Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid

Inhoud

Artikel 6

HISTORISCH
  1. Het CBR besluit dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar de geschiktheid als bedoeld in artikel 131, eerste lid, van de wet indien:

    1. bij betrokkene een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 785 µg/l, respectievelijk 1,8 ‰,

    2. bij betrokkene in de hoedanigheid van beginnende bestuurder een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat gelijk is aan dan wel hoger is dan 570 μg/l respectievelijk 1,3‰,

    3. betrokkene binnen een periode van vijf jaar tenminste viermaal is aangehouden op verdenking van het overtreden van artikel 8, eerste, tweede of derde lid, van de wet, of

    4. betrokkene binnen een periode van vijf jaar ten minste tweemaal is aangehouden op verdenking van het overtreden van artikel 8 van de wet, en hierbij ten minste eenmaal heeft geweigerd mee te werken aan een onderzoek als bedoeld in dat artikel,

    5. betrokkene op grond van artikel 8, tweede lid, niet in aanmerking komt voor een Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer, dan wel

    6. uit een verklaring van een medisch deskundige blijkt dat betrokkene alcoholist is.

  2. Het CBR besluit voorts dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar de rijvaardigheid dan wel de geschiktheid in geval van feiten of omstandigheden als genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage 1, anders dan die vermeld onder ‘Drogerende stoffen Alcohol’.

01-11-2011 Huidig 01-03-2010 Historisch 15-07-2009 Historisch 30-05-2009 Historisch 01-01-2009 Historisch 12-11-2008 Historisch 01-10-2008 Historisch 01-02-2008 Historisch 01-10-2006 Historisch 08-02-2006 Historisch 01-04-2005 Historisch 15-05-2004 Historisch 01-10-2003 Historisch 01-09-2003 Historisch 30-03-2002 Historisch

Vergelijking met vorige versie

Vergeleken met 15-05-2004

Tekst van deze versie

  1. Het CBR besluit dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar de geschiktheid als bedoeld in artikel 131, eerste lid, van de wet indien:

    1. bij betrokkene een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 785 µg/l, respectievelijk 1,8 ‰,

    2. bij betrokkene binnenin de hoedanigheid van beginnende bestuurder een periodeadem- vanof vijf jaar tenminste viermaalbloedalcoholgehalte is aangehoudengeconstateerd opdat verdenkinggelijk vanis hetaan overtredendan vanwel artikelhoger 8,is eerstedan of570 tweedeμg/l lid,respectievelijk van de wet, of1,3‰,
    3. betrokkene binnen een periode van vijf jaar tenminste viermaal is aangehouden op verdenking van het overtreden van artikel 8, eerste, tweede of derde lid, van de wet, of
    4. betrokkene binnen een periode van vijf jaar ten minste tweemaal is aangehouden op verdenking van het overtreden van artikel 8 van de wet, en hierbij ten minste eenmaal heeft geweigerd mee te werken aan een onderzoek als bedoeld in dat artikel,

    5. betrokkene op grond van artikel 8, tweede lid, niet in aanmerking komt voor een Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer, dan wel

    6. uit een verklaring van een medisch deskundige blijkt dat betrokkene alcoholist is.

  2. Het CBR besluit voorts dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar de rijvaardigheid dan wel de geschiktheid in geval van feiten of omstandigheden als genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage 1, anders dan die vermeld onder ‘Drogerende stoffen Alcohol’.

Nog geen automatische verwijzingen.

Deze actie vereist een account
Log in of maak een account om arceringen, annotaties, tags en dossiers te gebruiken.
← terug naar Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid