Regeling voertuigen

Inhoud
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Afdeling 1 Begripsbepalingen
Afdeling 1a Aanvulling grondslagen
Afdeling 2 Besluiten van volkenrechtelijke organisaties of van één of meer instellingen van de Europese Unie
Afdeling 3 Aanwijzing van een technische dienst
Hoofdstuk 2 Voertuigidentificatienummer en datum eerste toelating
Hoofdstuk 3 Nadere regels in verband met de goedkeuringen bedoeld in hoofdstuk III van de Wegenverkeerswet 1994
Afdeling 1 Nationale goedkeuringen voertuigen categorieën M, N en O
Afdeling 2 Nationale goedkeuringen personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en aanhangwagens ingericht voor het vervoer van personen met een maximumconstructiesnelheid van ten hoogste 25 km/h
Afdeling 3 Nationale goedkeuringen voertuigen categorieën L
Afdeling 4 Nationale typegoedkeuringen bijzondere bromfietsen
Afdeling 5 Nationale goedkeuringen voertuigen categorieën T, C, R en S
Afdeling 6 Nationale goedkeuringen mobiele machines
Afdeling 7 Voorlopige nationale individuele goedkeuringen bij nieuwe technologieën of nieuwe concepten
Afdeling 8 Nationale goedkeuringen voor systemen, onderdelen, technische eenheden, voertuigdelen, uitrustingsstukken, en voorzieningen ter bescherming van inzittenden van voertuigen en kwetsbare weggebruikers
Afdeling 9 Taken en bevoegdheden in verband met goedkeuringen door de Dienst Wegverkeer
§ 1 Algemeen
§ 2 Conformiteitscontroles nationale typegoedkeuring bijzondere bromfietsen en mobiele machines
Afdeling 10 Uitzonderingen als bedoeld in artikel 21, vijfde lid, van de wet, op de goedkeuringsverplichting, bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de wet
Afdeling 11 Op de markt aanbieden, registreren of in gebruik nemen van voertuigen uit restantvoorraad
Afdeling 12 Uit de handel nemen of terugroepen
Hoofdstuk 4 Aanwijzing artikelen uit EU-verordeningen en -richtlijnen als bedoeld in artikel 29 en 31 van de wet waarvoor inbreuken tot sancties aanleiding geven
Hoofdstuk 5 Permanente eisen
Afdeling 1 Algemeen
Afdeling 1a Vaststelling kenmerken voertuigen
Afdeling 1b Algemene bepalingen wijze van keuren
Afdeling 2 Personenauto’s
Afdeling 3 Bedrijfsauto’s
Afdeling 3a Bussen
Afdeling 4 Motorfietsen
Afdeling 5 Driewielige motorrijtuigen
Afdeling 6 Bromfietsen
Afdeling 6a Bijzondere bromfietsen
Afdeling 7 Motorrijtuigen met beperkte snelheid
Afdeling 7a Mobiele machines
Afdeling 8 Landbouw- of bosbouwtrekkers
Afdeling 9 Fietsen
Afdeling 10 Gehandicaptenvoertuigen voorzien van een gesloten carrosserie, alsmede gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een verbrandingsmotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
Afdeling 11 Gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
Afdeling 12 Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg
Afdeling 13 Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg
Afdeling 14 Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken
Afdeling 15 Motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens
Afdeling 16 Fietsaanhangwagens
Afdeling 17 Wagens
Afdeling 18 Gebruikseisen
§ 0 Algemeen
§ 1 Afmetingen, massa’s en lasten
A Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, dolly’s of aanhangwagens van de voertuigcategorie O en samenstellen hiervan
B Motorfietsen en motorfietsaanhangwagens
C Landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en mobiele machines, alsmede daardoor voortbewogen landbouw- of bosbouwaanhangwagens, verwisselbare getrokken uitrustingsstukken en aanhangwagens van de voertuigcategorie O
D Bromfietsen, bijzondere bromfietsen en bromfietsaanhangwagens
E Fietsen en fietsaanhangwagens
F Gehandicaptenvoertuigen en wagens
G Middenasaanhangwagens en aanhangwagens met een stijve dissel van de voertuigcategorie O
§ 2 Ophanging personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en mobiele machines
§ 2a Sneeuwkettingen
§ 3 Reminrichting
A Aanhangwagens van de voertuigcategorie O
B Alle categorieën samenstellen van voertuigen
§ 4 Verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
A Personenauto's, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
B Aanhangwagens, verwisselbare gedragen uitrustingsstukken en lastdragers
C Gehandicaptenvoertuigen
D Fietsaanhangwagens achter fietsen op twee wielen
E Wagens
§ 5 Verbinding tussen voertuigen
A Alle categorieën samenstellen van voertuigen
B Samenstellen van personenauto, bedrijfsauto, bus, driewielig motorrijtuig, landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid of mobiele machine en aanhangwagen
C Samenstellen van motorfiets of bromfiets en motorfietsaanhangwagen en bromfietsaanhangwagen
D Samenstellen van fiets en fietsaanhangwagen
§ 6 Diversen
Hoofdstuk 6 Wijziging in de goedkeuring van voertuigen
Hoofdstuk 7 Schadevoertuigen
Hoofdstuk 8 Meetmiddelen
Afdeling 1 Algemeen
Afdeling 2 Aanwijzing en erkenning instellingen
Afdeling 3 Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen
§ 1 Algemene eisen gesteld aan alle meetmiddelen
§ 2 Algemene eisen gesteld aan elektronische meetmiddelen
§ 3 Algemene eisen gesteld aan hulpinrichtingen
§ 4 Bijzondere eisen gesteld aan hulpinrichtingen
Afdeling 4 Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen
§ 1 Roetmeters
§ 2 Toerentellers
§ 3 Olietemperatuurmeters
§ 4 Manometers
§ 5 Pedaalkrachtmeters
§ 6 Remvertragingsmeters
§ 7 Rollenremtestbanken
§ 8 Platenremtestbanken
§ 9 Deeltjestellers
§ 10 Bromfietsrollentestbank
§ 11 Geluidsniveaumeter
§ 12 Koplamptestapparaten
Hoofdstuk 9 Ontheffingen
§ 1 Ontheffingen
§ 2 Aanvraag ontheffing
§ 3 Beschikking inzake ontheffing
§ 4 Tarieven
Hoofdstuk 10 Strafbepalingen
Hoofdstuk 11 Overgangs- en slotbepalingen
Bijlage I behorende bij artikel 2.1, derde lid
Bijlage II behorende bij artikel 2.2, tweede lid
Bijlage III behorende bij artikel 3.4.1, zesde lid
Bijlage IIIa , behorende bij artikel 3.2, derde lid
Bijlage IIIb , behorende bij artikel 3.3, tweede lid
Bijlage IIIc , behorende bij artikel 3.4, tweede lid
Bijlage IIId , behorende bij artikel 3.11
Bijlage IV behorende bij de artikelen 3.2, vierde lid, 3.3, 3.4, 3.7, eerste lid, 6.1, derde lid, 6.3, eerste lid, 6.4, eerste, tweede en vierde lid, 6.5, 6.7, 6.8 en 6.10, eerste lid
Bijlage Va behorende bij artikel 3.9, tweede lid
Bijlage Vb behorende bij artikel 3.8.1
Bijlage VI behorende bij de artikelen 3.1.5 en 6.4, derde lid
Bijlage VII behorende bij de artikelen 3.26, derde lid, en 3.27, eerste lid
Bijlage VIII behorende bij hoofdstuk 5
Nadere invulling van de permanente eisen en gebruikseisen
Bijlage IX behorende bij artikel 6.3, tweede, vijfde en zesde lid
Bijlage X behorende bij artikel 6.3, lid 3a, en vierde lid
Bijlage XI behorende bij artikel 6.6
Bijlage XII , behorend bij artikel 3.23a, vierde lid

Artikel bijlage-iv

HISTORISCH

behorende bij de artikelen 3.2, vierde lid, 3.3, 3.4, 3.7, eerste lid, 6.1, derde lid, 6.3, eerste lid, 6.4, eerste, tweede en vierde lid, 6.5, 6.7, 6.8 en 6.10, eerste lid

Bijlage IV — behorende bij de artikelen 3.2, vierde lid, 3.3, 3.4, 3.7, eerste lid, 6.1, derde lid, 6.3, eerste lid, 6.4, eerste, tweede en vierde lid, 6.5, 6.7, 6.8 en 6.10, eerste lid

Nationale kleine serie typegoedkeuring en individuele goedkeuring van voertuigen van de voertuigcategorieën L, M, N, O, T, C, R en S

Artikel 1

  1. In deze bijlage wordt verstaan onder:

    1. richtlijn 72/245/EEG: Richtlijn 72/245/EEG van de Raad van 20 juni 1972 betreffende door voertuigen veroorzaakte radiostoring (elektromagnetische comptabiliteit) (PbEG 1972, L 152);

    2. richtlijn 74/151/EEG: Richtlijn 74/151/EEG van de Raad van 4 maart 1974 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende bepaalde onderdelen en eigenschappen van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen (PbEG 1974, L 84);

    3. richtlijn 77/541/EEG: Richtlijn 77/541/EEG van de Raad van 28 juni 1977 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake veiligheidsgordels en bevestigingssystemen in motorvoertuigen (PbEG 1977, L 220);

    4. richtlijn 97/24/EG: Richtlijn 97/24/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 1997 betreffende bepaalde onderdelen of eigenschappen van motorvoertuigen op twee of drie wielen (PbEG 1997, L 226);

    5. richtlijn 2002/24/EG: Richtlijn 2002/24/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 maart 2002 betreffende de goedkeuring van twee- of driewielige motorvoertuigen en de intrekking van Richtlijn 92/61/EEG van de Raad (PbEG 2002, L 124);

    6. verordening (EU) 3/2014: Gedelegeerde verordening (EU) nr. 3/2014 van de Commissie van 24 oktober 2013 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 168/2013 van het Europees Parlement en de Raad betreffende functionele veiligheidsvoorschriften voor de goedkeuring van twee- of driewielige voertuigen en vierwielers (PbEU 2014, L 7);

    7. verordening (EU) 44/2014: Gedelegeerde verordening (EU) nr. 44/2014 van de Commissie van 21 november 2013 ter aanvulling van Verordening (EU) nr. 168/2013 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de voertuigconstructie en algemene voorschriften voor de goedkeuring van twee- of driewielige voertuigen en vierwielers (PbEU 2014, L 25);

    8. verordening (EU) 134/2014: Gedelegeerde verordening (EU) nr. 134/2014 van de Commissie van 16 december 2013 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 168/2013 van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot de voorschriften voor milieuprestaties en prestaties van de aandrijfeenheid en tot wijziging van bijlage V bij die verordening (PbEU 2014, L 53);

    9. verordening (EU) 901/2014: Uitvoeringsverordening (EU) nr. 901/2014 van de Commissie van 18 juli 2014 tot uitvoering van Verordening (EU) nr. 168/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de administratieve voorschriften voor de goedkeuring van en het markttoezicht op twee- of driewielige voertuigen en vierwielers (PbEU 2014, L 249);

    10. verordening (EU) 1322/2014: Gedelegeerde verordening (EU) nr. 1322/2014 van de Commissie van 19 september 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 167/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat de voertuigconstructie en algemene voorschriften voor de goedkeuring van landbouw- en bosbouwvoertuigen betreft (PbEU 2014, L 364);

    11. verordening (EU) 2015/96: Gedelegeerde verordening (EU) 2015/96 van de Commissie van 1 oktober 2014 ter aanvulling van Verordening (EU) nr. 167/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft voorschriften voor milieuprestaties en prestaties van de aandrijfeenheid voor landbouw- en bosbouwvoertuigen (PbEU 2015, L 16).

  2. In deze bijlage wordt voorts verstaan onder:

    1. VN/ECE-reglement 36: VN/ECE-reglement 36 als bedoeld in bijlage Va;

    2. VN/ECE-reglement 52: VN/ECE-reglement 52 als bedoeld in bijlage Va;

    3. VN/ECE-reglement 100: reglement nr. 100 van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (VN/ECE) - Uniforme voorschriften voor de goedkeuring van elektrische voertuigen wat de specifieke voorschriften inzake constructie, functionele veiligheid en emissie van waterstof betreft;

    4. VN/ECE-reglement 107: VN/ECE-reglement 107 als bedoeld in bijlage Va.

Artikel 2

Vervallen.

Artikel 2a

  1. Voertuigen van de voertuigcategorieën M, N en O, met uitzondering van voertuigen met de voertuigclassificatie M1 of N1 en voertuigen voor speciale doeleinden, met een datum van eerste toelating van na 28 april 2009, moeten voor het verkrijgen van een nationale kleine serie typegoedkeuring of een individuele goedkeuring voor toelating tot het verkeer op de weg voldoen aan de voor het voertuig gestelde:

    1. eisen in bijlage IV, deel 1, bij richtlijn 2007/46/EG, zoals die eisen luidden op de datum van eerste toelating van het voertuig;

    2. permanente eisen.

  2. Voertuigen voor speciale doeleinden van de voertuigcategorieën M, N en O met een datum van eerste toelating van na 28 april 2009, moeten voor het verkrijgen van een nationale kleine serie typegoedkeuring of een individuele goedkeuring voor toelating tot het verkeer op de weg voldoen aan de voor het voertuig gestelde:

    1. eisen in bijlage XI bij richtlijn 2007/46/EG, zoals die eisen luidden op de datum van eerste toelating van het voertuig;

    2. permanente eisen.

  3. Voertuigen met de voertuigclassificatie M1 of N1 met een datum van eerste toelating van na 28 april 2009, moeten voor het verkrijgen van een individuele goedkeuring voor toelating tot het verkeer op de weg voldoen aan de voor het voertuig gestelde:

    1. eisen in bijlage IV, deel 1, bij richtlijn 2007/46/EG, zoals die eisen luidden op de datum van eerste toelating van het voertuig;

    2. permanente eisen.

  4. Onverminderd het eerste tot en met derde lid, moeten niet-seriematig geproduceerde voertuigen van de voertuigcategorieën M en N voldoen aan de in artikel 3, onderdeel b, van bijlage IX gestelde eis.

  5. Onverminderd het eerste tot en met derde lid, moeten elektrisch aangedreven en hybride elektrische voertuigen van de voertuigcategorieën M en N voldoen aan de in annex 4 opgenomen eisen.

  6. Met betrekking tot voertuigen van de voertuigcategorieën M, N en O, blijven voor het verkrijgen van een nationale kleine serie typegoedkeuring of een individuele goedkeuring voor toelating tot het verkeer op de weg de volgende VN/ECE-reglementen, EU-richtlijnen en EU-verordeningen buiten beschouwing:

    1. Reglement nr. 29 van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (VN/ECE) inzake uniforme voorschriften voor de goedkeuring van bedrijfsvoertuigen wat de bescherming van de inzittenden van de cabine betreft;

    2. Reglement nr. 95 van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (VN/ECE) inzake uniforme voorschriften voor de goedkeuring van voertuigen met betrekking tot de bescherming van de inzittenden bij een zijdelingse botsing;

    3. Reglement nr. 97 van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (VN/ECE) inzake uniforme voorschriften voor de goedkeuring van voertuigalarmsystemen (VAS) en van motorvoertuigen wat hun alarmsysteem (AS) betreft;

    4. Richtlijn 2005/64/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2005 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen inzake herbruikbaarheid, recycleerbaarheid en mogelijke nuttige toepassing, en tot wijziging van Richtlijn 70/156/EEG van de Raad (PbEU 2005, L 310);

    5. Richtlijn 2006/40/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 betreffende emissies van klimaatregelingsapparatuur in motorvoertuigen en houdende wijziging van Richtlijn 70/156/EEG van de Raad (PbEU 2006, L 161), voor zover het voertuig in gebruik is genomen vóór 1 januari 2017;

    6. Verordening (EU) nr. 65/2012 van de Commissie van 24 januari 2012 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 661/2009 van het Europees Parlement en de Raad wat schakelindicatoren betreft en tot wijziging van Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad (PbEU 2012, L 280).

Artikel 2b

  1. Voertuigen met de voertuigclassificatie L3e, L4e, L5e of L7e met een datum van eerste toelating van na 31 december 2015 doch vóór 1 januari 2017 en voertuigen met de voertuigclassificatie L1e, L2e of L6e, met uitzondering van voertuigen met de voertuigclassificatie L1e voorzien van een hulpaandrijving met als hoofddoel trapondersteuning, met een datum van eerste toelating van na 31 december 2015 doch vóór 1 januari 2018, moeten voor het verkrijgen van een nationale kleine serie typegoedkeuring of een individuele goedkeuring voor toelating tot het verkeer op de weg voldoen aan de voor het voertuig gestelde:

    1. eisen in bijlage I bij richtlijn 2002/24/EG, zoals die eisen luidden op de datum van eerste toelating van het voertuig; of

    2. eisen in de bijlagen II en V tot en met VIII bij verordening (EU) 168/2013 en bijlage V bij verordening (EU) 901/2014, zoals die eisen luidden op de datum van eerste toelating van het voertuig; en

    3. eisen in artikel 6 van bijlage IX, zoals die eisen luidden op de datum van eerste toelating van het voertuig, indien het een niet-seriematig geproduceerd voertuig met de voertuigclassificatie L3e of L4e betreft;

    4. eis in artikel 3, onderdeel b, van bijlage IX, zoals die eis luidde op de datum van eerste toelating van het voertuig, indien het een niet-seriematig geproduceerd voertuig met de voertuigclassificatie L5e of L7e betreft;

    5. eisen in artikel 6 van bijlage IX, zoals die eisen luidden op de datum van eerste toelating van het voertuig, voor zover het een ander voertuig betreft dan bedoeld in onderdeel c en dit naar het oordeel van de Dienst Wegverkeer noodzakelijk is met het oog op het verkeersveilig gebruik van dat voertuig;

    6. eisen, indien het een elektrisch aangedreven of hybride elektrisch voertuig betreft, in:

      1. annex 4 bij deze bijlage;

      2. hoofdstuk 8 van richtlijn 97/24/EG, zoals die eisen luidden op de datum van eerste toelating van het voertuig; en

      3. VN/ECE-reglement 100, zoals die eisen luidden op de datum van eerste toelating van het voertuig; en

    7. permanente eisen.

  2. Voertuigen met de voertuigclassificatie L3e, L4e, L5e of L7e met een datum van eerste toelating van na 31 december 2016 en voertuigen met de voertuigclassificatie L1e, L2e of L6e met een datum van eerste toelating van na 31 december 2017, moeten voor het verkrijgen van een nationale kleine serie typegoedkeuring of een individuele goedkeuring voor toelating tot het verkeer op de weg voldoen aan de voor het voertuig gestelde:

    1. eisen in de bijlagen II en V tot en met VIII bij verordening (EU) 168/2013, zoals die eisen luidden op de datum van eerste toelating van het voertuig;

    2. eisen in bijlage V bij verordening (EU) 901/2014, zoals die eisen luidden op de datum van eerste toelating van het voertuig;

    3. eisen in artikel 6 van bijlage IX, zoals die eisen luidden op de datum van eerste toelating van het voertuig, indien het een niet-seriematig geproduceerd voertuig met de voertuigclassificatie L3e of L4e betreft;

    4. eis in artikel 3, onderdeel b, van bijlage IX, zoals die eis luidde op de datum van eerste toelating van het voertuig, indien het een niet-seriematig geproduceerd voertuig met de voertuigclassificatie L5e of L7e betreft;

    5. eisen in artikel 6 van bijlage IX, zoals die eisen luidden op de datum van eerste toelating van het voertuig, voor zover het een ander voertuig betreft dan bedoeld in onderdeel c en dit naar het oordeel van de Dienst Wegverkeer noodzakelijk is met het oog op het verkeersveilig gebruik van dat voertuig;

    6. eisen, indien het een elektrisch aangedreven of hybride elektrisch voertuig betreft, in:

      1. annex 4 bij deze bijlage;

      2. hoofdstuk 8 van richtlijn 97/24/EG, zoals die eisen luidden op de datum van eerste toelating van het voertuig; en

      3. VN/ECE-reglement 100, zoals die eisen luidden op de datum van eerste toelating van het voertuig; en

    7. permanente eisen.

  3. Voertuigen met de voertuigclassificatie L1e voorzien van een hulpaandrijving met als hoofddoel trapondersteuning met een datum van eerste toelating van na 31 december 2015 doch vóór 1 januari 2018, moeten voor het verkrijgen van een nationale kleine serie typegoedkeuring of een individuele goedkeuring voor toelating tot het verkeer op de weg voldoen aan de voor het voertuig gestelde:

    1. eisen in bijlage I bij richtlijn 2002/24/EG en bijlage X, aanhangsels 1 en 1.1, bij verordening (EU) 134/2014, zoals die eisen luidden op de datum van eerste toelating van het voertuig; of

    2. eisen in de bijlagen II en V tot en met VIII bij verordening (EU) 168/2013 en bijlage V bij verordening (EU) 901/2014, zoals die eisen luidden op de datum van eerste toelating van het voertuig;

    3. eisen, indien het een elektrisch aangedreven of hybride elektrisch voertuig betreft, in:

      1. annex 4 bij deze bijlage;

      2. hoofdstuk 8 van richtlijn 97/24/EG, zoals die eisen luidden op de datum van eerste toelating van het voertuig; en

      3. VN/ECE-reglement 100, zoals die eisen luidden op de datum van eerste toelating van het voertuig; en

    4. permanente eisen.

  4. Voertuigen van de voertuigcategorie L met een datum van eerste toelating van na 31 december 2005 doch vóór 1 januari 2016, moeten voor het verkrijgen van een individuele goedkeuring voor toelating tot het verkeer op de weg voldoen aan de voor het voertuig gestelde:

    1. eisen in bijlage I bij richtlijn 2002/24/EG en bijlage X, aanhangsels 1 en 1.1, bij verordening (EU) 134/2014, zoals die eisen luidden op de datum van eerste toelating van het voertuig;

    2. eisen in artikel 6 van bijlage IX, zoals die eisen luidden op de datum van eerste toelating van het voertuig, indien het een niet-seriematig geproduceerd voertuig met de voertuigclassificatie L3e of L4e betreft;

    3. eis in artikel 3, onderdeel b, van bijlage IX, zoals die eis luidde op de datum van eerste toelating van het voertuig, indien het een niet-seriematig geproduceerd voertuig met de voertuigclassificatie L5e of L7e betreft;

    4. eisen in artikel 6 van bijlage IX, zoals die eisen luidden op de datum van eerste toelating van het voertuig, voor zover het een ander voertuig betreft dan bedoeld in onderdeel b en dit naar het oordeel van de Dienst Wegverkeer noodzakelijk is met het oog op het verkeersveilig gebruik van dat voertuig;

    5. eisen, indien het een elektrisch aangedreven of hybride elektrisch voertuig betreft, in:

      1. annex 4 bij deze bijlage;

      2. hoofdstuk 8 van richtlijn 97/24/EG, zoals die eisen luidden op de datum van eerste toelating van het voertuig; en

      3. VN/ECE-reglement 100, zoals die eisen luidden op de datum van eerste toelating van het voertuig; en

    6. permanente eisen.

  5. Voertuigen van de voertuigcategorie L met een datum van eerste toelating van vóór 1 januari 2006, moeten voor het verkrijgen van een individuele goedkeuring voor toelating tot het verkeer op de weg voldoen aan de voor het voertuig gestelde:

    1. eisen in artikel 6 van bijlage IX, zoals die eisen luidden op de datum van eerste toelating van het voertuig, indien het een niet-seriematig geproduceerd voertuig met de voertuigclassificatie L3e of L4e betreft;

    2. eis in artikel 3, onderdeel b, van bijlage IX, zoals die eis luidde op de datum van eerste toelating van het voertuig, indien het een niet-seriematig geproduceerd voertuig met de voertuigclassificatie L5e of L7e betreft;

    3. eisen in artikel 6 van bijlage IX, zoals die eisen luidden op de datum van eerste toelating van het voertuig, voor zover het een ander voertuig betreft dan bedoeld in onderdeel a en dit naar het oordeel van de Dienst Wegverkeer noodzakelijk is met het oog op het verkeersveilig gebruik van dat voertuig;

    4. eisen, indien het een elektrisch aangedreven of hybride elektrisch voertuig betreft, in:

      1. annex 4 bij deze bijlage;

      2. hoofdstuk 8 van richtlijn 97/24/EG, zoals die eisen luidden op de datum van eerste toelating van het voertuig; en

      3. VN/ECE-reglement 100, zoals die eisen luidden op de datum van eerste toelating van het voertuig; en

    5. permanente eisen.

  6. Met betrekking tot voertuigen van de voertuigcategorie L, blijven voor het verkrijgen van een nationale kleine serie typegoedkeuring of een individuele goedkeuring voor toelating tot het verkeer op de weg de bijlagen V en XI bij verordening (EU) 3/2014, en III, IV, XII, XV en XVII bij verordening (EU) 44/2014 buiten beschouwing.

Artikel 2c

  1. Voertuigen van de voertuigcategorieën T en C met een datum van eerste toelating van na 31 december 2017, moeten voor het verkrijgen van een nationale kleine serie typegoedkeuring of een individuele goedkeuring voor toelating tot het verkeer op de weg voldoen aan de voor het voertuig gestelde:

    1. eisen in de bijlage I bij verordening (EU) 167/2013, zoals die eisen luidden op de datum van eerste toelating van het voertuig; en

    2. permanente eisen.

  2. Voertuigen van de voertuigcategorieën T en C met een datum van eerste toelating van vóór 1 januari 2018, moeten voor het verkrijgen van een individuele goedkeuring voor toelating tot het verkeer op de weg voldoen aan de voor het voertuig gestelde:

    1. eisen in de bijlage I bij richtlijn 74/151/EEG, zoals die eisen luidden op de datum van eerste toelating van het voertuig; en

    2. permanente eisen.

  3. Met betrekking tot voertuigen van de voertuigcategorieën T en C, blijven voor het verkrijgen van een nationale kleine serie typegoedkeuring of een individuele goedkeuring voor toelating tot het verkeer op de weg de bijlagen III tot en met XI, XIII, XV, XVI, XVII, XX, XXII, XXV en XXIX bij verordening (EU) 1322/2014, I en II bij verordening (EU) 2015/96 en X, XVIII, XXI en XXIII bij verordening (EU) 2015/208 buiten beschouwing.

Artikel 2d

  1. Voertuigen van de voertuigcategorieën R en S met een datum van eerste toelating van na 31 december 2017, moeten voor het verkrijgen van een nationale kleine serie typegoedkeuring of een individuele goedkeuring voor toelating tot het verkeer op de weg voldoen aan de voor het voertuig gestelde:

    1. eisen in de bijlage I bij verordening (EU) 167/2013, zoals die eisen luidden op de datum van eerste toelating van het voertuig; en

    2. permanente eisen.

  2. Voertuigen van de voertuigcategorieën R en S met datum van eerste toelating van vóór 1 januari 2018, moeten voor het verkrijgen van een individuele goedkeuring voor toelating tot het verkeer op de weg voldoen aan de voor het voertuig gestelde permanente eisen.

  3. Met betrekking tot voertuigen van de voertuigcategorieën R en S, blijven voor het verkrijgen van een nationale kleine serie typegoedkeuring of een individuele goedkeuring voor toelating tot het verkeer op de weg de bijlagen XXII, XXV, XXVI en XXIX bij verordening (EU) 1322/2014 en XVIII, XXI en XXII bij verordening (EU) 2015/208 buiten beschouwing.

Artikel 3

  1. Voertuigen met de voertuigclassificatie M1, N1 tot en met N3, of O1 tot en met O4 met een datum van eerste toelating van na 31 december 1997 doch vóór 29 april 2009, moeten voor het verkrijgen van een individuele goedkeuring voor toelating tot het verkeer op de weg voldoen aan de voor het voertuig gestelde:

    1. toelatingseisen, zoals die eisen luidden op de datum van eerste toelating van het voertuig, met uitzondering van de eisen gesteld met betrekking tot zijdelingse afscherming na de voorste achteras aan voertuigen van de voertuigcategorieën N en O; en

    2. permanente eisen.

