1. De aanslag op het leven of de vrijheid van de niet-regeerende Koningin, van den troonopvolger, of van een lid van het Koninklijk huis, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren.

  2. Indien de aanslag op het leven den dood tengevolge heeft of met voorbedachten rade wordt ondernomen, wordt levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren opgelegd.