-
De lengte van een samenstel van landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid of mobiele machine en één of meer aanhangwagens, mag niet meer bedragen dan 18,75 m.
-
In de afmetingen, bedoeld in het eerste lid, zijn afneembare bovenbouwen, gestandaardiseerde laadstructuren en verwisselbare gedragen uitrustingsstukken begrepen.
-
In afwijking van het eerste lid, mag de lengte van een samenstel van landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid of mobiele machine en een verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk dat niet om een verticale as kan draaien ten opzichte van het trekkende voertuig, niet meer bedragen dan 12 m.
-
In afwijking van in het eerste lid, mag de lengte van een samenstel van motorrijtuig met beperkte snelheid of mobiele machine en aanhangwagen, niet zijnde een oplegger, met inbegrip van de lading, niet meer dan 20,75 m, waarbij:
de lading op de aanhangwagen een verwisselbaar uitrustingsstuk betreft dat noodzakelijk is om het voertuig te kunnen gebruiken; of
de aanhangwagen onbeladen is.
Regeling voertuigen Laatste controle 30-03-2026, laatste wijziging 23-03-2026.
Inhoud
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Afdeling 1 Begripsbepalingen
Afdeling 1a Aanvulling grondslagen
Afdeling 2 Besluiten van volkenrechtelijke organisaties of van één of meer instellingen van de Europese Unie
Hoofdstuk 2 Voertuigidentificatienummer en datum eerste toelating
Hoofdstuk 3 Nadere regels in verband met de goedkeuringen bedoeld in hoofdstuk III van de Wegenverkeerswet 1994
Afdeling 1 Nationale goedkeuringen voertuigen categorieën M, N en O
Afdeling 2 Nationale goedkeuringen personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en aanhangwagens ingericht voor het vervoer van personen met een maximumconstructiesnelheid van ten hoogste 25 km/h
Afdeling 3 Nationale goedkeuringen voertuigen categorieën L
Afdeling 4 Nationale typegoedkeuringen bijzondere bromfietsen
Afdeling 5 Nationale goedkeuringen voertuigen categorieën T, C, R en S
Afdeling 6 Nationale goedkeuringen mobiele machines
Afdeling 7 Voorlopige nationale individuele goedkeuringen bij nieuwe technologieën of nieuwe concepten
Afdeling 8 Nationale goedkeuringen voor systemen, onderdelen, technische eenheden, voertuigdelen, uitrustingsstukken, en voorzieningen ter bescherming van inzittenden van voertuigen en kwetsbare weggebruikers
Afdeling 9 Taken en bevoegdheden in verband met goedkeuringen door de Dienst Wegverkeer
Afdeling 10 Uitzonderingen als bedoeld in artikel 21, vijfde lid, van de wet, op de goedkeuringsverplichting, bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de wet
Afdeling 11 Op de markt aanbieden, registreren of in gebruik nemen van voertuigen uit restantvoorraad
Afdeling 12 Uit de handel nemen of terugroepen
Hoofdstuk 4 Aanwijzing artikelen uit EU-verordeningen en -richtlijnen als bedoeld in artikel 29 en 31 van de wet waarvoor inbreuken tot sancties aanleiding geven
Hoofdstuk 5 Permanente eisen
Afdeling 1 Algemeen
Afdeling 1a Vaststelling kenmerken voertuigen
Afdeling 1b Algemene bepalingen wijze van keuren
Afdeling 2 Personenauto’s
§ 0 Algemeen
§ 1 Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 2 Afmetingen en massa’s
§ 3 Motor, brandstofsystemen en milieu
§ 4 Krachtoverbrenging
§ 5 Assen
§ 6 Ophanging
§ 7 Stuurinrichting
§ 8 Reminrichting
§ 9 Carrosserie
§ 10 Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 11 Verbinding tussen personenauto en aanhangwagen
§ 12 Diversen
§ 13 Aanvullende eisen taxi’s
Afdeling 3 Bedrijfsauto’s
§ 0 Algemeen
§ 1 Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 2 Afmetingen en massa’s
§ 3 Motor, brandstofsystemen en milieu
§ 4 Krachtoverbrenging
§ 5 Assen
§ 6 Ophanging
§ 7 Stuurinrichting
§ 8 Reminrichting
§ 9 Carrosserie
§ 10 Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 11 Verbinding tussen bedrijfsauto en aanhangwagen
§ 12 Diversen
Afdeling 3a Bussen
§ 0 Algemeen
§ 1 Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 2 Afmetingen en massa’s
§ 3 Motor, brandstofsystemen en milieu
§ 4 Krachtoverbrenging
§ 5 Assen
§ 6 Ophanging
