1. Hij die, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordeelen, door bedreiging hetzij met smaad, smaadschrift of openbaring van een geheim, hetzij met klachte of aangifte van een strafbaar feit bij de overheid, iemand dwingt hetzij tot de afgifte van eenig goed dat geheel of ten deele aan dezen of aan een derde toebehoort, hetzij tot het aangaan van eene schuld of het tenietdoen van eene inschuld, wordt, als schuldig aan afdreiging, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren.

  2. Indien het feit wordt gepleegd met het oogmerk om een terroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken, wordt de op het feit gestelde gevangenisstraf met een derde verhoogd.

  3. Dit misdrijf wordt niet vervolgd dan op klachte van hem tegen wien het gepleegd is.