  2. In aanvulling op het eerste lid, moeten niet-fabrieksmatig geproduceerde voertuigen met de voertuigclassificatie M1 of N1 voldoen aan de in artikel 3, onderdeel b, van bijlage IX gestelde eis.

Artikel 4

  1. Voertuigen met de voertuigclassificatie M1, N1 tot en met N3, of O1 tot en met O4 met een datum van eerste toelating van vóór 1 januari 1998, alsmede voertuigen van de voertuigcategorieën L, M, N, O, T, C, R en S die blijkens een door de Belastingdienst afgegeven verklaring behoren tot een verhuisboedel, moeten voor het verkrijgen van een individuele goedkeuring voor toelating tot het verkeer op de weg voldoen aan de voor het voertuig gestelde permanente eisen.

  2. In aanvulling op het eerste lid, moeten voertuigen van de voertuigcategorie O voldoen aan de in annex 1 opgenomen eisen.

  3. In aanvulling op het eerste lid, met uitzondering van voertuigen die behoren tot een verhuisboedel, voldoet een voertuig met de voertuigclassificatie M1, N1 of N2 met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg en met een datum van eerste toelating van vóór 1 januari 1998, indien het is voorzien van een motor die kan worden gevoed door een al dan niet tot vloeistof verdicht gas, aan de emissie-eisen zoals die luidden op de datum van eerste toelating.

Artikel 5

  1. Voertuigen met de voertuigclassificatie M2 of M3 met een datum eerste toelating van na 11 februari 2005 doch vóór 29 april 2009, moeten voor het verkrijgen van een individuele goedkeuring voor toelating tot het verkeer op de weg voldoen aan de voor het voertuig gestelde:

    1. toelatingseisen, zoals die eisen luidden op de datum van eerste toelating van het voertuig,

    2. nationale kleine serie typegoedkeuringseisen betreffende de inrichting van het voertuig, en

    3. permanente eisen.

  2. Voertuigen die voldoen aan de eisen, genoemd in de VN/ECE-reglementen 36, 52 of 107, worden geacht te voldoen aan de eisen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b.

Artikel 6

  1. Voertuigen met de voertuigclassificatie M2 of M3 met een datum eerste toelating na 31 december 1997 doch voor 12 februari 2005, moeten voor het verkrijgen van een individuele goedkeuring voor toelating tot het verkeer op de weg voldoen aan de voor het voertuig gestelde:

    1. toelatingseisen, zoals die eisen luidden op de datum van eerste toelating van het voertuig,

    2. eisen betreffende de inrichting van het voertuig, genoemd in annex 2, en

    3. permanente eisen.

  2. Voertuigen die voldoen aan de eisen, genoemd in de VN/ECE-reglementen 36, 52 of 107, worden geacht te voldoen aan de eisen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b.

Artikel 7

  1. Voertuigen met de voertuigclassificatie M2 of M3 met een datum eerste toelating vóór 1 januari 1998, moeten voor het verkrijgen van een individuele goedkeuring voor toelating tot het verkeer op de weg voldoen aan de voor het voertuig gestelde:

    1. permanente eisen; en

    2. eisen betreffende de inrichting van het voertuig, genoemd in annex 2.

  2. Voertuigen die voldoen aan de eisen, genoemd in de VN/ECE-reglementen 36, 52 of 107, worden geacht te voldoen aan de eisen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b.

  3. In aanvulling op het eerste lid, voldoet een voertuig met de voertuigclassificatie M2 met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg en met een datum van eerste toelating van vóór 1 januari 1998, indien het is voorzien van een motor die kan worden gevoed door een al dan niet tot vloeistof verdicht gas, aan de emissie-eisen zoals die luidden op de datum van eerste toelating.

Artikel 8

Vervallen.

Artikel 9

  1. Personenauto’s of bedrijfsauto’s in gebruik genomen na 1 september 2008 en ingericht voor het vervoer van één of meer passagiers in een rolstoel, moeten wat betreft:

    1. de rolstoelvastzetsystemen en veiligheidssystemen voldoen aan de eisen, bedoeld in NEN-ISO 10542-1:2001 tot en met NEN-ISO 10542-5:2001;

    2. de plaatsen die worden gebruikt voor het vervoer van één of meer passagiers in een rolstoel zijn voorzien van gordels overeenkomstig richtlijn 77/541/EEG.

  2. Op personenauto’s, niet zijnde taxi’s, die zijn voorzien van een ligplaats, zijn de artikelen 3.2, tweede lid, 3.3, zevende lid, 4, elfde en twaalfde lid, en 7 van bijlage VI van overeenkomstige toepassing.

  3. Ligplaatsen in personenauto's die in gebruik zijn genomen na 31 december 2011, moeten met doelmatige veiligheidsvoorzieningen zijn uitgerust ten einde te voorkomen dat de passagier uit de ligplaats kan geraken.

Annex 1 — behorende bij artikel 4, tweede lid

Individuele toelatingseisen voor voertuigen van de voertuigcategorie O

Artikel 1

De koppeling van voertuigen met de voertuigclassificatie O1 tot en met O4 moet zijn voorzien van een van de volgende goedkeuringsmerken:

  1. in geval van een autonome aanhangwagen:

    1. 1421-.... of e- of E-keurmerk, indien het betreft een trekoog, tenzij het trekoog aan een trekdriehoek is gelast, dan geldt: 1401-.... of DIN.... of ISO....;

    2. 1021-.... of 1001-.... of e- of E-keurmerk, indien het betreft een kogelkoppeling, of

    3. 0221-.... of 0201-.... of e- of E-keurmerk, indien het betreft een trekdriehoek, trekboom of dissel.

  2. in geval van een middenasaanhangwagen:

    1. 1421-.... of e- of E-keurmerk, indien het betreft een trekoog, tenzij het trekoog aan een trekdriehoek is gelast, dan geldt: 1401-.... of DIN.... of ISO....;

    2. 1021-.... of 1001-.... of e- of E-keurmerk, indien het betreft een kogelkoppeling, of

    3. 0221-.... of 0201-.... of e- of E-keurmerk indien het betreft een trekdriehoek, trekboom of dissel, voor zover deze geen doorlopend profiel met de chassisbalken vormt.

  3. in geval van een oplegger: de koppelingspen moet zijn voorzien van een 1721-.... of 1701-.... of e- of E-keurmerk.

Annex 2 — behorende bij de artikelen 6, eerste lid, en 7, eerste lid

Individuele inrichtingseisen voor voertuigen met de voertuigclassificatie M2 of M3

Hoofdstuk 1 — Algemene bepalingen

Artikel 1 — Begripsbepalingen

  1. In deze annex wordt verstaan onder:

    1. bedrijfsdeur of dubbele bedrijfsdeur: deur die onder normale omstandigheden door de passagiers wordt gebruikt terwijl de bestuurder op zijn zitplaats zit;

    2. compartiment: ruimte ingericht voor het vervoer van meer dan drie personen, de bestuurder daaronder niet begrepen;

    3. dubbeldeksvoertuig: voertuig waarbij de beschikbare ruimte voor de passagiers ten minste in een deel is ingericht op twee boven elkaar liggende niveaus en er niet in ruimte voor staande passagiers is voorzien op het bovendek;

    4. gebruiksstanden van de bedieningsinrichting van de stuurinrichting: standen van de bedieningsinrichting van de stuurinrichting waarbij de bestuurder is gezeten op zijn zitplaats in de standen, bedoeld in de begripsbepaling van ‘gebruiksstanden van de bestuurderszitplaats’;

    5. gebruiksstanden van de bestuurderszitplaats: standen van de bestuurderszitplaats achter de bedieningsinrichting van de stuurinrichting waarbij de bestuurder de bus veilig kan besturen;

    6. hoofddoorgang: ruimte waardoor de passagiers zich van elke zitplaats of rij zitplaatsen, van elke staanplaats en van elke ligplaats of rij ligplaatsen naar de toegang tot elke voorgeschreven deur kunnen begeven. In deze ruimte is niet begrepen de ruimte die als voetenruimte voor een zitplaats of rij zitplaatsen vereist is. Voor zitplaatsen die geheel of gedeeltelijk in de toegang tot een deur zijn geplaatst, is de laatste volzin niet van toepassing;

    7. keuringseisen: keuringseisen als bedoeld in hoofdstuk 2;

    8. ligbank: bank dan wel een samenstel van zittingen of rugleuningen die in een zodanige positie kan worden gebracht dat een passagier daarop liggend kan worden vervoerd;

    9. niet volledig dragend chassis: chassis dat zodanig is geconstrueerd dat niet alle toelaatbare belastingen en de daarbij optredende krachten door het chassis zelf kunnen worden opgenomen. De niet door het chassis op te nemen belastingen en krachten worden hierbij opgenomen door een meedragende carrosserieconstructie;

    10. nooddeur: deur die slechts in uitzonderlijke gevallen, met name in noodgevallen, door de passagiers wordt gebruikt;

    11. noodraam: al dan niet beglaasd raam;

    12. nooduitgang: voorgeschreven opening om uitsluitend in noodgevallen als uitgang voor de passagiers te dienen;

    13. normale gebruiksstand van de bestuurderszitplaats: door de fabrikant van de carrosserie vastgestelde stand van de bestuurderszitplaats als bedoeld in de begripsbepaling van ‘gebruiksstanden van de bestuurderszitplaats‘;

    14. raam: raam, alleen in noodgevallen bedoeld als uitgang voor de passagiers;

    15. slagdeur: eendelige handbediende deur die scharnierend aan een deurstijl is bevestigd;

    16. trolleybus: bus die wordt voortbewogen door elektrische tractie met stroomtoevoer van een bovenleiding;

    17. volledig dragend chassis: chassis dat zodanig is geconstrueerd dat alle toelaatbare belastingen en daarbij optredende krachten door dit chassis zelf kunnen worden opgenomen;

    18. volledig zelfdragende carrosserie: carrosserieconstructie die zodanig is geconstrueerd dat alle toelaatbare belastingen en daarbij optredende krachten door deze constructie zelf kunnen worden opgenomen;

    19. zitplaats: samenstel van zitting en rugleuning geen rolstoel zijnde bestemd om persoon zittend te vervoeren;

    20. zitplaats voor dienstgebruik: een zitplaats die uitsluitend voor het dienstdoende personeel is bestemd.

  2. In deze annex wordt voorts verstaan onder:

    1. richtlijn 70/221/EEG: Richtlijn 70/221/EEG van de Raad van 20 maart 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende reservoirs voor vloeibare brandstof en beschermingsinrichtingen aan de achterzijde van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan (PbEG 1970, L 76);

    2. richtlijn 74/60/EEG: Richtlijn 74/60/EEG van de Raad van 17 december 1973 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende de binneninrichting van motorvoertuigen (delen van het interieur met uitzondering van achteruitkijkspiegel(s), plaats van de bedieningsorganen, dak of rol- of schuifdak, rugleuning en achterzijde van de zitplaatsen) (PbEG 1974, L 38);

    3. richtlijn 97/27/EG: Richtlijn 97/27/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juli 1997 betreffende de massa’s en afmetingen van bepaalde categorieën motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en tot wijziging van Richtlijn 70/156/EEG (PbEG 1997, L 233).

Hoofdstuk 2 — Goedkeuringseisen

Artikel 2 — Algemeen

Een voertuig met de voertuigclassificatie M2 of M3 moet voldoen aan de in dit hoofdstuk opgenomen eisen.

Artikel 3 — Massa’s

  1. Bij volle belasting mag de bus noch onder elk der assen noch in zijn geheel meer wegen dan door de Dienst Wegverkeer voor het gebezigde chassistype is toegestaan.

  2. Voor de vaststelling van de belastingen wordt de massa van een te vervoeren persoon op 65 kg, van de per persoon te vervoeren goederen op 5 kg en van een rolstoel op 25 kg aangenomen dan wel de massa’s gelijk genomen aan hetgeen gedefinieerd in paragraaf 7.4.3.3.1. van bijlage I van richtlijn 97/27/EEG.

  3. Bij het vaststellen van de massa van de te vervoeren goederen, inclusief de uit het tweede lid volgende massa, wordt gerekend dat op een imperiaal ten hoogste 75 kg per m2 beschikbaar oppervlak en in afgesloten ruimten ten hoogste 100 kg per m3 kunnen worden vervoerd.

Artikel 4 — Bestuurderscompartiment

  1. De ruiten van het bestuurderscompartiment die zijn gelegen voor een verticaal vlak loodrecht op het mediaanlangsvlak van de bus gaande door het in richtlijn 74/60/EEG gedefinieerde punt V, moeten zijn voorzien van het materiaal dat bestaat uit één laag volkomen doorzichtig en duurzaam glas dat een bijzondere warmtebehandeling heeft ondergaan, zodat bij breuk korrelvorming optreed, dan wel twee of meer lagen volkomen doorzichtig en duurzaam glas met als verbindingsmateriaal één of meer lagen doorzichtig plastisch materiaal.

  2. De doorlaatbaarheid voor licht, gemeten in de rechte hoeken ten opzichte van het oppervlak van de ruit, mag niet minder bedragen dan 70%.

  3. Eventuele beeldvertekening mag in geen geval hinder bij de besturing van de bus opleveren.

  4. Wanneer een zitplaats zich in de gebruiksstand bevindt en wanneer deze in opgeklapte stand verkeert, mag geen deel daarvan zich vóór een verticaal vlak bevinden dat door het middelpunt van het zittingsoppervlak van de bestuurderszitplaats in de achterste stand en door het middelpunt van de aan de tegenovergestelde zijde gemonteerde buitenspiegel lopen.

  5. Er moeten zodanige voorzieningen zijn getroffen dat de bestuurder geen hinder van de weerkaatsing van de binnenverlichting in de ruiten binnen zijn gezichtsveld kan ondervinden.

Artikel 5 — Bescherming tegen brandrisico’s; algemeen, bekleding en voertuigdelen

  1. Ruimten waarin zich personen tijdens de rit kunnen ophouden, moeten van de motorruimte, van de ruimte waarin zich het brandstofreservoir bevindt en van de zones waarvan een groot brandgevaar kan uitgaan, zijn gescheiden door wanden respectievelijk vloeren die geen gevaarlijke hoeveelheden brandstof kunnen doorlaten en zodanig zijn uitgevoerd dat voldoende weerstand wordt geboden tegen branddoorslag, een zogenaamde brandwerende constructie.

  2. Leidingen, verwarmings- en luchtkanalen die in de ruimte uitmonden waarin zich tijdens de rit personen kunnen ophouden, moeten zodanig zijn gevormd en geconstrueerd dat vlammen niet direct in deze ruimte kunnen binnendringen. Doorvoeringen door wanden en vloeren die brandwerend moeten zijn uitgevoerd, moeten dienovereenkomstig zijn geconstrueerd.

  3. De verbrandingseigenschappen, dat wil zeggen ontbrandbaarheid, verbrandingssnelheid en smelteigenschappen, van binnenmaterialen die gebruikt worden in bussen met meer dan 22 passagiers die noch voor vervoer van staande passagiers, noch voor stadsvervoer zijn bestemd, moeten voldoen aan de volgende eisen:

    1. bekledingen van zittingen, rugleuningen en hoofdsteunen, bekleding van de binnenzijde van de voor het vervoer van personen bestemde ruimte zoals hemelbekleding, vloerbedekking, bekleding van de zijpanelen, achterpanelen, deurpanelen, afscheidingsschotten, materialen voor geluid en warmte-isolatie, gordijnen, zonwering, bagagerekken en luchtkokers, bekleding van de wielkasten, bekleding van het motorcompartiment en overige delen die zich over een grote lengte in de bus achter een verticaal mediaanlangsvlak van de bus gaande door het in richtlijn 74/60/EEG gedefinieerde punt V bevinden, moeten in voldoende mate brandveilig zijn, en

    2. de vlamuitbreidingssnelheid van de materialen, bedoeld in onderdeel a, mag niet meer bedragen dan 11 cm/min, getest overeenkomstig de methode genoemd in de normen ISO 3795 of DIN 75200 of FMVSS 302 of UTAC ST 18 502 of een hieraan gelijkwaardige norm.

  4. Delen die niet aan de in het derde lid, onderdeel b, bedoelde testen behoeven te zijn onderworpen, zijn:

    1. metalen delen;

    2. onderdelen van zitplaatsen die niet van metaal zijn vervaardigd en niet meer wegen dan 200 g, waarbij de totale massa van deze onderdelen per zitplaats niet meer mag bedragen dan 400 g, en

    3. delen waarvan de oppervlakte respectievelijk het volume de hieronder vermelde waarden niet overschrijden:

      1. 10 cm2 of 40 cm3 voor delen die als toebehoren bij elke zitplaats zijn aangebracht;

      2. 300 cm2 of 120 cm3 voor delen die verdeeld in de bus per rij zitplaatsen en ten hoogste per strekkende meter van de binnenruimte zijn aangebracht en die niet aan een zitplaats zijn gebonden.

Artikel 6 — Bescherming tegen brandrisico’s; brandstofsysteem

  1. Een brandstofsysteem mag zich slechts voor de vooras bevinden, indien de afstand van het reservoir tot aan de voorkant van het voertuig ten minste 1,20 m bedraagt. Deze afstand kan worden verminderd tot 0,60 m, indien het reservoir voldoet aan bijlage I van richtlijn 70/221/EEG.

  2. Eventuele lekbrandstof van een brandstofsysteem moet ongehinderd op het wegdek kunnen vloeien en mag niet op de uitlaatleiding kunnen geraken. Indien het reservoir voldoet aan bijlage I van richtlijn 70/221/EEG, behoeven geen voorzieningen te worden aangebracht betreffende het op het wegdek vloeien van eventuele lekbrandstof van het reservoir.

  3. De vulopening van een brandstofreservoir mag alleen vanaf de buitenzijde van de bus toegankelijk zijn.

  4. De vulopening van een brandstofreservoir moet ten minste 0,50 m verwijderd zijn van elke deuropening. Indien het een dieseloliereservoir betreft die voldoet aan bijlage I van richtlijn 70/221/EEG, moet deze afstand ten minste 0,25 m bedragen.

Artikel 7 — Bescherming tegen brandrisico’s; elektrische installatie

  1. De gehele elektrische installatie moet zodanig zijn ontworpen, uitgevoerd en beschermd dat bij normale gebruiksomstandigheden geen brand of kortsluiting kan optreden.

  2. De bedrading moet stevig zijn bevestigd en moet zodanig zijn aangebracht dat de leidingen zijn beschermd tegen schokken, doorschuren en warmtebronnen.

  3. In elektrische circuits en onderdelen van andere elektrische installaties dan de starter, het ontstekingssysteem, dat wil zeggen de elektrische ontsteking, de gloeibougies, het motoruitschakelsysteem, het oplaadsysteem en de massa-aansluiting van de accu, van stroom voorzien, moet een zekering of een onderbreker te zijn opgenomen.

  4. In één of meer elektrische circuits van een voertuig met stroomkringen met een spanning hoger dan 100 V, moet een handbediende, geïsoleerde schakelaar of aardlekschakelaar die al die circuits van de hoofdspanningsbron kan afsluiten, zijn aangebracht in iedere pool van de bron die niet met de massa verbonden is; deze schakelaar moet binnen het voertuig zijn aangebracht op een gemakkelijk voor de bestuurder bereikbare plaats, maar mag geen elektrisch stroomcircuit van de verplichte buitenverlichting van het voertuig kunnen onderbreken. De eerste volzin is niet van toepassing op hoogspanningsontstekingssystemen of op onafhankelijke systemen binnen een uitrustingsdeel van het voertuig. Een eventueel aangebrachte automatische aardlekschakelaar kan als gelijkwaardig worden beschouwd.

  5. Elke accu moet zijn aangebracht in een ruimte die is gescheiden van de binnenruimte van de bus en is voorzien van ventilatieopeningen naar buiten.

Artikel 8 — Bescherming tegen brandrisico’s; warmtebronnen

  1. Kachels van verwarmingsinrichtingen die olie of benzine als brandstof gebruiken, moeten aan het volgende voldoen:

    1. de kachel moet zodanig zijn aangebracht dat voldoende bescherming wordt geboden tegen mogelijke krachten die in de omgeving ervan kunnen optreden en in een omgeving die voldoende weerstand biedt tegen branddoorslag;

    2. de kachel mag zich slechts voor de vooras bevinden, indien de afstand vanaf de voorzijde ervan tot de voorzijde van het voertuig ten minste 1,20 m bedraagt;

    3. de voor de verbranding benodigde lucht mag niet vanuit de ruimte bestemd voor de inzittenden worden betrokken, en

    4. brandstofleidingen die zich in een gesloten ruimte van de kachel bevinden, moeten van metaal zijn vervaardigd of van een metalen ommanteling zijn voorzien.

  2. Geen ontvlambaar materiaal mag zich binnen 0,10 m van de uitlaatleiding van de motor bevinden, tenzij dit materiaal is afgeschermd door een brandwerende constructie.

  3. Indien in de onmiddellijke omgeving van een vertragingsinrichting die niet behoort tot de bedrijfsreminrichting, de hulpreminrichting of de parkeerreminrichting ontvlambaar materiaal aanwezig is, kan een brandwerende constructie worden geëist die deze inrichting van dit materiaal afschermt.

Artikel 9 — Uitgangen

  1. Een bus, niet zijnde een dubbeldeks bus of een gelede bus, dan wel een compartiment van een dubbeldeks bus of van een gelede bus, moet ten minste zijn voorzien van de volgende uitgangen:

  2. Als uitgang wordt aangemerkt een bedrijfsdeur, een nooddeur, een nooduitgang in het dak, een noodraam en de eventuele verbindingsweg tussen twee compartimenten.

  3. Van het aantal uitgangen moet zich ten minste één in de rechterzijwand, één in de linkerzijwand of in de achterwand en één in het dak van de bus bevinden.

  4. Een nooduitgang in het dak is niet vereist bij het onderste compartiment van een dubbeldeks bus en een compartiment ingericht voor vier tot en met acht personen.

  5. Een dubbele bedrijfsdeur geldt als twee uitgangen.

  6. Voor afzonderlijke voor het vervoer van passagiers ingerichte ruimten, geen compartimenten zijnde, geldt dat ten minste twee uitgangen aanwezig moeten zijn, die niet in dezelfde wand mogen zijn gelegen.

Artikel 10 — Deuren; plaats en aantal

  1. Bussen, niet zijnde dubbeldeks bussen of gelede bussen, moeten ten minste zijn voorzien van twee deuren in de buitenwand te weten één bedrijfsdeur en één nooddeur of twee bedrijfsdeuren. Ten minste één deur moet in de voorste helft van de bus en ten minste één deur moet in de achterste helft van de bus zijn geplaatst en wel zodanig dat de afstand tussen de verticale hartlijn van beide deuren gemeten evenwijdig aan het mediaanlangsvlak van de bus niet minder dan 40% van de lengte van de bus bedraagt.

  2. Dubbeldeks bussen en gelede bussen moeten zijn voorzien van ten minste drie deuren in de buitenwand te weten twee bedrijfsdeuren en één nooddeur of drie bedrijfsdeuren. Een dubbele bedrijfsdeur in de buitenwand kan worden aangemerkt als een gecombineerde bedrijfsdeur en nooddeur in de buitenwand indien elk compartiment is voorzien van ten minste twee bedrijfsdeuren waarbij een verbindingsweg tussen twee compartimenten die voldoet aan de hiervoor gesteld eisen wordt aangemerkt als zijnde een bedrijfsdeur van een compartiment. Van de voorgeschreven deuren in de buitenwand moet ten minste één deur in de voorste helft en ten minste één deur in de achterste helft van de bus zijn geplaatst en wel zodanig dat de afstand tussen de verticale hartlijn van beide deuren gemeten evenwijdig aan het mediaanlangsvlak van de bus niet minder dan 40% van de lengte van de bus bedraagt.

  3. Elk compartiment van dubbeldeks bussen en gelede bussen moet zijn voorzien van ten minste twee deuren te weten één bedrijfsdeur en één nooddeur of twee bedrijfsdeuren. Een verbindingsweg tussen twee compartimenten die voldoet aan artikel 24, eerste en tweede lid, en bij dubbeldeks bussen bovendien aan artikel 13, vijfde en zesde lid, wordt beschouwd als bedrijfsdeur van een compartiment. Deze behoeft niet te voldoen aan het vierde lid. De afstand tussen de verticale hartlijn van de beide deuren van elk compartiment gemeten evenwijdig aan het mediaanlangsvlak van de bus mag niet minder bedragen dan 25% van de afstand tussen de voorzijde van de zitting van de voorste rij zitplaatsen en de voorzijde van de zitting van de achterste rij zitplaatsen in het betreffende compartiment. De verticale hartlijn van een deur in een compartiment wordt hierbij geacht te zijn gelegen op de plaats waar de verticale hartlijn van de testfiguur genoemd in artikel 24, eerste of tweede lid, die wordt gebruikt voor het bepalen van de hoofddoorgang in dat compartiment samenvalt met de verticale hartlijn van de meetmal genoemd in artikel 14, eerste lid, voor het bepalen van de toegang naar de bedrijfsdeur of met de verticale hartlijn van de meetmal genoemd in artikel 15, eerste lid, voor het bepalen van de toegang naar de nooddeur of met de verticale hartlijn van de meetmal genoemd in artikel 16, eerste lid, voor het bepalen van de verbindingsweg tussen twee compartimenten.

  4. Bedrijfsdeuren mogen zich alleen in de rechterzijwand bevinden.

Artikel 11 — Deuren; afmetingen

  1. Een bedrijfsdeur moet ten minste een opening vrijgeven waarin een rechthoek kan worden beschreven met een hoogte van 1,65 m en een breedte van 0,55 m. Een bedrijfsdeur die gelijktijdig twee toegangen vrijgeeft die voldoen aan het artikel 14, eerste tot en met zesde lid, kan in bepaalde gevallen worden beschouwd als zijnde twee bedrijfsdeuren. Een dubbele bedrijfsdeur moet ten minste een opening vrijgeven waarin een rechthoek kan worden beschreven met een hoogte van 1,65 m een breedte van 1,00 m. De voorgeschreven afmetingen worden gemeten loodrecht op de mogelijke richting waarin een persoon zich beweegt die van de opening gebruik moet maken. Bussen ingericht voor het vervoer van ten hoogste 16 personen uitsluitend op zitplaatsen, de bestuurderszitplaats niet inbegrepen, moeten voldoen aan de volgende eisen (zie figuur 1):

    1. de verticale afstand tussen de bovenzijde van de laagste trede en de bovenkant van de deuropening moet ten minste 1,50 m bedragen;

    2. de hoogte van de deuropening moet voldoen aan artikel 14, eerste lid, met dien verstande dat deze hoogte ter plaatse van de beide bovenhoeken van de deur opening mag worden verminderd door afrondingen met een straal van ten hoogste 0,15 m, en

    3. de breedte van de deuropening moet ten minste 0,55 m bedragen bij een hoogte van de deuropening van 1,50 m of meer en ten minste 0,65 m bij een hoogte van de deuropening tussen 1,40 m en 1,50 m. De vereiste breedte van de deuropening mag ter plaatse van de wielkasten of deurbedieningsorganen met ten hoogste 0,15 m worden verminderd.

  2. Nooddeuren moeten ten minste een opening vrijgeven, waarin een rechthoek kan worden beschreven met een hoogte van 1,25 m en een breedte van 0,55 m.