§ 7 Stuurinrichting
§ 8 Reminrichting
§ 9 Carrosserie
§ 10 Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 11 Verbinding tussen bus en aanhangwagen
§ 12 Diversen
Afdeling 4 Motorfietsen
§ 0 Algemeen
§ 1 Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 2 Afmetingen en massa’s
§ 3 Motor, brandstofsystemen en milieu
§ 4 Krachtoverbrenging
§ 6 Ophanging
§ 7 Stuurinrichting
§ 8 Reminrichting
§ 9 Carrosserie
§ 10 Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 11 Verbinding tussen motorfiets en aanhangwagen
§ 12 Diversen
Afdeling 5 Driewielige motorrijtuigen
§ 0 Algemeen
§ 1 Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 2 Afmetingen en massa’s
§ 3 Motor, brandstofsystemen en milieu
§ 4 Krachtoverbrenging
§ 6 Ophanging
§ 7 Stuurinrichting
§ 8 Reminrichting
§ 9 Carrosserie
§ 10 Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 11 Verbinding tussen driewielig motorrijtuig en aanhangwagen
§ 12 Diversen
Afdeling 6 Bromfietsen
§ 0 Algemeen
§ 1 Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 2 Afmetingen en massa’s
§ 3 Motor, brandstofsystemen en milieu
§ 4 Krachtoverbrenging
§ 6 Ophanging
§ 7 Stuurinrichting
§ 8 Reminrichting
§ 9 Carrosserie
§ 10 Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 11 Verbinding tussen bromfiets en aanhangwagen
§ 12 Diversen
Afdeling 6a Bijzondere bromfietsen
§ 0 Algemeen
§ 1 Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 2 Afmetingen en massa’s
§ 3 Motor, brandstofsystemen en milieu
§ 4 Krachtoverbrenging
§ 6 Ophanging
§ 7 Stuurinrichting
§ 8 Reminrichting
§ 9 Carrosserie
§ 10 Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 11 Verbinding tussen bijzondere bromfiets en aanhangwagen
§ 12 Diversen
Afdeling 7 Motorrijtuigen met beperkte snelheid
§ 0 Algemeen
§ 1 Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 2 Afmetingen en massa’s
§ 3 Motor, brandstofsystemen en milieu
§ 4 Krachtoverbrenging
§ 6 Ophanging
§ 7 Stuurinrichting
§ 8 Reminrichting
§ 9 Carrosserie
§ 10 Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 11 Verbinding tussen motorrijtuig met beperkte snelheid en aanhangwagen
§ 12 Diversen
Afdeling 7a Mobiele machines
§ 0 Algemeen
§ 1 Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 2 Afmetingen en massa’s
§ 3 Motor, brandstofsystemen en milieu
§ 4 Krachtoverbrenging
§ 5 Assen
§ 6 Ophanging
§ 7 Stuurinrichting
§ 8 Reminrichting
§ 9 Carrosserie
§ 10 Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 11 Verbinding tussen mobiele machine en aanhangwagen
Afdeling 8 Landbouw- of bosbouwtrekkers
§ 0 Algemeen
§ 1 Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 2 Afmetingen en massa’s
§ 3 Motor, brandstofsystemen en milieu
§ 4 Krachtoverbrenging
§ 6 Ophanging
§ 7 Stuurinrichting
§ 8 Reminrichting
§ 9 Carrosserie
§ 10 Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 11 Verbinding tussen landbouw- of bosbouwtrekker en aanhangwagen
§ 12 Diversen
Afdeling 9 Fietsen
Afdeling 10 Gehandicaptenvoertuigen voorzien van een gesloten carrosserie, alsmede gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een verbrandingsmotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
Afdeling 11 Gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
Afdeling 12 Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg
Afdeling 13 Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg
Afdeling 14 Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken
§ 0 Algemeen
§ 1 Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 2 Afmetingen en massa’s
§ 3 Brandstofsystemen en milieu
§ 6 Ophanging
§ 7 Stuurinrichting
§ 8 Reminrichting
§ 9 Carrosserie
§ 10 Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 11 Verbinding tussen trekkend motorvoertuig en aanhangwagen
Afdeling 15 Motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens
Afdeling 16 Fietsaanhangwagens
Afdeling 17 Wagens
Afdeling 18 Gebruikseisen
§ 0 Algemeen
§ 1 Afmetingen, massa’s en lasten
A Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, dolly’s of aanhangwagens van de voertuigcategorie O en samenstellen hiervan
B Motorfietsen en motorfietsaanhangwagens
C Landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en mobiele machines, alsmede daardoor voortbewogen landbouw- of bosbouwaanhangwagens, verwisselbare getrokken uitrustingsstukken en aanhangwagens van de voertuigcategorie O
D Bromfietsen, bijzondere bromfietsen en bromfietsaanhangwagens
E Fietsen en fietsaanhangwagens
F Gehandicaptenvoertuigen en wagens
G Middenasaanhangwagens en aanhangwagens met een stijve dissel van de voertuigcategorie O
§ 2 Ophanging personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en mobiele machines
§ 2a Sneeuwkettingen
§ 3 Reminrichting
§ 4 Verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 5 Verbinding tussen voertuigen
A Alle categorieën samenstellen van voertuigen
B Samenstellen van personenauto, bedrijfsauto, bus, driewielig motorrijtuig, landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid of mobiele machine en aanhangwagen
C Samenstellen van motorfiets of bromfiets en motorfietsaanhangwagen en bromfietsaanhangwagen
D Samenstellen van fiets en fietsaanhangwagen
Hoofdstuk 6 Wijziging in de goedkeuring van voertuigen
Hoofdstuk 7 Schadevoertuigen
Hoofdstuk 8 Meetmiddelen
Afdeling 1 Algemeen
Afdeling 2 Aanwijzing en erkenning instellingen
Afdeling 3 Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen
Afdeling 4 Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen
§ 1 Roetmeters
§ 1.1 Algemeen
§ 1.2 Technische eisen
§ 6 Remvertragingsmeters
§ 7 Rollenremtestbanken
§ 7.1 Algemeen
§ 7.2 Technische eisen
§ 7.2.1 Controle-inrichting
§ 7.2.2 De maximale fout
§ 7.2.3 Uitvoering
§ 7.2.4 Gepresenteerde meetwaarden
§ 7.2.5 Aanwijsinrichting
§ 7.2.6 Niet-geëxtrapoleerde resulterende meetwaarde
§ 7.2.7 Eisen aan de extrapolatie-inrichting
§ 7.2.8 Registratie-inrichting
§ 7.2.9 Overgangsmaatregelen
§ 8 Platenremtestbanken
§ 9 Deeltjestellers
§ 10 Bromfietsrollentestbank
§ 12 Koplamptestapparaten
Hoofdstuk 9 Ontheffingen
Hoofdstuk 10 Strafbepalingen
Hoofdstuk 11 Overgangs- en slotbepalingen
Bijlage I behorende bij artikel 2.1, derde lid
Bijlage II behorende bij artikel 2.2, tweede lid
Bijlage III behorende bij artikel 3.4.1, zesde lid
Bijlage IIIa , behorende bij artikel 3.2, derde lid
Bijlage IIIb , behorende bij artikel 3.3, tweede lid
Bijlage IIIc , behorende bij artikel 3.4, tweede lid
Bijlage IIId , behorende bij artikel 3.11
Bijlage IV behorende bij de artikelen 3.2, vierde lid, 3.3, 3.4, 3.7, eerste lid, 6.1, derde lid, 6.3, eerste lid, 6.4, eerste, tweede en vierde lid, 6.5, 6.7, 6.8 en 6.10, eerste lid
Bijlage Va behorende bij artikel 3.9, tweede lid
Bijlage Vb behorende bij artikel 3.8.1
Bijlage VI behorende bij de artikelen 3.1.5 en 6.4, derde lid
Bijlage VII behorende bij de artikelen 3.26, derde lid, en 3.27, eerste lid
Bijlage VIII behorende bij hoofdstuk 5
Nadere invulling van de permanente eisen en gebruikseisen
Hoofdstuk 1 Voertuigeisen
Titel 3 Motor en brandstofsystemen
Afdeling 3 Emissie
§ 4 Deeltjes
Bijlage IX behorende bij artikel 6.3, tweede, vijfde en zesde lid
Bijlage X behorende bij artikel 6.3, lid 3a, en vierde lid
Bijlage XI behorende bij artikel 6.6
Bijlage XII , behorend bij artikel 3.23a, vierde lid
C
Artikel 5.18.21
-
Bij het vervoer van lading met een landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid, mobiele machine of een samenstel van landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid of mobiele machine en één of meer aanhangwagens:
mag de lading niet meer dan 1,00 m achter het voertuig uitsteken;
mag de lading niet meer dan 5,00 m achter het hart van de achterste as van het voertuig uitsteken;
moet een deugdelijke stootbalk zijn aangebracht op niet meer dan 0,60 m voor de uiterste achterzijde van de uitstekende lading, indien de afstand van de onderzijde van de lading tot het wegdek meer bedraagt dan 0,55 m;
mag de lading niet voor het voertuig uitsteken;
mag het zicht op de verlichting, de retroreflectoren, de richtingaanwijzers of de kentekenplaat aan de achterzijde niet worden belemmerd, tenzij aan de achterzijde van de uitstekende lading op gelijke wijze als op het betrokken voertuig verlichting, retroreflectoren, richtingaanwijzers of kentekenplaat zijn aangebracht.
