Regeling voertuigen Laatste controle 29-03-2026, laatste wijziging 23-03-2026.

Inhoud
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Afdeling 1 Begripsbepalingen
Afdeling 1a Aanvulling grondslagen
Afdeling 2 Besluiten van volkenrechtelijke organisaties of van één of meer instellingen van de Europese Unie
Hoofdstuk 2 Voertuigidentificatienummer en datum eerste toelating
Hoofdstuk 3 Nadere regels in verband met de goedkeuringen bedoeld in hoofdstuk III van de Wegenverkeerswet 1994
Afdeling 1 Nationale goedkeuringen voertuigen categorieën M, N en O
Afdeling 2 Nationale goedkeuringen personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en aanhangwagens ingericht voor het vervoer van personen met een maximumconstructiesnelheid van ten hoogste 25 km/h
Afdeling 3 Nationale goedkeuringen voertuigen categorieën L
Afdeling 4 Nationale typegoedkeuringen bijzondere bromfietsen
Afdeling 5 Nationale goedkeuringen voertuigen categorieën T, C, R en S
Afdeling 6 Nationale goedkeuringen mobiele machines
Afdeling 7 Voorlopige nationale individuele goedkeuringen bij nieuwe technologieën of nieuwe concepten
Afdeling 8 Nationale goedkeuringen voor systemen, onderdelen, technische eenheden, voertuigdelen, uitrustingsstukken, en voorzieningen ter bescherming van inzittenden van voertuigen en kwetsbare weggebruikers
Afdeling 9 Taken en bevoegdheden in verband met goedkeuringen door de Dienst Wegverkeer
§ 1 Algemeen
§ 2 Conformiteitscontroles nationale typegoedkeuring bijzondere bromfietsen en mobiele machines
Afdeling 10 Uitzonderingen als bedoeld in artikel 21, vijfde lid, van de wet, op de goedkeuringsverplichting, bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de wet
Afdeling 11 Op de markt aanbieden, registreren of in gebruik nemen van voertuigen uit restantvoorraad
Afdeling 12 Uit de handel nemen of terugroepen
Hoofdstuk 4 Aanwijzing artikelen uit EU-verordeningen en -richtlijnen als bedoeld in artikel 29 en 31 van de wet waarvoor inbreuken tot sancties aanleiding geven
Hoofdstuk 5 Permanente eisen
Afdeling 1 Algemeen
Afdeling 1a Vaststelling kenmerken voertuigen
Afdeling 1b Algemene bepalingen wijze van keuren
Afdeling 2 Personenauto’s
Afdeling 3 Bedrijfsauto’s
Afdeling 3a Bussen
Afdeling 4 Motorfietsen
Afdeling 5 Driewielige motorrijtuigen
Afdeling 6 Bromfietsen
Afdeling 6a Bijzondere bromfietsen
Afdeling 7 Motorrijtuigen met beperkte snelheid
Afdeling 7a Mobiele machines
Afdeling 8 Landbouw- of bosbouwtrekkers
Afdeling 9 Fietsen
Afdeling 10 Gehandicaptenvoertuigen voorzien van een gesloten carrosserie, alsmede gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een verbrandingsmotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
Afdeling 11 Gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
Afdeling 12 Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg
Afdeling 13 Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg
Afdeling 14 Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken
Afdeling 15 Motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens
Afdeling 16 Fietsaanhangwagens
Afdeling 17 Wagens
Afdeling 18 Gebruikseisen
§ 0 Algemeen
§ 1 Afmetingen, massa’s en lasten
A Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, dolly’s of aanhangwagens van de voertuigcategorie O en samenstellen hiervan
B Motorfietsen en motorfietsaanhangwagens
C Landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en mobiele machines, alsmede daardoor voortbewogen landbouw- of bosbouwaanhangwagens, verwisselbare getrokken uitrustingsstukken en aanhangwagens van de voertuigcategorie O
D Bromfietsen, bijzondere bromfietsen en bromfietsaanhangwagens
E Fietsen en fietsaanhangwagens
F Gehandicaptenvoertuigen en wagens
G Middenasaanhangwagens en aanhangwagens met een stijve dissel van de voertuigcategorie O
§ 2 Ophanging personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en mobiele machines
§ 2a Sneeuwkettingen
§ 3 Reminrichting
A Aanhangwagens van de voertuigcategorie O
B Alle categorieën samenstellen van voertuigen
§ 4 Verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
A Personenauto's, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
B Aanhangwagens, verwisselbare gedragen uitrustingsstukken en lastdragers
C Gehandicaptenvoertuigen
D Fietsaanhangwagens achter fietsen op twee wielen
E Wagens
§ 5 Verbinding tussen voertuigen
A Alle categorieën samenstellen van voertuigen
B Samenstellen van personenauto, bedrijfsauto, bus, driewielig motorrijtuig, landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid of mobiele machine en aanhangwagen
C Samenstellen van motorfiets of bromfiets en motorfietsaanhangwagen en bromfietsaanhangwagen
D Samenstellen van fiets en fietsaanhangwagen
§ 6 Diversen
Hoofdstuk 6 Wijziging in de goedkeuring van voertuigen
Hoofdstuk 7 Schadevoertuigen
Hoofdstuk 8 Meetmiddelen
Afdeling 1 Algemeen
§ 1 Algemene bepalingen
§ 2 Voorschriften met betrekking tot de keuring van meetmiddelen
Afdeling 2 Aanwijzing en erkenning instellingen
Afdeling 3 Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen
§ 1 Algemene eisen gesteld aan alle meetmiddelen
§ 2 Algemene eisen gesteld aan elektronische meetmiddelen
§ 3 Algemene eisen gesteld aan hulpinrichtingen
§ 4 Bijzondere eisen gesteld aan hulpinrichtingen
Afdeling 4 Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen
§ 1 Roetmeters
§ 2 Toerentellers
§ 3 Olietemperatuurmeters
§ 4 Manometers
§ 5 Pedaalkrachtmeters
§ 6 Remvertragingsmeters
§ 7 Rollenremtestbanken
§ 8 Platenremtestbanken
§ 9 Deeltjestellers
§ 10 Bromfietsrollentestbank
§ 11 Geluidsniveaumeter
§ 12 Koplamptestapparaten
Hoofdstuk 9 Ontheffingen
§ 1 Ontheffingen
§ 2 Aanvraag ontheffing
§ 3 Beschikking inzake ontheffing
§ 4 Tarieven
Hoofdstuk 10 Strafbepalingen
Hoofdstuk 11 Overgangs- en slotbepalingen
Bijlage I behorende bij artikel 2.1, derde lid
Bijlage II behorende bij artikel 2.2, tweede lid
Bijlage III behorende bij artikel 3.4.1, zesde lid
Bijlage IIIa , behorende bij artikel 3.2, derde lid
Bijlage IIIb , behorende bij artikel 3.3, tweede lid
Bijlage IIIc , behorende bij artikel 3.4, tweede lid
Bijlage IIId , behorende bij artikel 3.11
Bijlage IV behorende bij de artikelen 3.2, vierde lid, 3.3, 3.4, 3.7, eerste lid, 6.1, derde lid, 6.3, eerste lid, 6.4, eerste, tweede en vierde lid, 6.5, 6.7, 6.8 en 6.10, eerste lid
Bijlage Va behorende bij artikel 3.9, tweede lid
Bijlage Vb behorende bij artikel 3.8.1
Bijlage VI behorende bij de artikelen 3.1.5 en 6.4, derde lid
Bijlage VII behorende bij de artikelen 3.26, derde lid, en 3.27, eerste lid
Bijlage VIII behorende bij hoofdstuk 5
Nadere invulling van de permanente eisen en gebruikseisen
Bijlage IX behorende bij artikel 6.3, tweede, vijfde en zesde lid
Bijlage X behorende bij artikel 6.3, lid 3a, en vierde lid
Bijlage XI behorende bij artikel 6.6
Bijlage XII , behorend bij artikel 3.23a, vierde lid