  3. In afwijking van tweede lid, mag bij bussen die zijn ingericht voor het vervoer van ten hoogste 22 personen uitsluitend op zitplaatsen, de bestuurders zitplaats niet inbegrepen, daar waar wielkasten de deuropening verkleinen de breedte tot 0,30 m worden verminderd, mits op een hoogte van ten minste 0,40 m boven het laagste punt van de deuropening de breedte ten minste 0,55 m bedraagt. De hoogte van de deuropening mag ter plaatse van de beide bovenste hoeken worden verminderd door afrondingen met een straal van ten hoogste 0,15 m.

Artikel 12 — Deuren; overige eisen

  1. Bedrijfsdeuren en nooddeuren moeten tijdens het vervoer van personen bij stilstand of nagenoeg stilstand op snelle en eenvoudige wijze zowel van binnen als van buiten kunnen worden geopend door middel van bij of aan deze deuren aangebrachte inrichtingen. Deze inrichtingen mogen zijn afgedekt met een transparant materiaal dat gemakkelijk en zonder extra hulpmiddelen kan worden verwijderd.

  2. Bedrijfsdeuren en nooddeuren, die door middel van over- of onderdruk worden bediend moeten ook bij afwezigheid van over- of onderdruk en bij elektrisch bediende of gestuurde deuren ook bij het wegvallen van de spanning geopend kunnen worden door middel van de in het eerste lid voorgeschreven inrichtingen. Na bediening van deze inrichting mag de deur niet weer vanzelf sluiten. Bij deze inrichting moet worden aangegeven hoe deze moet worden bediend voor het openen van de deur. Alle opschriften moeten duidelijk leesbaar zijn aangebracht wanneer men zowel binnen als buiten voor de deur staat.

  3. De inrichtingen voor het openen van de bedrijfsdeuren en de nooddeuren aan de buitenzijde mogen zich niet hoger dan 1,80 m boven het wegdek bevinden bij de onbeladen bus gemeten op een horizontaal vlak.

  4. Indien bedrijfsdeuren en nooddeuren niet direct door de bestuurder vanaf zijn zitplaats kunnen worden waargenomen, moeten deze aan de binnenzijde van een zodanige bedieningsinrichting zijn voorzien, dat, onverminderd het bepaalde in in het eerste lid, het onbedoeld gebruik van de deur in het bijzonder door kinderen zoveel mogelijk wordt voorkomen. Dit kan bijvoorbeeld met behulp van tweehandsbediening. Bij het sluiten van de deur moet de bedieningsinrichting automatisch in de oorspronkelijke positie terugkeren. Bij de bedieningsinrichting moet worden aangegeven hoe deze moet worden bediend voor het openen van de deur.

  5. Deuren die niet voldoen aan de eisen gesteld aan bedrijfsdeuren of nooddeuren en buiten het directe gezichtsveld van de bestuurder zijn gelegen moeten aan de binnenzijde van een bedieningsinrichting zijn voorzien die voldoende veiligheidswaarborgen biedt tegen onbedoeld gebruik van de deur. Dit kan bijvoorbeeld met behulp van tweehandsbediening. Bij het sluiten van de deur moet de bedieningsinrichting automatisch in de oorspronkelijke positie terugkeren.

  6. De bestuurder moet vanaf zijn zitplaats eventueel met behulp van optische middelen, bijvoorbeeld spiegels, het in en uitstappen van de passagiers via de bedrijfsdeuropening kunnen waarnemen.

  7. Indien door de plaats van de bedrijfsdeuren of de constructie van de bus niet aan het zesde lid kan worden voldaan, moeten deze deuren door de bestuurder vanaf zijn zitplaats worden bediend en moet verder aan de volgende punten worden voldaan:

    1. de open en gesloten stand van de bedrijfsdeuren moet duidelijk aan de bestuurder kenbaar worden gemaakt door een optische inrichting;

    2. de normale bediening van de bedrijfsdeuren moet zodanig zijn uitgevoerd dat de passagiers deze deuren niet kunnen openen alvorens de bestuurder de bediening ervan heeft vrijgegeven;

    3. de normale bediening van de bedrijfsdeuren moet zodanig zijn dat de passagiers deze deuren niet kunnen sluiten, tenzij een inrichting aanwezig is die voorkomt dat de bus zich in beweging kan zetten bij niet geheel gesloten deur, en

    4. er moet een voorziening zijn aangebracht die voorkomt dat passagiers die tijdens het sluitingsproces van de bedrijfsdeuren in of uitstappen aan gevaar of verwondingen worden blootgesteld.

  8. Nooddeuren moeten, ook wanneer deze zijn vergrendeld bij stilstand of nagenoeg stilstand door middel van de bedieningsinrichting van binnenuit kunnen worden geopend.

  9. Slagdeuren moeten buitenwaarts openen.

  10. Slagdeuren moeten zijn voorzien van deursloten van het type met dubbele vanger.

  11. Nooddeuren mogen niet zijn uitgevoerd als schuifdeur.

  12. Aan de binnenzijde van de bedrijfsdeuren mogen geen delen zijn bevestigd die zijn bedoeld om treden af te dekken wanneer de deur gesloten is.

  13. Bedrijfsdeuren en nooddeuren die niet direct door de bestuurder kunnen worden waargenomen moeten van een inrichting zijn voorzien die de bestuurder waarschuwt wanneer de deur niet geheel gesloten is.

  14. Bij of aan de binnenzijde van de nooddeur moet duidelijk zichtbaar vanuit de hoofddoorgang de tekst ‘Nooduitgang’ zijn aangebracht.

Artikel 13 — Deuren; treden

  1. Bij de bedrijfsdeuren moeten treden overeenkomstig het tweede lid zijn aangebracht, indien de vloer van de onbezette bus:

    1. meer dan 0,43 m boven het wegdek is gelegen bij bussen met een mechanisch veersysteem;

    2. meer dan 0,40 m boven het wegdek is gelegen bij bussen met een veersysteem waarbij het hoogteverschil tussen onbelaste en belaste toestand vrijwel constant is, en

    3. meer dan 0,35 m boven het wegdek is gelegen bij bussen ingericht voor het vervoer van ten hoogste 16 personen uitsluitend op zitplaatsen, de bestuurderszitplaats niet inbegrepen, waarbij de hoogte van de bedrijfsdeuropening tussen 1,40 m en 1,50 m bedraagt.

  2. De maximum hoogte, de minimum breedte en de minimum diepte van de treden moeten voldoen aan de volgende eisen (zie figuur 2):

    1. de hoogte van de laagste trede boven het wegdek mag niet meer bedragen dan respectievelijk 0,43 m en 0,40 m voor bussen genoemd in respectievelijk het eerste lid onderdeel a, b en c. De hoogte tussen twee opeenvolgende treden en tussen de hoogste trede en de vloer mag niet meer bedragen dan 0,35 m;

    2. de breedte van elke trede mag niet minder bedragen dan 0,36 m, en

    3. de diepte van de laagste trede mag niet minder bedragen dan 0,30 m, met dien verstande dat bij bussen ingericht voor het vervoer van ten hoogste 16 personen uitsluitend op zitplaatsen, de bestuurderszitplaats niet inbegrepen, de diepte niet minder mag bedragen dan 0,23 m.

    De diepte van de volgende trede(n) mag niet minder bedragen dan 0,20 m.

  3. De treden moeten zodanig zijn uitgevoerd dat bij geopende bedrijfsdeur voor elke toegang op de laagste trede een rechthoek van 0,36 x 0,30 m en op elke volgende trede een rechthoek van 0,36 x 0,20 m kan worden geplaatst. Bij bussen ingericht voor het vervoer van ten hoogste 16 personen uitsluitend op zitplaatsen, de bestuurderszitplaats niet inbegrepen, mag de rechthoek op de laagste trede 0,36 x 0,23 m bedragen.

  4. Bij toepassing van meer dan één trede mag de verticale projectie van de bovenliggende trede op de daaronder geplaatste trede zich niet bevinden binnen een diepte van 0,20 m van de buitenkant van de onderliggende trede.

  5. De treden in de verbindingsweg tussen twee compartimenten van een dubbeldeks bus moeten aan het tweede tot en met het vierde lid voldoen met uitzondering van het bepaalde betreffende de maximum hoogte van de laagste trede boven het wegdek. Eventuele treden in de toegang naar een nooddeur moeten ten minste 0,20 m diep en 0,30 m breed zijn.

  6. Voor treden die zijn gelegen in een bocht van de toegang tot een bedrijfsdeur of in een bocht van de toegang tot een nooddeur of in de bocht van een verbindingsweg tussen twee compartimenten van een dubbeldeks bus geldt dat de geprojecteerde oppervlakte van elke trede in de bocht ten minste 720 cm2 moet bedragen. Hierbij moet het mogelijk zijn dat het hele grondvlak van de voorgeschreven meetmal zich op de desbetreffende trede kan bevinden. De in het vierde lid vermelde diepte moet dan ter plaatse van de verticale hartlijn van de meetmal ten minste 0,20 m bedragen.

  7. Beweegbare treden moeten aan de volgende eisen voldoen:

    1. bij een gesloten deur mag geen deel van de beweegbare trede meer dan 0,01 m buiten de verticale projectie van het buitenoppervlak van de bus ter plaatse van de deur uitsteken;

    2. bij een geopende deur en met de trede in uitgeschoven positie moet worden voldaan aan het eerste tot en met het derde lid, en

    3. wanneer automatische trede zich in uitgeschoven positie bevindt mag het niet mogelijk zijn dat de bus zich op eigen kracht van stilstand in beweging zet.

    Handmatig bediende trede, die zijn voorzien van een inrichting, die aan de bestuurder kenbaar maakt wanneer een trede zich in uitgeschoven positie bevindt behoeven niet aan deze eis te voldoen.

Artikel 14 — Toegangen; bedrijfsdeuren

  1. De ruimte die zich vanaf de buitenkant van de deuropening binnenwaarts uitstrekt tot de hoofddoorgang, moet een vrije doorgang bieden aan een verticale meetmal van de volgende vorm en afmetingen (zie figuur 3):

    1. een rechthoekig paneel met een hoogte van 0,70 m;

    2. een breedte van 0,36 m;

    3. een dikte van 0,10 m, en

    4. symmetrisch hierop geplaatst een tweede rechthoekig paneel met een hoogte van 0,95 m, een breedte van 0,55 m, en een dikte van 0,10 m.

  2. Bij bussen die zijn ingericht voor het vervoer van ten hoogste 16 personen uitsluitend op zitplaatsen, de bestuurderszitplaats niet inbegrepen mag een verticale meetmal van de volgende vorm en afmetingen worden toegepast (zie figuur 3):

    1. een rechthoekig paneel met een hoogte van 0,70 m;

    2. een breedte van 0,55 m, en

    3. een dikte van 0,10 m.

    Het onderste paneel moet hierbij binnen de projectie van het bovenste paneel zijn gelegen.

  3. De beginpositie van de meetmal is de plaats waar de voorzijde van de meetmal samenvalt met het denkbeeldige verticale raakvlak aan de buitenzijde van de deuropening. Vanaf deze beginpositie moet de meetmal evenwijdig aan het denkbeeldige verticale raakvlak aan de buitenkant van de deuropening worden gehouden terwijl het wordt voortbewogen totdat de eerste trede wordt geraakt, of in het geval geen trede aanwezig is over een afstand van 0,30 m binnenwaarts. Daarna moet de meetmal verticaal en onder rechte hoeken met de mogelijke richting waarin een persoon beweegt die van de doorgang gebruik moet maken worden voortbewogen totdat de verticale hartlijn van de meetmal een afstand van 0,40 m vanaf zijn beginpositie heeft afgelegd. In deze positie moet worden gecontroleerd of de meetmal de vloer in de bus raakt.

  4. Indien de meetmal de vloer raakt, moet de verticale hartlijn van de voorzijde van de meetmal samenvallen met de verticale hartlijn van één van de testfiguren genoemd in artikel 24 die wordt gebruikt voor het bepalen van de afmetingen van de hoofddoorgang.

  5. Indien de meetmal de vloer nog niet raakt, moet:

    1. bij bussen die zijn ingericht voor het vervoer van personen op staanplaatsen het bovenste paneel van de meetmal met 0,25 m worden verhoogd;

    2. bij bussen die zijn ingericht voor het vervoer van ten hoogste 16 personen uitsluitend op zitplaatsen, de bestuurderszitplaats niet inbegrepen het bovenste paneel van de voor deze categorie bussen toegestane meetmal met 0,10 m worden verhoogd, en

    3. bij de overige categorieën bussen de meetmal ongewijzigd blijven en vervolgens verticaal en onder rechte hoeken met de mogelijke richting waarin een persoon beweegt die van de doorgang gebruik moet maken worden voortbewogen totdat de meetmal de vloer raakt. In deze positie moet de verticale hartlijn van de voorzijde van de meetmal samenvallen met de verticale hartlijn van één van de testfiguren genoemd in artikel 24 die wordt gebruikt voor het bepalen van de afmetingen van de hoofddoorgang.

  6. Bij aanwezigheid van een al dan niet automatisch klapbare zitting wordt de vrije doorgang voor de meetmal bepaald met de zitting in gebruiksstand. Indien de zitting deel uitmaakt van een zitplaats voor dienstgebruik en de zitting bij het verlaten van deze zitplaats automatisch wegklapt, wordt de vrije doorgang voor de meetmal bepaald met de zitting in weggeklapte stand.

  7. Klapbare, draaibare of verschuifbare delen zoals deuren, kleppen en andere delen, die in een vaste positie de vrije doorgang van de in het eerste lid omschreven meetmal belemmeren zijn niet toegestaan, tenzij deze delen van een inrichting zijn voorzien, die de toegang automatisch vrijgeeft.

Artikel 15 — Toegangen; nooddeuren

  1. De ruimte tussen de hoofddoorgang en de deuropening van de nooddeur moet een vrije doorgang bieden aan de voor de betreffende hoofddoorgang geldende meetmal (zie figuur 4) dan wel een meetmal van de volgende vorm en afmetingen:

    1. een rechthoekig paneel met een hoogte van 0,70 m;

    2. een breedte van 0,30 m;

    3. een dikte van 0,10 m, en

    4. hierop geplaatst een tweede rechthoekig paneel met een hoogte van 0,70 m, een breedte van 0,55 m en een dikte van 0,10 m.

    Het grondvlak van het onderste paneel moet binnen de projectie van het bovenste paneel zijn gelegen. Voor het bepalen van de vrije doorgang in de toegang naar de nooddeur ter plaats van delen die een plotselinge verlaging in deze toegang teweegbrengen, moet de dikte van de hierboven omschreven meetmal met 0,20 m worden vermeerderd.

  2. De meetmal moet vanaf de hoofddoorgang en onder rechte hoeken met de mogelijke richting waarin een persoon beweegt die van de doorgang gebruik moet maken worden voortbewogen totdat de voorzijde van de meetmal samenvalt met het denkbeeldige verticale raakvlak aan de binnenzijde van de nooddeuropening. In deze positie moet de hoogte van het bovenpaneel met 0,15 m worden verminderd en moet worden gecontroleerd of de meetmal zich binnen de vereiste afmetingen van de nooddeur bevindt.

  3. In de positie dat de voorzijde van de meetmal samenvalt met het denkbeeldige verticale raakvlak aan de buitenkant van de nooddeuropening mag het grondvlak van het onderpaneel zich niet hoger dan 1,50 m boven het wegdek bevinden.

  4. Bij aanwezigheid van een zitplaats voorzien van een niet automatisch klapbare zitting of rugleuning wordt de vrije doorgang van de meetmal bepaald met de zitting of rugleuning in de gebruiksstand. Indien de zitting of rugleuning automatisch klapbaar is uitgevoerd, wordt de vrije doorgang van de meetmal bepaald met de zitting of rugleuning in de stand die automatisch wordt ingenomen. De stand van de rugleuning mag hierbij niet verder reiken dan de verticale stand.

  5. Klapbare, draaibare of verschuifbare delen zoals deuren, kleppen en andere delen, die in een vaste positie de vrije doorgang van de in het eerste lid omschreven meetmal belemmeren zijn niet toegestaan, tenzij deze delen van een inrichting zijn voorzien, die de toegang automatisch vrijgeeft.

Artikel 16 — Toegangen; verbindingsweg tussen twee compartimenten

  1. De ruimte waardoor personen zich van het ene compartiment naar het andere compartiment van een gelede bus of een dubbeldeks bus kunnen begeven wordt als een verbindingsweg tussen twee compartimenten aangemerkt indien:

    1. deze ruimte een vrije doorgang biedt aan een verticale meetmal met een dikte van 0,10 m en waarvan de vorm een afmetingen in de hoogte- en breedterichting overeenkomen met die van de testfiguur genoemd in artikel 31 of artikel 24, tweede lid, die wordt gebruikt voor het bepalen van de hoofddoorgang van het compartiment dat is ingericht voor het grootste aantal personen, met dien verstande dat voor de diameters van de cilinders van de testfiguur de breedten van de vlakken van de meetmal moeten worden gelezen;

    2. de meetmal verticaal en onder rechte hoeken met de mogelijke richting waarin een persoon zich van het ene compartiment naar het ander compartiment begeeft kan worden gehouden, en

    3. de verticale hartlijn van de meetmal kan samenvallen met de verticale hartlijn van de in beide compartimenten gebruikte testfiguur voor het bepalen van de hoofddoorgang dan wel de toegangen.

  2. Klapbare, draaibare of verschuifbare delen zoals deuren, kleppen en andere delen, die in een vaste positie de vrije doorgang van de in het eerste lid omschreven meetmal belemmeren zijn niet toegestaan, tenzij deze delen van een inrichting zijn voorzien, die de toegang automatisch vrijgeeft.

Artikel 17 — Nooduitgangen in het dak; plaats en aantal

  1. Een bus, niet zijnde een dubbeldeks bus of een gelede bus, dan wel een compartiment van een dubbeldeks bus of een gelede bus, met uitzondering van het onderste compartiment van een dubbeldeks bus moet ten minste zijn voorzien van het hierna genoemde aantal nooduitgangen in het dak:

  2. De nooduitgangen in het dak moeten op de volgende plaatsen zijn aangebracht. Bij toepassing van een nooduitgang moet deze boven het voor vervoer van passagiers bestemde deel van de binnenruimte zijn geplaatst. Bij toepassing van twee nooduitgangen moeten deze ten minste 2 m van elkaar zijn verwijderd.

  3. Bij trolleybussen mag een nooduitgang in het dak niet zijn gelegen onder de trolleyboom in gebruiksstand.

Artikel 18 — Nooduitgangen in het dak; afmetingen

Een nooduitgang in het dak moet een opening vrijgeven met een oppervlakte van ten minste 0,4 m2 waarin een vierkant kan worden beschreven met zijden van 0,50 m, met dien verstande dat bij bussen ingericht voor ten hoogste 22 personen uitsluitend op zitplaatsen, de bestuurderszitplaats niet inbegrepen, de oppervlakte van de vrij te geven opening ten minste 0,3 m2 moet bedragen en waarin een vierkant kan worden beschreven met zijden van 0,48 m.

Artikel 19 — Nooduitgangen in het dak; overige eisen

  1. De nooduitgang in het dak moet worden vrijgegeven door een luik die naar buiten moet worden uitgeworpen of evenwijdig met het dak verschuift of zijn vervaardigd van gemakkelijk breekbaar gehard glas.

  2. Onder elke nooduitgang moet zich ten minste een deel van de rugleuning van een zitplaats of een gelijkwaardige ondersteuning bevinden ten behoeve van de passagiers om de bus via de nooduitgang te kunnen verlaten. Om de nooduitgangen in het dak moet voldoende ruimte aanwezig zijn om staande op het dak het luik te openen.

  3. De nooduitgang in het dak moet bij stilstand of nagenoeg stilstand op snelle en eenvoudige wijze van binnen en van buiten kunnen worden geopend. De krachten die hiertoe moeten worden uitgeoefend mogen niet groter zijn dan 200 N.

  4. De goede werking en bediening van de nooduitgang in het dak mag niet belemmerd worden door eventueel op het dak te vervoeren goederen of door een op het dak geplaatst windscherm.

  5. Aan de voorzijde van uitwerpluiken mogen één of twee riemen zijn bevestigd, mits de bevestiging van de riemen aan het dak zich + 0,90 m voor het luik bevindt en niet buiten het verlengde van de zijkanten van het luik is gelegen.

  6. De nooduitgang in het dak moet, ook wanneer deze is vergrendeld, bij stilstand of nagenoeg stilstand door bediening van de normale daarvoor bestemde organen van binnenuit kunnen worden geopend.

  7. Op of bij de nooduitgangen in het dak moet zowel aan de binnen als aan de buitenzijde van de bus duidelijk afstekend op de achtergrond de tekst ‘Nooduitgang’ zijn aangebracht met een beknopte doch duidelijke aanwijzing hoe het luik moet worden bediend.

Artikel 20 — Nooduitgangen in het dak; toegang

De vrije ruimte tussen de nooduitgang in het dak en een denkbeeldig plat vlak gelegen op 1,40 m boven en evenwijdig aan de vloer van de bus moet een vrije doorgang bieden aan een horizontaal gehouden rechthoekig plat vlak met zijden van 0,45 m en 0,65 m dat in een richting loodrecht op deze nooduitgang wordt voortbewogen. Klapbare, draaibare of verschuifbare delen, die in een vaste positie de vrije doorgang voor het vlak belemmeren zijn niet toegestaan tenzij deze delen van een inrichting zijn voorzien die de doorgang automatisch vrijgeeft. De voorgeschreven opening in het dak mag niet door aan het dak bevestigde delen zoals een windscherm en dergelijk worden verkleind.

Artikel 21 — Noodramen; afmetingen

  1. Elk noodraam moet een opening vrijgeven met een oppervlakte van ten minste 0,4 m2 waarin een rechthoek kan worden beschreven met zijden van 0,50 m en 0,70 m.

  2. De onderzijde van een noodraam mag zich niet hoger dan 1,00 m boven de vloer direct onder het raam bevinden. De onderzijde van een noodraam, dat door middel van een bedieningsinrichting moet worden uitgeworpen of opengeklapt, mag zich niet lager bevinden dan 0,65 m boven de vloer direct onder het raam tenzij de noodraamopening op deze hoogte is voorzien van een bescherming, die voorkomt dat een passagier uit de bus valt. De noodraamopening boven de bescherming mag hierbij niet minder bedragen dan de voorgeschreven opening. Indien zich boven de vloer direct onder het noodraam een ander deel bevindt dat de functie van de vloer overneemt, hebben de in dit punt vermelde eisen betrekking op dat andere deel.

Artikel 22 — Noodramen; overige eisen

  1. Het noodraam moet aan de binnenzijde zijn voorzien van een inrichting voor het vrijgeven van de vereiste opening of zijn vervaardigd van gehard glas dat met een daartoe bestemde hamer gemakkelijk te breken is.

  2. De inrichting, bedoeld in het eerste lid, moet het mogelijk maken de vereiste opening van het noodraam op snelle en eenvoudige wijze vrij te geven. De krachten die hiertoe moeten worden uitgeoefend mogen niet grote zijn dan 200 N.

  3. De goede werking en bediening van het noodraam mag niet belemmerd worden door eventueel in de omgeving aanwezige constructiedelen of delen van zitplaatsen.

  4. De bedieningsinrichting moet tegen abusievelijk gebruik zijn afgeschermd. Deze afscherming mag de goede bereikbaarheid van de bedieningsinrichting niet nadelig beïnvloeden.

  5. Het noodraam mag niet binnenwaarts openen.

  6. Noodramen die van de buitenzijde kunnen worden afgesloten, moeten zodanig zijn uitgevoerd, dat deze altijd vanaf de binnenruimte met behulp van de inrichting genoemd in het eerste lid kunnen worden geopend.

  7. Alle noodramen die als klapraam zijn uitgevoerd, moeten, indien deze niet gemakkelijk vanaf de bestuurderszitplaats waarneembaar zijn, van een inrichting zijn voorzien, die de bestuurder waarschuwt wanneer het klapraam niet geheel is gesloten.

  8. Indien het noodraam volgens het eerste lid is vervaardigd van gemakkelijk breekbaar gehard glas, moet naast elk noodraam een hulpmiddel zijn aangebracht dat voor personen binnen het voertuig gemakkelijk bereikbaar is en waarmee elk raam kan worden ingeslagen.

  9. Bij elk noodraam moet aan de binnenzijde de tekst ‘Nooduitgang’. Bij de bedieningsinrichting moet op beknopte doch duidelijke wijze zijn aangegeven hoe de noodraamopening moet worden vrijgegeven. Zowel de bedieningsinrichtingen als de opschriften moeten duidelijk zichtbaar zijn aangebracht en mogen niet door gordijnen of andere delen kunnen worden afgedekt.

Artikel 23 — Noodramen; toegang

De vrije ruimte tussen het noodraam en een denkbeeldig verticaal vlak evenwijdig aan het mediaanlangsvlak van de bus op een afstand van 0,50 m van het noodraam moet een vrije doorgang bieden aan een rechthoekig verticaal plat vlak met een breedte van 0,60 m en een hoogte van 0,40 m dat in een richting loodrecht op het raam wordt bewogen.

Artikel 24 — Hoofddoorgang

  1. De hoofddoorgang moet een vrije doorgang bieden aan een testfiguur (zie figuur 5) bestaande uit twee symmetrisch boven elkaar geplaatste cilinders met daar tussen een omgekeerde afgeknotte kegel en op de bovenste cilinder een afgeknotte kegel. De afmetingen van de testfiguur zijn: De testfiguur voor het bepalen van de hoofddoorgang bij bussen met staanplaatsen is van toepassing op dat deel van de binnenruimte die voor het vervoer van personen op staanplaatsen is bestemd. Deze testfiguur moet bij het bepalen van de vrije doorgang kunnen aansluiten op de toegang tot een bedrijfsdeur op de in artikel 14, derde en vierde lid, voorgeschreven wijze.

  2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, mag:

    1. bij bussen ingericht voor het vervoer van ten hoogste 22 personen uitsluitend op zitplaatsen, de bestuurderszitplaats niet inbegrepen, de hoogte van de bovenste cilinder van de testfiguur voor zitplaatsen met 0,15 m worden verminderd;

    2. bij bussen die niet zijn ingericht voor het vervoer van personen op staanplaatsen en waarbij de inwendige hoogte 1,90 m of meer bedraagt mag de testfiguur worden vervangen door een gelijkvormige testfiguur met de volgende afmetingen:

    Bij deze bussen mogen de zitplaatsen aan een zijde of aan beide zijden van de hoofddoorgang in dwarsrichting verstelbaar zijn uitgevoerd waardoor de breedte van de hoofddoorgang kan verminderen tot een breedte die bepaald wordt door van de in dit punt omschreven testfiguur de onderste cilinder te vervangen door een cilinder van gelijke hoogte en met een diameter van 0,22 m, onder voorwaarde dat:

    1. de bediening van het verstelmechanisme aan elke zitplaats op snelle en eenvoudige wijze kan geschieden door een persoon, die in de hoofddoorgang staat, en

    2. het verstelmechanisme in staat is de zitplaats ook wanneer deze is bezet automatisch te doen terugkeren naar de positie die overeenkomt met een minimum breedte van de hoofddoorgang van 0,30 m.

  3. Bij toepassing van de in het eerste lid omschreven testfiguur voor staanplaatsen of de in het tweede lid omschreven testfiguur mag de hoogte van de bovenste cilinder met 0,10 m worden verminderd in de hoofddoorgang achter:

    1. een denkbeeldig verticaal dwarsvlak loodrecht op het mediaanlangsvlak van het voertuig 1,5 m voor de hartlijn van de gedreven achteras, of

    2. een denkbeeldig verticaal dwarsvlak loodrecht op het mediaanlangsvlak van het voertuig ter plaatse van de achterste stijl van de achterste bedrijfsdeur bij aanwezigheid van meer dan één bedrijfsdeur.

  4. Voor het bepalen van de hoofddoorgang voor de personen gezeten op de achterste rij zitplaatsen mag de hoogte van de gebruikte testfiguur genoemd in respectievelijk het eerste en tweede lid tot 1,55 m worden verminderd.