-
In afwijking van het eerste lid, mag voor zover niet op andere wijze op het voertuig of samenstel van voertuigen, of voor zover niet binnen de bestaande afmetingen van het voertuig of samenstel van voertuigen kan worden geladen, bij het vervoer van in de lengte ondeelbare lading, met uitzondering van afneembare bovenbouwen of gestandaardiseerde laadstructuren, de lengte van de vervoerde lading meer bedragen dan ingevolge het eerste lid is toegestaan, waarbij:
- 1°
de lading niet meer dan 5,00 m achter het hart van de achterste as van het voertuig mag uitsteken;
- 2°
de lading niet meer dan 3,50 m voor het hart van het stuurwiel van het voertuig mag uitsteken;
- 3°
de lading die voor of achter het voertuig meer dan 1,00 m uitsteekt, aan de voorzijde dan wel de achterzijde moet zijn voorzien van een markering die voldoet aan het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 130 tot en met 133;
- 4°
de verwisselbare gedragen uitrustingsstukken die voor of achter het voertuig meer dan 1,00 m uitsteken, aan de zijkant moeten zijn voorzien van een zijmarkeringslicht of een ambergele retroreflector of ambergele opvallende markering, die is aangebracht op een afstand van niet meer dan 1,00 m van de uiterste voor- of achterzijde.
- 1°
-
Ter ondersteuning van de lading mag de laadvloer worden verlengd, voor zover daardoor de afmetingen, bedoeld in de artikelen 5.7.6, eerste lid, onderdeel a, 5.7a.6, eerste lid, onderdeel a, 5.8.6, eerste lid, onderdeel a, 5.12.6, eerste lid, onderdeel a, 5.14.6, eerste lid, onderdeel a, en 5.18.20, niet worden overschreden. Lading mag niet uitsluitend op de laadvloerverlenging rusten.
-
De stootbalk, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, mag niet breder zijn noch aan weerszijden meer dan 0,20 m smaller zijn dan:
het voertuig op de plaats waar de stootbalk is aangebracht, dan wel
de breedte van de breedste achteras, met inbegrip van de wielen waarbij de bolling van de banden boven het wegdek buiten beschouwing wordt gelaten.
-
De stootbalk, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, en de bevestiging daarvan mogen niet zodanig zijn vervormd of breuken of scheuren vertonen, dan wel door corrosie zijn aangetast, dat hierdoor functieverlies optreedt.
-
Indien gebruikt gemaakt wordt van het gele zwaai-, flits, of knipperlicht ingevolge artikel 5.7.57a of 5.8.57a moet het licht zodanig gemonteerd zijn dat het signaal kan worden waargenomen rondom het voertuig vanaf een afstand van 20 m vanaf het voertuig, gemeten op 1,5 m boven het wegdek.