Afdeling 3

Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen

Artikel 8.3.1

De in artikel 8.1.3 vermelde meetmiddelen voldoen, tenzij in afdeling 1 of 4 anders is bepaald, aan de in deze afdeling gestelde eisen.

Artikel 8.3.2

  1. Het meetmiddel is van een zodanige opbouw en werking, dat de toetsing aan dit hoofdstuk redelijkerwijs mogelijk is.

  2. Het meetmiddel is zodanig ingericht, dat er geen misverstanden kunnen ontstaan met betrekking tot de aangewezen of geregistreerde meetwaarde.

  3. Het meetmiddel is niet voorzien van een voor de gebruiker toegankelijke justeerinrichting of andere instelinrichting die de meetnauwkeurigheid kan beïnvloeden, tenzij het gebruik van deze inrichtingen in de specifieke eisen is toegestaan.

  4. Het meetmiddel heeft zodanige eigenschappen, dat geen onredelijke eisen gesteld worden aan de vaardigheid en inspanning van de gebruiker.

Artikel 8.3.3

  1. Bij het onderzoek naar de gevoeligheid voor invloedsfactoren wordt niet meer dan één onafhankelijke invloedsfactor gelijktijdig in beschouwing genomen.

  2. In afwijking van het eerste lid, geldt voor elektronische meetmiddelen die niet door het lichtnet worden gevoed dat gelijktijdig aan de eisen in artikel 8.3.4, vierde lid, en de spanningsvariatie-eis in 8.3.9, onder a, moet worden voldaan.

