Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 Laatste controle 30-03-2026, laatste wijziging 22-03-2026.

Inhoud
§ 1 Inleidende bepalingen
§ 2 Vordering tot overgifte van het rijbewijs en schorsing geldigheid
§ 3 Lichte educatieve maatregel alcohol en verkeer
§ 4 Educatieve maatregel alcohol en verkeer
§ 5 Educatieve maatregel gedrag en verkeer
§ 5a Educatieve maatregel drugs en verkeer
§ 6 Lichte educatieve maatregel gedrag en verkeer
§ 7 Onderzoeken
§ 8 Ongeldigverklaring van het rijbewijs
§ 9 Slotbepalingen
Bijlage 2 bij de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011

§ 2

Vordering tot overgifte van het rijbewijs en schorsing geldigheid

Artikel 5 (Gronden overgifte rijbewijs)

Een vordering tot overgifte van het rijbewijs, bedoeld in artikel 130, tweede lid, van de wet geschiedt in de volgende gevallen:

  1. betrokkene heeft een motorrijtuig bestuurd onder invloed van drogerende stoffen, andere dan alcohol;

  2. betrokkene heeft een poging tot zelfdoding met een motorrijtuig ondernomen;

  3. er zijn duidelijke aanwijzingen dat betrokkene lijdt aan een aandoening waardoor hij geestelijk en/of lichamelijk niet goed functioneert, dan wel ernstige psychiatrische problemen ondervindt, hetgeen bij twijfel bevestigd wordt door een medisch deskundige;

  4. betrokkene heeft met een motorrijtuig tegen de rijrichting in gereden (spookrijden);

  5. betrokkene heeft binnen een periode van een jaar ten minste drie aanrijdingen veroorzaakt;

  6. betrokkene is als bestuurder van een motorrijtuig rechtstreeks betrokken bij een aanrijding met duidelijke materiële dan wel letselschade en verklaart de aanrijding niet te hebben bemerkt;

  7. betrokkene is niet in staat het motorrijtuig in bedwang te houden;

  8. betrokkene heeft een aanrijding veroorzaakt door het intrappen van het onjuiste pedaal of door het niet intrappen van het juiste pedaal;

  9. betrokkene is bewust ingereden op een andere weggebruiker;

  10. bij betrokkene wordt als bestuurder van een motorrijtuig een adem- of bloedalcoholgehalte geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 785 µg/l, respectievelijk 1,8‰;

  11. bij betrokkene wordt, in de hoedanigheid van beginnende bestuurder, een adem- of bloedalcoholgehalte geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 570 µg/l, respectievelijk 1,3‰;

  12. vervallen;

  13. ten aanzien van betrokkene is binnen een periode van vijf jaar ten minste drie maal proces-verbaal opgemaakt op verdenking van overtreding van artikel 8, eerste, tweede, derde of vierde lid, van de wet, waarbij de laatste overtreding moet zijn begaan als houder van een rijbewijs;

  14. betrokkene heeft twee maal als beginnende bestuurder een of meer van de in bijlage 1, onderdeel A, subonderdeel IV, opgenomen feiten begaan en voor deze feiten is hij tijdens of na de in artikel 1, onder beginnende bestuurder, genoemde termijn onherroepelijk veroordeeld, tenzij voor het feit in eerste instantie een strafbeschikking als bedoeld in artikel 257b van het Wetboek van Strafvordering is uitgevaardigd, dan wel voor deze feiten is tijdens of na die termijn ten aanzien van hem een onherroepelijk geworden strafbeschikking als bedoeld in artikel 257a van het Wetboek van Strafvordering uitgevaardigd.

Artikel 6

In de gevallen, bedoeld in artikel 5, schorst het CBR overeenkomstig artikel 131, tweede lid, onderdeel a, van de wet de geldigheid van het rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, tenzij een educatieve maatregel als bedoeld in artikel 131, eerste lid, onderdeel a, van de wet wordt opgelegd of het CBR op grond van artikel 23, vierde of vijfde lid, afziet van het opleggen van een onderzoek.

← terug naar Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011