Artikel 5.18.21a
-
De lengte van landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid, mobiele machines, landbouw- of bosbouwaanhangwagens of verwisselbare getrokken uitrustingsstukken, mag, met inbegrip van één of meer verwisselbare gedragen uitrustingsstukken, niet meer bedragen dan is bepaald in onderscheidenlijk de artikelen 5.7.6, eerste lid, onderdeel a, 5.7a.6, eerste lid, onderdeel a, 5.8.6, eerste lid, onderdeel a, en 5.14.6, eerste lid, onderdeel a, waarbij:
de verwisselbare gedragen uitrustingsstukken zoveel mogelijk moeten zijn ingeschoven, ingetrokken dan wel in- of opgeklapt en deugdelijk vergrendeld;
geen lading op de verwisselbare gedragen uitrustingsstukken mag rusten die niet gerelateerd is aan de functie van het verwisselbaar gedragen uitrustingsstuk;
het zicht op de verlichting, de retroreflectoren, de richtingaanwijzers of de kentekenplaat aan de achterzijde van het voertuig niet mag worden belemmerd;
de verwisselbare gedragen uitrustingsstukken die voor of achter het voertuig meer dan 1,00 m uitsteken, aan de voorzijde dan wel de achterzijde moeten zijn voorzien van een markering die voldoet aan het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 130 tot en met 133;
voertuigdelen en verwisselbare gedragen uitrustingsstukken niet meer dan 3,50 m voor het hart van het stuurwiel van het voertuig of, indien het voertuig geen stuurwiel heeft, voor het midden van de bestuurdersstoel, wanneer deze in de middelste stand gepositioneerd is, mogen uitsteken;
een beschermingsinrichting aan de voorzijde tegen klemrijden als bedoeld in artikel 5.8.49, niet meer dan 4,00 m voor het hart van het stuurwiel van het voertuig mag uitsteken;
de verwisselbare gedragen uitrustingsstukken die voor of achter het voertuig meer dan 1,00 m uitsteken, moeten aan de zijkant zijn voorzien van een zijmarkeringslicht of een ambergele retroreflector of ambergele opvallende markering, die is aangebracht op een afstand van niet meer dan 1,00 m van de uiterste voor- of achterzijde.
-
Het eerste lid, onderdeel c, is niet van toepassing, indien aan de achterzijde van de verwisselbare gedragen uitrustingsstukken op gelijke wijze als op het betrokken voertuig verlichting, retroreflectoren, richtingaanwijzers of kentekenplaat zijn aangebracht.
-
Het eerste lid, onderdeel e, is niet van toepassing, indien er maatregelen zijn getroffen die bewerkstelligen dat gezichtsveldbeperkingen bij kruisingen, verkeersknooppunten en uitritten worden opgeheven.
Artikel 5.18.22
-
De breedte van landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid of mobiele machines en daardoor voortbewogen aanhangwagens, mag, met inbegrip van de lading en verwisselbare gedragen uitrustingsstukken, niet meer bedragen dan 3,00 m.
-
Lading en verwisselbare gedragen uitrustingsstukken die in de breedte meer dan 0,10 m buiten de zijkant van het voertuig uitsteken, moeten zijn voorzien van een markering die voldoet aan het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 132 en 133.
-
Landbouw- of bosbouwtrekkers, mobiele machines, landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken in gebruik genomen na 31 december 2020 en daardoor voortbewogen aanhangwagens die, met inbegrip van de lading en verwisselbare gedragen uitrustingsstukken, meer dan 2,55 m breed zijn, moeten zijn voorzien van een markering die voldoet aan het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 132 en 133.
Artikel 5.18.23
De hoogte van landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en mobiele machines en daardoor voortbewogen aanhangwagens, mag, met inbegrip van de lading en één of meer verwisselbare gedragen uitrustingsstukken, niet meer bedragen dan 4,00 m.
Artikel 5.18.24
-
De last onder de bestuurde as of assen van landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en mobiele machines, mag niet minder bedragen dan een vijfde deel van de massa van het voertuig.
-
De last onder de bestuurde as of assen, niet zijnde zelfsturende assen, van de door landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en mobiele machines voortbewogen autonome aanhangwagens, mag niet minder bedragen dan een vijfde deel van de massa van de aanhangwagen in beladen toestand.
Artikel 5.18.25
-
De op de kentekencard, in het kentekenregister of op de constructieplaat van een landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid of mobiele machine vermelde technisch toegestane maximummassa mag niet worden overschreden of de som van de aslasten van het voertuig in beladen toestand mag niet meer bedragen dan de vermelde technisch toegestane maximummassa van het voertuig, met dien verstande dat het draagvermogen van de gemonteerde banden niet mag worden overschreden.
