Nieuw Wetboek van Strafvordering Laatste controle 29-03-2026, laatste wijziging 18-03-2026.

Inhoud
Boek 1 Strafvordering in het algemeen
Hoofdstuk 1 Inleidende bepalingen en definities
Hoofdstuk 2 De behandeling van zaken door de rechter
Hoofdstuk 3 Vervolging en opsporing van strafbare feiten
Hoofdstuk 4 De verdachte en zijn raadsman
Hoofdstuk 5 Het slachtoffer
Hoofdstuk 6 De getuige
Titel 6.1 Algemene bepalingen met betrekking tot het verhoor van de getuige
Titel 6.2 Verschoningsrechten
Titel 6.3 Verschoningsplichten
Titel 6.4 Bepalingen met betrekking tot de minderjarige getuige
Titel 6.5 Leden van het Koninklijk Huis
Titel 6.6 Maatregelen tot bescherming van getuigen
Hoofdstuk 7 De deskundige
Hoofdstuk 8 De processtukken
Hoofdstuk 9 Overdracht van berichten en het indienen van stukken
Hoofdstuk 11 Enige algemene voorzieningen
Boek 2 Het opsporingsonderzoek
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Titel 1.1 Definities
Titel 1.2 Algemene bepalingen over de uitoefening van bevoegdheden in het kader van het opsporingsonderzoek
Titel 1.3 Algemene bevoegdheid
Titel 1.4 Verslaglegging door opsporingsambtenaren
Titel 1.5 Vastlegging van bevelen en van machtigingen en vorderingen daartoe
Titel 1.6 Toestemming voor onderzoekshandelingen
Hoofdstuk 2 De aangifte
Hoofdstuk 3 Het verhoor door opsporingsambtenaren
Hoofdstuk 4 Deskundigenonderzoek in opdracht van de officier van justitie
Hoofdstuk 5 Bevoegdheden tot vrijheidsbeperking en vrijheidsbeneming
Titel 5.1 Algemene bepalingen
Titel 5.2 Staandehouding en aanhouding
Titel 5.3 Ophouden voor onderzoek en inverzekeringstelling
Afdeling 5.3.1 Ophouden voor onderzoek
Afdeling 5.3.2 Inverzekeringstelling
Afdeling 5.3.3 Maatregelen ten aanzien van de voor onderzoek opgehouden of in verzekering gestelde verdachte
Afdeling 5.3.4 Voorgeleiding aan de rechter-commissaris
Titel 5.4 Voorlopige hechtenis
Titel 5.5 Rechtsmiddelen
Afdeling 5.5.1 Bezwaar tegen het opleggen van maatregelen
Afdeling 5.5.2 Beroep tegen de directe invrijheidstelling van de verdachte
Afdeling 5.5.3 Beroep tegen beslissingen met betrekking tot de voorlopige hechtenis
Hoofdstuk 6 Bevoegdheden met betrekking tot het lichaam
Titel 6.1 Algemene bepalingen
Titel 6.2 Onderzoek aan de kleding en onderzoek van meegevoerde voorwerpen
Titel 6.3 Onderzoek aan het lichaam
Titel 6.4 Onderzoek in het lichaam
Titel 6.5 Overige onderzoeken met betrekking tot het lichaam
Afdeling 6.5.1 Het nemen van vingerafdrukken en gezichtsopnamen ter identiteitsvaststelling
Afdeling 6.5.2 Onderzoek naar gebruik van geweldbevorderende middelen
Afdeling 6.5.3 Het maken van beeldopnamen, het opmeten van lichaamsmaten en het nemen van lichaamsafdrukken, -haar en -materiaal
Afdeling 6.5.4 Onderzoek ten aanzien van fysieke eigenschappen
Afdeling 6.5.5 Het houden van een confrontatie
Afdeling 6.5.6 DNA-onderzoek
Afdeling 6.5.7 Onderzoek naar een ernstige besmettelijke ziekte
Titel 6.6 Onderzoek met betrekking tot het lichaam van een overleden verdachte of slachtoffer
Titel 6.7 Bevoegdheden van de rechter-commissaris
Titel 6.8 Rechtsmiddelen
Hoofdstuk 7 Bevoegdheden met betrekking tot voorwerpen en gegevens
Titel 7.1 Algemene bepalingen
Titel 7.2 Inbeslagneming van voorwerpen
Titel 7.3 Onderzoek van gegevens
Titel 7.4 Ontoegankelijkmaking van gegevens
Titel 7.5 Uitoefening van bevoegdheden in het geval van verschoningsrecht
Titel 7.6 Onderzoek ter plaatse
Titel 7.7 Bevoegdheden van de rechter-commissaris
Titel 7.8 Rechtsmiddelen
Hoofdstuk 8 Heimelijke bevoegdheden
Titel 8.1 Algemene bepalingen
Afdeling 8.1.1 Bevel officier van justitie
Afdeling 8.1.2 Kennisgeving aan betrokkene
Afdeling 8.1.3 Voeging gegevens functioneel verschoningsgerechtigden
Afdeling 8.1.4 Technische hulpmiddelen
Afdeling 8.1.5 Verplichting tot inbeslagneming
Afdeling 8.1.6 Uitstel melding onbekende kwetsbaarheden
Titel 8.2 De bevoegdheden
Afdeling 8.2.1 Stelselmatige observatie
Afdeling 8.2.2 Stelselmatig overnemen persoonsgegevens uit publiek toegankelijke bronnen
Afdeling 8.2.3 Bevoegdheden ten aanzien van een besloten plaats
Afdeling 8.2.4 Pseudo-koop of -dienstverlening
Afdeling 8.2.5 Stelselmatige inwinning van informatie
Afdeling 8.2.6 Infiltratie
Afdeling 8.2.7 Vastleggen communicatie die plaatsvindt door middel van een aanbieder van een communicatiedienst
Afdeling 8.2.8 Vastleggen vertrouwelijke communicatie
Afdeling 8.2.9 Toegang op afstand tot een digitale-gegevensdrager of geautomatiseerd werk
Afdeling 8.2.10 Stelselmatige locatiebepaling
Titel 8.3 Bijstand door burgers bij de uitoefening van heimelijke bevoegdheden
Titel 8.4 Personen in de openbare dienst van een vreemde staat
Titel 8.5 Maatregelen in het belang van de veiligheid
