Wijzigingen in deze wet

Omgevingswet op 01-07-2026

Alleen artikelen met een inhoudelijke wijziging worden getoond. De diff gebruikt dezelfde opbouw als op de versie-tab van een artikel.

Omgevingswet

Vergelijking tussen 04-06-2026 en 01-07-2026

24 gewijzigde artikelen

Artikel 2.1

Gewijzigd

Onverminderd het derde lid wordt bij het stellen van regels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening gehouden met het belang van het beschermen van de gezondheid.

De uitoefening van bevoegdheden door een bestuursorgaan van een gemeente, een provincie of het Rijk, bedoeld in het eerste lid, kan mede betrekking hebben op een evenwichtige samenstelling van de woningvoorraad.

Nieuwe tekst
  1. Een bestuursorgaan van een gemeente, een provincie of het Rijk of, met inachtneming van de Waterschapswet, van een waterschap oefent zijn taken en bevoegdheden op grond van deze wet uit met het oog op de doelen van de wet, tenzij daarover specifieke regels zijn gesteld.

  2. Het bestuursorgaan houdt daarbij rekening met de samenhang van de relevante onderdelen en aspecten van de fysieke leefomgeving en van de rechtstreeks daarbij betrokken belangen.

  3. Bij de op grond van deze wet gestelde regels kan de toepassing van het eerste en tweede lid worden uitgewerkt of begrensd. Deze uitwerking of begrenzing kan in ieder geval betrekking hebben op:

    1. het waarborgen van de veiligheid,

    2. het beschermen van de gezondheid,

    3. het beschermen van het milieu,

    4. het duurzaam veiligstellen van de openbare drinkwatervoorziening,

    5. het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden,

    6. het behoud van cultureel erfgoed,

    7. het behoud van de uitzonderlijke universele waarde van werelderfgoed,

    8. de natuurbescherming,

    9. het tegengaan van klimaatverandering,

    10. de kwaliteit van bouwwerken,

    11. een evenwichtige toedeling van functies aan locaties,

    12. het behoeden van de staat en werking van infrastructuur voor nadelige gevolgen van activiteiten,

    13. het beheer van infrastructuur,

    14. het beheer van watersystemen,

    15. het beheer van geobiologische en geothermische systemen en ecosystemen,

    16. het beheer van natuurlijke hulpbronnen,

    17. het beheer van natuurgebieden,

    18. het gebruik van bouwwerken,

    19. het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen.

  4. Onverminderd het derde lid wordt bij het stellen van regels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening gehouden met het belang van het beschermen van de gezondheid.

  5. De uitoefening van bevoegdheden door een bestuursorgaan van een gemeente, een provincie of het Rijk, bedoeld in het eerste lid, kan mede betrekking hebben op een evenwichtige samenstelling van de woningvoorraad.

Artikel 2.26

Gewijzigd

vogelrichtlijn.

Regels op grond van artikel 2.24 worden met het oog op het woningbouwtekort in ieder geval gesteld over het nationaal volkshuisvestingsprogramma, bedoeld in artikel 3.9, vijfde lid. De regels strekken in ieder geval tot het in kaart brengen van bouwlocaties die verhoogde attentie vereisen.

Nieuwe tekst
  1. Regels op grond van artikel 2.24 worden met het oog op het waarborgen van de veiligheid, het beschermen van de gezondheid, het beschermen van het milieu, de natuurbescherming en het beheer van watersystemen en natuurgebieden in ieder geval gesteld over programma’s als bedoeld in paragraaf 3.2.2 die voortvloeien uit internationaalrechtelijke verplichtingen.

  2. De regels strekken mede ter voorkoming of beperking van achteruitgang van de staat of kwaliteit van de fysieke leefomgeving.

  3. De regels strekken in ieder geval tot uitvoering van de:

    1. drinkwaterrichtlijn,

    2. grondwaterrichtlijn,

    3. habitatrichtlijn,

    4. kaderrichtlijn mariene strategie,

    5. kaderrichtlijn maritieme ruimtelijke planning,

    6. kaderrichtlijn water,

    7. nec-richtlijn,

    8. richtlijn luchtkwaliteit,

    9. richtlijn omgevingslawaai,

    10. richtlijn overstromingsrisico’s,

    11. vogelrichtlijn.

  4. Regels op grond van artikel 2.24 worden met het oog op het woningbouwtekort in ieder geval gesteld over het nationaal volkshuisvestingsprogramma, bedoeld in artikel 3.9, vijfde lid. De regels strekken in ieder geval tot het in kaart brengen van bouwlocaties die verhoogde attentie vereisen.

Artikel 2.33

Gewijzigd

het waterschapsbestuur, als dat nodig is voor een samenhangend en doelmatig regionaal waterbeheer,

het dagelijks bestuur van het waterschap over een projectbesluit, als dat nodig is met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.locaties,

het college van burgemeester en wethouders over het volkshuisvestingsprogramma, bedoeld in artikel 3.6, derde lid, als dat nodig is met het oog op een evenwichtige samenstelling van de woningvoorraad.

Op het geven van een instructie is artikel 2.23, tweede en vierde lid, van overeenkomstige toepassing.

Nieuwe tekst
  1. Gedeputeerde staten kunnen, met inachtneming van de grenzen van artikel 2.3, tweede lid, de gemeenteraad of het waterschapsbestuur waarvan het beheergebied geheel of grotendeels in de betrokken provincie is gelegen een instructie geven over de uitoefening van een taak of bevoegdheid.

  2. Een instructie kan alleen worden gegeven aan:

    1. de gemeenteraad over het stellen van regels in een omgevingsplan als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, als dat nodig is met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties,

    2. het waterschapsbestuur, als dat nodig is voor een doelmatige beheersing van het geluid afkomstig van wegen als bedoeld in artikel 2.17, eerste lid, onder c,

    3. het waterschapsbestuur, als dat nodig is voor een samenhangend en doelmatig regionaal waterbeheer,

    4. het dagelijks bestuur van het waterschap over een projectbesluit, als dat nodig is met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties,

    5. het college van burgemeester en wethouders over het volkshuisvestingsprogramma, bedoeld in artikel 3.6, derde lid, als dat nodig is met het oog op een evenwichtige samenstelling van de woningvoorraad.