-
De toegestane maximummassa of de som van de aslasten van landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en mobiele machines in beladen toestand, mag niet meer bedragen dan:
50.000 kg;
de technisch toegestane maximummassa van het voertuig.
-
In afwijking van het tweede lid, onderdeel a, mag de toegestane maximummassa of de som van de aslasten van:
landbouw- of bosbouwtrekkers die:
- 1°
zijn voorzien van metalen rupsbanden niet meer bedragen dan 10.000 kg;
- 2°
twee-assig zijn niet meer bedragen dan 18.000 kg;
- 3°
drie-assig zijn niet meer bedragen dan 24.000 kg;
- 1°
motorrijtuigen met beperkte snelheid en mobiele machines die:
- 1°
zijn voorzien van metalen rupsbanden niet meer bedragen dan 10.000 kg;
- 2°
zijn ingericht voor het uitvoeren van in hoofdzaak andere werkzaamheden dan het vervoer van goederen of personen niet meer bedragen dan 60.000 kg.
- 1°
Artikel 5.18.25a
-
Van een samenstel van een landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid of mobiele machine met één of meer aanhangwagens, mag:
de op de kentekencard, in het kentekenregister of op de constructieplaat vermelde technisch toegestane maximummassa van het samenstel niet worden overschreden;
de som van de aslasten van het samenstel in beladen toestand niet meer bedragen dan de vermelde technisch toegestane maximummassa van het samenstel; en
het draagvermogen van de gemonteerde banden niet worden overschreden.
-
De toegestane maximummassa van een samenstel van landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid of mobiele machine en één of meer aanhangwagens of de som van de aslasten van het samenstel in beladen toestand, mag niet meer bedragen dan:
50.000 kg;
de technisch toegestane maximummassa van het samenstel.
-
In afwijking van het bepaalde in het tweede lid, onderdeel a, mag de toegestane maximummassa van een samenstel of de som van de aslasten van het samenstel in beladen toestand van een motorrijtuig met beperkte snelheid dat of mobiele machine die is ingericht voor het uitvoeren van in hoofdzaak andere werkzaamheden dan het vervoer van goederen of personen met een aanhangwagen niet meer bedragen dan 60.000 kg.
Artikel 5.18.25b
-
De op de kentekencard, in het kentekenregister of op de constructieplaat van een landbouw- of bosbouwaanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk vermelde technisch toegestane maximummassa mag niet worden overschreden, met dien verstande dat het draagvermogen van de gemonteerde banden niet overschreden mag worden.
-
Indien van een landbouw- of bosbouwaanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk de toegestane maximummassa niet met behulp van het eerste lid kan worden vastgesteld, geldt voor dit voertuig een maximumlast onder enig wiel van 5.000 kg.
Artikel 5.18.25c
-
Van een landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid, mobiele machine, landbouw- of bosbouwaanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk, mag:
de in het kentekenregister of op de constructieplaat vermelde technisch toegestane maximumlast onder de as niet worden overschreden; en
het draagvermogen van de gemonteerde banden niet worden overschreden.
-
De toegestane maximumlast onder de as van een landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid, mobiele machine, landbouw- of bosbouwaanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk, mag niet meer bedragen dan:
voor enige as: 10.000 kg voor een niet-aangedreven as en 11.500 kg voor een aangedreven as;
de technisch toegestane maximumlast onder de as van het voertuig.
-
In afwijking van het tweede lid, mag de toegestane maximumlast onder de as van motorrijtuigen met beperkte snelheid of mobiele machines die zijn ingericht voor het uitvoeren van in hoofdzaak andere werkzaamheden dan het vervoer van goederen of personen niet meer bedragen dan 12.000 kg.
-
Eveneens in afwijking van het tweede lid, mag de toegestane maximumlast van landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken onder een pendelas niet meer bedragen dan 13.000 kg, waarbij de last onder ieder der assen niet meer mag bedragen dan 6.500 kg.
Artikel 5.18.25d
-
De op de constructieplaat van een landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid, mobiele machine, landbouw- of bosbouwaanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk vermelde technisch toegestane maximumlast onder het asstel mag niet worden overschreden.