Titel 8.6 Vermoeden georganiseerd verband en aanwijzingen terroristisch misdrijf
Titel 8.7 Rechtsmiddelen
Hoofdstuk 9 Het verkennend onderzoek
Hoofdstuk 10 Onderzoek door de rechter-commissaris
Titel 10.1 Algemene bepalingen
Titel 10.2 Bevoegdheden met betrekking tot de verdachte
Titel 10.3 Het verhoor van de getuige
Titel 10.4 De benoeming en het verhoor van een deskundige
Titel 10.5 Getuigen aan wie toezeggingen zijn gedaan
Titel 10.6 Voortgangsbewaking door de rechter-commissaris
Titel 10.7 Beëindiging van het onderzoek
Titel 10.8 Rechtsmiddelen
Boek 3 Beslissingen over vervolging
Hoofdstuk 1 Algemeen
Hoofdstuk 2 Bezwaarschrift tegen de procesinleiding
Hoofdstuk 3 De strafbeschikking
Titel 3.1 Inhoud van de strafbeschikking
Titel 3.2 Uitvaardigen van de strafbeschikking door opsporingsambtenaren en lichamen of personen, met een publieke taak belast
Titel 3.3 Waarborgen bij het uitvaardigen van de strafbeschikking
Titel 3.4 Uitreiken en toezenden van de strafbeschikking
Titel 3.5 Intrekken en wijzigen van de strafbeschikking
Titel 3.6 Openbaarheid van de strafbeschikking
Hoofdstuk 4 Het achterwege laten van vervolging
Hoofdstuk 5 Beklag over het niet opsporen of niet vervolgen van strafbare feiten
Hoofdstuk 6 Rechtsmiddelen
Boek 4 Berechting
Hoofdstuk 1 Het aanbrengen van de zaak ter berechting
Hoofdstuk 2 Het onderzoek op de terechtzitting
Titel 2.1 Algemene bepalingen
Titel 2.2 De aanvang van het onderzoek
Titel 2.3 De omvang van het onderzoek
Titel 2.4 Het onderzoek van de zaak zelf
Titel 2.5 De verslaglegging van het onderzoek op de terechtzitting
Hoofdstuk 3 De beraadslaging, de uitspraak en het eindvonnis
Hoofdstuk 4 De behandeling van met de berechting verbonden vorderingen
Hoofdstuk 5 De enkelvoudige kamer
Hoofdstuk 6 Herstelbeslissingen
Boek 5 Rechtsmiddelen
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Hoofdstuk 2 Het instellen en indienen, intrekken en afstand doen van gewone rechtsmiddelen
Titel 2.1 Instellen en indienen
Titel 2.2 Intrekken en afstand doen
Titel 2.3 Informatieverschaffing over ingestelde en ingediende gewone rechtsmiddelen
Hoofdstuk 3 Verzet tegen strafbeschikkingen
Hoofdstuk 4 Hoger beroep tegen vonnissen
Hoofdstuk 5 Beroep in cassatie tegen arresten
Titel 5.1 Beroep in cassatie tegen eindarresten en tussenarresten
Titel 5.2 Beroep in cassatie in het geval van verbonden vorderingen
Afdeling 5.2.1 De vordering van de benadeelde partij
Afdeling 5.2.2 De vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel
Titel 5.3 Herstelarresten
Hoofdstuk 6 Gewone rechtsmiddelen tegen andere beslissingen
Titel 6.1 Bezwaarschriften en klaagschriften
Titel 6.2 Beroep tegen beslissingen van de rechter-commissaris
Titel 6.3 Hoger beroep en beroep in cassatie tegen beslissingen van de raadkamer
Hoofdstuk 7 Cassatie in het belang van de wet
Hoofdstuk 8 Herziening van arresten en vonnissen
Boek 6 Bijzondere regelingen
Hoofdstuk 1 Voorzieningen vanwege de persoon van de verdachte
Titel 1.1 Jeugdigen en jongvolwassenen
Afdeling 1.1.1 Verdachten die ten tijde van het begaan van het strafbaar feit nog niet de leeftijd van twaalf jaar hebben bereikt
Afdeling 1.1.2 Verdachten die ten tijde van het begaan van het strafbaar feit de leeftijd van twaalf jaar maar nog niet die van achttien jaar hebben bereikt
Afdeling 1.1.3 Verdachten die ten tijde van het begaan van het strafbaar feit de leeftijd van achttien jaar maar nog niet die van drieëntwintig jaar hebben bereikt
Afdeling 1.1.4 De raad voor de kinderbescherming
Afdeling 1.1.5 De betrokkenheid van de ouder of een persoon naar keuze
Afdeling 1.1.6 Vordering van de benadeelde partij
Titel 1.2 Verdachten die door een beperking of een ziekte onvoldoende in staat zijn aan het proces tegen hen deel te nemen
Titel 1.3 Rechtspersonen
Titel 1.4 Rechterlijke ambtenaren
Hoofdstuk 2 Procesincidenten
Hoofdstuk 4 Bijzondere procedures
Titel 4.1 Beklag met betrekking tot voorwerpen en gegevens
Titel 4.2 Afzonderlijke rechterlijke beslissing met betrekking tot voorwerpen en gegevens
Titel 4.3 Rechtsmiddelen
Hoofdstuk 5 Bevoegdheden van bijzondere aard
Titel 5.1 Gedragsaanwijzing ter beëindiging van ernstige overlast
Titel 5.2 Bevoegdheden bij het ontruimen van een gekraakt pand
Titel 5.3 Bevoegdheden tot het betreden van plaatsen in verband met bepaalde misdrijven
Titel 5.4 Bevoegdheden in geval van aanwijzingen van een terroristisch misdrijf
Titel 5.5 Bevoegdheden in verband met de ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Titel 5.6 Bevoegdheden tot vastlegging en raadpleging van kentekengegevens
Titel 5.7 Onderzoek naar gebruik van geweld door ambtenaren
Hoofdstuk 6 Schadevergoeding en kosten
Boek 9 Slotbepalingen

