De bepalingen van deze afdeling zijn van toepassing op de verdachte die ten tijde van het begaan van het strafbaar feit de leeftijd van twaalf jaar maar nog niet die van achttien jaar heeft bereikt.
Nieuw Wetboek van Strafvordering Laatste controle 29-03-2026, laatste wijziging 18-03-2026.
Inhoud
Boek 1 Strafvordering in het algemeen
Hoofdstuk 1 Inleidende bepalingen en definities
Titel 1.1 Inleidende bepalingen
Hoofdstuk 2 De behandeling van zaken door de rechter
Hoofdstuk 3 Vervolging en opsporing van strafbare feiten
Hoofdstuk 4 De verdachte en zijn raadsman
Titel 4.1 De verdachte
Titel 4.2 De raadsman
Afdeling 4.2.1 Het optreden van de raadsman
Afdeling 4.2.2 De bevoegdheden van de raadsman
Hoofdstuk 5 Het slachtoffer
Hoofdstuk 6 De getuige
Hoofdstuk 7 De deskundige
Hoofdstuk 8 De processtukken
Hoofdstuk 9 Overdracht van berichten en het indienen van stukken
Hoofdstuk 11 Enige algemene voorzieningen
Titel 11.1 Herstelrecht
Titel 11.2 Videoconferentie
Titel 11.3 De inzet van tolken
Titel 11.4 Opdrachten aan de reclassering
Titel 11.5 Verstoring van ambtsverrichtingen
Boek 2 Het opsporingsonderzoek
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Titel 1.1 Definities
Titel 1.2 Algemene bepalingen over de uitoefening van bevoegdheden in het kader van het opsporingsonderzoek
Titel 1.3 Algemene bevoegdheid
Titel 1.4 Verslaglegging door opsporingsambtenaren
Titel 1.5 Vastlegging van bevelen en van machtigingen en vorderingen daartoe
Titel 1.6 Toestemming voor onderzoekshandelingen
Hoofdstuk 2 De aangifte
Hoofdstuk 3 Het verhoor door opsporingsambtenaren
Hoofdstuk 4 Deskundigenonderzoek in opdracht van de officier van justitie
Hoofdstuk 5 Bevoegdheden tot vrijheidsbeperking en vrijheidsbeneming
Titel 5.1 Algemene bepalingen
Titel 5.2 Staandehouding en aanhouding
Titel 5.3 Ophouden voor onderzoek en inverzekeringstelling
Afdeling 5.3.1 Ophouden voor onderzoek
Afdeling 5.3.2 Inverzekeringstelling
Afdeling 5.3.3 Maatregelen ten aanzien van de voor onderzoek opgehouden of in verzekering gestelde verdachte
Afdeling 5.3.4 Voorgeleiding aan de rechter-commissaris
Titel 5.4 Voorlopige hechtenis
Afdeling 5.4.1 Algemene bepalingen
Afdeling 5.4.2 Toepassingsvoorwaarden
Afdeling 5.4.3 Schorsing van de voorlopige hechtenis
Afdeling 5.4.4 Opheffing van de voorlopige hechtenis
Afdeling 5.4.5 Bewaring
Afdeling 5.4.6 Gevangenhouding en gevangenneming
Afdeling 5.4.7 Beslissingen over voorlopige hechtenis in het eindvonnis
Afdeling 5.4.8 Voorlopige hechtenis na hoger beroep tegen het eindvonnis
Titel 5.5 Rechtsmiddelen
Afdeling 5.5.1 Bezwaar tegen het opleggen van maatregelen
Afdeling 5.5.2 Beroep tegen de directe invrijheidstelling van de verdachte
Afdeling 5.5.3 Beroep tegen beslissingen met betrekking tot de voorlopige hechtenis
Hoofdstuk 6 Bevoegdheden met betrekking tot het lichaam
Titel 6.1 Algemene bepalingen
Afdeling 6.1.1 Bevel officier van justitie
Afdeling 6.1.2 Onderzoek en fase van vrijheidsbeneming