-
De toegestane maximumlast onder het asstel van een landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid, mobiele machine, landbouw- of bosbouwaanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk, mag niet meer bedragen dan de technisch toegestane maximumlast onder het asstel van het voertuig.
Artikel 5.18.25da
-
De van een landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid of mobiele machine op de kentekencard of in het kentekenregister vermelde technisch toegestane maximum te trekken massa van een aanhangwagen mag niet worden overschreden of de som van de aslasten van een aanhangwagen, alsmede van een samenstel van dolly en oplegger, mag niet meer bedragen dan de vermelde technisch toegestane maximum te trekken massa aanhangwagen.
-
De technisch toegestane maximum te trekken massa van één of meer aanhangwagens mag niet meer bedragen dan de laagste van de volgende waarden:
de technisch toelaatbare getrokken massa als opgegeven door de fabrikant van het trekkend voertuig;
de technisch getrokken massa van de mechanische koppelinrichting of koppelinrichtingen;
8.000 kg per aanhangwagen, indien het een aanhangwagen betreft met een oploopreminrichting;
indien een landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid, mobiele machine, landbouw- of bosbouwaanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk een ongeremde aanhangwagen voortbeweegt:
- 1°
de ten aanzien van de constructiekenmerken van het trekkende voertuig opgegeven technisch toegestane maximum te trekken massa van een aanhangwagen en de sterkte van de koppeling;
- 2°
1.500 kg, vermeerderd met de technisch toegestane maximummassa op het koppelpunt, indien het een landbouw- of bosbouwaanhangwagen betreft;
- 3°
3.500 kg, vermeerderd met de technisch toegestane maximummassa op het koppelpunt, indien het een verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk betreft.
- 1°
-
Indien in het kentekenregister dan wel op het kentekenbewijs van een landbouw- of bosbouwtrekker, mobiele machine, landbouw- of bosbouwaanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk met een datum van eerste toelating na 30 juni 2021 geen technisch toegestane maximum te trekken massa aanhangwagen is vermeld, mag geen aanhangwagen worden voortbewogen.
Artikel 5.18.25db
-
De op de constructieplaat van de koppeling van een landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid, mobiele machine, landbouw- of bosbouwaanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk vermelde technisch toegestane maximumlast op de koppeling mag niet worden overschreden.
-
In aanvulling op het gestelde in het eerste lid mag de toegestane maximumlast op de koppeling van een landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid, mobiele machine, landbouw- of bosbouwaanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk, indien de koppeling van het trekkende voertuig is:
een koppelingskogel met een nominale diameter van:
- 1°
50 mm, niet meer bedragen dan 150 kg;
- 2°
80 mm, niet meer bedragen dan 4.000 kg;
- 3°
110 mm, niet meer bedragen dan de technisch toegestane maximummassa van het voertuig verminderd met de massa in rijklare toestand;
- 4°
150 mm, niet meer bedragen dan de technisch toegestane maximummassa van het voertuig verminderd met de massa in rijklare toestand;
- 1°
een vangmuilkoppeling, niet meer bedragen dan 2.000 kg;
een penkoppeling met een nominale pendiameter van:
- 1°
30 mm, niet meer bedragen dan 2.000 kg;
- 2°
30,6 mm, niet meer bedragen dan 2.000 kg;
- 3°
44,5 mm, niet meer bedragen dan 3.000 kg;
- 1°
een trekhaak (Hitchhaak) conform ISO 6489-1:2001, niet meer bedragen dan 3.000 kg;
een trekkerdissel conform ISO 6489-3:2004, niet meer bedragen dan 4.500 kg;
een niet-zwenkende koppeling met harpsluiting conform ISO 6489-5:2011, niet meer bedragen dan 3.000 kg;
een schotelkoppeling, niet meer bedragen dan de technisch toegestane maximummassa van het voertuig verminderd met de massa in rijklare toestand.
Artikel 5.18.25e
Indien met een motorrijtuig met beperkte snelheid dat een combinatie vormt met één of meer aanhangwagens die zijn ingericht voor het vervoer van personen als bedoeld in artikel 1.1, de begripsbepaling van ‘motorrijtuig met beperkte snelheid’, onderdeel b, onder 2°, geen passagiers in de aanhangwagen worden vervoerd, mag in het motorrijtuig slechts één passagier worden vervoerd.