Titel 1.1

Jeugdigen en jongvolwassenen

Artikel 6.1.1

De bepalingen van deze afdeling zijn van toepassing op de verdachte die ten tijde van het begaan van het strafbaar feit nog niet de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt.

Artikel 6.1.3

  1. Tegen de verdachte kunnen met toepassing van de daarop betrekking hebbende bepalingen uitsluitend de volgende bevoegdheden uit Boek 2 worden uitgeoefend:

    1. verhoor van de verdachte, bedoeld in Titel 3.2;

    2. staandehouding en aanhouding, bedoeld in Titel 5.2;

    3. ophouden voor onderzoek, bedoeld in Afdeling 5.3.1, met dien verstande dat dit voor ten hoogste zes uur kan worden bevolen;

    4. onderzoek aan de kleding en onderzoek van meegevoerde voorwerpen, bedoeld in Titel 6.2;

    5. onderzoek aan het lichaam en onderzoek in het lichaam, bedoeld in de Titels 6.3 en 6.4;

    6. inbeslagneming van voorwerpen en onderzoek van gegevens, bedoeld in Hoofdstuk 7, met dien verstande dat beslag alleen kan worden gelegd om de waarheid aan het licht te brengen of met het oog op de onttrekking aan het verkeer van het voorwerp.

  2. De officier van justitie of de hulpofficier van justitie die bij de voorgeleiding beveelt dat de verdachte wordt opgehouden voor onderzoek, stelt de raad voor de kinderbescherming hiervan direct in kennis.

  3. De artikelen 6.1.5, eerste en tweede lid, en 6.1.7, eerste lid, aanhef en onderdelen c en d, zijn van overeenkomstige toepassing.

  4. Boek 2, Titel 7.7 en Hoofdstuk 10, blijven buiten toepassing.

Artikel 6.1.4

De bepalingen van deze afdeling zijn van toepassing op de verdachte die ten tijde van het begaan van het strafbaar feit de leeftijd van twaalf jaar maar nog niet die van achttien jaar heeft bereikt.

