Bij veroordeeling wegens een der in dezen Titel omschreven misdrijven, kan de rechter de openbaarmaking zijner uitspraak gelasten en de schuldige worden ontzet van de uitoefening van het beroep waarin hij het misdrijf begaan heeft.

Bij veroordeeling wegens een der in de artikelen 339, 341, 344 en 345 omschreven misdrijven, kan ontzetting van de in artikel 32, N°. 1–4, vermelde rechten worden uitgesproken.