  5. Indien de voorste rij zitplaatsen vóór de toegang naar de bedrijfsdeur is geplaatst, dan wel bij meerdere bedrijfsdeuren vóór de toegang naar de voorste bedrijfsdeur, mag voor het bepalen van de hoofddoorgang voor de personen gezeten op die zitplaatsen de hoogte van de gebruikte testfiguur, bedoeld in het eerste onderscheidenlijk tweede lid, tot 1,55 m worden verminderd, voor zover de verticale hartlijn van de gebruikte testfiguur zich naast de voorzijde van de zitting van de voorste rij zitplaatsen bevindt. Indien de zitplaatsen, bedoeld in de eerste volzin, voor dienstgebruik zijn bestemd, kan ontheffing worden verleend en kunnen andere eisen worden gesteld.

  6. De helling van de vloer gemeten bij de onbezette bus en ten opzichte van een horizontaal vlak, mag niet meer bedragen dan:

    1. 12,5% in de hoofddoorgang bij bussen die uitsluitend zijn ingericht voor het vervoer van personen op zitplaatsen;

    2. 6% in de hoofddoorgang en in andere zones die bestemd zijn voor het vervoer van personen op staanplaatsen, met dien verstande dat in het gedeelte van de staanplaatsruimte dat zich achter een denkbeeldig verticaal dwarsvlak loodrecht op het mediaanlangsvlak van het voertuig 1,5 m voor de hartlijn van de gedreven achteras bevindt, de helling niet meer dan 8% mag bedragen.

  7. De toepassing van één of meer treden in de hoofddoorgang kan worden toegestaan, mits de hoogte van elke trede niet minder dan 0,15 m en niet meer dan 0,30 m bedraagt. De diepte van de treden moet ten minste 0,20 m bedragen. De breedte van de treden mag niet minder bedragen dan de werkelijke breedte van de hoofddoorgang boven de treden. Binnen 0,30 m voor en na de treden zijn hellingen in de vloer die meer bedragen dan 6% niet toegestaan.

  8. De treden in de hoofddoorgang moeten op een zodanige plaats zijn aangebracht dat de passagiers bij het plaatsnemen en bij het verlaten van de zitplaatsen zo weinig mogelijk hinder hiervan ondervinden. Hieraan wordt geacht te zijn voldaan, indien de voorzijde van elke trede zich niet naast de vereiste voetenruimte voor de zitplaats bevindt.

  9. Bij aanwezigheid van een al dan niet automatisch klapbare zitting wordt de vrije doorgang voor de testfiguur bepaald met de zitting in de gebruiksstand. Indien de zitting deel uitmaakt van een zitplaats voor dienstgebruik en de zitting bij het verlaten van deze zitplaats automatisch wegklapt, wordt de vrije doorgang voor de testfiguur bepaald met de zitting in weggeklapte stand.

  10. Klapbare, draaibare of verschuifbare delen zoals deuren, banken, kleppen en andere delen, die in een vaste positie de vrije doorgang van de in het eerste en tweede lid omschreven testfiguren belemmeren zijn niet toegestaan, tenzij deze delen van een inrichting zijn voorzien die de doorgang automatisch vrijgeeft.

Artikel 25 — Zitplaatsen voor de passagiers; algemeen

De in de artikelen 26 tot en met 28 opgenomen voorschriften zijn van toepassing bij een onbelaste zitting en rugleuning. Hierbij wordt onder ‘voor de voorzijde van de rugleuning gemeten’ verstaan: gemeten in het mediaanlangsvlak van de zitplaats horizontaal en voor de voorzijde van de rugleuning.

Artikel 26 — Zitplaatsen voor de passagiers; afmetingen

  1. De breedte van elke zitplaats, gemeten aan weerszijden van het mediaanlangsvlak van de zitplaats vanaf de voorzijde van de zitting tot 0,35 m daarachter, moet ten minste bedragen:

    1. vanaf de bovenzijde van de zitting tot 0,27 m daarboven: 0,20 m, en

    2. vanaf 0,27 m boven de zitting tot 0,65 m boven de zitting: 0,22 m.

  2. De afstand tussen de voorzijde van de rugleuning en de voorzijde van de zitting moet over de bovenzijde van de zitting gemeten ten minste 0,40 m bedragen (zie figuur 6). De breedte van de zitting moet ter hoogte van de bovenzijde van de zitting en ter weerszijden van het mediaanlangsvlak van de zitplaats gemeten 0,20 m voor de voorzijde van de rugleuning ten minste 0,20 m bedragen.

  3. De afstand tussen de bovenzijde van de zitting en de daarvoor gelegen voetenvloer moet zodanig zijn dat de afstand tussen deze vloer en een denkbeeldig vlak evenwijdig aan deze vloer, dat de bovenzijde van de zitting raakt, ten minste 0,35 m en ten hoogste 0,55 m bedraagt.

  4. Tussen de zitplaatsen onderling en tussen elke zitplaats en een ander deel dat zich voor die zitplaats bevindt moet voor de passagiers een vrije doorgang beschikbaar zijn om vanaf hun zitplaats de hoofddoorgang te kunnen bereiken (zie figuur 7). Van elk van deze doorgangen mag door ten hoogste vier personen gebruik worden gemaakt. Deze vrije doorgang moet voldoen aan de volgende eisen:

    1. de afstand tussen de voorzijde van de rugleuning van een zitplaats en de achterzijde van de rugleuning van de daarvoor geplaatste zitplaats moet vanaf de bovenzijde van de zitting tot 0,62 m boven de vloer voor de zitplaats ten minste 0,68 m bedragen. Bij achter elkaar geplaatste zitplaatsen met verstelbare rugleuningen moet aan deze eis worden voldaan in ten minste één vaste positie van de rugleuningen van deze zitplaatsen;

    2. de vrije doorgang vanaf de voetenvloer voor de zitplaats tot 0,10 m daarboven moet zich ten minste uitstrekken vanaf een verticaal vlak loodrecht op het mediaanlangsvlak van de zitplaats 0,70 m voor de voorzijde van de rugleuning gemeten over de bovenzijde van de zitting tot 0,30 m daarachter. Indien zich voor de voorzijde van de zitting een deel van de wielkast bevindt, mag dat deel zich niet verder naar voren uitstrekken dan 0,60 m voor de voorzijde van de rugleuning over de bovenzijde van de zitting gemeten. De eerder genoemde vrije doorgang moet zich dan uitstrekken vanaf de wielkast;

    3. de vrije doorgang tussen elk deel van de voor en bovenzijde van de zitting en de daarvoor gelegen niet tot die zitplaats behorende delen moet ten minste 0,23 m bedragen. Deze doorgang wordt gemeten met de genoemde delen in de ongunstigste positie. Tot een zitplaats behorende en vanuit die zitplaats bedienbare, gemakkelijk wegklapbare voorzieningen zijn in de gebruiksstand hier van uitgezonderd, en

    4. de vrije doorgang tussen elk deel van de voorzijde van de rugleuning van de zitplaats en een niet tot die zitplaats behorend deel, gemeten in de ongunstigste positie van de rugleuning en dat deel voor de rugleuning vanaf een vlak 0,23 m boven de bovenzijde van de zitting tot een vlak 0,80 m boven de voetenvloer voor de zitplaats moet ten minste 0,50 m bedragen.

Artikel 27 — Zitplaatsen voor de passagiers; tegenover elkaar geplaatste zitplaatsen

  1. De afstand tussen de voorzijde van de rugleuningen, gemeten over de bovenzijde van de zittingen en in het mediaanlangsvlak van de zitplaatsen, moet ten minste 1,25 m bedragen.

  2. De vrije doorgang tussen de zittingen gemeten vanaf de vloer tot de bovenzijde van de zittingen moet ten minste 0,40 m bedragen. Indien zich in de doorgang een deel van een wielkast bevindt, mag deze doorgang tot 0,35 m worden verminderd.

  3. Elke zitplaats moet een vrije hoogte hebben van ten minste 0,90 m boven de onbelaste zitting en 1,35 m boven de voetenvloer voor de zitplaats. Deze vrije hoogten moeten aanwezig zijn vanaf de achterzijde van de zitting tot de voorzijde van de voorgeschreven voetenvloer voor de zitplaats en mogen door een rugleuning van een andere zitplaats, een schot of een tafel worden onderbroken. Voor zitplaatsen voor dienstgebruik kan ontheffing worden verleend en andere eisen worden gesteld.

  4. De helling van een naar voren afhellende voetenvloer mag ten hoogste 8% bedragen.

  5. De helling van een naar voren oplopende voetenvloer mag ten hoogste 30% bedragen.

Artikel 28 — Zitplaatsen voor de passagiers; overige eisen

  1. Klapbare rugleuningen moeten in elke gebruiksstand door middel van een vergrendelinrichting deugdelijk zijn geblokkeerd. Klapbare zitplaatsen moeten in de gebruiksstand automatisch zijn vergrendeld.

  2. Vooruitrijdend en achteruitrijdend geplaatste zitplaatsen moeten op die plaatsen van armliggers zijn voorzien waar dit uit veiligheidsoverwegingen noodzakelijk is.

  3. Indien binnen een afstand van 0,50 m naast de zitting een vloer aanwezig is die zich lager bevindt dan 0,60 m beneden de bovenzijde van de zitting, moet een armligger aan de betreffende zijde van de zitplaats zijn aangebracht. Het bovenstaande is niet van toepassing indien binnen een afstand van 0,30 m naast de zitting een wand aanwezig is die voldoende steun geeft.

  4. Langsbanken moeten zodanig zijn geplaatst of uitgevoerd dat de daarop gezeten personen bij plotseling remmen en dergelijke niet van hun zitplaats kunnen geraken. Langsbanken die zijn ingericht voor meer dan drie personen moeten door middel van armliggers kunnen worden verdeeld in delen voor ten hoogste drie personen.

  5. Klapbare en vaste armliggers moeten zich vanaf de voorzijde van de rugleuning tot ten minste 0,20 m daarvoor kunnen uitstrekken.

  6. De zitplaatsen moeten stevig aan het voertuig zijn bevestigd. Hieraan wordt geacht te zijn voldaan, indien deze bevestiging een naar voren gerichte horizontale kracht in lengterichting die door het zwaartepunt van de complete zitplaats gaat en gelijk is aan tienmaal het gewicht van de zitplaats uitgeoefend op de constructie van de zitplaats kan weerstaan. Constructies waarbij de zitplaatsen door middel van rails aan het voertuig zijn bevestigd kunnen worden toegestaan, mits de vereiste hoofddoorgang en de toegangen naar de voorgeschreven uitgangen te allen tijde blijven gewaarborgd.

  7. Elke zitplaats waar bij plotseling en krachtig remmen het gevaar kan ontstaan dat de daarop gezeten passagier in een tredenbak of op een belangrijk lager dan de voetenvloer voor de zitplaats aanwezig deel van de vloer van de bus kan geraken moet voorzien zijn van een inrichting die voldoende bescherming hiertegen biedt.

  8. Deze inrichting moet zich op ongeveer 0,80 m boven de voetenvloer voor de zitplaats bevinden en zich uitstrekken vanaf de zijwand van de bus tot ten minste 0,10 m voorbij het mediaanlangsvlak van de zitplaats of tot het meest naar binnen gelegen deel van de tredenbak; de kleinste afstand is hierbij van toepassing. Bovendien mag deze inrichting horizontaal gemeten niet verder dan 1,00 m van de rugleuning van de zitplaats zijn verwijderd.

  9. De in het zevende lid bedoelde inrichting en de bevestiging ervan moet een naar voren gerichte horizontale kracht in de lengterichting van de bus van 650 N die in de het ongunstigste punt van de inrichting aangrijpt, kunnen weerstaan.

  10. Met uitzondering van de bestuurderszitplaats, moeten zitplaatsen vlak achter de voorruit van de bus waar bij plotseling en krachtig remmen het gevaar kan ontstaan dat de daarop zittende personen tegen deze voorruit kunnen geraken, zijn voorzien van een inrichting die voldoende bescherming hiertegen biedt.

  11. De inrichting moet zich op ongeveer 0,80 m boven de voetenvloer voor de zitplaats en ten minste 0,10 m aan weerszijden van het verticaal mediaanlangsvlak van de zitplaats bevinden en mag horizontaal gemeten niet verder dan 1,00 m van de rugleuning van de zitplaats zijn verwijderd.

  12. De in het tiende lid bedoelde inrichting en de bevestiging ervan moet een naar voren gerichte horizontale kracht in de lengterichting van de bus van 650 N die in het meest ongunstige punt van de inrichting aangrijpt, kunnen weerstaan.

  13. Indien de in het elfde lid bedoelde inrichting niet kan worden aangebracht, mag deze zijn vervangen door een inrichting die dezelfde waarborgen biedt.

  14. Buiten de in het zevende en tiende lid genoemde zitplaatsen moeten de overige zitplaatsen waar bij plotseling en krachtig remmen gevaar kan ontstaan voor de passagiers waar mogelijk van doelmatige inrichtingen zijn voorzien die aan de passagiers voldoende steun bieden.

Artikel 29 — Staanplaatsen

  1. De oppervlakte, die beschikbaar is voor de passagiers op staanplaatsen wordt bepaald door van de totale oppervlakte die voor de passagiers beschikbaar is af te trekken:

    1. de oppervlakte van het bestuurderscompartiment;

    2. de oppervlakte van de treden bij deuren en de oppervlakte van andere treden met een diepte van minder dan 0,30 m;

    3. de oppervlakte van alle delen die geen deel uitmaken van de hoofddoorgang waar van het vloeroppervlak niet vlak is en niet voldoet aan het bepaalde in artikel 24, het zesde lid, betreffende de helling van de vloer van de staanplaatsruimte;

    4. de oppervlakte van alle delen die niet toegankelijk zijn voor een persoon die een staanplaats wil innemen wanneer alle zitplaatsen bezet zijn;

    5. de oppervlakte van alle delen waarvan de hoogte boven de vloer minder bedraagt dan 1,90 m of in het gedeelte van de hoofddoorgang die zich boven en achter de achteras bevindt (zie artikel 24, derde lid) minder dan 1,80 m bedraagt. Handgrepen ten behoeve van de personen op staanplaatsen worden hierbij niet in rekening gebracht;

    6. de oppervlakte voor een denkbeeldig verticaal vlak loodrecht op het mediaanlangsvlak van het voertuig gaande door het in richtlijn 74/60/EEG gedefinieerde punt V;

    7. de oppervlakte van delen die een rechthoekige staanplaatsoppervlakte met zijden van ten minste 0,30 m en 0,50 m niet mogelijk maken, en

    8. de oppervlakte van dat deel van de binnenruimte, die niet voldoet aan de eisen betreffende de inrichting van een staanplaatsruimte.

  2. De benodigde vloeroppervlakte voor een staanplaats is gesteld op 0,143 m2.

  3. Ten behoeve van de personen op staanplaatsen moeten een voldoende aantal handgrepen aanwezig zijn die zich niet lager dan 0,80 m en niet hoger dan 1,90 m boven de vloer bevinden. De handgrepen mogen als lussen zijn uitgevoerd, mits de bevestiging van de lus in de rijrichting van de bus is gefixeerd. Hieraan wordt in ieder geval voldaan, indien de beweegbare arm van de in figuur 8 weergegeven proefpop vanaf elke willekeurige plaats van de staanplaatsoppervlakte ten minste twee van deze handgrepen kan bereiken. Ten minste een van de beide handgrepen mag zich hierbij niet hoger dan 1,50 m boven de vloer bevinden. De proefpop mag om de verticale hartlijn worden gedraaid.

  4. Staanplaatsruimten die niet door zitplaatsen van de zijwanden of de achterwand van de bus zijn gescheiden moeten zijn voorzien van horizontale stangen die evenwijdig aan deze wanden lopen en zich ten minste 0,80 m en ten hoogste 1,50 m boven de vloer bevinden.

  5. Geen deel van de staanplaatsoppervlakte mag zich uitstrekken voor een denkbeeldig verticaal vlak loodrecht op het mediaanlangsvlak van de bus gaande door het in richtlijn 74/60/EEG gedefinieerde punt V.

  6. Indien een deel van de binnenruimte van een bus is bestemd voor het vervoer van personen op staanplaatsen, moet dat gehele deel hiervoor zijn ingericht. Plaatselijke onderbrekingen van deze ruimte, bijvoorbeeld door het verkleinen van de hoofddoorgang of door het laten vervallen van handgrepen, zijn niet toegestaan.

Artikel 30 — Ligplaatsen voor de passagiers; algemeen

De in de artikelen 31 tot en met 33 opgenomen voorschriften zijn van toepassing bij een onbelaste ligbank.

Artikel 31 — Ligplaatsen voor de passagiers; afmetingen

  1. De lengte en de breedte van de ligbank moeten zodanig zijn dat de projectie van de ligbank op een horizontaal vlak een rechthoek vormt met zijden van ten minste 1,90 m en 0,40 m. Ter plaatse van de hoofdsteunen mag de breedte tot 0,28 m worden teruggebracht.

  2. Indien de ligplaats deel uitmaakt van een rij ligplaatsen die in elkaars verlengde liggen en waarbij de lengte van elke ligplaats niet door een vaste afscheiding wordt bepaald, mag de voorgeschreven lengte worden teruggebracht tot 1,80 m.

  3. Boven elke ligbank moet een blokvormige vrije ruimte, een zogenaamde ligplaats, aanwezig zijn waarvan:

    1. de lengte overeenkomt met de voorgeschreven lengte van de ligbank;

    2. de breedte zich 0,22 m aan weerszijden van het mediaanlangsvlak van de ligbank uitstrekt;

    3. de hoogte 0,55 m bedraagt, en

    4. de hoeken mogen zijn afgerond met een straal van ten hoogste 0,15 m.

  4. De breedte van de ligplaats mag plaatselijk door afrolbeveiligingen dan wel door dragende constructiedelen van de zich daarboven bevindende ligbank tot 0,40 m zijn verminderd.

Artikel 32 — Ligplaatsen voor de passagiers; bereikbaarheid hoofddoorgang

  1. De ruimte tussen een ligplaats en de hoofddoorgang moet een vrije doorgang bieden aan een rechthoekige meetmal met een oppervlakte van 0,4 m2 en zijden van ten minste 0,50 m waarvan de hoeken mogen zijn afgerond met een straal van ten hoogste 0,15 m. Deze meetmal moet in een verticale stand en onder rechte hoeken met de mogelijke bewegingsrichting van een persoon kunnen worden voortbewogen vanaf de ligplaats tot waar de verticale hartlijn van de meetmal samenvalt met de verticale hartlijn van een der testfiguren genoemd in artikel 24 die wordt gebruikt voor het bepalen van de afmetingen van de hoofddoorgang. De doorgang mag zijn onderbroken door één dragend deel, met een breedte van ten hoogste 0,04 m, van de zich daarboven bevindende ligbank.

  2. De onderzijde van een doorgang mag zich niet meer dan 1,00 m boven de direct onder de doorgang aangebrachte vloer bevinden, tenzij toegangsvoorzieningen, of wat als zodanig gebruikt kan worden, zijn aangebracht. Deze toegangsvoorzieningen mogen de ligplaatsen en doorgangen niet nadelig beïnvloeden. Tot een ligplaats behorende en vanuit de ligplaats gemakkelijk wegklapbare voorzieningen zijn in de gebruiksstand hiervan uitgezonderd.

Artikel 33 — Ligplaatsen voor de passagiers; overige eisen

  1. De constructie van de ligbank alsmede de bevestiging ervan aan de bus moeten een veilig vervoer waarborgen van een zich op de ligbank bevindende passagier.

  2. Elke ligbank moet zowel in lengte- als in breedterichting met doelmatige veiligheidsvoorzieningen zijn uitgerust ten einde te voorkomen dat de passagier uit zijn ligplaats kan geraken.

  3. Ten aanzien van de veiligheidsvoorziening in de rijrichting van de bus wordt geacht te zijn voldaan aan het tweede lid, indien kan worden aangetoond dat een ballastzak van 1.500 N binnen de ligplaats kan worden vastgehouden, terwijl de bus bij een snelheid van 50 km/h met een vertraging van ten minste 5 m/s2 wordt geremd.

  4. De ballastzak moet van materiaal zijn vervaardigd dat een minimale wrijving veroorzaakt op de bekleding van de ligbank. De lengte van de ballastzak moet 1,65 m en de breedte 0,40 m bedragen. De ballastzak moet zodanig op de ligbank zijn geplaatst dat de tussenruimte tussen de ballastzak en de voorste begrenzing van de ligplaats, in de rijrichting van de bus, ten minste 0,05 m bedraagt.

  5. Het gedeelte van een ligbank dat grenst aan of zich uitstrekt tot voorbij achterste begrenzing van het bestuurderscompartiment moet van een afscherming zijn voorzien.

  6. De afscherming moet van zodanige afmetingen zijn, dat deze ten minste reikt tot 0,40 m boven de ligbank en vanaf de zijwand tot ten minste 0,225 m voorbij het mediaanlangsvlak door de bestuurderszitplaats.

  7. Indien de afscherming wordt gevormd door stangen met een daartussen geplaatst schot, mag de vrije ruimte tussen het schot en de omringende constructie ten hoogste 0,05 m bedragen, mits het schot zich ten minste uitstrekt tot 0,225 m ter weerszijden van het mediaanlangsvlak door de bestuurderszitplaats.

Artikel 34 — Handgrepen bij treden

Boven de treden bij een bedrijfsdeur en indien zich plaatselijk meer dan één trede in de hoofddoorgang bevindt moeten bij deze treden doelmatige handgrepen ten behoeve van de passagiers zijn aangebracht. De vrije ruimte om deze handgrepen moet ten minste 0,035 m bedragen.

Artikel 35 — Bagageruimten

  1. Bagagerekken en bagageruimten moeten zodanig zijn uitgevoerd dat tijdens het rijden en in het bijzonder bij sterk afremmen wordt voorkomen dat bagage uit de rekken respectievelijk ruimten kan geraken.

  2. Bagagerekken moeten ter hoogte van de achterzijde van het bestuurderscompartiment van een dwarsschot zijn voorzien.

Artikel 36 — Ruiten

Onverminderd het in artikel 4 bepaalde ten aanzien van de ruiten, bedoeld in dat artikel, moeten alle overige ruiten bestaan uit duurzaam materiaal dat bij breuk niet in scherpe scherven uiteenvalt.

Artikel 37 — Binnenverlichting

  1. De hoofddoorgang, de toegang naar alle voorgeschreven uitgangen, de treden bij de bedrijfsdeuren en eventuele treden in de hoofddoorgang, de vereiste opschriften en de bedieningsinrichtingen van de (nood)uitgangen en trappen moeten zodanig kunnen worden verlicht dat deze duidelijk waarneembaar kunnen zijn.

  2. De binnenverlichting moet over ten minste twee onafhankelijk van elkaar geschakelde stroomkringen zijn verdeeld.

  3. Er moeten zodanige voorzieningen worden getroffen dat de bestuurder geen hinder van de weerkaatsing van de binnenverlichting in de ruiten binnen zijn gezichtsveld kan ondervinden.

Artikel 38 — Ventilatie- en verwarmingsinrichtingen

  1. Het in de binnenruimte doordringen van voor de gezondheid schadelijke gassen die afkomstig zijn van de bus, moet door doelmatige constructie en goed onderhoud worden voorkomen.

  2. Zowel ten behoeve van de bestuurder als de passagiers moeten ventilatie-inrichtingen zijn aangebracht van zodanige afmetingen en constructie dat bij volle bezetting een voldoende luchtverversing mogelijk is zonder hinder voor de inzittenden.

  3. Een verwarmingsinrichting:

    1. moet alle veiligheidswaarborgen bieden;

    2. moet regelbaar zijn;

    3. mag geen gevaar opleveren voor de inzittenden;

    4. moet zodanig zijn ontworpen dat de inzittenden van het voertuig bij normaal weggebruik van de bus niet in aanraking kunnen komen met die delen van deze inrichting waaraan ze brandwonden kunnen oplopen. Aan deze bepaling wordt geacht te zijn voldaan, indien deze delen geen hogere temperatuur bereiken dan 80 °C, en

    5. moet zodanig zijn ontworpen dat de te verwarmen lucht van een zodanige plaats wordt betrokken dat verontreiniging door verbrandingsgassen, olie en benzinedampen, lekbrandstof en dergelijke afkomstig van het voertuig zelf zoveel mogelijk wordt vermeden.

  4. De uitmonding van de afvoerleiding van de verbrandingsgassen van een kachel:

    1. moet ten minste 0,50 m verwijderd zijn van elke deuropening;

    2. mag niet onder een deuropening zijn gelegen;

    3. mag niet naar de rechterzijde van de bus zijn gericht, en

    4. moet zich ter plaatse van de deuren ten minste 0,50 m binnenwaarts vanaf de buitenzijde van de carrosserie bevinden.

Artikel 39 — Aanvullende regels voor het vervoer van personen in rolstoelen

  1. In de in dit hoofdstuk vermelde voorschriften wordt onder hoofddoorgang mede verstaan: de ruimte waardoor men de passagiers in rolstoelen vanuit de toegang tot elke voorgeschreven deur kan bereiken. Deze hoofddoorgang moet voldoen aan artikel 24, eerste tot en met tiende lid.

  2. Voor elke ten behoeve van een persoon in een rolstoel bestemde plaats in de bus moet een rechthoekig vloeroppervlak beschikbaar zijn met een minimum lengte van 1,00 m en een minimum breedte van 0,65 m alsmede een vrije hoogte boven dit vloeroppervlak van ten minste 1,45 m. Vanaf een hoogte van 0,60 m boven dit vloeroppervlak mag echter de breedte van deze ruimte aan beide zijden ten opzichte van het mediaanlangsvlak van de plaats van de rolstoel met 0,08 m worden verminderd.

  3. Er moet een doelmatige inrichting zijn aangebracht die de persoon in de rolstoel onafhankelijk van de rolstoel alsmede de rolstoel zelf bij plotseling remmen en dergelijke op hun plaats kunnen houden. Voor de toepassing van een merk en type van deze inrichting moet toestemming van de Dienst Wegverkeer zijn verleend.

  4. De inrichting moet in staat zijn een horizontale kracht in de rijrichting van de bus van 7.500 N te kunnen weerstaan die in het zwaartepunt van de bezette rolstoel aangrijpt. Dit zwaartepunt wordt geacht te zijn gelegen in een horizontaal vlak 0,60 m boven de vloer.

  5. Indien de in het derde lid bedoelde inrichting is uitgevoerd als vastzetinrichting voor de persoon in de rolstoel, bijvoorbeeld door middel van gordels, moet deze inrichting het mogelijk maken de persoon op snelle en eenvoudige wijze los te maken.

  6. De deur bestemd voor het in- en uitrijden van passagiers in rolstoelen moet ten minste een opening vrijgeven waarin een rechthoek kan worden beschreven met een hoogte van 1,40 m en een breedte van 0,70 m.

  7. De deur mag zich niet in de linkerzijwand van de bus bevinden.

  8. De ruimte, die zich vanaf de buitenzijde van de deuropening binnenwaarts uitstrekt tot de hoofddoorgang moet een doorgang bieden aan een meetmal in de vorm van een rechthoekig blok met een lengte van 0,75 m, een breedte van 0,65 m en een hoogte van 1,09 m.

  9. De beginpositie van de meetmal is de plaats waar de voorzijde van de meetmal samenvalt met het denkbeeldige verticale raakvlak aan de buitenkant van de deuropening. Vanaf deze beginpositie moet de meetmal in de lengterichting over een afstand van 0,75 m worden voortbewogen. In de eindpositie moet de verticale hartlijn van de voorzijde van de meetmal kunnen samenvallen met de verticale hartlijn van één van de testfiguren genoemd in artikel 24 die wordt gebruikt voor het bepalen van de afmetingen van de hoofddoorgang.