Afdeling 6.1.3 Toestemming
Afdeling 6.1.4 Delegatie
Titel 6.2 Onderzoek aan de kleding en onderzoek van meegevoerde voorwerpen
Titel 6.3 Onderzoek aan het lichaam
Titel 6.4 Onderzoek in het lichaam
Titel 6.5 Overige onderzoeken met betrekking tot het lichaam
Afdeling 6.5.1 Het nemen van vingerafdrukken en gezichtsopnamen ter identiteitsvaststelling
Afdeling 6.5.2 Onderzoek naar gebruik van geweldbevorderende middelen
Afdeling 6.5.3 Het maken van beeldopnamen, het opmeten van lichaamsmaten en het nemen van lichaamsafdrukken, -haar en -materiaal
Afdeling 6.5.4 Onderzoek ten aanzien van fysieke eigenschappen
Afdeling 6.5.5 Het houden van een confrontatie
Afdeling 6.5.6 DNA-onderzoek
Afdeling 6.5.7 Onderzoek naar een ernstige besmettelijke ziekte
Titel 6.6 Onderzoek met betrekking tot het lichaam van een overleden verdachte of slachtoffer
Titel 6.7 Bevoegdheden van de rechter-commissaris
Titel 6.8 Rechtsmiddelen
Hoofdstuk 7 Bevoegdheden met betrekking tot voorwerpen en gegevens
Titel 7.1 Algemene bepalingen
Titel 7.2 Inbeslagneming van voorwerpen
Afdeling 7.2.1 Algemene bepalingen
Afdeling 7.2.2 Bevoegdheden tot inbeslagneming van voorwerpen
Afdeling 7.2.3 Inbeslagneming tot bewaring van het recht tot verhaal
Afdeling 7.2.4 Teruggave en bewaring van inbeslaggenomen voorwerpen
Titel 7.3 Onderzoek van gegevens
Afdeling 7.3.1 Algemene bepalingen
Afdeling 7.3.2 Bevoegdheden
Afdeling 7.3.3 Verstrekking van gegevens ten behoeve van het onderzoek
Titel 7.4 Ontoegankelijkmaking van gegevens
Titel 7.5 Uitoefening van bevoegdheden in het geval van verschoningsrecht
Titel 7.6 Onderzoek ter plaatse
Titel 7.7 Bevoegdheden van de rechter-commissaris
Titel 7.8 Rechtsmiddelen
Hoofdstuk 8 Heimelijke bevoegdheden
Titel 8.1 Algemene bepalingen
Afdeling 8.1.1 Bevel officier van justitie
Afdeling 8.1.2 Kennisgeving aan betrokkene
Afdeling 8.1.3 Voeging gegevens functioneel verschoningsgerechtigden
Afdeling 8.1.4 Technische hulpmiddelen
Afdeling 8.1.5 Verplichting tot inbeslagneming
Afdeling 8.1.6 Uitstel melding onbekende kwetsbaarheden
Titel 8.2 De bevoegdheden
Afdeling 8.2.1 Stelselmatige observatie
Afdeling 8.2.2 Stelselmatig overnemen persoonsgegevens uit publiek toegankelijke bronnen
Afdeling 8.2.3 Bevoegdheden ten aanzien van een besloten plaats
Afdeling 8.2.4 Pseudo-koop of -dienstverlening
Afdeling 8.2.5 Stelselmatige inwinning van informatie
Afdeling 8.2.6 Infiltratie
Afdeling 8.2.7 Vastleggen communicatie die plaatsvindt door middel van een aanbieder van een communicatiedienst
Afdeling 8.2.8 Vastleggen vertrouwelijke communicatie
Afdeling 8.2.9 Toegang op afstand tot een digitale-gegevensdrager of geautomatiseerd werk
Afdeling 8.2.10 Stelselmatige locatiebepaling
Titel 8.3 Bijstand door burgers bij de uitoefening van heimelijke bevoegdheden
Titel 8.4 Personen in de openbare dienst van een vreemde staat
Titel 8.5 Maatregelen in het belang van de veiligheid