Artikel 8.3.4

  1. Indien in de specifieke eisen van afdeling 4 een controle-inrichting is voorgeschreven, stemt de werking en het resultaat van deze inrichting overeen met de door de fabrikant vastgelegde specificaties. Een onderbouwing van de waarde van het controleresultaat gerelateerd aan de maximale fout van het meetmiddel, wordt bij de aanbieding voor de typekeuring door de aanbieder overgelegd.

  2. De maximale fouten, genoemd in afdeling 4, gelden onder de vastgelegde gebruiksomstandigheden en bij gebruik van de meetmiddelen overeenkomstig de handleiding behorende bij het meetmiddel.

  3. Indien het meetmiddel wordt blootgesteld aan een verstoring, bedraagt een daarvan het gevolg zijnde verandering van de fout in de aanwijzing of registratie niet meer dan de waarde van de maximale fout, genoemd in afdeling 4. Aan deze eis behoeft niet te worden voldaan, indien de verstoring tot gevolg heeft dat:

    1. het meetresultaat niet kan worden vastgesteld, of

    2. het meetresultaat een zodanige fout vertoont dat de gebruiker onontkoombaar de ongeldigheid van de meting zal opmerken.

  4. De vastgelegde gebruiksomstandigheden voor de omgevingstemperatuur omvatten het temperatuurgebied van –10 °C tot 40 °C. Het vermelde temperatuurgebied mag beperkt zijn tot het gebied van ten minste 5 °C tot 40 °C.

  5. Bij het onderzoek voor de typekeuring overlegt de aanbieder een schriftelijke verklaring waarin wordt bevestigd dat het meetmiddel voldoet aan de gestelde eisen. Tevens doet hij daarbij een opgave van de periode waarover het meetmiddel, bij normaal gebruik en bij correcte uitvoering van eventuele door de gebruiker te verrichten justeringen, wordt verwacht te voldoen aan de eisen met betrekking tot de maximale fout.

Artikel 8.3.5

  1. Elk meetmiddel is voorzien van de volgende duidelijk leesbare en onuitwisbare opschriften:

    1. het fabricaat;

    2. het bouwjaar;

    3. de type-aanduiding;

    4. het typegoedkeuringsnummer;

    5. het serienummer;

    6. de eenheid waarin de gemeten grootheid wordt uitgedrukt;

    7. het aanwijsbereik;

    8. eventuele gebruiksbeperkende omstandigheden, en

    9. het temperatuurgebied waarbinnen aan de eisen van het meetmiddel wordt voldaan, tenzij anders is aangegeven in afdeling 4.

    Indien een meetmiddel is opgebouwd uit een aanwijseenheid met een separaat aan te sluiten meeteenheid, zijn de aanduidingen, genoemd onder a tot en met e, tevens vermeld op de separate meeteenheid. De aanduidingen, genoemd onder f tot en met h, zijn aangebracht in de onmiddellijke nabijheid van de aanwijzing en worden herhaald bij elke aanwijsinrichting.

  2. Voor zover de meetmiddelen zijn voorzien van een registratie-inrichting, worden op elke registratie ten minste de aanduidingen, genoemd in het eerste lid, onder e en f, vastgelegd.

  3. Aanwijzingen en registraties bedoeld voor de gebruiker van het meetmiddel, zijn in de Nederlandse taal gesteld.

  4. Andere aanduidingen dan die bedoeld in het eerste en tweede lid, mogen slechts worden aangebracht voor zover deze niet leiden tot misleiding of misvatting.

Artikel 8.3.6

  1. Meetmiddelen zijn voorzien van een handleiding gesteld in de Nederlandse taal.

  2. Ter beoordeling van de meetresultaten bevat de handleiding ten minste:

    1. een korte en overzichtelijke procedure voor het gebruik van het meetmiddel bij de uitvoering van de algemene periodieke keuring van een voertuig, waaronder in elk geval wordt verstaan een stroomschema;

    2. de uit te voeren controles voorafgaande aan of tijdens de metingen;

    3. de betekenis van een controleresultaat;

    4. een beschrijving van eventueel door het instrument gegeven meldingen; en

    5. de informatie benodigd voor een juiste interpretatie van het meetresultaat.

Artikel 8.3.7

De elektronische meetmiddelen, genoemd in artikel 8.1.3, voldoen, tenzij in afdeling 1 of 4 anders is bepaald, aan de in deze paragraaf gestelde eisen.