  10. Elke inrichting die bedoeld is om passagiers in rolstoelen de mogelijkheid te geven de bus binnen te rijden en te verlaten moet zodanig zijn uitgevoerd dat dit onder alle omstandigheden en zo nodig met extra verlichting op een veilige wijze kan geschieden voor zowel de passagiers in rolstoelen en hun begeleiders als voor de overige passagiers.

  11. Indien de in het tiende lid bedoelde inrichting een liftinstallatie is, moet bovendien aan de volgende eisen worden voldaan:

    1. het liftplateau moet zodanig zijn uitgevoerd dat het ongewild afrollen of achteroverklappen van de rolstoel tijdens het heffen en het dalen zoveel mogelijk wordt voorkomen;

    2. er moeten voorzieningen aanwezig zijn die voorkomen dat tijdens het bewegen van delen van de liftinstallatie lichaamsdelen bekneld kunnen raken;

    3. er moet een voorziening aanwezig zijn die het liftplateau automatisch vasthoudt in het geval de bedieningskracht voor het liftplateau wegvalt;

    4. bij het bedieningspaneel van de liftinstallatie moet een duidelijke bedieningsaanwijzing aanwezig zijn; bovendien moet in de bus een opschrift vermeldende het nuttig hefvermogen van de liftinstallatie zijn aangebracht. Dit opschrift moet vanaf het liftplateau tijdens het gebruik ervan duidelijk zichtbaar zijn, en

    5. de liftinstallatie moet tegen ongewild bedienen ervan zijn beveiligd.

  12. Indien er in de in het tiende lid bedoelde inrichting oprijgoten aanwezig zijn, moet bovendien aan de volgende eisen worden voldaan:

    1. de oprijgoten moeten voldoende veiligheidswaarborgen bieden tegen het zijdelings afrollen van de rolstoel en het verschuiven ervan tijdens het gebruik;

    2. de oprijgoten moeten van een stroef oppervlak zijn voorzien.

Bijlage 244421Figuur 1 (1).
Bijlage 244422Figuur 1 (2).
Bijlage 244423Figuur 2.
Bijlage 244424Figuur 3(1).
Bijlage 244425Figuur 3(2).
Bijlage 244426Figuur 4.
Bijlage 244427Figuur 5(1).
Bijlage 244428Figuur 5(2).
Bijlage 244429Figuur 6(1).
Bijlage 244430Figuur 6(2).
Bijlage 244431Figuur 7(1).
Bijlage 244432Figuur 7(2).
Bijlage 244433Figuur 8.

Annex 4 — behorende bij de artikelen 2a, vijfde lid, en 2b, eerste tot en met vijfde lid

Individuele toelatingseisen voor elektrisch aangedreven en hybride elektrische voertuigen van de voertuigcategorieën L, M en N

Artikel 1

Voorafgaand aan het verkrijgen van een goedkeuring voor toelating tot het verkeer op de weg, overlegt de aanvrager van de goedkeuring documentatie over de elektrische aandrijflijn aan de Dienst wegverkeer.

Artikel 2

  1. De hoogspanningskabels:

    1. moeten oranje zijn; en

    2. mogen niet in de nabijheid van een scherp deel zijn gemonteerd.

  2. De energieopslagsystemen worden niet in het passagierscompartiment geplaatst, tenzij deze goed zijn afgeschermd.

  3. Het voertuig moet zijn voorzien van een voorziening waarmee de hoogspanning kan worden uitgeschakeld.

  4. De onderdelen van de elektrische aandrijflijn en de bekabeling vormen niet het laagste punt van het voertuig, waarbij de wielen buiten beschouwing worden gelaten.

  5. De tractiebatterij moet deugdelijk bevestigd zijn.

01-07-2026 Huidig 01-01-2026 Historisch 01-07-2025 Historisch 26-02-2025 Historisch 01-01-2025 Historisch 01-01-2024 Historisch 31-05-2023 Historisch 01-01-2023 Historisch 01-07-2022 Historisch 22-06-2022 Historisch 01-01-2022 Historisch 29-10-2021 Historisch 21-01-2021 Historisch 05-01-2021 Historisch 19-12-2020 Historisch 30-08-2020 Historisch 01-01-2020 Historisch
Voor dit artikel is er geen zichtbare wijziging ten opzichte van 01-01-2020.

Tekst van deze versie

Bijlage IV — behorende bij de artikelen 3.2, vierde lid, 3.3, 3.4, 3.7, eerste lid, 6.1, derde lid, 6.3, eerste lid, 6.4, eerste, tweede en vierde lid, 6.5, 6.7, 6.8 en 6.10, eerste lid

Nationale kleine serie typegoedkeuring en individuele goedkeuring van voertuigen van de voertuigcategorieën L, M, N, O, T, C, R en S

Artikel 1

  1. In deze bijlage wordt verstaan onder:

    1. richtlijn 72/245/EEG: Richtlijn 72/245/EEG van de Raad van 20 juni 1972 betreffende door voertuigen veroorzaakte radiostoring (elektromagnetische comptabiliteit) (PbEG 1972, L 152);

    2. richtlijn 74/151/EEG: Richtlijn 74/151/EEG van de Raad van 4 maart 1974 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende bepaalde onderdelen en eigenschappen van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen (PbEG 1974, L 84);

    3. richtlijn 77/541/EEG: Richtlijn 77/541/EEG van de Raad van 28 juni 1977 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake veiligheidsgordels en bevestigingssystemen in motorvoertuigen (PbEG 1977, L 220);

    4. richtlijn 97/24/EG: Richtlijn 97/24/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 1997 betreffende bepaalde onderdelen of eigenschappen van motorvoertuigen op twee of drie wielen (PbEG 1997, L 226);

    5. richtlijn 2002/24/EG: Richtlijn 2002/24/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 maart 2002 betreffende de goedkeuring van twee- of driewielige motorvoertuigen en de intrekking van Richtlijn 92/61/EEG van de Raad (PbEG 2002, L 124);

    6. verordening (EU) 3/2014: Gedelegeerde verordening (EU) nr. 3/2014 van de Commissie van 24 oktober 2013 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 168/2013 van het Europees Parlement en de Raad betreffende functionele veiligheidsvoorschriften voor de goedkeuring van twee- of driewielige voertuigen en vierwielers (PbEU 2014, L 7);

    7. verordening (EU) 44/2014: Gedelegeerde verordening (EU) nr. 44/2014 van de Commissie van 21 november 2013 ter aanvulling van Verordening (EU) nr. 168/2013 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de voertuigconstructie en algemene voorschriften voor de goedkeuring van twee- of driewielige voertuigen en vierwielers (PbEU 2014, L 25);

    8. verordening (EU) 134/2014: Gedelegeerde verordening (EU) nr. 134/2014 van de Commissie van 16 december 2013 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 168/2013 van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot de voorschriften voor milieuprestaties en prestaties van de aandrijfeenheid en tot wijziging van bijlage V bij die verordening (PbEU 2014, L 53);

    9. verordening (EU) 901/2014: Uitvoeringsverordening (EU) nr. 901/2014 van de Commissie van 18 juli 2014 tot uitvoering van Verordening (EU) nr. 168/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de administratieve voorschriften voor de goedkeuring van en het markttoezicht op twee- of driewielige voertuigen en vierwielers (PbEU 2014, L 249);

    10. verordening (EU) 1322/2014: Gedelegeerde verordening (EU) nr. 1322/2014 van de Commissie van 19 september 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 167/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat de voertuigconstructie en algemene voorschriften voor de goedkeuring van landbouw- en bosbouwvoertuigen betreft (PbEU 2014, L 364);

    11. verordening (EU) 2015/96: Gedelegeerde verordening (EU) 2015/96 van de Commissie van 1 oktober 2014 ter aanvulling van Verordening (EU) nr. 167/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft voorschriften voor milieuprestaties en prestaties van de aandrijfeenheid voor landbouw- en bosbouwvoertuigen (PbEU 2015, L 16).

  2. In deze bijlage wordt voorts verstaan onder:

    1. VN/ECE-reglement 36: VN/ECE-reglement 36 als bedoeld in bijlage Va;

    2. VN/ECE-reglement 52: VN/ECE-reglement 52 als bedoeld in bijlage Va;

    3. VN/ECE-reglement 100: reglement nr. 100 van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (VN/ECE) - Uniforme voorschriften voor de goedkeuring van elektrische voertuigen wat de specifieke voorschriften inzake constructie, functionele veiligheid en emissie van waterstof betreft;

    4. VN/ECE-reglement 107: VN/ECE-reglement 107 als bedoeld in bijlage Va.

Artikel 2

Vervallen.

Artikel 2a

  1. Voertuigen van de voertuigcategorieën M, N en O, met uitzondering van voertuigen met de voertuigclassificatie M1 of N1 en voertuigen voor speciale doeleinden, met een datum van eerste toelating van na 28 april 2009, moeten voor het verkrijgen van een nationale kleine serie typegoedkeuring of een individuele goedkeuring voor toelating tot het verkeer op de weg voldoen aan de voor het voertuig gestelde:

    1. eisen in bijlage IV, deel 1, bij richtlijn 2007/46/EG, zoals die eisen luidden op de datum van eerste toelating van het voertuig;

    2. permanente eisen.

  2. Voertuigen voor speciale doeleinden van de voertuigcategorieën M, N en O met een datum van eerste toelating van na 28 april 2009, moeten voor het verkrijgen van een nationale kleine serie typegoedkeuring of een individuele goedkeuring voor toelating tot het verkeer op de weg voldoen aan de voor het voertuig gestelde:

    1. eisen in bijlage XI bij richtlijn 2007/46/EG, zoals die eisen luidden op de datum van eerste toelating van het voertuig;

    2. permanente eisen.

  3. Voertuigen met de voertuigclassificatie M1 of N1 met een datum van eerste toelating van na 28 april 2009, moeten voor het verkrijgen van een individuele goedkeuring voor toelating tot het verkeer op de weg voldoen aan de voor het voertuig gestelde:

    1. eisen in bijlage IV, deel 1, bij richtlijn 2007/46/EG, zoals die eisen luidden op de datum van eerste toelating van het voertuig;

    2. permanente eisen.

  4. Onverminderd het eerste tot en met derde lid, moeten niet-seriematig geproduceerde voertuigen van de voertuigcategorieën M en N voldoen aan de in artikel 3, onderdeel b, van bijlage IX gestelde eis.

  5. Onverminderd het eerste tot en met derde lid, moeten elektrisch aangedreven en hybride elektrische voertuigen van de voertuigcategorieën M en N voldoen aan de in annex 4 opgenomen eisen.

  6. Met betrekking tot voertuigen van de voertuigcategorieën M, N en O, blijven voor het verkrijgen van een nationale kleine serie typegoedkeuring of een individuele goedkeuring voor toelating tot het verkeer op de weg de volgende VN/ECE-reglementen, EU-richtlijnen en EU-verordeningen buiten beschouwing:

    1. Reglement nr. 29 van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (VN/ECE) inzake uniforme voorschriften voor de goedkeuring van bedrijfsvoertuigen wat de bescherming van de inzittenden van de cabine betreft;

    2. Reglement nr. 95 van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (VN/ECE) inzake uniforme voorschriften voor de goedkeuring van voertuigen met betrekking tot de bescherming van de inzittenden bij een zijdelingse botsing;

    3. Reglement nr. 97 van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (VN/ECE) inzake uniforme voorschriften voor de goedkeuring van voertuigalarmsystemen (VAS) en van motorvoertuigen wat hun alarmsysteem (AS) betreft;

    4. Richtlijn 2005/64/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2005 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen inzake herbruikbaarheid, recycleerbaarheid en mogelijke nuttige toepassing, en tot wijziging van Richtlijn 70/156/EEG van de Raad (PbEU 2005, L 310);

    5. Richtlijn 2006/40/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 betreffende emissies van klimaatregelingsapparatuur in motorvoertuigen en houdende wijziging van Richtlijn 70/156/EEG van de Raad (PbEU 2006, L 161), voor zover het voertuig in gebruik is genomen vóór 1 januari 2017;

    6. Verordening (EU) nr. 65/2012 van de Commissie van 24 januari 2012 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 661/2009 van het Europees Parlement en de Raad wat schakelindicatoren betreft en tot wijziging van Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad (PbEU 2012, L 280).

Artikel 2b

  1. Voertuigen met de voertuigclassificatie L3e, L4e, L5e of L7e met een datum van eerste toelating van na 31 december 2015 doch vóór 1 januari 2017 en voertuigen met de voertuigclassificatie L1e, L2e of L6e, met uitzondering van voertuigen met de voertuigclassificatie L1e voorzien van een hulpaandrijving met als hoofddoel trapondersteuning, met een datum van eerste toelating van na 31 december 2015 doch vóór 1 januari 2018, moeten voor het verkrijgen van een nationale kleine serie typegoedkeuring of een individuele goedkeuring voor toelating tot het verkeer op de weg voldoen aan de voor het voertuig gestelde:

    1. eisen in bijlage I bij richtlijn 2002/24/EG, zoals die eisen luidden op de datum van eerste toelating van het voertuig; of

    2. eisen in de bijlagen II en V tot en met VIII bij verordening (EU) 168/2013 en bijlage V bij verordening (EU) 901/2014, zoals die eisen luidden op de datum van eerste toelating van het voertuig; en

    3. eisen in artikel 6 van bijlage IX, zoals die eisen luidden op de datum van eerste toelating van het voertuig, indien het een niet-seriematig geproduceerd voertuig met de voertuigclassificatie L3e of L4e betreft;

    4. eis in artikel 3, onderdeel b, van bijlage IX, zoals die eis luidde op de datum van eerste toelating van het voertuig, indien het een niet-seriematig geproduceerd voertuig met de voertuigclassificatie L5e of L7e betreft;

    5. eisen in artikel 6 van bijlage IX, zoals die eisen luidden op de datum van eerste toelating van het voertuig, voor zover het een ander voertuig betreft dan bedoeld in onderdeel c en dit naar het oordeel van de Dienst Wegverkeer noodzakelijk is met het oog op het verkeersveilig gebruik van dat voertuig;

    6. eisen, indien het een elektrisch aangedreven of hybride elektrisch voertuig betreft, in:

      1. annex 4 bij deze bijlage;

      2. hoofdstuk 8 van richtlijn 97/24/EG, zoals die eisen luidden op de datum van eerste toelating van het voertuig; en

      3. VN/ECE-reglement 100, zoals die eisen luidden op de datum van eerste toelating van het voertuig; en

    7. permanente eisen.

  2. Voertuigen met de voertuigclassificatie L3e, L4e, L5e of L7e met een datum van eerste toelating van na 31 december 2016 en voertuigen met de voertuigclassificatie L1e, L2e of L6e met een datum van eerste toelating van na 31 december 2017, moeten voor het verkrijgen van een nationale kleine serie typegoedkeuring of een individuele goedkeuring voor toelating tot het verkeer op de weg voldoen aan de voor het voertuig gestelde:

    1. eisen in de bijlagen II en V tot en met VIII bij verordening (EU) 168/2013, zoals die eisen luidden op de datum van eerste toelating van het voertuig;

    2. eisen in bijlage V bij verordening (EU) 901/2014, zoals die eisen luidden op de datum van eerste toelating van het voertuig;

    3. eisen in artikel 6 van bijlage IX, zoals die eisen luidden op de datum van eerste toelating van het voertuig, indien het een niet-seriematig geproduceerd voertuig met de voertuigclassificatie L3e of L4e betreft;

    4. eis in artikel 3, onderdeel b, van bijlage IX, zoals die eis luidde op de datum van eerste toelating van het voertuig, indien het een niet-seriematig geproduceerd voertuig met de voertuigclassificatie L5e of L7e betreft;

    5. eisen in artikel 6 van bijlage IX, zoals die eisen luidden op de datum van eerste toelating van het voertuig, voor zover het een ander voertuig betreft dan bedoeld in onderdeel c en dit naar het oordeel van de Dienst Wegverkeer noodzakelijk is met het oog op het verkeersveilig gebruik van dat voertuig;

    6. eisen, indien het een elektrisch aangedreven of hybride elektrisch voertuig betreft, in:

      1. annex 4 bij deze bijlage;

      2. hoofdstuk 8 van richtlijn 97/24/EG, zoals die eisen luidden op de datum van eerste toelating van het voertuig; en

      3. VN/ECE-reglement 100, zoals die eisen luidden op de datum van eerste toelating van het voertuig; en

    7. permanente eisen.

  3. Voertuigen met de voertuigclassificatie L1e voorzien van een hulpaandrijving met als hoofddoel trapondersteuning met een datum van eerste toelating van na 31 december 2015 doch vóór 1 januari 2018, moeten voor het verkrijgen van een nationale kleine serie typegoedkeuring of een individuele goedkeuring voor toelating tot het verkeer op de weg voldoen aan de voor het voertuig gestelde:

    1. eisen in bijlage I bij richtlijn 2002/24/EG en bijlage X, aanhangsels 1 en 1.1, bij verordening (EU) 134/2014, zoals die eisen luidden op de datum van eerste toelating van het voertuig; of

    2. eisen in de bijlagen II en V tot en met VIII bij verordening (EU) 168/2013 en bijlage V bij verordening (EU) 901/2014, zoals die eisen luidden op de datum van eerste toelating van het voertuig;

    3. eisen, indien het een elektrisch aangedreven of hybride elektrisch voertuig betreft, in:

      1. annex 4 bij deze bijlage;

      2. hoofdstuk 8 van richtlijn 97/24/EG, zoals die eisen luidden op de datum van eerste toelating van het voertuig; en

      3. VN/ECE-reglement 100, zoals die eisen luidden op de datum van eerste toelating van het voertuig; en

    4. permanente eisen.

  4. Voertuigen van de voertuigcategorie L met een datum van eerste toelating van na 31 december 2005 doch vóór 1 januari 2016, moeten voor het verkrijgen van een individuele goedkeuring voor toelating tot het verkeer op de weg voldoen aan de voor het voertuig gestelde:

    1. eisen in bijlage I bij richtlijn 2002/24/EG en bijlage X, aanhangsels 1 en 1.1, bij verordening (EU) 134/2014, zoals die eisen luidden op de datum van eerste toelating van het voertuig;

    2. eisen in artikel 6 van bijlage IX, zoals die eisen luidden op de datum van eerste toelating van het voertuig, indien het een niet-seriematig geproduceerd voertuig met de voertuigclassificatie L3e of L4e betreft;

    3. eis in artikel 3, onderdeel b, van bijlage IX, zoals die eis luidde op de datum van eerste toelating van het voertuig, indien het een niet-seriematig geproduceerd voertuig met de voertuigclassificatie L5e of L7e betreft;

    4. eisen in artikel 6 van bijlage IX, zoals die eisen luidden op de datum van eerste toelating van het voertuig, voor zover het een ander voertuig betreft dan bedoeld in onderdeel b en dit naar het oordeel van de Dienst Wegverkeer noodzakelijk is met het oog op het verkeersveilig gebruik van dat voertuig;

    5. eisen, indien het een elektrisch aangedreven of hybride elektrisch voertuig betreft, in:

      1. annex 4 bij deze bijlage;

      2. hoofdstuk 8 van richtlijn 97/24/EG, zoals die eisen luidden op de datum van eerste toelating van het voertuig; en

      3. VN/ECE-reglement 100, zoals die eisen luidden op de datum van eerste toelating van het voertuig; en

    6. permanente eisen.

  5. Voertuigen van de voertuigcategorie L met een datum van eerste toelating van vóór 1 januari 2006, moeten voor het verkrijgen van een individuele goedkeuring voor toelating tot het verkeer op de weg voldoen aan de voor het voertuig gestelde:

    1. eisen in artikel 6 van bijlage IX, zoals die eisen luidden op de datum van eerste toelating van het voertuig, indien het een niet-seriematig geproduceerd voertuig met de voertuigclassificatie L3e of L4e betreft;

    2. eis in artikel 3, onderdeel b, van bijlage IX, zoals die eis luidde op de datum van eerste toelating van het voertuig, indien het een niet-seriematig geproduceerd voertuig met de voertuigclassificatie L5e of L7e betreft;

    3. eisen in artikel 6 van bijlage IX, zoals die eisen luidden op de datum van eerste toelating van het voertuig, voor zover het een ander voertuig betreft dan bedoeld in onderdeel a en dit naar het oordeel van de Dienst Wegverkeer noodzakelijk is met het oog op het verkeersveilig gebruik van dat voertuig;

    4. eisen, indien het een elektrisch aangedreven of hybride elektrisch voertuig betreft, in:

      1. annex 4 bij deze bijlage;

      2. hoofdstuk 8 van richtlijn 97/24/EG, zoals die eisen luidden op de datum van eerste toelating van het voertuig; en

      3. VN/ECE-reglement 100, zoals die eisen luidden op de datum van eerste toelating van het voertuig; en

    5. permanente eisen.

  6. Met betrekking tot voertuigen van de voertuigcategorie L, blijven voor het verkrijgen van een nationale kleine serie typegoedkeuring of een individuele goedkeuring voor toelating tot het verkeer op de weg de bijlagen V en XI bij verordening (EU) 3/2014, en III, IV, XII, XV en XVII bij verordening (EU) 44/2014 buiten beschouwing.

Artikel 2c

  1. Voertuigen van de voertuigcategorieën T en C met een datum van eerste toelating van na 31 december 2017, moeten voor het verkrijgen van een nationale kleine serie typegoedkeuring of een individuele goedkeuring voor toelating tot het verkeer op de weg voldoen aan de voor het voertuig gestelde:

    1. eisen in de bijlage I bij verordening (EU) 167/2013, zoals die eisen luidden op de datum van eerste toelating van het voertuig; en

    2. permanente eisen.

  2. Voertuigen van de voertuigcategorieën T en C met een datum van eerste toelating van vóór 1 januari 2018, moeten voor het verkrijgen van een individuele goedkeuring voor toelating tot het verkeer op de weg voldoen aan de voor het voertuig gestelde:

    1. eisen in de bijlage I bij richtlijn 74/151/EEG, zoals die eisen luidden op de datum van eerste toelating van het voertuig; en

    2. permanente eisen.

  3. Met betrekking tot voertuigen van de voertuigcategorieën T en C, blijven voor het verkrijgen van een nationale kleine serie typegoedkeuring of een individuele goedkeuring voor toelating tot het verkeer op de weg de bijlagen III tot en met XI, XIII, XV, XVI, XVII, XX, XXII, XXV en XXIX bij verordening (EU) 1322/2014, I en II bij verordening (EU) 2015/96 en X, XVIII, XXI en XXIII bij verordening (EU) 2015/208 buiten beschouwing.

Artikel 2d

  1. Voertuigen van de voertuigcategorieën R en S met een datum van eerste toelating van na 31 december 2017, moeten voor het verkrijgen van een nationale kleine serie typegoedkeuring of een individuele goedkeuring voor toelating tot het verkeer op de weg voldoen aan de voor het voertuig gestelde:

    1. eisen in de bijlage I bij verordening (EU) 167/2013, zoals die eisen luidden op de datum van eerste toelating van het voertuig; en

    2. permanente eisen.

  2. Voertuigen van de voertuigcategorieën R en S met datum van eerste toelating van vóór 1 januari 2018, moeten voor het verkrijgen van een individuele goedkeuring voor toelating tot het verkeer op de weg voldoen aan de voor het voertuig gestelde permanente eisen.

  3. Met betrekking tot voertuigen van de voertuigcategorieën R en S, blijven voor het verkrijgen van een nationale kleine serie typegoedkeuring of een individuele goedkeuring voor toelating tot het verkeer op de weg de bijlagen XXII, XXV, XXVI en XXIX bij verordening (EU) 1322/2014 en XVIII, XXI en XXII bij verordening (EU) 2015/208 buiten beschouwing.

Artikel 3

  1. Voertuigen met de voertuigclassificatie M1, N1 tot en met N3, of O1 tot en met O4 met een datum van eerste toelating van na 31 december 1997 doch vóór 29 april 2009, moeten voor het verkrijgen van een individuele goedkeuring voor toelating tot het verkeer op de weg voldoen aan de voor het voertuig gestelde:

    1. toelatingseisen, zoals die eisen luidden op de datum van eerste toelating van het voertuig, met uitzondering van de eisen gesteld met betrekking tot zijdelingse afscherming na de voorste achteras aan voertuigen van de voertuigcategorieën N en O; en

    2. permanente eisen.

  2. In aanvulling op het eerste lid, moeten niet-fabrieksmatig geproduceerde voertuigen met de voertuigclassificatie M1 of N1 voldoen aan de in artikel 3, onderdeel b, van bijlage IX gestelde eis.

Artikel 4

  1. Voertuigen met de voertuigclassificatie M1, N1 tot en met N3, of O1 tot en met O4 met een datum van eerste toelating van vóór 1 januari 1998, alsmede voertuigen van de voertuigcategorieën L, M, N, O, T, C, R en S die blijkens een door de Belastingdienst afgegeven verklaring behoren tot een verhuisboedel, moeten voor het verkrijgen van een individuele goedkeuring voor toelating tot het verkeer op de weg voldoen aan de voor het voertuig gestelde permanente eisen.

  2. In aanvulling op het eerste lid, moeten voertuigen van de voertuigcategorie O voldoen aan de in annex 1 opgenomen eisen.

  3. In aanvulling op het eerste lid, met uitzondering van voertuigen die behoren tot een verhuisboedel, voldoet een voertuig met de voertuigclassificatie M1, N1 of N2 met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg en met een datum van eerste toelating van vóór 1 januari 1998, indien het is voorzien van een motor die kan worden gevoed door een al dan niet tot vloeistof verdicht gas, aan de emissie-eisen zoals die luidden op de datum van eerste toelating.

Artikel 5

  1. Voertuigen met de voertuigclassificatie M2 of M3 met een datum eerste toelating van na 11 februari 2005 doch vóór 29 april 2009, moeten voor het verkrijgen van een individuele goedkeuring voor toelating tot het verkeer op de weg voldoen aan de voor het voertuig gestelde:

    1. toelatingseisen, zoals die eisen luidden op de datum van eerste toelating van het voertuig,

    2. nationale kleine serie typegoedkeuringseisen betreffende de inrichting van het voertuig, en

    3. permanente eisen.

  2. Voertuigen die voldoen aan de eisen, genoemd in de VN/ECE-reglementen 36, 52 of 107, worden geacht te voldoen aan de eisen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b.

Artikel 6

  1. Voertuigen met de voertuigclassificatie M2 of M3 met een datum eerste toelating na 31 december 1997 doch voor 12 februari 2005, moeten voor het verkrijgen van een individuele goedkeuring voor toelating tot het verkeer op de weg voldoen aan de voor het voertuig gestelde:

    1. toelatingseisen, zoals die eisen luidden op de datum van eerste toelating van het voertuig,

    2. eisen betreffende de inrichting van het voertuig, genoemd in annex 2, en

    3. permanente eisen.

  2. Voertuigen die voldoen aan de eisen, genoemd in de VN/ECE-reglementen 36, 52 of 107, worden geacht te voldoen aan de eisen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b.

Artikel 7

  1. Voertuigen met de voertuigclassificatie M2 of M3 met een datum eerste toelating vóór 1 januari 1998, moeten voor het verkrijgen van een individuele goedkeuring voor toelating tot het verkeer op de weg voldoen aan de voor het voertuig gestelde:

    1. permanente eisen; en

    2. eisen betreffende de inrichting van het voertuig, genoemd in annex 2.

  2. Voertuigen die voldoen aan de eisen, genoemd in de VN/ECE-reglementen 36, 52 of 107, worden geacht te voldoen aan de eisen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b.

  3. In aanvulling op het eerste lid, voldoet een voertuig met de voertuigclassificatie M2 met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg en met een datum van eerste toelating van vóór 1 januari 1998, indien het is voorzien van een motor die kan worden gevoed door een al dan niet tot vloeistof verdicht gas, aan de emissie-eisen zoals die luidden op de datum van eerste toelating.

