De maximale fout voor toerentellers bedraagt:
10 min-1 voor toerentallen kleiner dan 1.000 min-1; en
1% voor toerentallen gelijk aan of groter dan 1.000 min-1.
De maximale fout voor toerentellers bedraagt:
10 min-1 voor toerentallen kleiner dan 1.000 min-1; en
1% voor toerentallen gelijk aan of groter dan 1.000 min-1.
De toerenteller moet zijn voorzien van een aanwijsinrichting, die digitaal of analoog het gemeten toerental aangeeft.
De aanwijzing van het toerental moet plaatsvinden in omwentelingen per minuut.
De kleinste afleeseenheid mag ten hoogste een waarde hebben van 10 min–1.
Het meetbereik van een toerenteller moet ten minste het gebied van 500 min–1 tot 6.000 min–1 omvatten.
Niet-geïntegreerde toerentellers die worden gebruikt in combinatie met een ander meetmiddel, moeten zijn voorzien van een signaaluitgang door middel waarvan het gemeten toerental kan worden overgedragen naar dat andere meetmiddel, voor zover koppeling verplicht is volgens de voorgeschreven meetmethode.