In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  1. toerenteller: meetinstrument voor het bepalen van het toerental van de krukas van een voertuigmotor;

  2. geïntegreerde toerenteller: toerenteller deel uitmakend van en ingebouwd in een ander meetmiddel;

  3. toerenopnemer: onderdeel van de toerenteller dat signalen afgegeven door de voertuigmotor omzet in een elektrisch signaal en overdraagt aan het verwerkingsgedeelte van de toerenteller.