  3. Op het geven van een instructie is artikel 2.23, tweede en vierde lid, van overeenkomstige toepassing.

  4. Een instructie kan niet worden gegeven als toepassing kan worden gegeven aan:

    1. artikel 124, 124a of 273a van de Gemeentewet, of

    2. artikel 156, eerste lid, van de Waterschapswet.

Artikel 2.34

Gewijzigd

de gemeenteraad over het stellen van regels in een omgevingsplan als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, als dat nodig is met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties,

het dagelijks bestuur van het waterschap over een projectbesluit, als dat nodig is met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.locaties,

gedeputeerde staten over een instructie aan de gemeenteraad over het stellen van regels in een omgevingsplan als bedoeld in artikel 2.33, tweede lid, onder a, als dat nodig is met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties,

gedeputeerde staten over het volkshuisvestingsprogramma, bedoeld in artikel 3.8, vierde lid, als dat nodig is met het oog op een evenwichtige samenstelling van de woningvoorraad,

het college van burgemeester en wethouders over het volkshuisvestingsprogramma, bedoeld in artikel 3.6, derde lid, als dat nodig is met het oog op een evenwichtige samenstelling van de woningvoorraad.

In aanvulling op het tweede lid kan Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat een instructie geven aan het provinciebestuur of het waterschapsbestuur over de uitoefening van een taak of bevoegdheid op het gebied van het beheer van watersystemen of het waterketenbeheer, als dat nodig is voor een samenhangend en doelmatig waterbeheer.

Nieuwe tekst
  1. Onze Minister die het aangaat, in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, kan, met inachtneming van de grenzen van artikel 2.3, derde lid, een instructie geven aan het provinciebestuur, het gemeentebestuur of het waterschapsbestuur over de uitoefening van een taak of bevoegdheid.

  2. Een instructie kan alleen worden gegeven aan:

    1. provinciale staten over het stellen van regels in een omgevingsverordening als bedoeld in artikel 2.22 of 4.1, eerste lid, als dat nodig is met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties,

    2. gedeputeerde staten over een projectbesluit, als dat nodig is met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties,

    3. provinciale staten over een besluit tot vaststelling van geluidproductieplafonds als omgevingswaarden rondom industrieterreinen waarop zich voorzieningen voor defensie bevinden, als toepassing is gegeven aan artikel 2.12a, eerste lid,

    4. de gemeenteraad over het stellen van regels in een omgevingsplan als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, als dat nodig is met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties,

    5. het dagelijks bestuur van het waterschap over een projectbesluit, als dat nodig is met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties,

    6. gedeputeerde staten over een instructie aan de gemeenteraad over het stellen van regels in een omgevingsplan als bedoeld in artikel 2.33, tweede lid, onder a, als dat nodig is met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties,

    7. gedeputeerde staten over het volkshuisvestingsprogramma, bedoeld in artikel 3.8, vierde lid, als dat nodig is met het oog op een evenwichtige samenstelling van de woningvoorraad,

    8. het college van burgemeester en wethouders over het volkshuisvestingsprogramma, bedoeld in artikel 3.6, derde lid, als dat nodig is met het oog op een evenwichtige samenstelling van de woningvoorraad.

  3. In aanvulling op het tweede lid kan Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat een instructie geven aan het provinciebestuur of het waterschapsbestuur over de uitoefening van een taak of bevoegdheid op het gebied van het beheer van watersystemen of het waterketenbeheer, als dat nodig is voor een samenhangend en doelmatig waterbeheer.

  4. In aanvulling op het tweede lid kan Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, een instructie geven aan de gemeenteraad tot het in het omgevingsplan voor een locatie opnemen van de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht en tot het daarbij bepalen dat wordt voorzien in het beschermen van het stads- of dorpsgezicht, als dat nodig is voor het behoud van cultureel erfgoed.

  5. Op het geven van een instructie is artikel 2.25, tweede en vierde lid, van overeenkomstige toepassing.

  6. Een instructie kan niet worden gegeven als toepassing kan worden gegeven aan:

    1. artikel 124a, 124b of 268 van de Gemeentewet,

    2. artikel 121 of 261 van de Provinciewet, of

    3. de Wet Naleving Europese regelgeving publieke entiteiten.

Artikel 3.6

Gewijzigd

Het actieplan wordt vastgesteld aan de hand van de voor die geluidbronnen op grond van artikel 20.17 vastgestelde geluidbelastingkaarten.

Het college van burgemeester en wethouders stelt een gemeentelijk volkshuisvestingsprogramma vast.

Nieuwe tekst
  1. Het college van burgemeester en wethouders van een gemeente, gelegen in een door Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat aangewezen agglomeratie als bedoeld in artikel 3, onder k, van de richtlijn omgevingslawaai, stelt een actieplan als bedoeld in artikel 8 van die richtlijn vast voor de volgende geluidbronnen:

    1. wegen en daarin gelegen spoorwegen,

    2. andere spoorwegen,

    3. luchthavens,

    4. een activiteit of een samenstel van activiteiten, waarvoor een regel als bedoeld in artikel 2.22 of 2.24, eerste lid, of paragraaf 4.1.1 voor het geluid is gesteld.

  2. Het actieplan wordt vastgesteld aan de hand van de voor die geluidbronnen op grond van artikel 20.17 vastgestelde geluidbelastingkaarten.

  3. Het college van burgemeester en wethouders stelt een gemeentelijk volkshuisvestingsprogramma vast.

Artikel 3.8

Gewijzigd

Gedeputeerde staten van de provincie waarin een Natura 2000-gebied ligt of, als dat gebied in meer dan een provincie ligt, gedeputeerde staten van de provincie waarin dat gebied grotendeels ligt, stellen voor dat gebied een beheerplan vast.

Gedeputeerde staten stellen een provinciaal volkshuisvestingsprogramma vast.

Nieuwe tekst
  1. Gedeputeerde staten stellen ter uitvoering van de richtlijn omgevingslawaai, overeenkomstig artikel 3.6, een actieplan vast voor de volgende geluidbronnen:

    1. belangrijke wegen als bedoeld in artikel 3, onder n, van die richtlijn, als het gaat om wegen die:

      1. 1°

        in beheer zijn bij de provincie, of

      2. 2°

        in beheer zijn bij een gemeente of waterschap en zijn gelegen buiten een agglomeratie als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid,

    2. belangrijke spoorwegen als bedoeld in artikel 3, onder o, van die richtlijn, voor zover het niet gaat om spoorwegen als bedoeld in de artikelen 3.6, eerste lid, onder b, en 3.9, eerste lid, onder b, onder 2°,

    3. burgerluchthavens van regionale betekenis, als het gaat om belangrijke luchthavens als bedoeld in artikel 3, onder p, van die richtlijn.

  2. Gedeputeerde staten stellen ter uitvoering van de grondwaterrichtlijn, de kaderrichtlijn water, de richtlijn overstromingsrisico’s, de zwemwaterrichtlijn en andere Europese richtlijnen over water regionale waterprogramma’s vast.

  3. Gedeputeerde staten van de provincie waarin een Natura 2000-gebied ligt of, als dat gebied in meer dan een provincie ligt, gedeputeerde staten van de provincie waarin dat gebied grotendeels ligt, stellen voor dat gebied een beheerplan vast.

  4. Gedeputeerde staten stellen een provinciaal volkshuisvestingsprogramma vast.

Artikel 3.9

Gewijzigd

Daarbij houdt die minister rekening met de vereisten op economisch, sociaal en cultureel gebied en met de regionale en lokale bijzonderheden.

Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening stelt een nationaal volkshuisvestingsprogramma vast.

Nieuwe tekst
  1. Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat stelt de volgende programma’s vast:

    1. een nationaal nec-programma als bedoeld in artikel 6 van de nec-richtlijn,

    2. ter uitvoering van de richtlijn omgevingslawaai, overeenkomstig artikel 3.6, een actieplan voor de volgende geluidbronnen:

      1. 1°

        wegen in beheer bij het Rijk,

      2. 2°

        hoofdspoorwegen,

      3. 3°

        de luchthaven Schiphol en de overige burgerluchthavens van nationale betekenis, als het gaat om belangrijke luchthavens als bedoeld in artikel 3, onder p, van die richtlijn.

  2. Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat stelt, in overeenstemming met Onze Ministers die het aangaat, de volgende programma’s vast:

    1. de stroomgebiedsbeheerplannen, bedoeld in artikel 13 van de kaderrichtlijn water, voor de Nederlandse delen van de stroomgebiedsdistricten Rijn, Maas, Schelde en Eems,

    2. de overstromingsrisicobeheerplannen, bedoeld in de artikelen 7 en 8 van de richtlijn overstromingsrisico’s, voor de stroomgebiedsdistricten, genoemd onder a,

    3. een programma van maatregelen mariene strategie als bedoeld in artikel 5, tweede lid, onder b, van de kaderrichtlijn mariene strategie,

    4. een maritiem ruimtelijk plan als bedoeld in artikel 4 van de kaderrichtlijn maritieme ruimtelijke planning,

    5. een nationaal waterprogramma.

  3. Het beheerplan voor een Natura 2000-gebied dat geheel of gedeeltelijk wordt beheerd door een van Onze andere Ministers dan Onze Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur of dat eigendom is van de Staat der Nederlanden, wordt in afwijking van artikel 3.8, derde lid, voor dat gebied of dat gedeelte vastgesteld door Onze Minister bij wie op grond van artikel 2.19, vijfde lid, onder b, de taak berust om zorg te dragen voor het treffen van maatregelen voor Natura 2000-gebieden.

  4. Onze Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur stelt een programma vast voor:

    1. het verminderen van de depositie van stikstof op voor stikstof gevoelige habitats in Natura 2000-gebieden om te voldoen aan de omgevingswaarden, bedoeld in artikel 2.15a, eerste lid; en

    2. het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen voor die habitats.

    Daarbij houdt die minister rekening met de vereisten op economisch, sociaal en cultureel gebied en met de regionale en lokale bijzonderheden.

  5. Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening stelt een nationaal volkshuisvestingsprogramma vast.

Artikel 9.4

Gewijzigd

Een voorkeursrecht vervalt:

bij een voorkeursrecht als bedoeld in artikel 9.1, eerste lid, onder c: drievijf jaar na het ingaan ervan, tenzij voor dat tijdstip de functie waarvoor het voorkeursrecht is gevestigd, is toegedacht in een vastgestelde omgevingsvisie of een vastgesteld programma of is toegedeeld in een vastgesteld omgevingsplan,

bij een voorkeursrecht als bedoeld in artikel 9.1, eerste lid, onder b: drievijf jaar na het ingaan ervan, tenzij voor dat tijdstip de functie waarvoor het voorkeursrecht is gevestigd, is toegedeeld in een vastgesteld omgevingsplan,

bij een voorkeursrecht als bedoeld in artikel 9.1, eerste lid, onder a: vijf jaar na het ingaan ervan of, als die termijn met toepassing van het tweede lid is verlengd, aan het einde van de verlengde termijn.

bij een voorkeursrecht als bedoeld in artikel 9.1, eerste lid, onder a: vijf jaar na het ingaan ervan of, als die termijn met toepassing van het tweede lid is verlengd, aan het einde van de verlengde termijn.

Een bestuursorgaan dat een voorkeursrecht als bedoeld in artikel 9.1, eerste lid, onder a, heeft gevestigd, kan besluiten de termijn, bedoeld in het eerste lid, onder c, eenmaal met ten hoogste vijf jaar te verlengen. Als het voorkeursrecht eerder was gevestigd op grond van artikel 9.1, eerste lid, onder c, en op het moment van vaststelling van het omgevingsplan langer dan zes jaar van kracht was, bedraagt de verlengde termijn in totaal ten hoogste zestien jaar verminderd met de tijd die is verstreken tussen het ingaan van het voorkeursrecht en de vaststelling van het omgevingsplan.

Een voorkeursrecht als bedoeld in artikel 9.1, tweede lid, vervalt drie maanden na het ingaan ervan of, als dat eerder is, op het tijdstip dat een voorkeursrecht als bedoeld in artikel 9.1, eerste lid, ingaat.

