Bij veroordeeling wegens een der in de artikelen 244, 248–253 en 255 tot en met 259 omschreven misdrijven, kan ontzetting van de in artikel 32, no. 1–4, vermelde rechten worden uitgesproken.
Indien de schuldige aan een der misdrijven in de artikelen 255 tot en met 259 omschreven het misdrijf in zijn beroep begaat, kan hij van de uitoefening van dat beroep worden ontzet.