Artikel 6.1.5

  1. In de gevallen waarin de wet in de aanwijzing van een raadsman voorziet, kan de verdachte geen afstand doen van het recht op rechtsbijstand.

  2. Indien de verdachte is aangehouden, stelt de officier van justitie of de hulpofficier van justitie die bij de voorgeleiding beveelt dat de verdachte wordt opgehouden voor onderzoek, het bestuur van de raad voor rechtsbijstand direct van zijn aanhouding in kennis, opdat het bestuur een raadsman aanwijst. Deze kennisgeving kan achterwege blijven indien de verdachte een raadsman heeft gekozen en deze of een vervangende raadsman tijdig beschikbaar zal zijn.

  3. Het bestuur van de raad voor rechtsbijstand wijst voor de verdachte die geen raadsman heeft, een raadsman aan:

    1. na de kennisgeving, bedoeld in het tweede lid;

    2. nadat hij door de officier van justitie over het voornemen, bedoeld in artikel 6.1.16, tweede lid, is ingelicht;

    3. nadat hij door de officier van justitie erover in kennis is gesteld dat tegen de verdachte een procesinleiding is ingediend wegens een feit dat in eerste aanleg door de rechtbank, niet zijnde de kantonrechter, wordt berecht.

Artikel 6.1.6

Van een verhoor door een opsporingsambtenaar worden geluids- en beeldopnamen gemaakt indien de ernst van het misdrijf of de persoonlijkheid van de verdachte daartoe aanleiding geeft.

Artikel 6.1.7

  1. Onverminderd de artikelen 1.4.4 en 1.4.7 wordt de aangehouden verdachte direct na zijn aanhouding in kennis gesteld van:

    1. de mogelijkheid van een medisch onderzoek als bedoeld in artikel 6.1.9;

    2. de mogelijkheid van een advies over zijn persoonlijkheid en zijn levensomstandigheden, bedoeld in artikel 6.1.29;

    3. het recht vergezeld te worden door de ouder of een persoon naar keuze overeenkomstig artikel 6.1.33;

    4. het bepaalde in de artikelen 6.1.36 en 6.1.37.

  2. De kennisgeving van rechten wordt gedaan in voor de verdachte eenvoudige en toegankelijke bewoordingen.

Artikel 6.1.8

De officier van justitie of de hulpofficier van justitie die bij de voorgeleiding beveelt dat de verdachte wordt opgehouden voor onderzoek, stelt de raad voor de kinderbescherming hiervan direct in kennis.

Artikel 6.1.9

  1. De officier van justitie of de hulpofficier van justitie die bij de voorgeleiding beveelt dat de verdachte wordt opgehouden voor onderzoek kan, ambtshalve of op verzoek van de verdachte, bevelen dat de verdachte medisch wordt onderzocht om vast te stellen of deze in staat is een verhoor te ondergaan of te worden onderworpen aan een onderzoekshandeling. Bij een medisch onderzoek wordt de algemene geestelijke en lichamelijke gesteldheid van de verdachte beoordeeld. Het onderzoek is zo non-invasief mogelijk.

  2. Een medisch onderzoek vindt plaats door of onder de verantwoordelijkheid van een arts.

  3. Indien de uitkomst van het medisch onderzoek daartoe aanleiding geeft, kan de officier van justitie of de hulpofficier van justitie bevelen dat een verhoor van de verdachte of een onderzoekshandeling die deze moet ondergaan en die is gericht op de bewijsgaring, wordt uitgesteld.

Artikel 6.1.10

Voor het ophouden voor onderzoek of het ondergaan van inverzekeringstelling kan in het bevel elke geschikte plaats worden aangewezen.

Artikel 6.1.11

De kinderrechter treedt bij de toepassing van de voorlopige hechtenis op als rechter-commissaris.

Artikel 6.1.12

Bij een oproeping om te worden gehoord over een vordering tot het geven van een bevel tot voorlopige hechtenis of tot verlenging daarvan wordt de verdachte in kennis gesteld van:

  1. het bepaalde in de artikelen 2.5.31 en 6.1.13, eerste lid, eerste zin;

  2. het recht op periodieke toetsing van de voorlopige hechtenis;

  3. het recht vergezeld te worden door de ouder of een persoon naar keuze overeenkomstig artikel 6.1.33;

  4. het recht om bij het ondergaan van voorlopige hechtenis gescheiden van volwassenen te verblijven.

Artikel 6.1.13

  1. Voorlopige hechtenis wordt voor een zo kort mogelijke passende duur bevolen. Bij het bevel tot voorlopige hechtenis en de verlenging daarvan houdt de rechter rekening met de leeftijd en persoonlijkheid van de verdachte en de omstandigheden waaronder het feit is begaan.

  2. Het bevel tot gevangenneming of gevangenhouding is van kracht gedurende een door de rechtbank te bepalen termijn van ten hoogste een maand.