Een voorkeursrecht waarvan op grond van het eerste lid de geldingsduur is verlengd, vervalt:

bij een voorkeursrecht als bedoeld in het eerste lid, onder a, dat door tijdige vaststelling van een omgevingsvisie of een programma als bedoeld in dat onderdeel is komen te gelden als een voorkeursrecht op grond van artikel 9.1, eerste lid, onder b: drievijf jaar na de vaststelling van die omgevingsvisie of dat programma, tenzij voor dat tijdstip de functie waarvoor het voorkeursrecht is gevestigd, is toegedeeld in een vastgesteld omgevingsplan,

bij een voorkeursrecht als bedoeld in het eerste lid, onder b, dat door tijdige vaststelling van een omgevingsplan als bedoeld in dat onderdeel is komen te gelden als een voorkeursrecht op grond van artikel 9.1, eerste lid, onder a: vijf jaar na de inwerkingtreding van dat omgevingsplan of, als die termijn met toepassing van het tweede lid is verlengd, aan het einde van de verlengde termijn.

Nieuwe tekst
  1. Een voorkeursrecht vervalt:

    1. bij een voorkeursrecht als bedoeld in artikel 9.1, eerste lid, onder c: vijf jaar na het ingaan ervan, tenzij voor dat tijdstip de functie waarvoor het voorkeursrecht is gevestigd, is toegedacht in een vastgestelde omgevingsvisie of een vastgesteld programma of is toegedeeld in een vastgesteld omgevingsplan,

    2. bij een voorkeursrecht als bedoeld in artikel 9.1, eerste lid, onder b: vijf jaar na het ingaan ervan, tenzij voor dat tijdstip de functie waarvoor het voorkeursrecht is gevestigd, is toegedeeld in een vastgesteld omgevingsplan,

    3. bij een voorkeursrecht als bedoeld in artikel 9.1, eerste lid, onder a: vijf jaar na het ingaan ervan of, als die termijn met toepassing van het tweede lid is verlengd, aan het einde van de verlengde termijn.

  2. Een bestuursorgaan dat een voorkeursrecht als bedoeld in artikel 9.1, eerste lid, onder a, heeft gevestigd, kan besluiten de termijn, bedoeld in het eerste lid, onder c, eenmaal met ten hoogste vijf jaar te verlengen. Als het voorkeursrecht eerder was gevestigd op grond van artikel 9.1, eerste lid, onder c, en op het moment van vaststelling van het omgevingsplan langer dan zes jaar van kracht was, bedraagt de verlengde termijn in totaal ten hoogste zestien jaar verminderd met de tijd die is verstreken tussen het ingaan van het voorkeursrecht en de vaststelling van het omgevingsplan.

  3. Een voorkeursrecht als bedoeld in artikel 9.1, tweede lid, vervalt drie maanden na het ingaan ervan of, als dat eerder is, op het tijdstip dat een voorkeursrecht als bedoeld in artikel 9.1, eerste lid, ingaat.

  4. Een voorkeursrecht waarvan op grond van het eerste lid de geldingsduur is verlengd, vervalt:

    1. bij een voorkeursrecht als bedoeld in het eerste lid, onder a, dat door tijdige vaststelling van een omgevingsvisie of een programma als bedoeld in dat onderdeel is komen te gelden als een voorkeursrecht op grond van artikel 9.1, eerste lid, onder b: vijf jaar na de vaststelling van die omgevingsvisie of dat programma, tenzij voor dat tijdstip de functie waarvoor het voorkeursrecht is gevestigd, is toegedeeld in een vastgesteld omgevingsplan,

    2. bij een voorkeursrecht als bedoeld in het eerste lid, onder b, dat door tijdige vaststelling van een omgevingsplan als bedoeld in dat onderdeel is komen te gelden als een voorkeursrecht op grond van artikel 9.1, eerste lid, onder a: vijf jaar na de inwerkingtreding van dat omgevingsplan of, als die termijn met toepassing van het tweede lid is verlengd, aan het einde van de verlengde termijn.

  5. Als een omgevingsplan wordt vernietigd, blijft een voorkeursrecht dat is gebaseerd op dat omgevingsplan gelden tot twee jaar na de vernietiging, tenzij het voorkeursrecht eerder wordt ingetrokken. Als binnen die termijn in het omgevingsplan de grondslag voor het voorkeursrecht wordt hersteld, heeft het voorkeursrecht de geldingsduur die het direct voorafgaand aan de vernietiging had.

Onverminderd artikel 16.7 bevordert het bevoegd gezag dat op de voorbereiding van beslissingen op losse aanvragen om een omgevingsvergunning of wijziging van de voorschriften van een omgevingsvergunning die betrekking hebben op een activiteit die behoort tot verschillende gevallen die op grond van artikel 5.1, 5.3 of 5.4 als vergunningplichtig zijn aangewezen waar mogelijk afdeling 3.5 van de Algemene wet bestuursrecht wordt toegepast.

Nieuwe tekst

Onverminderd artikel 16.7 bevordert het bevoegd gezag dat op de voorbereiding van beslissingen op losse aanvragen om een omgevingsvergunning of wijziging van de voorschriften van een omgevingsvergunning die betrekking hebben op een activiteit die behoort tot verschillende gevallen die op grond van artikel 5.1, 5.3 of 5.4 als vergunningplichtig zijn aangewezen waar mogelijk afdeling 3.5 van de Algemene wet bestuursrecht wordt toegepast.

Artikel 16.71

Gewijzigd

In afwijking van artikel 3:1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht zijn de afdelingen 3.6 en 3.7 van die wet van toepassing op een besluit als bedoeld in het eerste lid, onder a of b.

Bij de bekendmaking van een projectbesluit of van een besluit tot uitvoering van een projectbesluit wordt de bijzondere regeling over het aanvoeren van gronden van het beroep, bedoeld in artikel 16.86, vermeld.

Nieuwe tekst
  1. Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op de voorbereiding van:

    1. een projectbesluit,

    2. een besluit tot het buiten toepassing laten van regels als bedoeld in artikel 5.53, derde of vierde lid.