Artikel 8.3.9

Het meetmiddel voldoet wat betreft storingsgevoeligheid aan de volgende eisen:

  1. het meetmiddel is ongevoelig voor elektromagnetische invloeden. Aan deze eis wordt voldaan, indien de apparatuur de testen van International Document n° 11 General Requirements for Electronic Measuring Instruments (1994) doorstaat. De volgende testen met het aangegeven storingsniveau zijn van toepassing:

  2. indien het meetmiddel is uitgerust om te kunnen worden gevoed door het boordnet van voertuigen, voldoet dit aan de eisen gesteld in ISO 7637;

  3. indien het meetmiddel is opgebouwd uit afzonderlijke onderdelen, waarbij tussen de afzonderlijke onderdelen signaaloverdracht plaatsvindt, is het meetmiddel zodanig ingericht dat een juiste signaaloverdracht gewaarborgd is. Indien verstoringen van een andere aard dan bedoeld in de onderdelen a en b, zoals mechanische beschadigingen van de verbindingskabels, niet kunnen worden uitgesloten, moet verzekerd zijn dat bij het optreden van deze verstoringen voldaan wordt aan artikel 8.3.4, derde lid;

  4. in afwijking van het storingsniveau, bedoeld in onderdeel a, geldt voor een bromfietsrollentestbank en een deeltjesteller het storingsniveau 3 van de elektromagnetische instraling.

Artikel 8.3.10

De metrologisch relevante programmatuur van het meetmiddel voldoet aan de volgende eisen:

  1. bij de typekeuring moet de te gebruiken programmatuur redelijkerwijs kunnen worden onderzocht. De aanbieder moet daartoe de middelen ter beschikking stellen zoals de benodigde documentatie waarin de werking van de programmatuur in voldoende detail wordt weergegeven;

  2. de programmatuur is in een zodanige vorm in het meetmiddel aanwezig, dat wijziging van de programmatuur, leidend tot een besturingscode die niet in de typekeuring is onderzocht niet mogelijk is zonder verbreking van een verzegeling;

  3. de programmatuur is voorzien van een routine waardoor een zodanige identificatiecode wordt gegenereerd, dat elke wijziging in de programmatuur automatisch door middel van deze identificatiecode kan worden gesignaleerd;

  4. door de fabrikant wordt aan elke programmatuurversie een vast versienummer toegekend, dat tezamen met de door de programmatuur zelf gegenereerde identificatiecode, bedoeld in onderdeel c, de volledige identificatie van de programmatuur vormt. Dit versienummer wordt bij elke programmatuurwijziging die invloed kan hebben op de functies en de juistheid van het meetmiddel, door de fabrikant aangepast.

Artikel 8.3.10a

Indien de frequentie van een interne frequentiebron van invloed is op het meetresultaat, mag de frequentie geen grotere afwijking van zijn nominale waarde hebben dan overeenkomend met één tiende van de maximale fout.

Artikel 8.3.11

Een hulpinrichting is zodanig opgebouwd dat zij:

  1. de eigenschappen van het meetmiddel niet nadelig kan beïnvloeden;

  2. onder gebruiksomstandigheden zoals deze voor het meetmiddel gelden, juist blijft functioneren; en

  3. geen aanleiding kan vormen tot misleiding of misvatting.

Artikel 8.3.12

  1. Hulpinrichtingen mogen worden aangesloten op de in deze regeling vermelde meetmiddelen, indien de desbetreffende combinatie voor gebruik is goedgekeurd.

  2. Indien de combinatie, bedoeld in het eerste lid, niet voor gebruik is goedgekeurd, mag een hulpinrichting worden aangesloten op een in deze regeling genoemd meetmiddel, indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

    1. de hulpinrichting voldoet aan de voorwaarden gesteld in het typekeuringscertificaat van het meetmiddel, waarin in elk geval de aansluiting van de desbetreffende hulpinrichting op het meetmiddel wordt toegestaan;

    2. de hulpinrichting is voorzien van een CE-markering als bedoeld in artikel 1 van het Besluit meetinstrumenten en marktdeelnemers, en

    3. voor de hulpinrichting is een testcertificaat afgegeven, tenzij anders is vermeld in het typekeuringscertificaat.

  3. Een testcertificaat als bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, moet zijn afgegeven door een keuringsinstelling op grond van een door die instelling uitgevoerd onderzoek, waarbij is vastgesteld dat aan de eisen, genoemd in artikel 8.3.11, is voldaan.

Artikel 8.3.13

  1. Een hulpinrichting, bestaande uit een voorziening als bedoeld in artikel 55, vierde lid, van de Regeling erkenningen wegverkeer, is voorzien van een geldig testcertificaat.

  2. Het testcertificaat wordt afgegeven door een keuringsinstelling.

  3. Artikel 8.1.8 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 8.3.14

  1. Een hulpinrichting, bestaande uit een voorziening als bedoeld in artikel 55, vierde lid, van de Regeling erkenningen wegverkeer is voorzien van een geldig controlecertificaat.

  2. Het controlecertificaat wordt afgegeven door een keuringsinstelling of een onderzoeksgerechtigde.

  3. De artikelen 8.1.9 en 8.2.1 tot en met 8.2.10 zijn van overeenkomstige toepassing.

← terug naar Regeling voertuigen