden opgelegd, indien
het een misdrijf betreft waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten;
de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van die maatregel eist, en
de maatregel in het belang is van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte.
-
De maatregel kan ook worden opgelegd indien de verdachte het feit wegens de gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens niet volledig kan worden toegerekend.
-
De rechter legt de maatregel slechts op na een daartoe strekkend, met redenen omkleed, gedagtekend en ondertekend advies van een of meer gedragsdeskundigen die de betrokkene hebben onderzocht. Indien dit advies eerder dan een jaar voor de aanvang van de terechtzitting is gedagtekend kan de rechter hier slechts gebruik van maken met instemming van het openbaar ministerie en de verdachte.
-
Het derde lid blijft buiten toepassing indien de betrokkene weigert medewerking te verlenen aan het onderzoek dat ten behoeve van het advies moet worden verricht. Voor zover mogelijk maken de gedragsdeskundigen gezamenlijk dan wel ieder van hen afzonderlijk over de reden van weigering rapport op. De rechter doet zich zoveel mogelijk een ander advies of rapport, dat hem over de wenselijkheid of noodzakelijkheid van de oplegging van de maatregel kan voorlichten en aan de totstandkoming waarvan de betrokkene wel bereid is om medewerking te verlenen, overleggen.
-
Indien de maatregel is opgelegd draagt, draagt Onze Minister van Justitie de tenuitvoerlegging op aan een door Onze Minister van Justitie aangewezen inrichting.
-
De maatregel geldt voor de tijd van twee jaar. De termijn gaat in nadat de rechterlijke uitspraak onherroepelijk is geworden. De maatregel vervalt bij het onherroepelijk worden van een rechterlijke uitspraak waarbij de betrokkene wederom een dergelijke maatregel wordt opgelegd.
-
De termijn van de maatregel loopt niet:
gedurende de tijd dat aan de veroordeelde uit anderen hoofde rechtens zijn vrijheid is ontnomen en gedurende de tijd dat hij uit zodanige vrijheidsbeneming ongeoorloofd afwezig is.
wanneer de veroordeelde zich langer dan een week ongeoorloofd afwezig is uit de plaats die voor de tenuitvoerlegging van de maatregel is aangewezen.
-
De rechter, die de maatregel heeft opgelegd, kan de maatregel te allen tijde, na advies te hebben ingewonnen van de reclassering, voorwaardelijk of onvoorwaardelijk beëindigen. De artikelen 79p tot en met 79u zijn zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing.
Artikel 79n
-
De rechter die in eerste aanleg heeft kennis genomen van het misdrijf ter zake waarvan de maatregel is opgelegd, kan op vordering van het openbaar ministerie de termijn, bedoeld in artikel 79m, zesde lid, telkens met ten hoogste twee jaren verlengen. Op de vordering tot verlenging dient voor de afloop van de termijn te worden beschikt, doch in ieder geval drie maanden na afloop van die termijn.
-
Verlenging van de termijn van de maatregel is slechts mogelijk voor zover de maatregel daardoor de duur van vier jaar niet te boven gaat, tenzij de maatregel is opgelegd aan een verdachte als bedoeld in artikel 79m, tweede lid. In zodanig geval is verlenging mogelijk voor zover de maatregel de duur van zes jaar niet te boven gaat.
-
De verlenging is slechts mogelijk, indien de maatregel is opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen. Artikel 79m, eerste lid, onder b en c, is van overeenkomstige toepassing. De verlenging is niet mogelijk indien gebruik is gemaakt van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 79o.
-
Artikel 79m, derde en vierde lid is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 79o
-
In geval van veroordeling tot jeugddetentie, vervangende jeugddetentie daaronder niet begrepen, tot geldboete, tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen, kan de rechter bepalen dat deze of een gedeelte daarvan, niet zal worden ten uitvoer gelegd.
-
In geval van veroordeling tot jeugddetentie of in geval van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen, met toepassing van het eerste lid, kan de rechter tevens geldboete opleggen.
Artikel 79p
-
De rechter die bepaalt dat een door hem opgelegde straf of maatregel niet zal worden ten uitvoer gelegd, stelt daarbij een proeftijd vast van ten hoogste twee jaren.
-
De proeftijd gaat in zodra de uitspraak waarbij een bevel als in artikel 79o, eerste lid bedoeld is gegeven, onherroepelijk is geworden. De bijzondere voorwaarden gelden echter pas indien deze door of vanwege het openbaar ministerie aan de veroordeelde in persoon zijn betekend.
-
De proeftijd loopt niet gedurende de tijd dat de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen.
Artikel 79q
-
Toepassing van artikel 79o geschiedt onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. Bovendien kunnen bijzondere voorwaarden, het gedrag van de veroordeelde betreffende, worden gesteld. Deze mogen de vrijheid van de veroordeelde zijn godsdienst of levensovertuiging te belijden en de staatkundige vrijheid niet beperken. De rechter kan de werking van de bijzondere voorwaarden beperken tot een bij de uitspraak te bepalen tijdsduur binnen de proeftijd.