  3. Wanneer het bevel is gegeven op de terechtzitting dan wel binnen de krachtens het eerste lid bepaalde termijn het onderzoek op de terechtzitting is aangevangen, blijft het bevel van kracht tot een maand na de dag van het eindvonnis.

  4. De termijn waarbinnen het bevel van kracht is, kan door de rechtbank op vordering van de officier van justitie vóór de aanvang van het onderzoek op de terechtzitting telkens worden verlengd met periodes van ten hoogste een maand.

  5. Indien de officier van justitie voornemens is te vorderen dat aan de verdachte de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen wordt opgelegd, kan het in het vierde lid bedoelde bevel telkens worden verlengd met periodes van ten hoogste drie maanden.

  6. De behandeling van een vordering tot voorlopige hechtenis en tot verlenging, schorsing of opheffing daarvan vindt niet in het openbaar plaats. Op bevelen tot verlenging zijn het tweede en derde lid van overeenkomstige toepassing.

  7. Voor het ondergaan van voorlopige hechtenis kan het bevel elke geschikte plaats vermelden.

  8. Het bevel tot voorlopige hechtenis kan inhouden dat de verdachte gedurende de nacht in een inrichting als bedoeld in de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen dan wel op een andere geschikte plaats verblijft en dat de verdachte gedurende de dag in de gelegenheid wordt gesteld de inrichting of die plaats te verlaten.

  9. In het bevel tot voorlopige hechtenis of het bevel tot schorsing kan de rechter aanwijzingen geven over de tenuitvoerlegging van het bevel.

  10. In de gevallen waarin verlof kan worden verleend op grond van het bepaalde bij of krachtens de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen blijft Boek 2, Afdeling 5.4.3, buiten toepassing.

Artikel 6.1.14

  1. De aan de schorsing van de voorlopige hechtenis te verbinden bijzondere voorwaarden kunnen naast de voorwaarden, bedoeld in artikel 2.5.33, inhouden:

    1. zich gedurende een door de rechter te bepalen termijn te houden aan de aanwijzingen van de jeugdreclassering, daaronder begrepen dat de verdachte zich onder behandeling van een bepaalde deskundige of bepaalde instantie zal stellen;

    2. het aanvaarden van intensieve begeleiding.

  2. De rechter wint ten behoeve van het stellen van bijzondere voorwaarden advies in van de raad voor de kinderbescherming.

  3. De rechter kan bij een bevel tot schorsing van de voorlopige hechtenis een gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet of, indien de verdachte inmiddels de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt, de reclassering opdracht geven toezicht te houden op de naleving van voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.

Artikel 6.1.15

  1. De verdachte kan ter voorkoming van vervolging deelnemen aan een pedagogisch programma. De duur van het programma bedraagt ten hoogste twintig uur.

  2. Deelname vindt plaats op voorstel van een opsporingsambtenaar na verkregen toestemming van de officier van justitie.

  3. Bij algemene maatregel van bestuur worden de strafbare feiten en gevallen aangewezen die op deze wijze kunnen worden afgedaan.

  4. Indien de officier van justitie van oordeel is dat de verdachte naar behoren aan een pedagogisch programma heeft deelgenomen, ziet hij af van vervolging.

  5. Indien het gerechtshof vervolging van de verdachte beveelt als bedoeld in artikel 3.4.3, eerste lid, onderdeel b, houdt de rechter, indien hij een straf oplegt, rekening met de voltooide deelname als bedoeld in het vierde lid.

Artikel 6.1.16

  1. De officier van justitie kan bij strafbeschikking een taakstraf opleggen voor ten hoogste zestig uur en de aanwijzing geven dat de verdachte medewerking verleent aan reclasseringstoezicht voor ten hoogste zes maanden.

  2. Indien de officier van justitie voornemens is om een strafbeschikking uit te vaardigen houdende een taakstraf van meer dan tweeëndertig uur dan wel betalingsverplichtingen uit hoofde van geldboete en schadevergoedingsmaatregel, die afzonderlijk of gezamenlijk meer belopen dan € 115, roept hij de verdachte op om te worden gehoord. Bij een oproeping om te worden gehoord, wordt de verdachte gewezen op:

    1. het recht om te worden vergezeld door de ouder of een persoon naar keuze overeenkomstig artikel 6.1.33;

    2. het recht op rechtsbijstand.

    Artikel 6.1.7, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

  3. Indien over de verdachte advies is uitgebracht als bedoeld in artikel 6.1.29 geeft de strafbeschikking aan op welke wijze daarmee rekening is gehouden bij het opleggen van een straf of bij de keuze voor een aanwijzing betreffende het gedrag.

