-
Het CBR besluit tot oplegging van een educatieve maatregel drugs en verkeer indien:
ten aanzien van betrokkene proces-verbaal is opgemaakt wegens verdenking van overtreding van artikel 8, eerste of vijfde lid, van de wet of wegens het weigeren van medewerking aan een bloedonderzoek, en de politie in het proces-verbaal aanvullende gegevens heeft opgenomen betreffende het gedrag of de uiterlijke kenmerken van de betrokkene, diens rijgedrag, dan wel andere omstandigheden, welke leiden tot het vermoeden van rijden onder invloed van drogerende stoffen;
de uitslag van het ingevolge artikel 23, eerste lid, opgelegde onderzoek geen aanleiding geeft tot ongeldigverklaring van het rijbewijs.
-
Artikel 9 is van overeenkomstige toepassing.
Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 Laatste controle 29-03-2026, laatste wijziging 22-03-2026.
Inhoud
§ 3 Lichte educatieve maatregel alcohol en verkeer
§ 4 Educatieve maatregel alcohol en verkeer
§ 5 Educatieve maatregel gedrag en verkeer
§ 5a Educatieve maatregel drugs en verkeer
§ 6 Lichte educatieve maatregel gedrag en verkeer
§ 7 Onderzoeken
§ 8 Ongeldigverklaring van het rijbewijs
§ 9 Slotbepalingen
Bijlage 2 bij de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011
§ 5a
Artikel 18
Betrokkene komt niet in aanmerking voor de educatieve maatregel drugs en verkeer indien:
hij een ongeval heeft veroorzaakt waardoor een ander is gedood of waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel is toegebracht;
blijkt dat hij de Nederlandse taal dan wel een andere taal waarin de educatieve maatregel drugs en verkeer wordt gegeven, niet of niet in voldoende mate beheerst;
hij de afgelopen vijf jaar reeds aan de educatieve maatregel drugs en verkeer heeft deelgenomen;
hij zich de afgelopen vijf jaar heeft moeten onderwerpen aan een onderzoek naar de geschiktheid wegens drogerende stoffen anders dan alcohol;
hij naar het oordeel van een medisch deskundige lijdt aan een ernstige psychiatrische stoornis of dementie, dan wel aan een langdurige lichamelijke stoornis die deelname onmogelijk maakt;
het vermoeden bestaat dat er bij betrokkene sprake is van alcoholafhankelijkheid; of
het vermoeden bestaat dat er bij betrokkene sprake is van afhankelijkheid van drogerende stoffen anders dan alcohol.
Artikel 19
Artikel 13 is van overeenkomstige toepassing.