Artikel 8

Vervallen.

Artikel 9

  1. Personenauto’s of bedrijfsauto’s in gebruik genomen na 1 september 2008 en ingericht voor het vervoer van één of meer passagiers in een rolstoel, moeten wat betreft:

    1. de rolstoelvastzetsystemen en veiligheidssystemen voldoen aan de eisen, bedoeld in NEN-ISO 10542-1:2001 tot en met NEN-ISO 10542-5:2001;

    2. de plaatsen die worden gebruikt voor het vervoer van één of meer passagiers in een rolstoel zijn voorzien van gordels overeenkomstig richtlijn 77/541/EEG.

  2. Op personenauto’s, niet zijnde taxi’s, die zijn voorzien van een ligplaats, zijn de artikelen 3.2, tweede lid, 3.3, zevende lid, 4, elfde en twaalfde lid, en 7 van bijlage VI van overeenkomstige toepassing.

  3. Ligplaatsen in personenauto's die in gebruik zijn genomen na 31 december 2011, moeten met doelmatige veiligheidsvoorzieningen zijn uitgerust ten einde te voorkomen dat de passagier uit de ligplaats kan geraken.

Annex 1 — behorende bij artikel 4, tweede lid

Individuele toelatingseisen voor voertuigen van de voertuigcategorie O

Artikel 1

De koppeling van voertuigen met de voertuigclassificatie O1 tot en met O4 moet zijn voorzien van een van de volgende goedkeuringsmerken:

  1. in geval van een autonome aanhangwagen:

    1. 1421-.... of e- of E-keurmerk, indien het betreft een trekoog, tenzij het trekoog aan een trekdriehoek is gelast, dan geldt: 1401-.... of DIN.... of ISO....;

    2. 1021-.... of 1001-.... of e- of E-keurmerk, indien het betreft een kogelkoppeling, of

    3. 0221-.... of 0201-.... of e- of E-keurmerk, indien het betreft een trekdriehoek, trekboom of dissel.

  2. in geval van een middenasaanhangwagen:

    1. 1421-.... of e- of E-keurmerk, indien het betreft een trekoog, tenzij het trekoog aan een trekdriehoek is gelast, dan geldt: 1401-.... of DIN.... of ISO....;

    2. 1021-.... of 1001-.... of e- of E-keurmerk, indien het betreft een kogelkoppeling, of

    3. 0221-.... of 0201-.... of e- of E-keurmerk indien het betreft een trekdriehoek, trekboom of dissel, voor zover deze geen doorlopend profiel met de chassisbalken vormt.

  3. in geval van een oplegger: de koppelingspen moet zijn voorzien van een 1721-.... of 1701-.... of e- of E-keurmerk.

Annex 2 — behorende bij de artikelen 6, eerste lid, en 7, eerste lid

Individuele inrichtingseisen voor voertuigen met de voertuigclassificatie M2 of M3

Hoofdstuk 1 — Algemene bepalingen

Artikel 1 — Begripsbepalingen

  1. In deze annex wordt verstaan onder:

    1. bedrijfsdeur of dubbele bedrijfsdeur: deur die onder normale omstandigheden door de passagiers wordt gebruikt terwijl de bestuurder op zijn zitplaats zit;

    2. compartiment: ruimte ingericht voor het vervoer van meer dan drie personen, de bestuurder daaronder niet begrepen;

    3. dubbeldeksvoertuig: voertuig waarbij de beschikbare ruimte voor de passagiers ten minste in een deel is ingericht op twee boven elkaar liggende niveaus en er niet in ruimte voor staande passagiers is voorzien op het bovendek;

    4. gebruiksstanden van de bedieningsinrichting van de stuurinrichting: standen van de bedieningsinrichting van de stuurinrichting waarbij de bestuurder is gezeten op zijn zitplaats in de standen, bedoeld in de begripsbepaling van ‘gebruiksstanden van de bestuurderszitplaats’;

    5. gebruiksstanden van de bestuurderszitplaats: standen van de bestuurderszitplaats achter de bedieningsinrichting van de stuurinrichting waarbij de bestuurder de bus veilig kan besturen;

    6. hoofddoorgang: ruimte waardoor de passagiers zich van elke zitplaats of rij zitplaatsen, van elke staanplaats en van elke ligplaats of rij ligplaatsen naar de toegang tot elke voorgeschreven deur kunnen begeven. In deze ruimte is niet begrepen de ruimte die als voetenruimte voor een zitplaats of rij zitplaatsen vereist is. Voor zitplaatsen die geheel of gedeeltelijk in de toegang tot een deur zijn geplaatst, is de laatste volzin niet van toepassing;

    7. keuringseisen: keuringseisen als bedoeld in hoofdstuk 2;

    8. ligbank: bank dan wel een samenstel van zittingen of rugleuningen die in een zodanige positie kan worden gebracht dat een passagier daarop liggend kan worden vervoerd;

    9. niet volledig dragend chassis: chassis dat zodanig is geconstrueerd dat niet alle toelaatbare belastingen en de daarbij optredende krachten door het chassis zelf kunnen worden opgenomen. De niet door het chassis op te nemen belastingen en krachten worden hierbij opgenomen door een meedragende carrosserieconstructie;

    10. nooddeur: deur die slechts in uitzonderlijke gevallen, met name in noodgevallen, door de passagiers wordt gebruikt;

    11. noodraam: al dan niet beglaasd raam;

    12. nooduitgang: voorgeschreven opening om uitsluitend in noodgevallen als uitgang voor de passagiers te dienen;

    13. normale gebruiksstand van de bestuurderszitplaats: door de fabrikant van de carrosserie vastgestelde stand van de bestuurderszitplaats als bedoeld in de begripsbepaling van ‘gebruiksstanden van de bestuurderszitplaats‘;

    14. raam: raam, alleen in noodgevallen bedoeld als uitgang voor de passagiers;

    15. slagdeur: eendelige handbediende deur die scharnierend aan een deurstijl is bevestigd;

    16. trolleybus: bus die wordt voortbewogen door elektrische tractie met stroomtoevoer van een bovenleiding;

    17. volledig dragend chassis: chassis dat zodanig is geconstrueerd dat alle toelaatbare belastingen en daarbij optredende krachten door dit chassis zelf kunnen worden opgenomen;

    18. volledig zelfdragende carrosserie: carrosserieconstructie die zodanig is geconstrueerd dat alle toelaatbare belastingen en daarbij optredende krachten door deze constructie zelf kunnen worden opgenomen;

    19. zitplaats: samenstel van zitting en rugleuning geen rolstoel zijnde bestemd om persoon zittend te vervoeren;

    20. zitplaats voor dienstgebruik: een zitplaats die uitsluitend voor het dienstdoende personeel is bestemd.

  2. In deze annex wordt voorts verstaan onder:

    1. richtlijn 70/221/EEG: Richtlijn 70/221/EEG van de Raad van 20 maart 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende reservoirs voor vloeibare brandstof en beschermingsinrichtingen aan de achterzijde van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan (PbEG 1970, L 76);

    2. richtlijn 74/60/EEG: Richtlijn 74/60/EEG van de Raad van 17 december 1973 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende de binneninrichting van motorvoertuigen (delen van het interieur met uitzondering van achteruitkijkspiegel(s), plaats van de bedieningsorganen, dak of rol- of schuifdak, rugleuning en achterzijde van de zitplaatsen) (PbEG 1974, L 38);

    3. richtlijn 97/27/EG: Richtlijn 97/27/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juli 1997 betreffende de massa’s en afmetingen van bepaalde categorieën motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en tot wijziging van Richtlijn 70/156/EEG (PbEG 1997, L 233).

Hoofdstuk 2 — Goedkeuringseisen

Artikel 2 — Algemeen

Een voertuig met de voertuigclassificatie M2 of M3 moet voldoen aan de in dit hoofdstuk opgenomen eisen.

Artikel 3 — Massa’s

  1. Bij volle belasting mag de bus noch onder elk der assen noch in zijn geheel meer wegen dan door de Dienst Wegverkeer voor het gebezigde chassistype is toegestaan.

  2. Voor de vaststelling van de belastingen wordt de massa van een te vervoeren persoon op 65 kg, van de per persoon te vervoeren goederen op 5 kg en van een rolstoel op 25 kg aangenomen dan wel de massa’s gelijk genomen aan hetgeen gedefinieerd in paragraaf 7.4.3.3.1. van bijlage I van richtlijn 97/27/EEG.

  3. Bij het vaststellen van de massa van de te vervoeren goederen, inclusief de uit het tweede lid volgende massa, wordt gerekend dat op een imperiaal ten hoogste 75 kg per m2 beschikbaar oppervlak en in afgesloten ruimten ten hoogste 100 kg per m3 kunnen worden vervoerd.

Artikel 4 — Bestuurderscompartiment

  1. De ruiten van het bestuurderscompartiment die zijn gelegen voor een verticaal vlak loodrecht op het mediaanlangsvlak van de bus gaande door het in richtlijn 74/60/EEG gedefinieerde punt V, moeten zijn voorzien van het materiaal dat bestaat uit één laag volkomen doorzichtig en duurzaam glas dat een bijzondere warmtebehandeling heeft ondergaan, zodat bij breuk korrelvorming optreed, dan wel twee of meer lagen volkomen doorzichtig en duurzaam glas met als verbindingsmateriaal één of meer lagen doorzichtig plastisch materiaal.

  2. De doorlaatbaarheid voor licht, gemeten in de rechte hoeken ten opzichte van het oppervlak van de ruit, mag niet minder bedragen dan 70%.

  3. Eventuele beeldvertekening mag in geen geval hinder bij de besturing van de bus opleveren.

  4. Wanneer een zitplaats zich in de gebruiksstand bevindt en wanneer deze in opgeklapte stand verkeert, mag geen deel daarvan zich vóór een verticaal vlak bevinden dat door het middelpunt van het zittingsoppervlak van de bestuurderszitplaats in de achterste stand en door het middelpunt van de aan de tegenovergestelde zijde gemonteerde buitenspiegel lopen.

  5. Er moeten zodanige voorzieningen zijn getroffen dat de bestuurder geen hinder van de weerkaatsing van de binnenverlichting in de ruiten binnen zijn gezichtsveld kan ondervinden.

Artikel 5 — Bescherming tegen brandrisico’s; algemeen, bekleding en voertuigdelen

  1. Ruimten waarin zich personen tijdens de rit kunnen ophouden, moeten van de motorruimte, van de ruimte waarin zich het brandstofreservoir bevindt en van de zones waarvan een groot brandgevaar kan uitgaan, zijn gescheiden door wanden respectievelijk vloeren die geen gevaarlijke hoeveelheden brandstof kunnen doorlaten en zodanig zijn uitgevoerd dat voldoende weerstand wordt geboden tegen branddoorslag, een zogenaamde brandwerende constructie.

  2. Leidingen, verwarmings- en luchtkanalen die in de ruimte uitmonden waarin zich tijdens de rit personen kunnen ophouden, moeten zodanig zijn gevormd en geconstrueerd dat vlammen niet direct in deze ruimte kunnen binnendringen. Doorvoeringen door wanden en vloeren die brandwerend moeten zijn uitgevoerd, moeten dienovereenkomstig zijn geconstrueerd.

  3. De verbrandingseigenschappen, dat wil zeggen ontbrandbaarheid, verbrandingssnelheid en smelteigenschappen, van binnenmaterialen die gebruikt worden in bussen met meer dan 22 passagiers die noch voor vervoer van staande passagiers, noch voor stadsvervoer zijn bestemd, moeten voldoen aan de volgende eisen:

    1. bekledingen van zittingen, rugleuningen en hoofdsteunen, bekleding van de binnenzijde van de voor het vervoer van personen bestemde ruimte zoals hemelbekleding, vloerbedekking, bekleding van de zijpanelen, achterpanelen, deurpanelen, afscheidingsschotten, materialen voor geluid en warmte-isolatie, gordijnen, zonwering, bagagerekken en luchtkokers, bekleding van de wielkasten, bekleding van het motorcompartiment en overige delen die zich over een grote lengte in de bus achter een verticaal mediaanlangsvlak van de bus gaande door het in richtlijn 74/60/EEG gedefinieerde punt V bevinden, moeten in voldoende mate brandveilig zijn, en

    2. de vlamuitbreidingssnelheid van de materialen, bedoeld in onderdeel a, mag niet meer bedragen dan 11 cm/min, getest overeenkomstig de methode genoemd in de normen ISO 3795 of DIN 75200 of FMVSS 302 of UTAC ST 18 502 of een hieraan gelijkwaardige norm.

  4. Delen die niet aan de in het derde lid, onderdeel b, bedoelde testen behoeven te zijn onderworpen, zijn:

    1. metalen delen;

    2. onderdelen van zitplaatsen die niet van metaal zijn vervaardigd en niet meer wegen dan 200 g, waarbij de totale massa van deze onderdelen per zitplaats niet meer mag bedragen dan 400 g, en

    3. delen waarvan de oppervlakte respectievelijk het volume de hieronder vermelde waarden niet overschrijden:

      1. 10 cm2 of 40 cm3 voor delen die als toebehoren bij elke zitplaats zijn aangebracht;

      2. 300 cm2 of 120 cm3 voor delen die verdeeld in de bus per rij zitplaatsen en ten hoogste per strekkende meter van de binnenruimte zijn aangebracht en die niet aan een zitplaats zijn gebonden.

Artikel 6 — Bescherming tegen brandrisico’s; brandstofsysteem

  1. Een brandstofsysteem mag zich slechts voor de vooras bevinden, indien de afstand van het reservoir tot aan de voorkant van het voertuig ten minste 1,20 m bedraagt. Deze afstand kan worden verminderd tot 0,60 m, indien het reservoir voldoet aan bijlage I van richtlijn 70/221/EEG.

  2. Eventuele lekbrandstof van een brandstofsysteem moet ongehinderd op het wegdek kunnen vloeien en mag niet op de uitlaatleiding kunnen geraken. Indien het reservoir voldoet aan bijlage I van richtlijn 70/221/EEG, behoeven geen voorzieningen te worden aangebracht betreffende het op het wegdek vloeien van eventuele lekbrandstof van het reservoir.

  3. De vulopening van een brandstofreservoir mag alleen vanaf de buitenzijde van de bus toegankelijk zijn.

  4. De vulopening van een brandstofreservoir moet ten minste 0,50 m verwijderd zijn van elke deuropening. Indien het een dieseloliereservoir betreft die voldoet aan bijlage I van richtlijn 70/221/EEG, moet deze afstand ten minste 0,25 m bedragen.

Artikel 7 — Bescherming tegen brandrisico’s; elektrische installatie

  1. De gehele elektrische installatie moet zodanig zijn ontworpen, uitgevoerd en beschermd dat bij normale gebruiksomstandigheden geen brand of kortsluiting kan optreden.

  2. De bedrading moet stevig zijn bevestigd en moet zodanig zijn aangebracht dat de leidingen zijn beschermd tegen schokken, doorschuren en warmtebronnen.

  3. In elektrische circuits en onderdelen van andere elektrische installaties dan de starter, het ontstekingssysteem, dat wil zeggen de elektrische ontsteking, de gloeibougies, het motoruitschakelsysteem, het oplaadsysteem en de massa-aansluiting van de accu, van stroom voorzien, moet een zekering of een onderbreker te zijn opgenomen.

  4. In één of meer elektrische circuits van een voertuig met stroomkringen met een spanning hoger dan 100 V, moet een handbediende, geïsoleerde schakelaar of aardlekschakelaar die al die circuits van de hoofdspanningsbron kan afsluiten, zijn aangebracht in iedere pool van de bron die niet met de massa verbonden is; deze schakelaar moet binnen het voertuig zijn aangebracht op een gemakkelijk voor de bestuurder bereikbare plaats, maar mag geen elektrisch stroomcircuit van de verplichte buitenverlichting van het voertuig kunnen onderbreken. De eerste volzin is niet van toepassing op hoogspanningsontstekingssystemen of op onafhankelijke systemen binnen een uitrustingsdeel van het voertuig. Een eventueel aangebrachte automatische aardlekschakelaar kan als gelijkwaardig worden beschouwd.

  5. Elke accu moet zijn aangebracht in een ruimte die is gescheiden van de binnenruimte van de bus en is voorzien van ventilatieopeningen naar buiten.

Artikel 8 — Bescherming tegen brandrisico’s; warmtebronnen

  1. Kachels van verwarmingsinrichtingen die olie of benzine als brandstof gebruiken, moeten aan het volgende voldoen:

    1. de kachel moet zodanig zijn aangebracht dat voldoende bescherming wordt geboden tegen mogelijke krachten die in de omgeving ervan kunnen optreden en in een omgeving die voldoende weerstand biedt tegen branddoorslag;

    2. de kachel mag zich slechts voor de vooras bevinden, indien de afstand vanaf de voorzijde ervan tot de voorzijde van het voertuig ten minste 1,20 m bedraagt;

    3. de voor de verbranding benodigde lucht mag niet vanuit de ruimte bestemd voor de inzittenden worden betrokken, en

    4. brandstofleidingen die zich in een gesloten ruimte van de kachel bevinden, moeten van metaal zijn vervaardigd of van een metalen ommanteling zijn voorzien.

  2. Geen ontvlambaar materiaal mag zich binnen 0,10 m van de uitlaatleiding van de motor bevinden, tenzij dit materiaal is afgeschermd door een brandwerende constructie.

  3. Indien in de onmiddellijke omgeving van een vertragingsinrichting die niet behoort tot de bedrijfsreminrichting, de hulpreminrichting of de parkeerreminrichting ontvlambaar materiaal aanwezig is, kan een brandwerende constructie worden geëist die deze inrichting van dit materiaal afschermt.

Artikel 9 — Uitgangen

  1. Een bus, niet zijnde een dubbeldeks bus of een gelede bus, dan wel een compartiment van een dubbeldeks bus of van een gelede bus, moet ten minste zijn voorzien van de volgende uitgangen:

  2. Als uitgang wordt aangemerkt een bedrijfsdeur, een nooddeur, een nooduitgang in het dak, een noodraam en de eventuele verbindingsweg tussen twee compartimenten.

  3. Van het aantal uitgangen moet zich ten minste één in de rechterzijwand, één in de linkerzijwand of in de achterwand en één in het dak van de bus bevinden.

  4. Een nooduitgang in het dak is niet vereist bij het onderste compartiment van een dubbeldeks bus en een compartiment ingericht voor vier tot en met acht personen.

  5. Een dubbele bedrijfsdeur geldt als twee uitgangen.

  6. Voor afzonderlijke voor het vervoer van passagiers ingerichte ruimten, geen compartimenten zijnde, geldt dat ten minste twee uitgangen aanwezig moeten zijn, die niet in dezelfde wand mogen zijn gelegen.

Artikel 10 — Deuren; plaats en aantal

  1. Bussen, niet zijnde dubbeldeks bussen of gelede bussen, moeten ten minste zijn voorzien van twee deuren in de buitenwand te weten één bedrijfsdeur en één nooddeur of twee bedrijfsdeuren. Ten minste één deur moet in de voorste helft van de bus en ten minste één deur moet in de achterste helft van de bus zijn geplaatst en wel zodanig dat de afstand tussen de verticale hartlijn van beide deuren gemeten evenwijdig aan het mediaanlangsvlak van de bus niet minder dan 40% van de lengte van de bus bedraagt.

  2. Dubbeldeks bussen en gelede bussen moeten zijn voorzien van ten minste drie deuren in de buitenwand te weten twee bedrijfsdeuren en één nooddeur of drie bedrijfsdeuren. Een dubbele bedrijfsdeur in de buitenwand kan worden aangemerkt als een gecombineerde bedrijfsdeur en nooddeur in de buitenwand indien elk compartiment is voorzien van ten minste twee bedrijfsdeuren waarbij een verbindingsweg tussen twee compartimenten die voldoet aan de hiervoor gesteld eisen wordt aangemerkt als zijnde een bedrijfsdeur van een compartiment. Van de voorgeschreven deuren in de buitenwand moet ten minste één deur in de voorste helft en ten minste één deur in de achterste helft van de bus zijn geplaatst en wel zodanig dat de afstand tussen de verticale hartlijn van beide deuren gemeten evenwijdig aan het mediaanlangsvlak van de bus niet minder dan 40% van de lengte van de bus bedraagt.

  3. Elk compartiment van dubbeldeks bussen en gelede bussen moet zijn voorzien van ten minste twee deuren te weten één bedrijfsdeur en één nooddeur of twee bedrijfsdeuren. Een verbindingsweg tussen twee compartimenten die voldoet aan artikel 24, eerste en tweede lid, en bij dubbeldeks bussen bovendien aan artikel 13, vijfde en zesde lid, wordt beschouwd als bedrijfsdeur van een compartiment. Deze behoeft niet te voldoen aan het vierde lid. De afstand tussen de verticale hartlijn van de beide deuren van elk compartiment gemeten evenwijdig aan het mediaanlangsvlak van de bus mag niet minder bedragen dan 25% van de afstand tussen de voorzijde van de zitting van de voorste rij zitplaatsen en de voorzijde van de zitting van de achterste rij zitplaatsen in het betreffende compartiment. De verticale hartlijn van een deur in een compartiment wordt hierbij geacht te zijn gelegen op de plaats waar de verticale hartlijn van de testfiguur genoemd in artikel 24, eerste of tweede lid, die wordt gebruikt voor het bepalen van de hoofddoorgang in dat compartiment samenvalt met de verticale hartlijn van de meetmal genoemd in artikel 14, eerste lid, voor het bepalen van de toegang naar de bedrijfsdeur of met de verticale hartlijn van de meetmal genoemd in artikel 15, eerste lid, voor het bepalen van de toegang naar de nooddeur of met de verticale hartlijn van de meetmal genoemd in artikel 16, eerste lid, voor het bepalen van de verbindingsweg tussen twee compartimenten.

  4. Bedrijfsdeuren mogen zich alleen in de rechterzijwand bevinden.

Artikel 11 — Deuren; afmetingen

  1. Een bedrijfsdeur moet ten minste een opening vrijgeven waarin een rechthoek kan worden beschreven met een hoogte van 1,65 m en een breedte van 0,55 m. Een bedrijfsdeur die gelijktijdig twee toegangen vrijgeeft die voldoen aan het artikel 14, eerste tot en met zesde lid, kan in bepaalde gevallen worden beschouwd als zijnde twee bedrijfsdeuren. Een dubbele bedrijfsdeur moet ten minste een opening vrijgeven waarin een rechthoek kan worden beschreven met een hoogte van 1,65 m een breedte van 1,00 m. De voorgeschreven afmetingen worden gemeten loodrecht op de mogelijke richting waarin een persoon zich beweegt die van de opening gebruik moet maken. Bussen ingericht voor het vervoer van ten hoogste 16 personen uitsluitend op zitplaatsen, de bestuurderszitplaats niet inbegrepen, moeten voldoen aan de volgende eisen (zie figuur 1):

    1. de verticale afstand tussen de bovenzijde van de laagste trede en de bovenkant van de deuropening moet ten minste 1,50 m bedragen;

    2. de hoogte van de deuropening moet voldoen aan artikel 14, eerste lid, met dien verstande dat deze hoogte ter plaatse van de beide bovenhoeken van de deur opening mag worden verminderd door afrondingen met een straal van ten hoogste 0,15 m, en

    3. de breedte van de deuropening moet ten minste 0,55 m bedragen bij een hoogte van de deuropening van 1,50 m of meer en ten minste 0,65 m bij een hoogte van de deuropening tussen 1,40 m en 1,50 m. De vereiste breedte van de deuropening mag ter plaatse van de wielkasten of deurbedieningsorganen met ten hoogste 0,15 m worden verminderd.

  2. Nooddeuren moeten ten minste een opening vrijgeven, waarin een rechthoek kan worden beschreven met een hoogte van 1,25 m en een breedte van 0,55 m.

  3. In afwijking van tweede lid, mag bij bussen die zijn ingericht voor het vervoer van ten hoogste 22 personen uitsluitend op zitplaatsen, de bestuurders zitplaats niet inbegrepen, daar waar wielkasten de deuropening verkleinen de breedte tot 0,30 m worden verminderd, mits op een hoogte van ten minste 0,40 m boven het laagste punt van de deuropening de breedte ten minste 0,55 m bedraagt. De hoogte van de deuropening mag ter plaatse van de beide bovenste hoeken worden verminderd door afrondingen met een straal van ten hoogste 0,15 m.

Artikel 12 — Deuren; overige eisen

  1. Bedrijfsdeuren en nooddeuren moeten tijdens het vervoer van personen bij stilstand of nagenoeg stilstand op snelle en eenvoudige wijze zowel van binnen als van buiten kunnen worden geopend door middel van bij of aan deze deuren aangebrachte inrichtingen. Deze inrichtingen mogen zijn afgedekt met een transparant materiaal dat gemakkelijk en zonder extra hulpmiddelen kan worden verwijderd.

  2. Bedrijfsdeuren en nooddeuren, die door middel van over- of onderdruk worden bediend moeten ook bij afwezigheid van over- of onderdruk en bij elektrisch bediende of gestuurde deuren ook bij het wegvallen van de spanning geopend kunnen worden door middel van de in het eerste lid voorgeschreven inrichtingen. Na bediening van deze inrichting mag de deur niet weer vanzelf sluiten. Bij deze inrichting moet worden aangegeven hoe deze moet worden bediend voor het openen van de deur. Alle opschriften moeten duidelijk leesbaar zijn aangebracht wanneer men zowel binnen als buiten voor de deur staat.

  3. De inrichtingen voor het openen van de bedrijfsdeuren en de nooddeuren aan de buitenzijde mogen zich niet hoger dan 1,80 m boven het wegdek bevinden bij de onbeladen bus gemeten op een horizontaal vlak.

  4. Indien bedrijfsdeuren en nooddeuren niet direct door de bestuurder vanaf zijn zitplaats kunnen worden waargenomen, moeten deze aan de binnenzijde van een zodanige bedieningsinrichting zijn voorzien, dat, onverminderd het bepaalde in in het eerste lid, het onbedoeld gebruik van de deur in het bijzonder door kinderen zoveel mogelijk wordt voorkomen. Dit kan bijvoorbeeld met behulp van tweehandsbediening. Bij het sluiten van de deur moet de bedieningsinrichting automatisch in de oorspronkelijke positie terugkeren. Bij de bedieningsinrichting moet worden aangegeven hoe deze moet worden bediend voor het openen van de deur.

  5. Deuren die niet voldoen aan de eisen gesteld aan bedrijfsdeuren of nooddeuren en buiten het directe gezichtsveld van de bestuurder zijn gelegen moeten aan de binnenzijde van een bedieningsinrichting zijn voorzien die voldoende veiligheidswaarborgen biedt tegen onbedoeld gebruik van de deur. Dit kan bijvoorbeeld met behulp van tweehandsbediening. Bij het sluiten van de deur moet de bedieningsinrichting automatisch in de oorspronkelijke positie terugkeren.

  6. De bestuurder moet vanaf zijn zitplaats eventueel met behulp van optische middelen, bijvoorbeeld spiegels, het in en uitstappen van de passagiers via de bedrijfsdeuropening kunnen waarnemen.

  7. Indien door de plaats van de bedrijfsdeuren of de constructie van de bus niet aan het zesde lid kan worden voldaan, moeten deze deuren door de bestuurder vanaf zijn zitplaats worden bediend en moet verder aan de volgende punten worden voldaan:

    1. de open en gesloten stand van de bedrijfsdeuren moet duidelijk aan de bestuurder kenbaar worden gemaakt door een optische inrichting;

    2. de normale bediening van de bedrijfsdeuren moet zodanig zijn uitgevoerd dat de passagiers deze deuren niet kunnen openen alvorens de bestuurder de bediening ervan heeft vrijgegeven;

    3. de normale bediening van de bedrijfsdeuren moet zodanig zijn dat de passagiers deze deuren niet kunnen sluiten, tenzij een inrichting aanwezig is die voorkomt dat de bus zich in beweging kan zetten bij niet geheel gesloten deur, en

    4. er moet een voorziening zijn aangebracht die voorkomt dat passagiers die tijdens het sluitingsproces van de bedrijfsdeuren in of uitstappen aan gevaar of verwondingen worden blootgesteld.