Artikel 6.1.17

  1. Een zaak kan worden berecht door de kinderrechter indien de zaak naar het aanvankelijk oordeel van de officier van justitie van eenvoudige aard is, in het bijzonder ook ten aanzien van het bewijs en de toepassing van de wet, terwijl van de te vorderen jeugddetentie of gevangenisstraf het onvoorwaardelijk deel de zes maanden niet overstijgt.

  2. De kinderrechter is niet bevoegd tot het opleggen van een vrijheidsstraf waarvan het onvoorwaardelijk deel de duur van zes maanden overstijgt. Evenmin is de kinderrechter bevoegd tot het opleggen van de maatregelen, bedoeld in de artikelen 37a, eerste lid, 38m en 77s, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

  3. De zaak wordt bij de kantonrechter aangebracht indien de zaak een overtreding betreft die op grond van artikel 4.5.3 door de kantonrechter kan worden berecht en behandeling door de kantonrechter naar het aanvankelijk oordeel van de officier van justitie aangewezen is.

  4. De zaak wordt bij de meervoudige kamer aangebracht indien naar het aanvankelijk oordeel van de officier van justitie:

    1. een straf of maatregel dient te worden opgelegd tot de oplegging waarvan de kinderrechter niet bevoegd is;

    2. wegens de ingewikkeldheid van de zaak behandeling door de meervoudige kamer de voorkeur verdient;

    3. gelijktijdige behandeling met zaken tegen verdachten die voor de meervoudige kamer terechtstaan de voorkeur verdient.

Artikel 6.1.18

  1. Bij berechting van zaken door de meervoudige kamer neemt ten minste één kinderrechter deel aan het onderzoek op de terechtzitting.

  2. Op de berechting door de kinderrechter is Boek 4, Hoofdstukken 1 tot en met 4, van overeenkomstige toepassing, voor zover in deze paragraaf niet anders is bepaald.

  3. Op de berechting door de kinderrechter zijn verder de artikelen 4.5.4 tot en met 4.5.10 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 6.1.19

In de procesinleiding wordt de verdachte, naast op de in artikel 4.1.2, eerste lid, genoemde rechten, gewezen op zijn recht om bij het onderzoek op de terechtzitting te worden vergezeld door een ouder of een persoon naar keuze.

Artikel 6.1.20

  1. In de oproeping voor de terechtzitting wordt de verdachte gewezen op:

    1. de verplichting om in persoon op de terechtzitting te verschijnen en op de bevoegdheid van de rechtbank zijn medebrenging te bevelen, indien hij niet aan die verplichting voldoet;

    2. het bepaalde in de artikelen 6.1.19, 6.1.22 en 6.1.41.

  2. Artikel 6.1.7, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 6.1.21

  1. De verdachte is verplicht in persoon te verschijnen.

  2. Indien de verdachte van een misdrijf niet op de terechtzitting verschijnt, stelt de rechter, tenzij zonder onderzoek van de zaak zelf blijkt van nietigheid van de tenlastelegging, onbevoegdheid van de rechtbank of niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie, het onderzoek tot een bepaalde dag uit en beveelt hij tevens de medebrenging van de verdachte. De rechter kan, indien van de verdachte geen woon- of verblijfplaats bekend is of op grond van bijzondere omstandigheden, het uitstel van het onderzoek en het geven van een bevel tot medebrenging achterwege laten.

Artikel 6.1.22

  1. De behandeling van de zaak vindt niet in het openbaar plaats. De rechter kan tot bijwonen van de terechtzitting bijzondere toegang verlenen. Aan het slachtoffer wordt toegang verleend, tenzij de rechter wegens bijzondere redenen anders beslist.

  2. De rechter beveelt een openbare behandeling van de zaak indien naar zijn oordeel het belang van de openbaarheid van de zitting zwaarder moet wegen dan het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de verdachte, de medeverdachte of de ouder.

  3. De voorzitter kan bepalen dat de vragen met betrekking tot de geestvermogens, de persoonlijkheid of levensomstandigheden van de verdachte in zijn afwezigheid zullen worden gesteld en behandeld, en dat de officier van justitie of de raadsman in afwezigheid van de verdachte het woord zal voeren over zijn geestvermogens. Artikel 4.2.36, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

  4. De artikelen 4.2.65, vierde lid, eerste zin, en 4.3.27, eerste lid, laatste zin, zijn niet van toepassing.

Artikel 6.1.23

Indien over de verdachte advies is uitgebracht als bedoeld in artikel 6.1.29, geeft het eindvonnis aan op welke wijze met het advies rekening is gehouden.

Artikel 6.1.24

In geval van hoger beroep zijn de artikelen 6.1.21 tot en met 6.1.23 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 6.1.25

De bepalingen van deze afdeling zijn van toepassing op de verdachte die ten tijde van het strafbaar feit de leeftijd van achttien jaar maar nog niet die van drieëntwintig jaar heeft bereikt.