Titel 8.6 Vermoeden georganiseerd verband en aanwijzingen terroristisch misdrijf
Titel 8.7 Rechtsmiddelen
Hoofdstuk 9 Het verkennend onderzoek
Hoofdstuk 10 Onderzoek door de rechter-commissaris
Titel 10.1 Algemene bepalingen
Titel 10.2 Bevoegdheden met betrekking tot de verdachte
Afdeling 10.2.1 Het verhoor van de verdachte
Afdeling 10.2.2 Observatie van de verdachte
Titel 10.3 Het verhoor van de getuige
Titel 10.4 De benoeming en het verhoor van een deskundige
Afdeling 10.4.1 De benoeming van een deskundige
Afdeling 10.4.2 Het verhoor van een deskundige
Titel 10.5 Getuigen aan wie toezeggingen zijn gedaan
Titel 10.6 Voortgangsbewaking door de rechter-commissaris
Titel 10.7 Beëindiging van het onderzoek
Titel 10.8 Rechtsmiddelen
Boek 3 Beslissingen over vervolging
Hoofdstuk 2 Bezwaarschrift tegen de procesinleiding
Hoofdstuk 3 De strafbeschikking
Titel 3.1 Inhoud van de strafbeschikking
Titel 3.2 Uitvaardigen van de strafbeschikking door opsporingsambtenaren en lichamen of personen, met een publieke taak belast
Titel 3.3 Waarborgen bij het uitvaardigen van de strafbeschikking
Titel 3.4 Uitreiken en toezenden van de strafbeschikking
Titel 3.5 Intrekken en wijzigen van de strafbeschikking
Titel 3.6 Openbaarheid van de strafbeschikking
Hoofdstuk 4 Het achterwege laten van vervolging
Titel 4.1 Het sepot
Hoofdstuk 5 Beklag over het niet opsporen of niet vervolgen van strafbare feiten
Hoofdstuk 6 Rechtsmiddelen
Boek 4 Berechting
Hoofdstuk 1 Het aanbrengen van de zaak ter berechting
Hoofdstuk 2 Het onderzoek op de terechtzitting
Titel 2.1 Algemene bepalingen
Titel 2.2 De aanvang van het onderzoek
Titel 2.3 De omvang van het onderzoek
Titel 2.4 Het onderzoek van de zaak zelf
Afdeling 2.4.1 Inleidende bepalingen
Afdeling 2.4.2 Het verhoor van de verdachte
Afdeling 2.4.3 Het verhoor van de getuige
Afdeling 2.4.4 Het verhoor van de deskundige
Afdeling 2.4.5 De uitoefening van het spreekrecht
Afdeling 2.4.6 Het beslag
Afdeling 2.4.7 Nader onderzoek
Afdeling 2.4.8 De schorsing van het onderzoek
Afdeling 2.4.9 Het requisitoir en het pleidooi, repliek en dupliek
Afdeling 2.4.10 De sluiting van het onderzoek en beslissingen ten aanzien van de uitspraak
Afdeling 2.4.11 Heropening van het onderzoek
Titel 2.5 De verslaglegging van het onderzoek op de terechtzitting
Hoofdstuk 3 De beraadslaging, de uitspraak en het eindvonnis
Hoofdstuk 4 De behandeling van met de berechting verbonden vorderingen
Titel 4.1 De vordering van de benadeelde partij
Titel 4.2 De vordering tot tenuitvoerlegging
Titel 4.3 De vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel
Afdeling 4.3.2 Afzonderlijke behandeling
Afdeling 4.3.3 Voeging en afsplitsing
Afdeling 4.3.4 De ontnemingsschikking
Hoofdstuk 5 De enkelvoudige kamer
Hoofdstuk 6 Herstelbeslissingen
Boek 5 Rechtsmiddelen
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Hoofdstuk 2 Het instellen en indienen, intrekken en afstand doen van gewone rechtsmiddelen
Hoofdstuk 3 Verzet tegen strafbeschikkingen
