1. De officier van justitie kan de verdachte tegen wie ernstige bezwaren bestaan een gedragsaanwijzing geven in geval van verdenking van een strafbaar feit:

    1. waardoor de openbare orde, gezien de aard van het strafbaar feit of de samenhang met andere strafbare feiten, dan wel de wijze waarop het strafbaar feit is begaan, ernstig is verstoord, en waarbij grote vrees voor herhaling bestaat;

    2. in verband waarmee vrees bestaat voor ernstig belastend gedrag van de verdachte jegens een persoon of personen; of

    3. in verband waarmee vrees bestaat voor gedrag van de verdachte dat herhaald gevaar voor goederen oplevert.

  2. De gedragsaanwijzing kan inhouden dat de verdachte wordt bevolen:

    1. zich niet op te houden in een bepaald gebied;

    2. zich te onthouden van contact met een bepaalde persoon;

    3. zich op bepaalde tijdstippen te melden bij de daartoe aangewezen opsporingsambtenaar;

    4. zich te doen begeleiden bij hulpverlening die van invloed kan zijn op het begaan van strafbare feiten door de verdachte.

  3. De gedragsaanwijzing wordt in persoon aan de verdachte betekend, onder vermelding van de datum van ingang en de periode gedurende welke de gedragsaanwijzing van kracht blijft, en van de redenen die tot de gedragsaanwijzing hebben geleid.

  4. De gedragsaanwijzing blijft ten hoogste drie maanden van kracht dan wel, indien dit een kortere periode betreft, totdat het ter zake van het strafbaar feit gewezen eindvonnis of eindarrest of de ter zake van het strafbaar feit uitgevaardigde strafbeschikking onherroepelijk is geworden. De gedragsaanwijzing kan drie keer worden verlengd met een periode van drie maanden. Elke verlenging wordt in persoon aan de verdachte betekend. Verlenging is niet mogelijk indien tegen de verdachte geen vervolging is ingesteld. De gedragsaanwijzing blijft van kracht uiterlijk totdat het ter zake van het strafbaar feit gewezen eindvonnis of eindarrest of de ter zake van het strafbaar feit uitgevaardigde strafbeschikking onherroepelijk is geworden. De rechter voor wie de verdachte is opgeroepen te verschijnen, kan de gedragsaanwijzing wijzigen. De rechter kan de gedragsaanwijzing opheffen indien hij van oordeel is dat niet of niet langer wordt voldaan aan de in het eerste lid gestelde voorwaarden voor het geven van de gedragsaanwijzing.

  5. De verdachte kan tegen de gedragsaanwijzing en een verlenging daarvan een bezwaarschrift indienen bij de rechtbank, die zo spoedig mogelijk beslist. De verdachte kan zich door een raadsman laten bijstaan.

  6. De officier van justitie wijzigt de gedragsaanwijzing of trekt die in indien nieuwe feiten of omstandigheden daartoe aanleiding geven.