Wet op de identificatieplicht

Inhoud
Hoofdstuk I Aanwijzing van documenten
Hoofdstuk II Toonplicht
Hoofdstuk III Wijziging van de Organisatiewet Sociale Verzekering
Hoofdstuk IV Wijziging van de Wet op de Sociale Verzekeringsbank
Hoofdstuk V Wijziging van de Algemene Bijstandswet
Hoofdstuk VI Wijziging van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers
Hoofdstuk VII Wijziging van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen
Hoofdstuk VIII Wijziging van de Arbeidsvoorzieningswet
Hoofdstuk IX Wijziging van de Algemene Ouderdomswet
Hoofdstuk X Wijziging van de Algemene Weduwen- en Wezenwet
Hoofdstuk XI Wijziging van de Algemene Nabestaandenwet
Hoofdstuk XII Wijziging van de Algemene Kinderbijslagwet
Hoofdstuk XIII Wijziging van de Wet arbeid buitenlandse werknemers
Hoofdstuk XIV Wijziging van de Wet op de loonbelasting 1964
Hoofdstuk XV Wijziging van de Algemene wet inzake rijksbelastingen
Hoofdstuk XVI Wijziging van de Wet inzake spaarbewijzen
Hoofdstuk XVII Wijziging van de Wet identiteitsvaststelling bij financiële dienstverlening
Hoofdstuk XVIII Wijziging van de Wet op de economische delicten
Hoofdstuk XIX Wijziging van de Vreemdelingenwet
Hoofdstuk XX Wijziging van de Wet op het Notarisambt
Hoofdstuk XXI Wijziging van de Wet personenvervoer
Hoofdstuk XXII Wijziging van de Wet persoonsregistraties
Hoofdstuk XXIII Slotbepalingen

Artikel 1

HISTORISCH
  1. Als documenten waarmee in bij de wet aangewezen gevallen de identiteit van personen kan worden vastgesteld, worden aangewezen:

    1. een geldig reisdocument als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, b, c, d, e en g, of tweede lid, van de Paspoortwet;

    2. de documenten waarover een vreemdeling ingevolge de Vreemdelingenwet 2000 moet beschikken ter vaststelling van zijn identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie;

    3. een geldig nationaal, diplomatiek of dienstpaspoort dat is afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Gemeenschappen of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, voor zover de houder de nationaliteit van die andere lidstaat bezit;

    4. een geldig rijbewijs dat is afgegeven op basis van de Wegenverkeerswet, een geldig rijbewijs als bedoeld in artikel 107 van de Wegenverkeerswet 1994 of een rijbewijs dat is afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Gemeenschappen of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, waarvan de houder in Nederland woonachtig is, zolang de bij de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde termijn van geldigheid in Nederland niet is verstreken en mits het rijbewijs is voorzien van een pasfoto van de houder.

  2. Onze Minister van Justitie kan, al dan niet voor een bepaald tijdvak, andere dan de in het eerste lid bedoelde documenten aanwijzen ter vaststelling van de identiteit van personen.

01-03-2017 Huidig 20-01-2014 Historisch 01-01-2013 Historisch 01-02-2006 Historisch 01-01-2005 Historisch 01-04-2001 Historisch

Vergelijking met vorige versie

Vergeleken met 01-04-2001

Tekst van deze versie

  1. Als documenten waarmee in bij de wet aangewezen gevallen de identiteit van personen kan worden vastgesteld, worden aangewezen:

    1. een geldig reisdocument als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, b, c, d, e en g, of tweede lid, van de Paspoortwet;

    2. 2°de documenten waarover een vreemdeling ingevolge de Vreemdelingenwet 2000 moet beschikken ter vaststelling van zijn identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie.positie;
    3. 3°een geldig nationaal, diplomatiek of dienstpaspoort dat is afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Gemeenschappen of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, voor zover de houder de nationaliteit van die andere lidstaat bezit;
    4. 4°een geldig rijbewijs dat is afgegeven op basis van de Wegenverkeerswet, een geldig rijbewijs als bedoeld in artikel 107 van de Wegenverkeerswet 1994 of een rijbewijs dat is afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Gemeenschappen of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, waarvan de houder in Nederland woonachtig is, zolang de bij de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde termijn van geldigheid in Nederland niet is verstreken en mits het rijbewijs is voorzien van een pasfoto van de houder.
  2. Onze Minister van Justitie kan, al dan niet voor een bepaald tijdvak, andere dan de in het eerste lid bedoelde documenten aanwijzen ter vaststelling van de identiteit van personen.

Nog geen automatische verwijzingen.

Deze actie vereist een account
Log in of maak een account om arceringen, annotaties, tags en dossiers te gebruiken.
← terug naar Wet op de identificatieplicht