Hoofdstuk 4 Hoger beroep tegen vonnissen
Titel 4.1 Hoger beroep tegen eindvonnissen en tussenvonnissen
Afdeling 4.1.1 Gevallen waarin hoger beroep openstaat
Afdeling 4.1.2 De voorbereiding van de terechtzitting
Afdeling 4.1.3 De oproeping voor de terechtzitting
Afdeling 4.1.4 Het onderzoek op de terechtzitting
Afdeling 4.1.5 De beraadslaging, de uitspraak en het eindarrest
Titel 4.2 Hoger beroep in het geval van verbonden vorderingen
Afdeling 4.2.1 De vordering van de benadeelde partij
Afdeling 4.2.2 De vordering tot tenuitvoerlegging
Afdeling 4.2.3 De vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel
Titel 4.3 De enkelvoudige kamer
Titel 4.4 Herstelbeslissingen
Hoofdstuk 5 Beroep in cassatie tegen arresten
Titel 5.1 Beroep in cassatie tegen eindarresten en tussenarresten
Afdeling 5.1.1 Gevallen waarin beroep in cassatie openstaat
Afdeling 5.1.2 De voorbereiding van de behandeling van het beroep in cassatie
Afdeling 5.1.3 De behandeling van het beroep in cassatie
Titel 5.2 Beroep in cassatie in het geval van verbonden vorderingen
Afdeling 5.2.1 De vordering van de benadeelde partij
Afdeling 5.2.2 De vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel
Titel 5.3 Herstelarresten
Hoofdstuk 6 Gewone rechtsmiddelen tegen andere beslissingen
Hoofdstuk 7 Cassatie in het belang van de wet
Hoofdstuk 8 Herziening van arresten en vonnissen
Titel 8.1 Herziening ten voordele van de gewezen verdachte
- Artikel 5.8.1
- Artikel 5.8.2
- Artikel 5.8.3
- Artikel 5.8.4
- Artikel 5.8.5
- Artikel 5.8.6
- Artikel 5.8.7
- Artikel 5.8.8
- Artikel 5.8.9
- Artikel 5.8.10
- Artikel 5.8.11
- Artikel 5.8.12
- Artikel 5.8.13
- Artikel 5.8.14
- Artikel 5.8.15
- Artikel 5.8.16
- Artikel 5.8.17
- Artikel 5.8.18
- Artikel 5.8.19
- Artikel 5.8.20
- Artikel 5.8.21
- Artikel 5.8.22
- Artikel 5.8.23
- Artikel 5.8.24
- Artikel 5.8.25
- Artikel 5.8.26
Titel 8.2 Herziening ten nadele van de gewezen verdachte
Boek 6 Bijzondere regelingen
Hoofdstuk 1 Voorzieningen vanwege de persoon van de verdachte
Titel 1.1 Jeugdigen en jongvolwassenen
Afdeling 1.1.1 Verdachten die ten tijde van het begaan van het strafbaar feit nog niet de leeftijd van twaalf jaar hebben bereikt
Afdeling 1.1.2 Verdachten die ten tijde van het begaan van het strafbaar feit de leeftijd van twaalf jaar maar nog niet die van achttien jaar hebben bereikt
Afdeling 1.1.3 Verdachten die ten tijde van het begaan van het strafbaar feit de leeftijd van achttien jaar maar nog niet die van drieëntwintig jaar hebben bereikt
Afdeling 1.1.4 De raad voor de kinderbescherming
Afdeling 1.1.5 De betrokkenheid van de ouder of een persoon naar keuze
Afdeling 1.1.6 Vordering van de benadeelde partij
Titel 1.2 Verdachten die door een beperking of een ziekte onvoldoende in staat zijn aan het proces tegen hen deel te nemen
Titel 1.3 Rechtspersonen
Titel 1.4 Rechterlijke ambtenaren
Hoofdstuk 2 Procesincidenten
Hoofdstuk 4 Bijzondere procedures
Titel 4.1 Beklag met betrekking tot voorwerpen en gegevens