Artikel 6.1.26

  1. De rechter-commissaris en de raadkamer kunnen, indien zij daartoe grond vinden in de persoonlijkheid van de verdachte of de omstandigheden waaronder het feit is begaan, bepalen dat toepassing wordt gegeven aan de artikelen 6.1.11 tot en met 6.1.14.

  2. Indien de officier van justitie voornemens is te vorderen dat recht zal worden gedaan overeenkomstig artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht, kan hij Onze Minister verzoeken het bevel tot voorlopige hechtenis ten uitvoer te leggen in een inrichting als bedoeld in artikel 3a van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen.

Artikel 6.1.27

Een strafbeschikking kan, naast de in artikel 3.3.1, derde lid, genoemde aanwijzingen, de aanwijzing bevatten dat de verdachte zich richt naar de aanwijzingen van een reclasseringsinstelling als bedoeld in artikel 6:3:14, tweede lid. Artikel 3.3.1, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 6.1.28

  1. De rechter kan bepalen dat de berechting plaatsvindt met toepassing van de artikelen 6.1.17 tot en met 6.1.23 indien hij daartoe grond vindt in de persoonlijkheid van de verdachte of de omstandigheden waaronder het feit is begaan.

  2. Indien de zaak is aangebracht bij de meervoudige kamer kan de voorzitter van de rechtbank ambtshalve, op vordering van de officier van justitie of op verzoek van de verdachte de in het eerste lid bedoelde beslissing nemen. In dat geval wordt dit in de oproeping voor de terechtzitting vermeld. Daarbij wordt tevens vermeld dat de verdachte in persoon op de terechtzitting moet verschijnen en dat de rechtbank, indien de verdachte niet aan deze verplichting voldoet, zijn medebrenging kan bevelen.

  3. De officier van justitie brengt de zaak bij de kinderrechter aan indien deze naar zijn aanvankelijk oordeel de in het eerste lid bedoelde beslissing dient te geven. De tweede en derde zin van het tweede lid zijn in dat geval van overeenkomstige toepassing.

  4. Indien de officier van justitie voornemens is op de terechtzitting te vorderen dat ten aanzien van de verdachte toepassing wordt gegeven aan artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht, wordt dit tevens in de oproeping voor de terechtzitting vermeld.

Artikel 6.1.29

  1. De raad voor de kinderbescherming is belast met het doen van onderzoek naar de persoonlijkheid en de levensomstandigheden van verdachten die ten tijde van het begaan van het strafbaar feit de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt. Desgevraagd of uit eigen beweging verschaft de raad inlichtingen of advies aan de officier van justitie en de rechter. De raad rapporteert zo spoedig mogelijk.

  2. De raad voor de kinderbescherming kan onderzoek doen naar de persoonlijkheid en de levensomstandigheden van verdachten die ten tijde van het begaan van het strafbaar feit de leeftijd van achttien jaar maar nog niet die van drieëntwintig jaar hebben bereikt.

  3. De raad voor de kinderbescherming verschaft desgevraagd inlichtingen aan de reclasseringsinstelling, bedoeld in artikel 1.11.9, over verdachten die ten tijde van het begaan van het strafbaar feit de leeftijd van achttien jaar maar nog niet die van drieëntwintig jaar hebben bereikt.

  4. Bij het opstellen van het advies en bij het verschaffen van inlichtingen wordt melding gemaakt van specifieke kwetsbaarheden waarvan is gebleken.

  5. De verdachte wordt bij het opstellen van het advies betrokken.

Artikel 6.1.30

  1. De officier van justitie wint bij de raad inlichtingen in over de persoonlijkheid en de levensomstandigheden van de verdachte, tenzij:

    1. hij onvoorwaardelijk van vervolging afziet;

    2. over de verdachte in de periode van een jaar voorafgaand aan de aanhouding al een advies is opgesteld.

  2. De officier van justitie kan afzien van het inwinnen van inlichtingen bij de raad indien hij voornemens is een strafbeschikking uit te vaardigen of indien hij de zaak ter berechting bij de kantonrechter aanbrengt.

  3. Indien de verdachte in verzekering is gesteld, zich in voorlopige hechtenis bevindt of ingevolge artikel 2.10.23 ter observatie is overgebracht naar een psychiatrisch ziekenhuis, stelt de officier van justitie of de hulpofficier van justitie de raad voor de kinderbescherming hiervan direct in kennis.

Artikel 6.1.31

De bepalingen van deze afdeling zijn van toepassing zolang de verdachte minderjarig is. De rechter kan aan de bepalingen over de persoon naar keuze ook toepassing geven indien het een verdachte betreft die inmiddels meerderjarig is geworden of een verdachte als bedoeld in artikel 6.1.25.

Artikel 6.1.32

Onverminderd artikel 1.4.20, tweede lid, worden berichten aan minderjarigen eveneens overgedragen aan de ouder die een bekende verblijfplaats in Nederland heeft. Aan samenwonende ouders wordt met één bericht volstaan.