  2. In afwijking van artikel 3:1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht zijn de afdelingen 3.6 en 3.7 van die wet van toepassing op een besluit als bedoeld in het eerste lid, onder a of b.

Artikel 16.77b

Gewijzigd

Artikel 3:42 van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvisie en een programma als bedoeld in de paragrafen 3.2.2 tot en met 3.2.4.

Bij de bekendmaking van een projectbesluit, een besluit tot uitvoering van een projectbesluit of een besluit dat is aangewezen op grond van artikel 16.87a wordt de bijzondere regeling over het aanvoeren van gronden van het beroep, bedoeld in artikel 16.86, vermeld.

Nieuwe tekst
  1. Een omgevingsplan wordt niet eerder bekendgemaakt dan nadat twee weken zijn verstreken sinds de dag waarop het omgevingsplan is vastgesteld, tenzij:

    1. gedeputeerde staten over het ontwerp van het omgevingsplan geen zienswijzen naar voren hebben gebracht,

    2. ten opzichte van het ontwerp van het omgevingsplan geen wijzigingen zijn aangebracht, of

    3. gedeputeerde staten hebben bepaald dat het omgevingsplan eerder ter inzage mag worden gelegd.

  2. Artikel 3:42 van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvisie en een programma als bedoeld in de paragrafen 3.2.2 tot en met 3.2.4.

  3. Bij de bekendmaking van een projectbesluit, een besluit tot uitvoering van een projectbesluit of een besluit dat is aangewezen op grond van artikel 16.87a wordt de bijzondere regeling over het aanvoeren van gronden van het beroep, bedoeld in artikel 16.86, vermeld.

In gevallen waarin artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is, hoeft, in afwijking van artikel 7:1a, eerste lid, van die wet, in geval van een bezwaar tegen een beslissing op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of een omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit voor woningbouwprojecten van ten minste een woning het schriftelijk verzoek aan het bestuursorgaan in te stemmen met rechtstreeks beroep bij de bestuursrechter niet in het bezwaarschrift te worden opgenomen.

Nieuwe tekst

In gevallen waarin artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is, hoeft, in afwijking van artikel 7:1a, eerste lid, van die wet, in geval van een bezwaar tegen een beslissing op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of een omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit voor woningbouwprojecten van ten minste een woning het schriftelijk verzoek aan het bestuursorgaan in te stemmen met rechtstreeks beroep bij de bestuursrechter niet in het bezwaarschrift te worden opgenomen.

In afwijking van artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht kan een gemeente of een bestuursorgaan van een gemeente geen beroep instellen tegen een van de volgende besluiten van een bestuursorgaan van een andere gemeente, voor zover dat besluit betrekking heeft op de bouw van een of meer woningen:

een besluit tot vaststelling of wijziging van een omgevingsplan; of

een besluit op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor:

1°een omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit; of

2°een bouwactiviteit.

Nieuwe tekst

In afwijking van artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht kan een gemeente of een bestuursorgaan van een gemeente geen beroep instellen tegen een van de volgende besluiten van een bestuursorgaan van een andere gemeente, voor zover dat besluit betrekking heeft op de bouw van een of meer woningen:

  1. een besluit tot vaststelling of wijziging van een omgevingsplan; of

  2. een besluit op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor:

    1. 1°

      een omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit; of

    2. 2°

      een bouwactiviteit.

Artikel 16.86

Gewijzigd

Bij het beroep tegen een besluit tot uitvoering van een projectbesluit kunnen geen gronden worden aangevoerd die betrekking hebben op het projectbesluit waarop dat besluit berust.

In afwijking van artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht wordt het beroep tegen een projectbesluit of tegen een besluit ter uitvoering van een projectbesluit niet-ontvankelijk verklaard als niet is voldaan aan artikel 6:5, eerste lid, onder d, van die wet, tenzij bij de bekendmaking van het besluit niet is voldaan aan artikel 16.71,16.77b, derde lid, en redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener van het beroepschrift in verzuim is geweest.

Nieuwe tekst
  1. Bij het beroep tegen een projectbesluit en tegen besluiten ter uitvoering van een projectbesluit kunnen geen gronden worden aangevoerd na afloop van de termijn voor het instellen van beroep.

  2. Bij het beroep tegen een besluit tot uitvoering van een projectbesluit kunnen geen gronden worden aangevoerd die betrekking hebben op het projectbesluit waarop dat besluit berust.

  3. In afwijking van artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht wordt het beroep tegen een projectbesluit of tegen een besluit ter uitvoering van een projectbesluit niet-ontvankelijk verklaard als niet is voldaan aan artikel 6:5, eerste lid, onder d, van die wet, tenzij bij de bekendmaking van het besluit niet is voldaan aan artikel 16.77b, derde lid, en redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener van het beroepschrift in verzuim is geweest.

Onverminderd artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht kan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bij beroepen tegen een beslissing op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of een omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit voor woningbouwprojecten van ten minste een woning bepalen dat een nader onderzoek ter zitting achterwege blijft als het beroep al ter zitting is behandeld.

Nieuwe tekst

Onverminderd artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht kan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bij beroepen tegen een beslissing op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of een omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit voor woningbouwprojecten van ten minste een woning bepalen dat een nader onderzoek ter zitting achterwege blijft als het beroep al ter zitting is behandeld.

Artikel 16.87

Gewijzigd

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State behandelt beroepen tegen een projectbesluit, tegen een besluit over goedkeuring als bedoeld in artikel 16.72 en tegen een besluit ter uitvoering van een projectbesluit met toepassing van afdeling 8.2.3 van de Algemene wet bestuursrecht.

Als de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State voor beroepen tegen besluiten als bedoeld in het eerste lid advies van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening inwint, brengt die stichting binnen twee maanden na het verzoek advies uit.

Op beroepen tegen een projectbesluit of tegen een besluit over goedkeuring als bedoeld in artikel 16.72 beslist de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen zes maanden na ontvangst van het verweerschrift.

Op beroepen tegen een projectbesluit of tegen een besluit over goedkeuring als bedoeld in artikel 16.72 beslist de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen zes maanden na ontvangst van het verweerschrift.

In bijzondere omstandigheden kan de Afdeling de in het eerstederde lid genoemde termijn met ten hoogste drie maanden verlengen.

Op beroepen tegen een besluit ter uitvoering van een projectbesluit waarop op grond van artikel 16.7 afdeling 3.5 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is, beslist de Afdeling binnen zes maanden na ontvangst van de verweerschriften.

Op beroepen tegen een besluit ter uitvoering van een projectbesluit waarop op grond van artikel 16.7 afdeling 3.5 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is, beslist de Afdeling binnen zes maanden na ontvangst van de verweerschriften.

Het derde en vijfde lid zijn niet van toepassing als artikel 8:51a of 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht wordt toegepast. In dat geval doet de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

binnen zes maanden na ontvangst van het verweerschrift een tussenuitspraak; en

binnen zes maanden na verzending van de tussenuitspraak een einduitspraak.

Het derde en vijfde lid zijn voorts niet van toepassing als de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State met toepassing van artikel 267 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie prejudiciële vragen stelt. In dat geval worden de vragen binnen zes maanden na ontvangst van het verweerschrift bij tussenuitspraak gesteld. In de tussenuitspraak beslist de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zoveel mogelijk ook op de beroepsgronden die niet door de vragen worden geraakt.

Nieuwe tekst
  1. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State behandelt beroepen tegen een projectbesluit, tegen een besluit over goedkeuring als bedoeld in artikel 16.72 en tegen een besluit ter uitvoering van een projectbesluit met toepassing van afdeling 8.2.3 van de Algemene wet bestuursrecht.

  2. Als de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State voor beroepen tegen besluiten als bedoeld in het eerste lid advies van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening inwint, brengt die stichting binnen twee maanden na het verzoek advies uit.

  3. Op beroepen tegen een projectbesluit of tegen een besluit over goedkeuring als bedoeld in artikel 16.72 beslist de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen zes maanden na ontvangst van het verweerschrift.

  4. In bijzondere omstandigheden kan de Afdeling de in het derde lid genoemde termijn met ten hoogste drie maanden verlengen.

  5. Op beroepen tegen een besluit ter uitvoering van een projectbesluit waarop op grond van artikel 16.7 afdeling 3.5 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is, beslist de Afdeling binnen zes maanden na ontvangst van de verweerschriften.

  6. Het derde en vijfde lid zijn niet van toepassing als artikel 8:51a of 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht wordt toegepast. In dat geval doet de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

    1. binnen zes maanden na ontvangst van het verweerschrift een tussenuitspraak; en

    2. binnen zes maanden na verzending van de tussenuitspraak een einduitspraak.

  7. Het derde en vijfde lid zijn voorts niet van toepassing als de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State met toepassing van artikel 267 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie prejudiciële vragen stelt. In dat geval worden de vragen binnen zes maanden na ontvangst van het verweerschrift bij tussenuitspraak gesteld. In de tussenuitspraak beslist de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zoveel mogelijk ook op de beroepsgronden die niet door de vragen worden geraakt.

Artikel 16.87a

Gewijzigd

TegenOp een besluit dat alleen betrekking heeft op de weigeringvoordracht van eenOnze omgevingsvergunningMinister voordie eenhet jachtgeweeractiviteitaangaat, ofmede opnamens deOnze intrekkingMinister van eenVolkshuisvesting vergunningen opRuimtelijke deOrdening, in hetovereenstemming tweede lid genoemde gronden, staat administratief beroep open bijmet Onze Minister van Justitie en Veiligheid.Veiligheid, kunnen bij algemene maatregel van bestuur besluiten voor categorieën projecten die bijdragen aan het nastreven van de doelen, bedoeld in artikel 1.3, aanhef en onder b, waarvan de versnelde uitvoering noodzakelijk is vanwege zwaarwegende maatschappelijke belangen worden aangewezen waarop de artikelen 16.86, eerste en derde lid, en 16.87, eerste tot en met vierde lid, zesde lid en zevende lid, ook van toepassing zijn.

DeBij gronden,de bedoeldmaatregel wordt in hetieder eerstegeval lid, zijn:bepaald:

degedurende vergunninghouderwelke heeft misbruik gemaakt van wapens of munitie of vantermijn de bevoegdheidaanwijzing omgeldt, wapenswaarbij ofgeldt munitiedat voorhandendie tetermijn hebben,ten ofhoogste tien jaar bedraagt;

er zijn andere aanwijzingen dat aanhoe de vergunninghouderevaluatie heten voorhanden hebbenmonitoring van wapensde of munitie niet of niet langer kanaanwijzing worden toevertrouwd.uitgevoerd.

Als de evaluatie van de aanwijzing aanleiding geeft tot verlenging daarvan, kan Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, in overeenstemming met Onze Minister van Justitie en Veiligheid, besluiten om de termijn, bedoeld in het tweede lid, onder a, eenmaal met ten hoogste vijf jaar te verlengen.

Als een besluit uit verschillende besluitonderdelen bestaat waarvan alleen een gedeelte als een besluit als bedoeld in het eerste lid is aangewezen, strekt de aanwijzing zich uit over alle besluitonderdelen.

Bij de maatregel worden in ieder geval woningbouwprojecten waarbij ten minste een woning wordt gerealiseerd aangewezen als categorie projecten als bedoeld in het eerste lid.

Nieuwe tekst
  1. Op voordracht van Onze Minister die het aangaat, mede namens Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, in overeenstemming met Onze Minister van Justitie en Veiligheid, kunnen bij algemene maatregel van bestuur besluiten voor categorieën projecten die bijdragen aan het nastreven van de doelen, bedoeld in artikel 1.3, aanhef en onder b, waarvan de versnelde uitvoering noodzakelijk is vanwege zwaarwegende maatschappelijke belangen worden aangewezen waarop de artikelen 16.86, eerste en derde lid, en 16.87, eerste tot en met vierde lid, zesde lid en zevende lid, ook van toepassing zijn.

  2. Bij de maatregel wordt in ieder geval bepaald:

    1. gedurende welke termijn de aanwijzing geldt, waarbij geldt dat die termijn ten hoogste tien jaar bedraagt;

    2. hoe de evaluatie en monitoring van de aanwijzing worden uitgevoerd.