Afdeling 4.1.1 Beklag met betrekking tot voorwerpen
Afdeling 4.1.2 Beklag met betrekking tot gegevens
Afdeling 4.1.3 Behandeling van het klaagschrift
Titel 4.2 Afzonderlijke rechterlijke beslissing met betrekking tot voorwerpen en gegevens
Titel 4.3 Rechtsmiddelen
Hoofdstuk 5 Bevoegdheden van bijzondere aard
Titel 5.1 Gedragsaanwijzing ter beëindiging van ernstige overlast
Titel 5.2 Bevoegdheden bij het ontruimen van een gekraakt pand
Afdeling 5.2.1 Bevoegdheden
Afdeling 5.2.2 Rechtsmiddelen
Titel 5.3 Bevoegdheden tot het betreden van plaatsen in verband met bepaalde misdrijven
Titel 5.4 Bevoegdheden in geval van aanwijzingen van een terroristisch misdrijf
Titel 5.5 Bevoegdheden in verband met de ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Afdeling 5.5.1 Bevoegdheden
Afdeling 5.5.2 Rechtsmiddelen
Titel 5.6 Bevoegdheden tot vastlegging en raadpleging van kentekengegevens
Titel 5.7 Onderzoek naar gebruik van geweld door ambtenaren
Hoofdstuk 6 Schadevergoeding en kosten
Boek 9 Slotbepalingen
Afdeling 1.1.2
Artikel 6.1.5
-
In de gevallen waarin de wet in de aanwijzing van een raadsman voorziet, kan de verdachte geen afstand doen van het recht op rechtsbijstand.
-
Indien de verdachte is aangehouden, stelt de officier van justitie of de hulpofficier van justitie die bij de voorgeleiding beveelt dat de verdachte wordt opgehouden voor onderzoek, het bestuur van de raad voor rechtsbijstand direct van zijn aanhouding in kennis, opdat het bestuur een raadsman aanwijst. Deze kennisgeving kan achterwege blijven indien de verdachte een raadsman heeft gekozen en deze of een vervangende raadsman tijdig beschikbaar zal zijn.
-
Het bestuur van de raad voor rechtsbijstand wijst voor de verdachte die geen raadsman heeft, een raadsman aan:
na de kennisgeving, bedoeld in het tweede lid;
nadat hij door de officier van justitie over het voornemen, bedoeld in artikel 6.1.16, tweede lid, is ingelicht;
nadat hij door de officier van justitie erover in kennis is gesteld dat tegen de verdachte een procesinleiding is ingediend wegens een feit dat in eerste aanleg door de rechtbank, niet zijnde de kantonrechter, wordt berecht.
Artikel 6.1.6
Van een verhoor door een opsporingsambtenaar worden geluids- en beeldopnamen gemaakt indien de ernst van het misdrijf of de persoonlijkheid van de verdachte daartoe aanleiding geeft.
Artikel 6.1.7
-
Onverminderd de artikelen 1.4.4 en 1.4.7 wordt de aangehouden verdachte direct na zijn aanhouding in kennis gesteld van:
de mogelijkheid van een medisch onderzoek als bedoeld in artikel 6.1.9;
de mogelijkheid van een advies over zijn persoonlijkheid en zijn levensomstandigheden, bedoeld in artikel 6.1.29;
het recht vergezeld te worden door de ouder of een persoon naar keuze overeenkomstig artikel 6.1.33;
het bepaalde in de artikelen 6.1.36 en 6.1.37.
-
De kennisgeving van rechten wordt gedaan in voor de verdachte eenvoudige en toegankelijke bewoordingen.