  8. Nooddeuren moeten, ook wanneer deze zijn vergrendeld bij stilstand of nagenoeg stilstand door middel van de bedieningsinrichting van binnenuit kunnen worden geopend.

  9. Slagdeuren moeten buitenwaarts openen.

  10. Slagdeuren moeten zijn voorzien van deursloten van het type met dubbele vanger.

  11. Nooddeuren mogen niet zijn uitgevoerd als schuifdeur.

  12. Aan de binnenzijde van de bedrijfsdeuren mogen geen delen zijn bevestigd die zijn bedoeld om treden af te dekken wanneer de deur gesloten is.

  13. Bedrijfsdeuren en nooddeuren die niet direct door de bestuurder kunnen worden waargenomen moeten van een inrichting zijn voorzien die de bestuurder waarschuwt wanneer de deur niet geheel gesloten is.

  14. Bij of aan de binnenzijde van de nooddeur moet duidelijk zichtbaar vanuit de hoofddoorgang de tekst ‘Nooduitgang’ zijn aangebracht.

Artikel 13 — Deuren; treden

  1. Bij de bedrijfsdeuren moeten treden overeenkomstig het tweede lid zijn aangebracht, indien de vloer van de onbezette bus:

    1. meer dan 0,43 m boven het wegdek is gelegen bij bussen met een mechanisch veersysteem;

    2. meer dan 0,40 m boven het wegdek is gelegen bij bussen met een veersysteem waarbij het hoogteverschil tussen onbelaste en belaste toestand vrijwel constant is, en

    3. meer dan 0,35 m boven het wegdek is gelegen bij bussen ingericht voor het vervoer van ten hoogste 16 personen uitsluitend op zitplaatsen, de bestuurderszitplaats niet inbegrepen, waarbij de hoogte van de bedrijfsdeuropening tussen 1,40 m en 1,50 m bedraagt.

  2. De maximum hoogte, de minimum breedte en de minimum diepte van de treden moeten voldoen aan de volgende eisen (zie figuur 2):

    1. de hoogte van de laagste trede boven het wegdek mag niet meer bedragen dan respectievelijk 0,43 m en 0,40 m voor bussen genoemd in respectievelijk het eerste lid onderdeel a, b en c. De hoogte tussen twee opeenvolgende treden en tussen de hoogste trede en de vloer mag niet meer bedragen dan 0,35 m;

    2. de breedte van elke trede mag niet minder bedragen dan 0,36 m, en

    3. de diepte van de laagste trede mag niet minder bedragen dan 0,30 m, met dien verstande dat bij bussen ingericht voor het vervoer van ten hoogste 16 personen uitsluitend op zitplaatsen, de bestuurderszitplaats niet inbegrepen, de diepte niet minder mag bedragen dan 0,23 m.

    De diepte van de volgende trede(n) mag niet minder bedragen dan 0,20 m.

  3. De treden moeten zodanig zijn uitgevoerd dat bij geopende bedrijfsdeur voor elke toegang op de laagste trede een rechthoek van 0,36 x 0,30 m en op elke volgende trede een rechthoek van 0,36 x 0,20 m kan worden geplaatst. Bij bussen ingericht voor het vervoer van ten hoogste 16 personen uitsluitend op zitplaatsen, de bestuurderszitplaats niet inbegrepen, mag de rechthoek op de laagste trede 0,36 x 0,23 m bedragen.

  4. Bij toepassing van meer dan één trede mag de verticale projectie van de bovenliggende trede op de daaronder geplaatste trede zich niet bevinden binnen een diepte van 0,20 m van de buitenkant van de onderliggende trede.

  5. De treden in de verbindingsweg tussen twee compartimenten van een dubbeldeks bus moeten aan het tweede tot en met het vierde lid voldoen met uitzondering van het bepaalde betreffende de maximum hoogte van de laagste trede boven het wegdek. Eventuele treden in de toegang naar een nooddeur moeten ten minste 0,20 m diep en 0,30 m breed zijn.

  6. Voor treden die zijn gelegen in een bocht van de toegang tot een bedrijfsdeur of in een bocht van de toegang tot een nooddeur of in de bocht van een verbindingsweg tussen twee compartimenten van een dubbeldeks bus geldt dat de geprojecteerde oppervlakte van elke trede in de bocht ten minste 720 cm2 moet bedragen. Hierbij moet het mogelijk zijn dat het hele grondvlak van de voorgeschreven meetmal zich op de desbetreffende trede kan bevinden. De in het vierde lid vermelde diepte moet dan ter plaatse van de verticale hartlijn van de meetmal ten minste 0,20 m bedragen.

  7. Beweegbare treden moeten aan de volgende eisen voldoen:

    1. bij een gesloten deur mag geen deel van de beweegbare trede meer dan 0,01 m buiten de verticale projectie van het buitenoppervlak van de bus ter plaatse van de deur uitsteken;

    2. bij een geopende deur en met de trede in uitgeschoven positie moet worden voldaan aan het eerste tot en met het derde lid, en

    3. wanneer automatische trede zich in uitgeschoven positie bevindt mag het niet mogelijk zijn dat de bus zich op eigen kracht van stilstand in beweging zet.

    Handmatig bediende trede, die zijn voorzien van een inrichting, die aan de bestuurder kenbaar maakt wanneer een trede zich in uitgeschoven positie bevindt behoeven niet aan deze eis te voldoen.

Artikel 14 — Toegangen; bedrijfsdeuren

  1. De ruimte die zich vanaf de buitenkant van de deuropening binnenwaarts uitstrekt tot de hoofddoorgang, moet een vrije doorgang bieden aan een verticale meetmal van de volgende vorm en afmetingen (zie figuur 3):

    1. een rechthoekig paneel met een hoogte van 0,70 m;

    2. een breedte van 0,36 m;

    3. een dikte van 0,10 m, en

    4. symmetrisch hierop geplaatst een tweede rechthoekig paneel met een hoogte van 0,95 m, een breedte van 0,55 m, en een dikte van 0,10 m.

  2. Bij bussen die zijn ingericht voor het vervoer van ten hoogste 16 personen uitsluitend op zitplaatsen, de bestuurderszitplaats niet inbegrepen mag een verticale meetmal van de volgende vorm en afmetingen worden toegepast (zie figuur 3):

    1. een rechthoekig paneel met een hoogte van 0,70 m;

    2. een breedte van 0,55 m, en

    3. een dikte van 0,10 m.

    Het onderste paneel moet hierbij binnen de projectie van het bovenste paneel zijn gelegen.

  3. De beginpositie van de meetmal is de plaats waar de voorzijde van de meetmal samenvalt met het denkbeeldige verticale raakvlak aan de buitenzijde van de deuropening. Vanaf deze beginpositie moet de meetmal evenwijdig aan het denkbeeldige verticale raakvlak aan de buitenkant van de deuropening worden gehouden terwijl het wordt voortbewogen totdat de eerste trede wordt geraakt, of in het geval geen trede aanwezig is over een afstand van 0,30 m binnenwaarts. Daarna moet de meetmal verticaal en onder rechte hoeken met de mogelijke richting waarin een persoon beweegt die van de doorgang gebruik moet maken worden voortbewogen totdat de verticale hartlijn van de meetmal een afstand van 0,40 m vanaf zijn beginpositie heeft afgelegd. In deze positie moet worden gecontroleerd of de meetmal de vloer in de bus raakt.

  4. Indien de meetmal de vloer raakt, moet de verticale hartlijn van de voorzijde van de meetmal samenvallen met de verticale hartlijn van één van de testfiguren genoemd in artikel 24 die wordt gebruikt voor het bepalen van de afmetingen van de hoofddoorgang.

  5. Indien de meetmal de vloer nog niet raakt, moet:

    1. bij bussen die zijn ingericht voor het vervoer van personen op staanplaatsen het bovenste paneel van de meetmal met 0,25 m worden verhoogd;

    2. bij bussen die zijn ingericht voor het vervoer van ten hoogste 16 personen uitsluitend op zitplaatsen, de bestuurderszitplaats niet inbegrepen het bovenste paneel van de voor deze categorie bussen toegestane meetmal met 0,10 m worden verhoogd, en

    3. bij de overige categorieën bussen de meetmal ongewijzigd blijven en vervolgens verticaal en onder rechte hoeken met de mogelijke richting waarin een persoon beweegt die van de doorgang gebruik moet maken worden voortbewogen totdat de meetmal de vloer raakt. In deze positie moet de verticale hartlijn van de voorzijde van de meetmal samenvallen met de verticale hartlijn van één van de testfiguren genoemd in artikel 24 die wordt gebruikt voor het bepalen van de afmetingen van de hoofddoorgang.

  6. Bij aanwezigheid van een al dan niet automatisch klapbare zitting wordt de vrije doorgang voor de meetmal bepaald met de zitting in gebruiksstand. Indien de zitting deel uitmaakt van een zitplaats voor dienstgebruik en de zitting bij het verlaten van deze zitplaats automatisch wegklapt, wordt de vrije doorgang voor de meetmal bepaald met de zitting in weggeklapte stand.

  7. Klapbare, draaibare of verschuifbare delen zoals deuren, kleppen en andere delen, die in een vaste positie de vrije doorgang van de in het eerste lid omschreven meetmal belemmeren zijn niet toegestaan, tenzij deze delen van een inrichting zijn voorzien, die de toegang automatisch vrijgeeft.

Artikel 15 — Toegangen; nooddeuren

  1. De ruimte tussen de hoofddoorgang en de deuropening van de nooddeur moet een vrije doorgang bieden aan de voor de betreffende hoofddoorgang geldende meetmal (zie figuur 4) dan wel een meetmal van de volgende vorm en afmetingen:

    1. een rechthoekig paneel met een hoogte van 0,70 m;

    2. een breedte van 0,30 m;

    3. een dikte van 0,10 m, en

    4. hierop geplaatst een tweede rechthoekig paneel met een hoogte van 0,70 m, een breedte van 0,55 m en een dikte van 0,10 m.

    Het grondvlak van het onderste paneel moet binnen de projectie van het bovenste paneel zijn gelegen. Voor het bepalen van de vrije doorgang in de toegang naar de nooddeur ter plaats van delen die een plotselinge verlaging in deze toegang teweegbrengen, moet de dikte van de hierboven omschreven meetmal met 0,20 m worden vermeerderd.

  2. De meetmal moet vanaf de hoofddoorgang en onder rechte hoeken met de mogelijke richting waarin een persoon beweegt die van de doorgang gebruik moet maken worden voortbewogen totdat de voorzijde van de meetmal samenvalt met het denkbeeldige verticale raakvlak aan de binnenzijde van de nooddeuropening. In deze positie moet de hoogte van het bovenpaneel met 0,15 m worden verminderd en moet worden gecontroleerd of de meetmal zich binnen de vereiste afmetingen van de nooddeur bevindt.

  3. In de positie dat de voorzijde van de meetmal samenvalt met het denkbeeldige verticale raakvlak aan de buitenkant van de nooddeuropening mag het grondvlak van het onderpaneel zich niet hoger dan 1,50 m boven het wegdek bevinden.

  4. Bij aanwezigheid van een zitplaats voorzien van een niet automatisch klapbare zitting of rugleuning wordt de vrije doorgang van de meetmal bepaald met de zitting of rugleuning in de gebruiksstand. Indien de zitting of rugleuning automatisch klapbaar is uitgevoerd, wordt de vrije doorgang van de meetmal bepaald met de zitting of rugleuning in de stand die automatisch wordt ingenomen. De stand van de rugleuning mag hierbij niet verder reiken dan de verticale stand.

  5. Klapbare, draaibare of verschuifbare delen zoals deuren, kleppen en andere delen, die in een vaste positie de vrije doorgang van de in het eerste lid omschreven meetmal belemmeren zijn niet toegestaan, tenzij deze delen van een inrichting zijn voorzien, die de toegang automatisch vrijgeeft.

Artikel 16 — Toegangen; verbindingsweg tussen twee compartimenten

  1. De ruimte waardoor personen zich van het ene compartiment naar het andere compartiment van een gelede bus of een dubbeldeks bus kunnen begeven wordt als een verbindingsweg tussen twee compartimenten aangemerkt indien:

    1. deze ruimte een vrije doorgang biedt aan een verticale meetmal met een dikte van 0,10 m en waarvan de vorm een afmetingen in de hoogte- en breedterichting overeenkomen met die van de testfiguur genoemd in artikel 31 of artikel 24, tweede lid, die wordt gebruikt voor het bepalen van de hoofddoorgang van het compartiment dat is ingericht voor het grootste aantal personen, met dien verstande dat voor de diameters van de cilinders van de testfiguur de breedten van de vlakken van de meetmal moeten worden gelezen;

    2. de meetmal verticaal en onder rechte hoeken met de mogelijke richting waarin een persoon zich van het ene compartiment naar het ander compartiment begeeft kan worden gehouden, en

    3. de verticale hartlijn van de meetmal kan samenvallen met de verticale hartlijn van de in beide compartimenten gebruikte testfiguur voor het bepalen van de hoofddoorgang dan wel de toegangen.

  2. Klapbare, draaibare of verschuifbare delen zoals deuren, kleppen en andere delen, die in een vaste positie de vrije doorgang van de in het eerste lid omschreven meetmal belemmeren zijn niet toegestaan, tenzij deze delen van een inrichting zijn voorzien, die de toegang automatisch vrijgeeft.

Artikel 17 — Nooduitgangen in het dak; plaats en aantal

  1. Een bus, niet zijnde een dubbeldeks bus of een gelede bus, dan wel een compartiment van een dubbeldeks bus of een gelede bus, met uitzondering van het onderste compartiment van een dubbeldeks bus moet ten minste zijn voorzien van het hierna genoemde aantal nooduitgangen in het dak:

  2. De nooduitgangen in het dak moeten op de volgende plaatsen zijn aangebracht. Bij toepassing van een nooduitgang moet deze boven het voor vervoer van passagiers bestemde deel van de binnenruimte zijn geplaatst. Bij toepassing van twee nooduitgangen moeten deze ten minste 2 m van elkaar zijn verwijderd.

  3. Bij trolleybussen mag een nooduitgang in het dak niet zijn gelegen onder de trolleyboom in gebruiksstand.

Artikel 18 — Nooduitgangen in het dak; afmetingen

Een nooduitgang in het dak moet een opening vrijgeven met een oppervlakte van ten minste 0,4 m2 waarin een vierkant kan worden beschreven met zijden van 0,50 m, met dien verstande dat bij bussen ingericht voor ten hoogste 22 personen uitsluitend op zitplaatsen, de bestuurderszitplaats niet inbegrepen, de oppervlakte van de vrij te geven opening ten minste 0,3 m2 moet bedragen en waarin een vierkant kan worden beschreven met zijden van 0,48 m.

Artikel 19 — Nooduitgangen in het dak; overige eisen

  1. De nooduitgang in het dak moet worden vrijgegeven door een luik die naar buiten moet worden uitgeworpen of evenwijdig met het dak verschuift of zijn vervaardigd van gemakkelijk breekbaar gehard glas.

  2. Onder elke nooduitgang moet zich ten minste een deel van de rugleuning van een zitplaats of een gelijkwaardige ondersteuning bevinden ten behoeve van de passagiers om de bus via de nooduitgang te kunnen verlaten. Om de nooduitgangen in het dak moet voldoende ruimte aanwezig zijn om staande op het dak het luik te openen.

  3. De nooduitgang in het dak moet bij stilstand of nagenoeg stilstand op snelle en eenvoudige wijze van binnen en van buiten kunnen worden geopend. De krachten die hiertoe moeten worden uitgeoefend mogen niet groter zijn dan 200 N.

  4. De goede werking en bediening van de nooduitgang in het dak mag niet belemmerd worden door eventueel op het dak te vervoeren goederen of door een op het dak geplaatst windscherm.

  5. Aan de voorzijde van uitwerpluiken mogen één of twee riemen zijn bevestigd, mits de bevestiging van de riemen aan het dak zich + 0,90 m voor het luik bevindt en niet buiten het verlengde van de zijkanten van het luik is gelegen.

  6. De nooduitgang in het dak moet, ook wanneer deze is vergrendeld, bij stilstand of nagenoeg stilstand door bediening van de normale daarvoor bestemde organen van binnenuit kunnen worden geopend.

  7. Op of bij de nooduitgangen in het dak moet zowel aan de binnen als aan de buitenzijde van de bus duidelijk afstekend op de achtergrond de tekst ‘Nooduitgang’ zijn aangebracht met een beknopte doch duidelijke aanwijzing hoe het luik moet worden bediend.

Artikel 20 — Nooduitgangen in het dak; toegang

De vrije ruimte tussen de nooduitgang in het dak en een denkbeeldig plat vlak gelegen op 1,40 m boven en evenwijdig aan de vloer van de bus moet een vrije doorgang bieden aan een horizontaal gehouden rechthoekig plat vlak met zijden van 0,45 m en 0,65 m dat in een richting loodrecht op deze nooduitgang wordt voortbewogen. Klapbare, draaibare of verschuifbare delen, die in een vaste positie de vrije doorgang voor het vlak belemmeren zijn niet toegestaan tenzij deze delen van een inrichting zijn voorzien die de doorgang automatisch vrijgeeft. De voorgeschreven opening in het dak mag niet door aan het dak bevestigde delen zoals een windscherm en dergelijk worden verkleind.

Artikel 21 — Noodramen; afmetingen

  1. Elk noodraam moet een opening vrijgeven met een oppervlakte van ten minste 0,4 m2 waarin een rechthoek kan worden beschreven met zijden van 0,50 m en 0,70 m.

  2. De onderzijde van een noodraam mag zich niet hoger dan 1,00 m boven de vloer direct onder het raam bevinden. De onderzijde van een noodraam, dat door middel van een bedieningsinrichting moet worden uitgeworpen of opengeklapt, mag zich niet lager bevinden dan 0,65 m boven de vloer direct onder het raam tenzij de noodraamopening op deze hoogte is voorzien van een bescherming, die voorkomt dat een passagier uit de bus valt. De noodraamopening boven de bescherming mag hierbij niet minder bedragen dan de voorgeschreven opening. Indien zich boven de vloer direct onder het noodraam een ander deel bevindt dat de functie van de vloer overneemt, hebben de in dit punt vermelde eisen betrekking op dat andere deel.

Artikel 22 — Noodramen; overige eisen

  1. Het noodraam moet aan de binnenzijde zijn voorzien van een inrichting voor het vrijgeven van de vereiste opening of zijn vervaardigd van gehard glas dat met een daartoe bestemde hamer gemakkelijk te breken is.

  2. De inrichting, bedoeld in het eerste lid, moet het mogelijk maken de vereiste opening van het noodraam op snelle en eenvoudige wijze vrij te geven. De krachten die hiertoe moeten worden uitgeoefend mogen niet grote zijn dan 200 N.

  3. De goede werking en bediening van het noodraam mag niet belemmerd worden door eventueel in de omgeving aanwezige constructiedelen of delen van zitplaatsen.

  4. De bedieningsinrichting moet tegen abusievelijk gebruik zijn afgeschermd. Deze afscherming mag de goede bereikbaarheid van de bedieningsinrichting niet nadelig beïnvloeden.

  5. Het noodraam mag niet binnenwaarts openen.

  6. Noodramen die van de buitenzijde kunnen worden afgesloten, moeten zodanig zijn uitgevoerd, dat deze altijd vanaf de binnenruimte met behulp van de inrichting genoemd in het eerste lid kunnen worden geopend.

  7. Alle noodramen die als klapraam zijn uitgevoerd, moeten, indien deze niet gemakkelijk vanaf de bestuurderszitplaats waarneembaar zijn, van een inrichting zijn voorzien, die de bestuurder waarschuwt wanneer het klapraam niet geheel is gesloten.

  8. Indien het noodraam volgens het eerste lid is vervaardigd van gemakkelijk breekbaar gehard glas, moet naast elk noodraam een hulpmiddel zijn aangebracht dat voor personen binnen het voertuig gemakkelijk bereikbaar is en waarmee elk raam kan worden ingeslagen.

  9. Bij elk noodraam moet aan de binnenzijde de tekst ‘Nooduitgang’. Bij de bedieningsinrichting moet op beknopte doch duidelijke wijze zijn aangegeven hoe de noodraamopening moet worden vrijgegeven. Zowel de bedieningsinrichtingen als de opschriften moeten duidelijk zichtbaar zijn aangebracht en mogen niet door gordijnen of andere delen kunnen worden afgedekt.

Artikel 23 — Noodramen; toegang

De vrije ruimte tussen het noodraam en een denkbeeldig verticaal vlak evenwijdig aan het mediaanlangsvlak van de bus op een afstand van 0,50 m van het noodraam moet een vrije doorgang bieden aan een rechthoekig verticaal plat vlak met een breedte van 0,60 m en een hoogte van 0,40 m dat in een richting loodrecht op het raam wordt bewogen.

Artikel 24 — Hoofddoorgang

  1. De hoofddoorgang moet een vrije doorgang bieden aan een testfiguur (zie figuur 5) bestaande uit twee symmetrisch boven elkaar geplaatste cilinders met daar tussen een omgekeerde afgeknotte kegel en op de bovenste cilinder een afgeknotte kegel. De afmetingen van de testfiguur zijn: De testfiguur voor het bepalen van de hoofddoorgang bij bussen met staanplaatsen is van toepassing op dat deel van de binnenruimte die voor het vervoer van personen op staanplaatsen is bestemd. Deze testfiguur moet bij het bepalen van de vrije doorgang kunnen aansluiten op de toegang tot een bedrijfsdeur op de in artikel 14, derde en vierde lid, voorgeschreven wijze.

  2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, mag:

    1. bij bussen ingericht voor het vervoer van ten hoogste 22 personen uitsluitend op zitplaatsen, de bestuurderszitplaats niet inbegrepen, de hoogte van de bovenste cilinder van de testfiguur voor zitplaatsen met 0,15 m worden verminderd;

    2. bij bussen die niet zijn ingericht voor het vervoer van personen op staanplaatsen en waarbij de inwendige hoogte 1,90 m of meer bedraagt mag de testfiguur worden vervangen door een gelijkvormige testfiguur met de volgende afmetingen:

    Bij deze bussen mogen de zitplaatsen aan een zijde of aan beide zijden van de hoofddoorgang in dwarsrichting verstelbaar zijn uitgevoerd waardoor de breedte van de hoofddoorgang kan verminderen tot een breedte die bepaald wordt door van de in dit punt omschreven testfiguur de onderste cilinder te vervangen door een cilinder van gelijke hoogte en met een diameter van 0,22 m, onder voorwaarde dat:

    1. de bediening van het verstelmechanisme aan elke zitplaats op snelle en eenvoudige wijze kan geschieden door een persoon, die in de hoofddoorgang staat, en

    2. het verstelmechanisme in staat is de zitplaats ook wanneer deze is bezet automatisch te doen terugkeren naar de positie die overeenkomt met een minimum breedte van de hoofddoorgang van 0,30 m.

  3. Bij toepassing van de in het eerste lid omschreven testfiguur voor staanplaatsen of de in het tweede lid omschreven testfiguur mag de hoogte van de bovenste cilinder met 0,10 m worden verminderd in de hoofddoorgang achter:

    1. een denkbeeldig verticaal dwarsvlak loodrecht op het mediaanlangsvlak van het voertuig 1,5 m voor de hartlijn van de gedreven achteras, of

    2. een denkbeeldig verticaal dwarsvlak loodrecht op het mediaanlangsvlak van het voertuig ter plaatse van de achterste stijl van de achterste bedrijfsdeur bij aanwezigheid van meer dan één bedrijfsdeur.

  4. Voor het bepalen van de hoofddoorgang voor de personen gezeten op de achterste rij zitplaatsen mag de hoogte van de gebruikte testfiguur genoemd in respectievelijk het eerste en tweede lid tot 1,55 m worden verminderd.

  5. Indien de voorste rij zitplaatsen vóór de toegang naar de bedrijfsdeur is geplaatst, dan wel bij meerdere bedrijfsdeuren vóór de toegang naar de voorste bedrijfsdeur, mag voor het bepalen van de hoofddoorgang voor de personen gezeten op die zitplaatsen de hoogte van de gebruikte testfiguur, bedoeld in het eerste onderscheidenlijk tweede lid, tot 1,55 m worden verminderd, voor zover de verticale hartlijn van de gebruikte testfiguur zich naast de voorzijde van de zitting van de voorste rij zitplaatsen bevindt. Indien de zitplaatsen, bedoeld in de eerste volzin, voor dienstgebruik zijn bestemd, kan ontheffing worden verleend en kunnen andere eisen worden gesteld.

  6. De helling van de vloer gemeten bij de onbezette bus en ten opzichte van een horizontaal vlak, mag niet meer bedragen dan:

    1. 12,5% in de hoofddoorgang bij bussen die uitsluitend zijn ingericht voor het vervoer van personen op zitplaatsen;

    2. 6% in de hoofddoorgang en in andere zones die bestemd zijn voor het vervoer van personen op staanplaatsen, met dien verstande dat in het gedeelte van de staanplaatsruimte dat zich achter een denkbeeldig verticaal dwarsvlak loodrecht op het mediaanlangsvlak van het voertuig 1,5 m voor de hartlijn van de gedreven achteras bevindt, de helling niet meer dan 8% mag bedragen.

  7. De toepassing van één of meer treden in de hoofddoorgang kan worden toegestaan, mits de hoogte van elke trede niet minder dan 0,15 m en niet meer dan 0,30 m bedraagt. De diepte van de treden moet ten minste 0,20 m bedragen. De breedte van de treden mag niet minder bedragen dan de werkelijke breedte van de hoofddoorgang boven de treden. Binnen 0,30 m voor en na de treden zijn hellingen in de vloer die meer bedragen dan 6% niet toegestaan.

  8. De treden in de hoofddoorgang moeten op een zodanige plaats zijn aangebracht dat de passagiers bij het plaatsnemen en bij het verlaten van de zitplaatsen zo weinig mogelijk hinder hiervan ondervinden. Hieraan wordt geacht te zijn voldaan, indien de voorzijde van elke trede zich niet naast de vereiste voetenruimte voor de zitplaats bevindt.

  9. Bij aanwezigheid van een al dan niet automatisch klapbare zitting wordt de vrije doorgang voor de testfiguur bepaald met de zitting in de gebruiksstand. Indien de zitting deel uitmaakt van een zitplaats voor dienstgebruik en de zitting bij het verlaten van deze zitplaats automatisch wegklapt, wordt de vrije doorgang voor de testfiguur bepaald met de zitting in weggeklapte stand.

  10. Klapbare, draaibare of verschuifbare delen zoals deuren, banken, kleppen en andere delen, die in een vaste positie de vrije doorgang van de in het eerste en tweede lid omschreven testfiguren belemmeren zijn niet toegestaan, tenzij deze delen van een inrichting zijn voorzien die de doorgang automatisch vrijgeeft.

Artikel 25 — Zitplaatsen voor de passagiers; algemeen

De in de artikelen 26 tot en met 28 opgenomen voorschriften zijn van toepassing bij een onbelaste zitting en rugleuning. Hierbij wordt onder ‘voor de voorzijde van de rugleuning gemeten’ verstaan: gemeten in het mediaanlangsvlak van de zitplaats horizontaal en voor de voorzijde van de rugleuning.

Artikel 26 — Zitplaatsen voor de passagiers; afmetingen

  1. De breedte van elke zitplaats, gemeten aan weerszijden van het mediaanlangsvlak van de zitplaats vanaf de voorzijde van de zitting tot 0,35 m daarachter, moet ten minste bedragen:

    1. vanaf de bovenzijde van de zitting tot 0,27 m daarboven: 0,20 m, en

    2. vanaf 0,27 m boven de zitting tot 0,65 m boven de zitting: 0,22 m.

