1. Hij die opzettelijk eenig goed aan het krachtens de wet daarop gelegd beslag of aan een gerechtelijke bewaring onttrekt of, wetende dat het daaraan onttrokken is, het verbergt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren.

  2. Met dezelfde straf wordt gestraft hij die opzettelijk eenig krachtens de wet in beslag genomen goed vernielt, beschadigt onbruikbaar maakt.

  3. Met dezelfde straf wordt gestraft de bewaarder die opzettelijk een dezer feiten pleegt of toelaat, of de dader als medeplichtige ter zijde staat.