Artikel 6.1.8
De officier van justitie of de hulpofficier van justitie die bij de voorgeleiding beveelt dat de verdachte wordt opgehouden voor onderzoek, stelt de raad voor de kinderbescherming hiervan direct in kennis.
Artikel 6.1.9
-
De officier van justitie of de hulpofficier van justitie die bij de voorgeleiding beveelt dat de verdachte wordt opgehouden voor onderzoek kan, ambtshalve of op verzoek van de verdachte, bevelen dat de verdachte medisch wordt onderzocht om vast te stellen of deze in staat is een verhoor te ondergaan of te worden onderworpen aan een onderzoekshandeling. Bij een medisch onderzoek wordt de algemene geestelijke en lichamelijke gesteldheid van de verdachte beoordeeld. Het onderzoek is zo non-invasief mogelijk.
-
Een medisch onderzoek vindt plaats door of onder de verantwoordelijkheid van een arts.
-
Indien de uitkomst van het medisch onderzoek daartoe aanleiding geeft, kan de officier van justitie of de hulpofficier van justitie bevelen dat een verhoor van de verdachte of een onderzoekshandeling die deze moet ondergaan en die is gericht op de bewijsgaring, wordt uitgesteld.
Artikel 6.1.10
Voor het ophouden voor onderzoek of het ondergaan van inverzekeringstelling kan in het bevel elke geschikte plaats worden aangewezen.
Artikel 6.1.11
De kinderrechter treedt bij de toepassing van de voorlopige hechtenis op als rechter-commissaris.
Artikel 6.1.12
Bij een oproeping om te worden gehoord over een vordering tot het geven van een bevel tot voorlopige hechtenis of tot verlenging daarvan wordt de verdachte in kennis gesteld van:
het bepaalde in de artikelen 2.5.31 en 6.1.13, eerste lid, eerste zin;
het recht op periodieke toetsing van de voorlopige hechtenis;
het recht vergezeld te worden door de ouder of een persoon naar keuze overeenkomstig artikel 6.1.33;
het recht om bij het ondergaan van voorlopige hechtenis gescheiden van volwassenen te verblijven.
Artikel 6.1.13
-
Voorlopige hechtenis wordt voor een zo kort mogelijke passende duur bevolen. Bij het bevel tot voorlopige hechtenis en de verlenging daarvan houdt de rechter rekening met de leeftijd en persoonlijkheid van de verdachte en de omstandigheden waaronder het feit is begaan.
-
Het bevel tot gevangenneming of gevangenhouding is van kracht gedurende een door de rechtbank te bepalen termijn van ten hoogste een maand.
-
Wanneer het bevel is gegeven op de terechtzitting dan wel binnen de krachtens het eerste lid bepaalde termijn het onderzoek op de terechtzitting is aangevangen, blijft het bevel van kracht tot een maand na de dag van het eindvonnis.
-
De termijn waarbinnen het bevel van kracht is, kan door de rechtbank op vordering van de officier van justitie vóór de aanvang van het onderzoek op de terechtzitting telkens worden verlengd met periodes van ten hoogste een maand.
-
Indien de officier van justitie voornemens is te vorderen dat aan de verdachte de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen wordt opgelegd, kan het in het vierde lid bedoelde bevel telkens worden verlengd met periodes van ten hoogste drie maanden.
-
De behandeling van een vordering tot voorlopige hechtenis en tot verlenging, schorsing of opheffing daarvan vindt niet in het openbaar plaats. Op bevelen tot verlenging zijn het tweede en derde lid van overeenkomstige toepassing.
-
Voor het ondergaan van voorlopige hechtenis kan het bevel elke geschikte plaats vermelden.
-
Het bevel tot voorlopige hechtenis kan inhouden dat de verdachte gedurende de nacht in een inrichting als bedoeld in de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen dan wel op een andere geschikte plaats verblijft en dat de verdachte gedurende de dag in de gelegenheid wordt gesteld de inrichting of die plaats te verlaten.
