De tenuitvoerlegging van de ingevolge het vorige artikel opgelegde gevangenisstraf kan worden opgeschort bij een beschikking van Onze Minister van Justitie.
Deze beschikking kan te allen tijde worden herroepen ingeval de veroordeelde zich slecht gedraagt of in strijd handelt met de in zijnen verlofpas uitgedrukte voorwaarden.
De gevangenisstraf wordt geacht te zijn ondergaan door het verloop van haren duur sedert den dag van de beschikking tot opschorting van de tenuitvoerlegging en in elk geval op den dag, waarop de veroordeelde den leeftijd van vijf en twintig jaren heeft bereikt, tenzij inmiddels die beschikking is herroepen.