1. De bestuurder mag zijn voertuig niet laten stilstaan:

    1. op een kruispunt of een overweg;

    2. op een fietsstrook of op de rijbaan langs een fietsstrook;

    3. op een oversteekplaats of binnen een afstand van vijf meter daarvan;

    4. in een tunnel;

    5. bij een bord bushalte ter hoogte van de geblokte markering dan wel, ingeval die markering niet is aangebracht, op een afstand van minder dan 12 meter van het bord;

    6. op de rijbaan langs een busstrook en

    7. langs een gele doorgetrokken streep.

  2. Onderdeel e van het eerste lid geldt niet voor het onmiddellijk laten in- en uitstappen van passagiers.