-
In het bevel tot voorlopige hechtenis of het bevel tot schorsing kan de rechter aanwijzingen geven over de tenuitvoerlegging van het bevel.
-
In de gevallen waarin verlof kan worden verleend op grond van het bepaalde bij of krachtens de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen blijft Boek 2, Afdeling 5.4.3, buiten toepassing.
Artikel 6.1.14
-
De aan de schorsing van de voorlopige hechtenis te verbinden bijzondere voorwaarden kunnen naast de voorwaarden, bedoeld in artikel 2.5.33, inhouden:
zich gedurende een door de rechter te bepalen termijn te houden aan de aanwijzingen van de jeugdreclassering, daaronder begrepen dat de verdachte zich onder behandeling van een bepaalde deskundige of bepaalde instantie zal stellen;
het aanvaarden van intensieve begeleiding.
-
De rechter wint ten behoeve van het stellen van bijzondere voorwaarden advies in van de raad voor de kinderbescherming.
-
De rechter kan bij een bevel tot schorsing van de voorlopige hechtenis een gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet of, indien de verdachte inmiddels de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt, de reclassering opdracht geven toezicht te houden op de naleving van voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Artikel 6.1.15
-
De verdachte kan ter voorkoming van vervolging deelnemen aan een pedagogisch programma. De duur van het programma bedraagt ten hoogste twintig uur.
-
Deelname vindt plaats op voorstel van een opsporingsambtenaar na verkregen toestemming van de officier van justitie.
-
Bij algemene maatregel van bestuur worden de strafbare feiten en gevallen aangewezen die op deze wijze kunnen worden afgedaan.
-
Indien de officier van justitie van oordeel is dat de verdachte naar behoren aan een pedagogisch programma heeft deelgenomen, ziet hij af van vervolging.
-
Indien het gerechtshof vervolging van de verdachte beveelt als bedoeld in artikel 3.4.3, eerste lid, onderdeel b, houdt de rechter, indien hij een straf oplegt, rekening met de voltooide deelname als bedoeld in het vierde lid.
Artikel 6.1.16
-
De officier van justitie kan bij strafbeschikking een taakstraf opleggen voor ten hoogste zestig uur en de aanwijzing geven dat de verdachte medewerking verleent aan reclasseringstoezicht voor ten hoogste zes maanden.
-
Indien de officier van justitie voornemens is om een strafbeschikking uit te vaardigen houdende een taakstraf van meer dan tweeëndertig uur dan wel betalingsverplichtingen uit hoofde van geldboete en schadevergoedingsmaatregel, die afzonderlijk of gezamenlijk meer belopen dan € 115, roept hij de verdachte op om te worden gehoord. Bij een oproeping om te worden gehoord, wordt de verdachte gewezen op:
het recht om te worden vergezeld door de ouder of een persoon naar keuze overeenkomstig artikel 6.1.33;
het recht op rechtsbijstand.
Artikel 6.1.7, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
-
Indien over de verdachte advies is uitgebracht als bedoeld in artikel 6.1.29 geeft de strafbeschikking aan op welke wijze daarmee rekening is gehouden bij het opleggen van een straf of bij de keuze voor een aanwijzing betreffende het gedrag.
Artikel 6.1.17
-
Een zaak kan worden berecht door de kinderrechter indien de zaak naar het aanvankelijk oordeel van de officier van justitie van eenvoudige aard is, in het bijzonder ook ten aanzien van het bewijs en de toepassing van de wet, terwijl van de te vorderen jeugddetentie of gevangenisstraf het onvoorwaardelijk deel de zes maanden niet overstijgt.
-
De kinderrechter is niet bevoegd tot het opleggen van een vrijheidsstraf waarvan het onvoorwaardelijk deel de duur van zes maanden overstijgt. Evenmin is de kinderrechter bevoegd tot het opleggen van de maatregelen, bedoeld in de artikelen 37a, eerste lid, 38m en 77s, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.