  3. Als de evaluatie van de aanwijzing aanleiding geeft tot verlenging daarvan, kan Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, in overeenstemming met Onze Minister van Justitie en Veiligheid, besluiten om de termijn, bedoeld in het tweede lid, onder a, eenmaal met ten hoogste vijf jaar te verlengen.

  4. Als een besluit uit verschillende besluitonderdelen bestaat waarvan alleen een gedeelte als een besluit als bedoeld in het eerste lid is aangewezen, strekt de aanwijzing zich uit over alle besluitonderdelen.

  5. Bij de maatregel worden in ieder geval woningbouwprojecten waarbij ten minste een woning wordt gerealiseerd aangewezen als categorie projecten als bedoeld in het eerste lid.

Bij beroepen tegen een beslissing op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of een omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit voor woningbouwprojecten van ten minste een woning kan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zich, als het een hoger beroep betreft en als zij van oordeel is dat een grond van het beroep niet tot vernietiging van het bestreden besluit of een gedeelte van dat besluit kan leiden, bij de vermelding van de gronden van de beslissing beperken tot dit oordeel.

Nieuwe tekst

Bij beroepen tegen een beslissing op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of een omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit voor woningbouwprojecten van ten minste een woning kan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zich, als het een hoger beroep betreft en als zij van oordeel is dat een grond van het beroep niet tot vernietiging van het bestreden besluit of een gedeelte van dat besluit kan leiden, bij de vermelding van de gronden van de beslissing beperken tot dit oordeel.

Tegen een besluit dat alleen betrekking heeft op de weigering van een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit of op de intrekking van een vergunning op de in het tweede lid genoemde gronden, staat administratief beroep open bij Onze Minister van Justitie en Veiligheid.

De gronden, bedoeld in het eerste lid, zijn:

de vergunninghouder heeft misbruik gemaakt van wapens of munitie of van de bevoegdheid om wapens of munitie voorhanden te hebben, of

er zijn andere aanwijzingen dat aan de vergunninghouder het voorhanden hebben van wapens of munitie niet of niet langer kan worden toevertrouwd.

Nieuwe tekst
  1. Tegen een besluit dat alleen betrekking heeft op de weigering van een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit of op de intrekking van een vergunning op de in het tweede lid genoemde gronden, staat administratief beroep open bij Onze Minister van Justitie en Veiligheid.

  2. De gronden, bedoeld in het eerste lid, zijn:

    1. de vergunninghouder heeft misbruik gemaakt van wapens of munitie of van de bevoegdheid om wapens of munitie voorhanden te hebben, of

    2. er zijn andere aanwijzingen dat aan de vergunninghouder het voorhanden hebben van wapens of munitie niet of niet langer kan worden toevertrouwd.

Artikel 20.7

Gewijzigd

het werelderfgoedverdrag.

Op grond van artikel 20.6 worden in ieder geval ook regels bij algemene maatregel van bestuur gesteld over het verzamelen van gegevens door Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening ten aanzien van de stand van de woningbouwopgave.

Nieuwe tekst
  1. Op grond van artikel 20.6 worden in ieder geval regels gesteld ter uitvoering van:

    1. de habitatrichtlijn,

    2. de PRTR-verordening,

    3. de richtlijn omgevingslawaai,

    4. de richtlijn overstromingsrisico’s,

    5. de vogelrichtlijn,

    6. het werelderfgoedverdrag.

  2. Op grond van artikel 20.6 worden in ieder geval ook regels bij algemene maatregel van bestuur gesteld over het verzamelen van gegevens door Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening ten aanzien van de stand van de woningbouwopgave.

Op grond van artikel 20.14, derde lid, onder b, vierde lid en vijfde lid, worden in ieder geval regels gesteld over de verslaglegging, de toezending van verslagen aan andere bestuursorganen en de openbaarmaking van verslagen met betrekking tot de gegevens, bedoeld in artikel 20.7, tweede lid.

Nieuwe tekst

Op grond van artikel 20.14, derde lid, onder b, vierde lid en vijfde lid, worden in ieder geval regels gesteld over de verslaglegging, de toezending van verslagen aan andere bestuursorganen en de openbaarmaking van verslagen met betrekking tot de gegevens, bedoeld in artikel 20.7, tweede lid.

Artikel 16.87a is niet van toepassing op een besluit dat is bekendgemaakt voor het tijdstip van inwerkingtreding van de algemene maatregel van bestuur waarmee dat besluit wordt aangewezen op grond van artikel 16.87a.

Artikel 16.87a blijft van toepassing op een besluit dat is aangewezen op grond van dat artikel en is bekendgemaakt op of na het tijdstip, bedoeld in het eerste lid, en binnen de termijn, bedoeld in artikel 16.87a, tweede lid, onder a, tot het besluit onherroepelijk is.

Nieuwe tekst
  1. Artikel 16.87a is niet van toepassing op een besluit dat is bekendgemaakt voor het tijdstip van inwerkingtreding van de algemene maatregel van bestuur waarmee dat besluit wordt aangewezen op grond van artikel 16.87a.

  2. Artikel 16.87a blijft van toepassing op een besluit dat is aangewezen op grond van dat artikel en is bekendgemaakt op of na het tijdstip, bedoeld in het eerste lid, en binnen de termijn, bedoeld in artikel 16.87a, tweede lid, onder a, tot het besluit onherroepelijk is.

Artikel 23.3

Gewijzigd

Als de evaluatie van een experiment aanleiding geeft tot het aanpassen van regelgeving, kan Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, in afwijking van de maatregel waarbij de tijdsduur van het experiment is bepaald, een besluit nemen om die tijdsduur met ten hoogste vijf jaar te verlengen met het oog op het aanpassen van die regelgeving.

Bij regeling van Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, in overeenstemming met Onze Minister of Onze Ministers die het mede aangaat, kunnen, op verzoek van de gemeenteraad, het algemeen bestuur van een waterschap of provinciale staten, nieuwe gebieden worden aangewezen in aanvulling op het derde lid, onder g. Het bij de maatregel op grond van het derde lid bepaalde is van overeenkomstige toepassing op de aanwijzing van nieuwe gebieden bij ministeriële regeling.

