1. Met gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren wordt gestraft:

    1. hij die opzettelijk enig gegeven als bedoeld in artikel 104, zonder daartoe gerechtigd te zijn, onder zich neemt of houdt;

    2. hij die enige handeling verricht, ondernomen met het oogmerk om, zonder daartoe gerechtigd te zijn, de beschikking te krijgen over enig gegeven als bedoeld in artikel 104;

    3. hij die tersluik, onder een vals voorgeven, door middel van een vermomming of langs een andere dan de gewone toegang op of in een verboden plaats komt of tracht te komen, aldaar in dier voege aanwezig is, of zich op een van die wijzen of door een van die middelen vandaar verwijdert of tracht te verwijderen.

    De bepalingen onder 3° is niet toepasselijk, indien de rechter blijkt, dat de dader niet heeft gehandeld met het oogmerk bedoeld onder 2°.