-
Als bijzondere voorwaarde kan worden gesteld dat de veroordeelde zich zal laten opnemen in een inrichting gedurende een door de rechter te bepalen termijn, korter dan de proeftijd.
Artikel 79r
-
Met het toezicht op de naleving van de voorwaarden is het openbaar ministerie belast.
-
De rechter kan aan de reclassering of, in bijzondere gevallen en na overleg met de reclassering, aan een particulier persoon, opdragen aan de veroordeelde ter zake van de naleving van de bijzondere voorwaarden hulp en steun te verlenen.
-
De rechter kan, indien de veroordeelde ingevolge artikel 254 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek BES onder toezicht is gesteld, aan de gezinsvoogd opdragen aan de veroordeelde ter zake van de naleving van de bijzondere voorwaarden hulp en steun te verlenen.
Artikel 79s
-
De rechter die de voorwaarde heeft gesteld, kan na ontvangst van een vordering van het openbaar ministerie of op verzoek van veroordeelde, de proeftijd verkorten of deze eenmaal verlengen. De verlenging geschiedt met ten hoogste één jaar.
-
Evenzo kan de in het eerste lid bedoelde rechter gedurende de proeftijd of gedurende de tijd dat deze is geschorst, in de gestelde bijzondere voorwaarden of in de termijn waartoe deze voorwaarden in haar werking binnen de proeftijd zijn beperkt, wijziging brengen, deze voorwaarden opheffen, alsnog bijzondere voorwaarden stellen en een opdracht als bedoeld in artikel 79r, tweede en derde lid, geven, wijzigen of opheffen.
-
De gewijzigde bijzondere voorwaarden gelden zodra deze door of vanwege het openbaar ministerie aan de veroordeelde in persoon zijn betekend.
Artikel 79t
-
Onverminderd het bepaalde in artikel 79s kan de rechter, indien enige gestelde voorwaarde niet wordt nageleefd en hij daartoe termen vindt, na ontvangst van de vordering van het openbaar ministerie:
gelasten dat de niet ten uitvoer gelegde straf of maatregel, alsnog zal worden ten uitvoer gelegd;
al of niet onder instandhouding of wijziging van de voorwaarden gelasten dat een gedeelte van de niet ten uitvoer gelegde straf of maatregel, alsnog zal worden ten uitvoer gelegd.
-
Artikel 17f is verder van overeenkomstige toepassing.
-
Artikel 79k is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 79u
-
Indien op grond van enige bepaling in deze titel door de rechter een beslissing wordt genomen geldt het volgende:
Indien er sprake is van een vordering van het openbaar ministerie dagvaardt het openbaar ministerie de veroordeelde met een met reden omklede vordering. Is door de veroordeelde enig verzoek aan de rechter gericht, dan dagvaardt het openbaar ministerie ten spoedigste nadat het verzoekschrift door de griffier in zijn handen is gesteld met een met redenen omklede conclusie. Indien de rechter ambtshalve voornemens is zijn beslissing te wijzigen dan dagvaardt het openbaar ministerie de veroordeelde ten spoedigste nadat hij daaromtrent vanwege de griffie heeft vernomen.
voor het overige zijn de artikelen 17i tot en met 17k van deze wet alsmede artikel 488 van het Wetboek van Strafvordering BES zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing.
-
Indien de veroordeelde op het tijdstip dat de procedure bedoeld in het eerste lid is ingesteld, de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, zijn daarenboven de artikelen 488 tot en met 490, 497 en 498 van het Wetboek van Strafvordering BES van overeenkomstige toepassing.
-
In afwijking van het in het eerste lid van toepassing verklaarde artikel 17k geldt dat hoger beroep in de gevallen van beslissingen op grond van de artikel 79n wel is toegelaten.
Artikel 79v
-
De kosten van jeugddetentie en van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen komen ten laste van het rijk.
-
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld ten aanzien van de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen en vrijheidsbenemende maatregelen als bedoeld in artikel 79h en de rechtspositie van jeugdigen.
-
Tevens kunnen daarbij regels worden gesteld voor de verstrekking van overheidswege van een bijdrage in de bekostiging van de voorbereiding en uitvoering van projecten als bedoeld in artikel 79e.
Artikel 79w
-
De straffen en maatregelen als bedoeld in deze Titel, zijn voor poging, voorbereiding, deelneming en medeplichtigheid dezelfde als die voor het voltooide misdrijf.
-
Bij samenloop worden meer feiten die als op zichzelf staande handelingen moeten worden beschouwd, voor de toepassing van straffen en maatregelen als één feit aangemerkt. Artikel 65 is met betrekking tot straffen van toepassing.