Nieuwe tekst
  1. Bij algemene maatregel van bestuur kan, met inachtneming van internationaalrechtelijke verplichtingen, bij wijze van experiment worden afgeweken van het bepaalde bij of krachtens:

    1. deze wet,

    2. de Energiewet, voor zover dat geen gevolgen heeft voor de opbrengst van de energiebelasting, bedoeld in artikel 1 van de Wet belastingen op milieugrondslag,

    3. de Huisvestingswet 2014,

    4. de Leegstandwet,

    5. de Warmtewet,

    6. de Wet milieubeheer.

  2. Een experiment wordt alleen aangewezen als dit beoogt bij te dragen aan het nastreven van de doelen, bedoeld in artikel 1.3, aanhef en onder a, waaronder de verbetering van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving, de te volgen procedures of de besluitvorming daarover.

  3. Bij de maatregel wordt in ieder geval bepaald:

    1. wat het doel van het experiment is,

    2. wat de beoogde gevolgen voor de fysieke leefomgeving zijn,

    3. welk bestuursorgaan verantwoordelijk is voor de uitvoering van het experiment,

    4. wat de tijdsduur van het experiment is, waarbij geldt dat het experiment niet langer duurt dan nodig is voor het doel van het experiment,

    5. van welke regels kan worden afgeweken,

    6. welke afwijkingen voor bij de maatregel aan te wijzen gevallen zijn toegestaan,

    7. voor welk gebied of voor welke besluiten die afwijkingen zijn toegestaan,

    8. hoe lang die afwijkingen ten hoogste, met een maximum van tien jaar als het gaat om omgevingswaarden, zijn toegestaan,

    9. welke afwijkingen na afloop van het experiment toegestaan blijven,

    10. hoe de evaluatie van het experiment wordt uitgevoerd en hoe vaak tussentijds wordt gemonitord met het oog op de doelen, bedoeld in het tweede lid, en de beoogde gevolgen voor de fysieke leefomgeving.

  4. Afwijkingen als bedoeld in het derde lid, onder i, zijn alleen toegestaan als het gaat om afwijkingen die onderdeel zijn van het experiment en wanneer het in overeenstemming brengen met de regelgeving na afloop van het experiment onevenredig is in verhouding tot het te beschermen belang van de fysieke leefomgeving.

  5. Als uit de monitoring en evaluatie, bedoeld in het derde lid, onder j, blijkt dat het experiment niet bijdraagt aan de doelen, bedoeld in het tweede lid, treft degene die het experiment uitvoert maatregelen gericht op het bereiken van die doelen.

  6. Het verantwoordelijke bestuursorgaan, bedoeld in het derde lid, onder c, kan aanwijzingen geven tot het treffen van maatregelen. Artikel 19.4, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

  7. Als de te nemen maatregelen niet toereikend zijn, kan Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening besluiten om het experiment te beëindigen. Aan dat besluit kunnen voorschriften worden verbonden.

  8. Als de evaluatie van een experiment aanleiding geeft tot het aanpassen van regelgeving, kan Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, in afwijking van de maatregel waarbij de tijdsduur van het experiment is bepaald, een besluit nemen om die tijdsduur met ten hoogste vijf jaar te verlengen met het oog op het aanpassen van die regelgeving.

  9. Bij regeling van Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, in overeenstemming met Onze Minister of Onze Ministers die het mede aangaat, kunnen, op verzoek van de gemeenteraad, het algemeen bestuur van een waterschap of provinciale staten, nieuwe gebieden worden aangewezen in aanvulling op het derde lid, onder g. Het bij de maatregel op grond van het derde lid bepaalde is van overeenkomstige toepassing op de aanwijzing van nieuwe gebieden bij ministeriële regeling.

Artikel 23.5

Gewijzigd

De voordracht voor een algemene maatregel van bestuur op grond van de hoofdstukken 2, 3, 4 en 5, afdeling 13.6, de hoofdstukken 16, 17, 18, 19 en 20 en artikel 23.3 wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

Als het ontwerp van een algemene maatregel van bestuur omgevingswaarden of een aanwijzing van categorieën projecten op grond van artikel 16.87a bevat kan binnen de termijn, bedoeld in het eerste lid, een der kamers de wens te kennen geven dat die omgevingswaarden bij wet worden vastgesteld.vastgesteld of die aanwijzing van categorieën projecten bij wet geschiedt. In dat geval wordt een daartoe strekkend voorstel van wet zo spoedig mogelijk ingediend.

Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing als het ontwerp wijzigingen van ondergeschikte betekenis bevat die niet leiden tot andere of grotere nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving of als het ontwerp alleen strekt tot uitvoering van internationaalrechtelijke verplichtingen. Als dat het geval is, geeft Onze Minister die het aangaat daarvan kennis aan beide kamers der Staten-Generaal.

Nieuwe tekst
  1. De voordracht voor een algemene maatregel van bestuur op grond van de hoofdstukken 2, 3, 4 en 5, afdeling 13.6, de hoofdstukken 16, 17, 18, 19 en 20 en artikel 23.3 wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

  2. Als het ontwerp van een algemene maatregel van bestuur omgevingswaarden of een aanwijzing van categorieën projecten op grond van artikel 16.87a bevat kan binnen de termijn, bedoeld in het eerste lid, een der kamers de wens te kennen geven dat die omgevingswaarden bij wet worden vastgesteld of die aanwijzing van categorieën projecten bij wet geschiedt. In dat geval wordt een daartoe strekkend voorstel van wet zo spoedig mogelijk ingediend.

  3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing als het ontwerp wijzigingen van ondergeschikte betekenis bevat die niet leiden tot andere of grotere nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving of als het ontwerp alleen strekt tot uitvoering van internationaalrechtelijke verplichtingen. Als dat het geval is, geeft Onze Minister die het aangaat daarvan kennis aan beide kamers der Staten-Generaal.

  4. Van de inwerkingtreding van een algemene maatregel van bestuur en de publicatie van het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State en het uitgebrachte nader rapport van een algemene maatregel van bestuur waarbij toepassing is gegeven aan het eerste lid, geeft Onze Minister die het aangaat kennis aan beide kamers der Staten-Generaal.