1. De resulterende meetwaarden worden door analoge of digitale aanwijzingen aangegeven.

  2. Indien een registratie-inrichting aanwezig is, moet deze de resulterende meetwaarden vermelden.

  3. De aanwijzingen moeten:

    1. zijn voorzien van een nulstelinrichting; en

    2. zodanig zijn uitgevoerd dat per as de bijbehorende paren meetgegevens gelijktijdig voor aflezing of verdere verwerking beschikbaar zijn.

  4. Een analoge of digitale aanwijzing is zodanig dat:

    1. de onnauwkeurigheid in de resulterende meetwaarde en in het verschil in remkracht tussen het linker- en rechterwiel, uitsluitend als gevolg van de beperkte afleesnauwkeurigheid, niet meer bedraagt dan een vijfde deel van de maximale fout geldend voor het betreffende meetresultaat;

    2. de aflezing op eenvoudige wijze mogelijk is.