  2. De afstand tussen de voorzijde van de rugleuning en de voorzijde van de zitting moet over de bovenzijde van de zitting gemeten ten minste 0,40 m bedragen (zie figuur 6). De breedte van de zitting moet ter hoogte van de bovenzijde van de zitting en ter weerszijden van het mediaanlangsvlak van de zitplaats gemeten 0,20 m voor de voorzijde van de rugleuning ten minste 0,20 m bedragen.

  3. De afstand tussen de bovenzijde van de zitting en de daarvoor gelegen voetenvloer moet zodanig zijn dat de afstand tussen deze vloer en een denkbeeldig vlak evenwijdig aan deze vloer, dat de bovenzijde van de zitting raakt, ten minste 0,35 m en ten hoogste 0,55 m bedraagt.

  4. Tussen de zitplaatsen onderling en tussen elke zitplaats en een ander deel dat zich voor die zitplaats bevindt moet voor de passagiers een vrije doorgang beschikbaar zijn om vanaf hun zitplaats de hoofddoorgang te kunnen bereiken (zie figuur 7). Van elk van deze doorgangen mag door ten hoogste vier personen gebruik worden gemaakt. Deze vrije doorgang moet voldoen aan de volgende eisen:

    1. de afstand tussen de voorzijde van de rugleuning van een zitplaats en de achterzijde van de rugleuning van de daarvoor geplaatste zitplaats moet vanaf de bovenzijde van de zitting tot 0,62 m boven de vloer voor de zitplaats ten minste 0,68 m bedragen. Bij achter elkaar geplaatste zitplaatsen met verstelbare rugleuningen moet aan deze eis worden voldaan in ten minste één vaste positie van de rugleuningen van deze zitplaatsen;

    2. de vrije doorgang vanaf de voetenvloer voor de zitplaats tot 0,10 m daarboven moet zich ten minste uitstrekken vanaf een verticaal vlak loodrecht op het mediaanlangsvlak van de zitplaats 0,70 m voor de voorzijde van de rugleuning gemeten over de bovenzijde van de zitting tot 0,30 m daarachter. Indien zich voor de voorzijde van de zitting een deel van de wielkast bevindt, mag dat deel zich niet verder naar voren uitstrekken dan 0,60 m voor de voorzijde van de rugleuning over de bovenzijde van de zitting gemeten. De eerder genoemde vrije doorgang moet zich dan uitstrekken vanaf de wielkast;

    3. de vrije doorgang tussen elk deel van de voor en bovenzijde van de zitting en de daarvoor gelegen niet tot die zitplaats behorende delen moet ten minste 0,23 m bedragen. Deze doorgang wordt gemeten met de genoemde delen in de ongunstigste positie. Tot een zitplaats behorende en vanuit die zitplaats bedienbare, gemakkelijk wegklapbare voorzieningen zijn in de gebruiksstand hier van uitgezonderd, en

    4. de vrije doorgang tussen elk deel van de voorzijde van de rugleuning van de zitplaats en een niet tot die zitplaats behorend deel, gemeten in de ongunstigste positie van de rugleuning en dat deel voor de rugleuning vanaf een vlak 0,23 m boven de bovenzijde van de zitting tot een vlak 0,80 m boven de voetenvloer voor de zitplaats moet ten minste 0,50 m bedragen.

Artikel 27 — Zitplaatsen voor de passagiers; tegenover elkaar geplaatste zitplaatsen

  1. De afstand tussen de voorzijde van de rugleuningen, gemeten over de bovenzijde van de zittingen en in het mediaanlangsvlak van de zitplaatsen, moet ten minste 1,25 m bedragen.

  2. De vrije doorgang tussen de zittingen gemeten vanaf de vloer tot de bovenzijde van de zittingen moet ten minste 0,40 m bedragen. Indien zich in de doorgang een deel van een wielkast bevindt, mag deze doorgang tot 0,35 m worden verminderd.

  3. Elke zitplaats moet een vrije hoogte hebben van ten minste 0,90 m boven de onbelaste zitting en 1,35 m boven de voetenvloer voor de zitplaats. Deze vrije hoogten moeten aanwezig zijn vanaf de achterzijde van de zitting tot de voorzijde van de voorgeschreven voetenvloer voor de zitplaats en mogen door een rugleuning van een andere zitplaats, een schot of een tafel worden onderbroken. Voor zitplaatsen voor dienstgebruik kan ontheffing worden verleend en andere eisen worden gesteld.

  4. De helling van een naar voren afhellende voetenvloer mag ten hoogste 8% bedragen.

  5. De helling van een naar voren oplopende voetenvloer mag ten hoogste 30% bedragen.

Artikel 28 — Zitplaatsen voor de passagiers; overige eisen

  1. Klapbare rugleuningen moeten in elke gebruiksstand door middel van een vergrendelinrichting deugdelijk zijn geblokkeerd. Klapbare zitplaatsen moeten in de gebruiksstand automatisch zijn vergrendeld.

  2. Vooruitrijdend en achteruitrijdend geplaatste zitplaatsen moeten op die plaatsen van armliggers zijn voorzien waar dit uit veiligheidsoverwegingen noodzakelijk is.

  3. Indien binnen een afstand van 0,50 m naast de zitting een vloer aanwezig is die zich lager bevindt dan 0,60 m beneden de bovenzijde van de zitting, moet een armligger aan de betreffende zijde van de zitplaats zijn aangebracht. Het bovenstaande is niet van toepassing indien binnen een afstand van 0,30 m naast de zitting een wand aanwezig is die voldoende steun geeft.

  4. Langsbanken moeten zodanig zijn geplaatst of uitgevoerd dat de daarop gezeten personen bij plotseling remmen en dergelijke niet van hun zitplaats kunnen geraken. Langsbanken die zijn ingericht voor meer dan drie personen moeten door middel van armliggers kunnen worden verdeeld in delen voor ten hoogste drie personen.

  5. Klapbare en vaste armliggers moeten zich vanaf de voorzijde van de rugleuning tot ten minste 0,20 m daarvoor kunnen uitstrekken.

  6. De zitplaatsen moeten stevig aan het voertuig zijn bevestigd. Hieraan wordt geacht te zijn voldaan, indien deze bevestiging een naar voren gerichte horizontale kracht in lengterichting die door het zwaartepunt van de complete zitplaats gaat en gelijk is aan tienmaal het gewicht van de zitplaats uitgeoefend op de constructie van de zitplaats kan weerstaan. Constructies waarbij de zitplaatsen door middel van rails aan het voertuig zijn bevestigd kunnen worden toegestaan, mits de vereiste hoofddoorgang en de toegangen naar de voorgeschreven uitgangen te allen tijde blijven gewaarborgd.

  7. Elke zitplaats waar bij plotseling en krachtig remmen het gevaar kan ontstaan dat de daarop gezeten passagier in een tredenbak of op een belangrijk lager dan de voetenvloer voor de zitplaats aanwezig deel van de vloer van de bus kan geraken moet voorzien zijn van een inrichting die voldoende bescherming hiertegen biedt.

  8. Deze inrichting moet zich op ongeveer 0,80 m boven de voetenvloer voor de zitplaats bevinden en zich uitstrekken vanaf de zijwand van de bus tot ten minste 0,10 m voorbij het mediaanlangsvlak van de zitplaats of tot het meest naar binnen gelegen deel van de tredenbak; de kleinste afstand is hierbij van toepassing. Bovendien mag deze inrichting horizontaal gemeten niet verder dan 1,00 m van de rugleuning van de zitplaats zijn verwijderd.

  9. De in het zevende lid bedoelde inrichting en de bevestiging ervan moet een naar voren gerichte horizontale kracht in de lengterichting van de bus van 650 N die in de het ongunstigste punt van de inrichting aangrijpt, kunnen weerstaan.

  10. Met uitzondering van de bestuurderszitplaats, moeten zitplaatsen vlak achter de voorruit van de bus waar bij plotseling en krachtig remmen het gevaar kan ontstaan dat de daarop zittende personen tegen deze voorruit kunnen geraken, zijn voorzien van een inrichting die voldoende bescherming hiertegen biedt.

  11. De inrichting moet zich op ongeveer 0,80 m boven de voetenvloer voor de zitplaats en ten minste 0,10 m aan weerszijden van het verticaal mediaanlangsvlak van de zitplaats bevinden en mag horizontaal gemeten niet verder dan 1,00 m van de rugleuning van de zitplaats zijn verwijderd.

  12. De in het tiende lid bedoelde inrichting en de bevestiging ervan moet een naar voren gerichte horizontale kracht in de lengterichting van de bus van 650 N die in het meest ongunstige punt van de inrichting aangrijpt, kunnen weerstaan.

  13. Indien de in het elfde lid bedoelde inrichting niet kan worden aangebracht, mag deze zijn vervangen door een inrichting die dezelfde waarborgen biedt.

  14. Buiten de in het zevende en tiende lid genoemde zitplaatsen moeten de overige zitplaatsen waar bij plotseling en krachtig remmen gevaar kan ontstaan voor de passagiers waar mogelijk van doelmatige inrichtingen zijn voorzien die aan de passagiers voldoende steun bieden.

Artikel 29 — Staanplaatsen

  1. De oppervlakte, die beschikbaar is voor de passagiers op staanplaatsen wordt bepaald door van de totale oppervlakte die voor de passagiers beschikbaar is af te trekken:

    1. de oppervlakte van het bestuurderscompartiment;

    2. de oppervlakte van de treden bij deuren en de oppervlakte van andere treden met een diepte van minder dan 0,30 m;

    3. de oppervlakte van alle delen die geen deel uitmaken van de hoofddoorgang waar van het vloeroppervlak niet vlak is en niet voldoet aan het bepaalde in artikel 24, het zesde lid, betreffende de helling van de vloer van de staanplaatsruimte;

    4. de oppervlakte van alle delen die niet toegankelijk zijn voor een persoon die een staanplaats wil innemen wanneer alle zitplaatsen bezet zijn;

    5. de oppervlakte van alle delen waarvan de hoogte boven de vloer minder bedraagt dan 1,90 m of in het gedeelte van de hoofddoorgang die zich boven en achter de achteras bevindt (zie artikel 24, derde lid) minder dan 1,80 m bedraagt. Handgrepen ten behoeve van de personen op staanplaatsen worden hierbij niet in rekening gebracht;

    6. de oppervlakte voor een denkbeeldig verticaal vlak loodrecht op het mediaanlangsvlak van het voertuig gaande door het in richtlijn 74/60/EEG gedefinieerde punt V;

    7. de oppervlakte van delen die een rechthoekige staanplaatsoppervlakte met zijden van ten minste 0,30 m en 0,50 m niet mogelijk maken, en

    8. de oppervlakte van dat deel van de binnenruimte, die niet voldoet aan de eisen betreffende de inrichting van een staanplaatsruimte.

  2. De benodigde vloeroppervlakte voor een staanplaats is gesteld op 0,143 m2.

  3. Ten behoeve van de personen op staanplaatsen moeten een voldoende aantal handgrepen aanwezig zijn die zich niet lager dan 0,80 m en niet hoger dan 1,90 m boven de vloer bevinden. De handgrepen mogen als lussen zijn uitgevoerd, mits de bevestiging van de lus in de rijrichting van de bus is gefixeerd. Hieraan wordt in ieder geval voldaan, indien de beweegbare arm van de in figuur 8 weergegeven proefpop vanaf elke willekeurige plaats van de staanplaatsoppervlakte ten minste twee van deze handgrepen kan bereiken. Ten minste een van de beide handgrepen mag zich hierbij niet hoger dan 1,50 m boven de vloer bevinden. De proefpop mag om de verticale hartlijn worden gedraaid.

  4. Staanplaatsruimten die niet door zitplaatsen van de zijwanden of de achterwand van de bus zijn gescheiden moeten zijn voorzien van horizontale stangen die evenwijdig aan deze wanden lopen en zich ten minste 0,80 m en ten hoogste 1,50 m boven de vloer bevinden.

  5. Geen deel van de staanplaatsoppervlakte mag zich uitstrekken voor een denkbeeldig verticaal vlak loodrecht op het mediaanlangsvlak van de bus gaande door het in richtlijn 74/60/EEG gedefinieerde punt V.

  6. Indien een deel van de binnenruimte van een bus is bestemd voor het vervoer van personen op staanplaatsen, moet dat gehele deel hiervoor zijn ingericht. Plaatselijke onderbrekingen van deze ruimte, bijvoorbeeld door het verkleinen van de hoofddoorgang of door het laten vervallen van handgrepen, zijn niet toegestaan.

Artikel 30 — Ligplaatsen voor de passagiers; algemeen

De in de artikelen 31 tot en met 33 opgenomen voorschriften zijn van toepassing bij een onbelaste ligbank.

Artikel 31 — Ligplaatsen voor de passagiers; afmetingen

  1. De lengte en de breedte van de ligbank moeten zodanig zijn dat de projectie van de ligbank op een horizontaal vlak een rechthoek vormt met zijden van ten minste 1,90 m en 0,40 m. Ter plaatse van de hoofdsteunen mag de breedte tot 0,28 m worden teruggebracht.

  2. Indien de ligplaats deel uitmaakt van een rij ligplaatsen die in elkaars verlengde liggen en waarbij de lengte van elke ligplaats niet door een vaste afscheiding wordt bepaald, mag de voorgeschreven lengte worden teruggebracht tot 1,80 m.

  3. Boven elke ligbank moet een blokvormige vrije ruimte, een zogenaamde ligplaats, aanwezig zijn waarvan:

    1. de lengte overeenkomt met de voorgeschreven lengte van de ligbank;

    2. de breedte zich 0,22 m aan weerszijden van het mediaanlangsvlak van de ligbank uitstrekt;

    3. de hoogte 0,55 m bedraagt, en

    4. de hoeken mogen zijn afgerond met een straal van ten hoogste 0,15 m.

  4. De breedte van de ligplaats mag plaatselijk door afrolbeveiligingen dan wel door dragende constructiedelen van de zich daarboven bevindende ligbank tot 0,40 m zijn verminderd.

Artikel 32 — Ligplaatsen voor de passagiers; bereikbaarheid hoofddoorgang

  1. De ruimte tussen een ligplaats en de hoofddoorgang moet een vrije doorgang bieden aan een rechthoekige meetmal met een oppervlakte van 0,4 m2 en zijden van ten minste 0,50 m waarvan de hoeken mogen zijn afgerond met een straal van ten hoogste 0,15 m. Deze meetmal moet in een verticale stand en onder rechte hoeken met de mogelijke bewegingsrichting van een persoon kunnen worden voortbewogen vanaf de ligplaats tot waar de verticale hartlijn van de meetmal samenvalt met de verticale hartlijn van een der testfiguren genoemd in artikel 24 die wordt gebruikt voor het bepalen van de afmetingen van de hoofddoorgang. De doorgang mag zijn onderbroken door één dragend deel, met een breedte van ten hoogste 0,04 m, van de zich daarboven bevindende ligbank.

  2. De onderzijde van een doorgang mag zich niet meer dan 1,00 m boven de direct onder de doorgang aangebrachte vloer bevinden, tenzij toegangsvoorzieningen, of wat als zodanig gebruikt kan worden, zijn aangebracht. Deze toegangsvoorzieningen mogen de ligplaatsen en doorgangen niet nadelig beïnvloeden. Tot een ligplaats behorende en vanuit de ligplaats gemakkelijk wegklapbare voorzieningen zijn in de gebruiksstand hiervan uitgezonderd.

Artikel 33 — Ligplaatsen voor de passagiers; overige eisen

  1. De constructie van de ligbank alsmede de bevestiging ervan aan de bus moeten een veilig vervoer waarborgen van een zich op de ligbank bevindende passagier.

  2. Elke ligbank moet zowel in lengte- als in breedterichting met doelmatige veiligheidsvoorzieningen zijn uitgerust ten einde te voorkomen dat de passagier uit zijn ligplaats kan geraken.

  3. Ten aanzien van de veiligheidsvoorziening in de rijrichting van de bus wordt geacht te zijn voldaan aan het tweede lid, indien kan worden aangetoond dat een ballastzak van 1.500 N binnen de ligplaats kan worden vastgehouden, terwijl de bus bij een snelheid van 50 km/h met een vertraging van ten minste 5 m/s2 wordt geremd.

  4. De ballastzak moet van materiaal zijn vervaardigd dat een minimale wrijving veroorzaakt op de bekleding van de ligbank. De lengte van de ballastzak moet 1,65 m en de breedte 0,40 m bedragen. De ballastzak moet zodanig op de ligbank zijn geplaatst dat de tussenruimte tussen de ballastzak en de voorste begrenzing van de ligplaats, in de rijrichting van de bus, ten minste 0,05 m bedraagt.

  5. Het gedeelte van een ligbank dat grenst aan of zich uitstrekt tot voorbij achterste begrenzing van het bestuurderscompartiment moet van een afscherming zijn voorzien.

  6. De afscherming moet van zodanige afmetingen zijn, dat deze ten minste reikt tot 0,40 m boven de ligbank en vanaf de zijwand tot ten minste 0,225 m voorbij het mediaanlangsvlak door de bestuurderszitplaats.

  7. Indien de afscherming wordt gevormd door stangen met een daartussen geplaatst schot, mag de vrije ruimte tussen het schot en de omringende constructie ten hoogste 0,05 m bedragen, mits het schot zich ten minste uitstrekt tot 0,225 m ter weerszijden van het mediaanlangsvlak door de bestuurderszitplaats.

Artikel 34 — Handgrepen bij treden

Boven de treden bij een bedrijfsdeur en indien zich plaatselijk meer dan één trede in de hoofddoorgang bevindt moeten bij deze treden doelmatige handgrepen ten behoeve van de passagiers zijn aangebracht. De vrije ruimte om deze handgrepen moet ten minste 0,035 m bedragen.

Artikel 35 — Bagageruimten

  1. Bagagerekken en bagageruimten moeten zodanig zijn uitgevoerd dat tijdens het rijden en in het bijzonder bij sterk afremmen wordt voorkomen dat bagage uit de rekken respectievelijk ruimten kan geraken.

  2. Bagagerekken moeten ter hoogte van de achterzijde van het bestuurderscompartiment van een dwarsschot zijn voorzien.

Artikel 36 — Ruiten

Onverminderd het in artikel 4 bepaalde ten aanzien van de ruiten, bedoeld in dat artikel, moeten alle overige ruiten bestaan uit duurzaam materiaal dat bij breuk niet in scherpe scherven uiteenvalt.

Artikel 37 — Binnenverlichting

  1. De hoofddoorgang, de toegang naar alle voorgeschreven uitgangen, de treden bij de bedrijfsdeuren en eventuele treden in de hoofddoorgang, de vereiste opschriften en de bedieningsinrichtingen van de (nood)uitgangen en trappen moeten zodanig kunnen worden verlicht dat deze duidelijk waarneembaar kunnen zijn.

  2. De binnenverlichting moet over ten minste twee onafhankelijk van elkaar geschakelde stroomkringen zijn verdeeld.

  3. Er moeten zodanige voorzieningen worden getroffen dat de bestuurder geen hinder van de weerkaatsing van de binnenverlichting in de ruiten binnen zijn gezichtsveld kan ondervinden.

Artikel 38 — Ventilatie- en verwarmingsinrichtingen

  1. Het in de binnenruimte doordringen van voor de gezondheid schadelijke gassen die afkomstig zijn van de bus, moet door doelmatige constructie en goed onderhoud worden voorkomen.

  2. Zowel ten behoeve van de bestuurder als de passagiers moeten ventilatie-inrichtingen zijn aangebracht van zodanige afmetingen en constructie dat bij volle bezetting een voldoende luchtverversing mogelijk is zonder hinder voor de inzittenden.

  3. Een verwarmingsinrichting:

    1. moet alle veiligheidswaarborgen bieden;

    2. moet regelbaar zijn;

    3. mag geen gevaar opleveren voor de inzittenden;

    4. moet zodanig zijn ontworpen dat de inzittenden van het voertuig bij normaal weggebruik van de bus niet in aanraking kunnen komen met die delen van deze inrichting waaraan ze brandwonden kunnen oplopen. Aan deze bepaling wordt geacht te zijn voldaan, indien deze delen geen hogere temperatuur bereiken dan 80 °C, en

    5. moet zodanig zijn ontworpen dat de te verwarmen lucht van een zodanige plaats wordt betrokken dat verontreiniging door verbrandingsgassen, olie en benzinedampen, lekbrandstof en dergelijke afkomstig van het voertuig zelf zoveel mogelijk wordt vermeden.

  4. De uitmonding van de afvoerleiding van de verbrandingsgassen van een kachel:

    1. moet ten minste 0,50 m verwijderd zijn van elke deuropening;

    2. mag niet onder een deuropening zijn gelegen;

    3. mag niet naar de rechterzijde van de bus zijn gericht, en

    4. moet zich ter plaatse van de deuren ten minste 0,50 m binnenwaarts vanaf de buitenzijde van de carrosserie bevinden.

Artikel 39 — Aanvullende regels voor het vervoer van personen in rolstoelen

  1. In de in dit hoofdstuk vermelde voorschriften wordt onder hoofddoorgang mede verstaan: de ruimte waardoor men de passagiers in rolstoelen vanuit de toegang tot elke voorgeschreven deur kan bereiken. Deze hoofddoorgang moet voldoen aan artikel 24, eerste tot en met tiende lid.

  2. Voor elke ten behoeve van een persoon in een rolstoel bestemde plaats in de bus moet een rechthoekig vloeroppervlak beschikbaar zijn met een minimum lengte van 1,00 m en een minimum breedte van 0,65 m alsmede een vrije hoogte boven dit vloeroppervlak van ten minste 1,45 m. Vanaf een hoogte van 0,60 m boven dit vloeroppervlak mag echter de breedte van deze ruimte aan beide zijden ten opzichte van het mediaanlangsvlak van de plaats van de rolstoel met 0,08 m worden verminderd.

  3. Er moet een doelmatige inrichting zijn aangebracht die de persoon in de rolstoel onafhankelijk van de rolstoel alsmede de rolstoel zelf bij plotseling remmen en dergelijke op hun plaats kunnen houden. Voor de toepassing van een merk en type van deze inrichting moet toestemming van de Dienst Wegverkeer zijn verleend.

  4. De inrichting moet in staat zijn een horizontale kracht in de rijrichting van de bus van 7.500 N te kunnen weerstaan die in het zwaartepunt van de bezette rolstoel aangrijpt. Dit zwaartepunt wordt geacht te zijn gelegen in een horizontaal vlak 0,60 m boven de vloer.

  5. Indien de in het derde lid bedoelde inrichting is uitgevoerd als vastzetinrichting voor de persoon in de rolstoel, bijvoorbeeld door middel van gordels, moet deze inrichting het mogelijk maken de persoon op snelle en eenvoudige wijze los te maken.

  6. De deur bestemd voor het in- en uitrijden van passagiers in rolstoelen moet ten minste een opening vrijgeven waarin een rechthoek kan worden beschreven met een hoogte van 1,40 m en een breedte van 0,70 m.

  7. De deur mag zich niet in de linkerzijwand van de bus bevinden.

  8. De ruimte, die zich vanaf de buitenzijde van de deuropening binnenwaarts uitstrekt tot de hoofddoorgang moet een doorgang bieden aan een meetmal in de vorm van een rechthoekig blok met een lengte van 0,75 m, een breedte van 0,65 m en een hoogte van 1,09 m.

  9. De beginpositie van de meetmal is de plaats waar de voorzijde van de meetmal samenvalt met het denkbeeldige verticale raakvlak aan de buitenkant van de deuropening. Vanaf deze beginpositie moet de meetmal in de lengterichting over een afstand van 0,75 m worden voortbewogen. In de eindpositie moet de verticale hartlijn van de voorzijde van de meetmal kunnen samenvallen met de verticale hartlijn van één van de testfiguren genoemd in artikel 24 die wordt gebruikt voor het bepalen van de afmetingen van de hoofddoorgang.

  10. Elke inrichting die bedoeld is om passagiers in rolstoelen de mogelijkheid te geven de bus binnen te rijden en te verlaten moet zodanig zijn uitgevoerd dat dit onder alle omstandigheden en zo nodig met extra verlichting op een veilige wijze kan geschieden voor zowel de passagiers in rolstoelen en hun begeleiders als voor de overige passagiers.

  11. Indien de in het tiende lid bedoelde inrichting een liftinstallatie is, moet bovendien aan de volgende eisen worden voldaan:

    1. het liftplateau moet zodanig zijn uitgevoerd dat het ongewild afrollen of achteroverklappen van de rolstoel tijdens het heffen en het dalen zoveel mogelijk wordt voorkomen;

    2. er moeten voorzieningen aanwezig zijn die voorkomen dat tijdens het bewegen van delen van de liftinstallatie lichaamsdelen bekneld kunnen raken;

    3. er moet een voorziening aanwezig zijn die het liftplateau automatisch vasthoudt in het geval de bedieningskracht voor het liftplateau wegvalt;

    4. bij het bedieningspaneel van de liftinstallatie moet een duidelijke bedieningsaanwijzing aanwezig zijn; bovendien moet in de bus een opschrift vermeldende het nuttig hefvermogen van de liftinstallatie zijn aangebracht. Dit opschrift moet vanaf het liftplateau tijdens het gebruik ervan duidelijk zichtbaar zijn, en

    5. de liftinstallatie moet tegen ongewild bedienen ervan zijn beveiligd.

  12. Indien er in de in het tiende lid bedoelde inrichting oprijgoten aanwezig zijn, moet bovendien aan de volgende eisen worden voldaan:

    1. de oprijgoten moeten voldoende veiligheidswaarborgen bieden tegen het zijdelings afrollen van de rolstoel en het verschuiven ervan tijdens het gebruik;

    2. de oprijgoten moeten van een stroef oppervlak zijn voorzien.

Bijlage 244421Figuur 1 (1).
Bijlage 244422Figuur 1 (2).
Bijlage 244423Figuur 2.
Bijlage 244424Figuur 3(1).
Bijlage 244425Figuur 3(2).
Bijlage 244426Figuur 4.
Bijlage 244427Figuur 5(1).
Bijlage 244428Figuur 5(2).
Bijlage 244429Figuur 6(1).
Bijlage 244430Figuur 6(2).
Bijlage 244431Figuur 7(1).
Bijlage 244432Figuur 7(2).
Bijlage 244433Figuur 8.

Annex 4 — behorende bij de artikelen 2a, vijfde lid, en 2b, eerste tot en met vijfde lid

Individuele toelatingseisen voor elektrisch aangedreven en hybride elektrische voertuigen van de voertuigcategorieën L, M en N

Artikel 1

Voorafgaand aan het verkrijgen van een goedkeuring voor toelating tot het verkeer op de weg, overlegt de aanvrager van de goedkeuring documentatie over de elektrische aandrijflijn aan de Dienst wegverkeer.

Artikel 2

  1. De hoogspanningskabels:

    1. moeten oranje zijn; en

    2. mogen niet in de nabijheid van een scherp deel zijn gemonteerd.

  2. De energieopslagsystemen worden niet in het passagierscompartiment geplaatst, tenzij deze goed zijn afgeschermd.

  3. Het voertuig moet zijn voorzien van een voorziening waarmee de hoogspanning kan worden uitgeschakeld.

  4. De onderdelen van de elektrische aandrijflijn en de bekabeling vormen niet het laagste punt van het voertuig, waarbij de wielen buiten beschouwing worden gelaten.

  5. De tractiebatterij moet deugdelijk bevestigd zijn.

Nog geen automatische verwijzingen.

Deze actie vereist een account
Log in of maak een account om arceringen, annotaties, tags en dossiers te gebruiken.
← terug naar Regeling voertuigen