-
De zaak wordt bij de kantonrechter aangebracht indien de zaak een overtreding betreft die op grond van artikel 4.5.3 door de kantonrechter kan worden berecht en behandeling door de kantonrechter naar het aanvankelijk oordeel van de officier van justitie aangewezen is.
-
De zaak wordt bij de meervoudige kamer aangebracht indien naar het aanvankelijk oordeel van de officier van justitie:
een straf of maatregel dient te worden opgelegd tot de oplegging waarvan de kinderrechter niet bevoegd is;
wegens de ingewikkeldheid van de zaak behandeling door de meervoudige kamer de voorkeur verdient;
gelijktijdige behandeling met zaken tegen verdachten die voor de meervoudige kamer terechtstaan de voorkeur verdient.
Artikel 6.1.18
-
Bij berechting van zaken door de meervoudige kamer neemt ten minste één kinderrechter deel aan het onderzoek op de terechtzitting.
-
Op de berechting door de kinderrechter is Boek 4, Hoofdstukken 1 tot en met 4, van overeenkomstige toepassing, voor zover in deze paragraaf niet anders is bepaald.
-
Op de berechting door de kinderrechter zijn verder de artikelen 4.5.4 tot en met 4.5.10 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 6.1.19
In de procesinleiding wordt de verdachte, naast op de in artikel 4.1.2, eerste lid, genoemde rechten, gewezen op zijn recht om bij het onderzoek op de terechtzitting te worden vergezeld door een ouder of een persoon naar keuze.
Artikel 6.1.20
-
In de oproeping voor de terechtzitting wordt de verdachte gewezen op:
de verplichting om in persoon op de terechtzitting te verschijnen en op de bevoegdheid van de rechtbank zijn medebrenging te bevelen, indien hij niet aan die verplichting voldoet;
het bepaalde in de artikelen 6.1.19, 6.1.22 en 6.1.41.
-
Artikel 6.1.7, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 6.1.21
-
De verdachte is verplicht in persoon te verschijnen.
-
Indien de verdachte van een misdrijf niet op de terechtzitting verschijnt, stelt de rechter, tenzij zonder onderzoek van de zaak zelf blijkt van nietigheid van de tenlastelegging, onbevoegdheid van de rechtbank of niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie, het onderzoek tot een bepaalde dag uit en beveelt hij tevens de medebrenging van de verdachte. De rechter kan, indien van de verdachte geen woon- of verblijfplaats bekend is of op grond van bijzondere omstandigheden, het uitstel van het onderzoek en het geven van een bevel tot medebrenging achterwege laten.
Artikel 6.1.22
-
De behandeling van de zaak vindt niet in het openbaar plaats. De rechter kan tot bijwonen van de terechtzitting bijzondere toegang verlenen. Aan het slachtoffer wordt toegang verleend, tenzij de rechter wegens bijzondere redenen anders beslist.
-
De rechter beveelt een openbare behandeling van de zaak indien naar zijn oordeel het belang van de openbaarheid van de zitting zwaarder moet wegen dan het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de verdachte, de medeverdachte of de ouder.
-
De voorzitter kan bepalen dat de vragen met betrekking tot de geestvermogens, de persoonlijkheid of levensomstandigheden van de verdachte in zijn afwezigheid zullen worden gesteld en behandeld, en dat de officier van justitie of de raadsman in afwezigheid van de verdachte het woord zal voeren over zijn geestvermogens. Artikel 4.2.36, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
-
De artikelen 4.2.65, vierde lid, eerste zin, en 4.3.27, eerste lid, laatste zin, zijn niet van toepassing.
Artikel 6.1.23
Indien over de verdachte advies is uitgebracht als bedoeld in artikel 6.1.29, geeft het eindvonnis aan op welke wijze met het advies rekening is gehouden.
Artikel 6.1.24
In geval van hoger beroep zijn de artikelen 6.1.21 tot en met 6.1.23 van overeenkomstige toepassing.