Artikel 6.1.33

  1. Bij het verhoor heeft de verdachte het recht te worden vergezeld door de ouder of een persoon naar keuze. De verhorende ambtenaar verleent hen toegang tot het bijwonen van het verhoor van de verdachte.

  2. De verhorende ambtenaar kan de toegang weigeren in het belang van het onderzoek of in het belang van de verdachte. Een opsporingsambtenaar kan de toegang slechts weigeren met toestemming van de officier van justitie.

Artikel 6.1.34

De ouder of de persoon naar keuze kan de officier van justitie of de hulpofficier van justitie die bij de voorgeleiding beveelt dat de verdachte wordt opgehouden voor onderzoek, verzoeken te bevelen dat de verdachte medisch wordt onderzocht als bedoeld in artikel 6.1.9 om vast te stellen of deze in staat is een verhoor te ondergaan of te worden onderworpen aan een onderzoekshandeling.

Artikel 6.1.35

De ouder of een persoon naar keuze wordt bij het opstellen van het advies, bedoeld in artikel 6.1.29, eerste lid, betrokken.

Artikel 6.1.36

  1. In afwijking van artikel 2.5.12 doet de officier van justitie of de hulpofficier van justitie die bij de voorgeleiding beveelt dat de verdachte wordt opgehouden voor onderzoek, de ouder mededeling van de vrijheidsbeneming en van de redenen daarvan. De ouder wordt eveneens mededeling gedaan van de rechten, bedoeld in artikel 6.1.7.

  2. De mededeling kan worden uitgesteld voor zover en voor zolang dit:

    1. in strijd is met het belang van de verdachte;

    2. niet mogelijk is omdat de ouder na redelijke inspanning niet kan worden bereikt of onbekend is.

  3. Indien de mededeling wordt uitgesteld, wordt een persoon naar keuze in kennis gesteld van de vrijheidsbeneming. Indien de verdachte geen persoon naar keuze heeft aangewezen, wordt de raad voor de kinderbescherming in kennis gesteld.

Artikel 6.1.37

Indien de verdachte rechtens zijn vrijheid is ontnomen en niet is geplaatst in een justitiële jeugdinrichting, heeft de ouder vrije toegang tot de verdachte zonder dat het onderzoek daardoor mag worden opgehouden en voor zover het belang van het onderzoek zich daartegen niet verzet. De ouder kan vertrouwelijk met de verdachte communiceren, een en ander onder het vereiste toezicht en met inachtneming van huishoudelijke reglementen die gelden op de plaats waar de verdachte verblijft.

Artikel 6.1.38

In de gevallen waarin de rechter over de voorlopige hechtenis oordeelt, wordt de ouder opgeroepen. Artikel 6.1.43 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 6.1.39

Het geven van de toestemming, bedoeld in artikel 2.6.3, eerste lid, het afleggen van een verklaring van afstand van het inbeslaggenomen voorwerp, bedoeld in artikel 2.7.26, eerste lid, en het doen van beklag, bedoeld in Hoofdstuk 4, vinden plaats door een ouder indien het een verdachte als bedoeld in artikel 6.1.1 betreft.

Artikel 6.1.40

Indien de officier van justitie voornemens is om een strafbeschikking uit te vaardigen als bedoeld in artikel 6.1.16, roept hij de ouder op om te worden gehoord. Artikel 6.1.43 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 6.1.41

  1. Bij de berechting door de meervoudige kamer of de kinderrechter wordt de ouder opgeroepen in persoon op de terechtzitting te verschijnen. Bij berechting door de kantonrechter kan de ouder worden opgeroepen. In de oproeping wordt de ouder erop gewezen dat de rechter, indien de ouder niet verschijnt, zijn medebrenging kan bevelen. In de oproeping wordt opgave gedaan van het feit dat de verdachte wordt tenlastegelegd.

  2. Nadat de verdachte en de aanwezige getuigen en deskundigen zijn verhoord, wordt de ouder in de gelegenheid gesteld het woord te voeren. De ouder kan inbrengen wat tot verdediging kan dienen en opmerkingen maken over de persoonlijkheid en de levensomstandigheden van de verdachte.

  3. De rechter kan bevelen dat de ouder de zittingzaal zal verlaten, opdat de verdachte, een getuige of een deskundige in zijn afwezigheid zal worden verhoord. Na zijn terugkeer in de zittingzaal wordt de ouder direct meegedeeld wat is voorgevallen, tenzij gewichtige redenen zich daartegen verzetten.

Artikel 6.1.42

  1. Indien de opgeroepen ouder niet op de terechtzitting verschijnt, schorst de rechter het onderzoek van de zaak voor bepaalde tijd en beveelt hij de hernieuwde oproeping van de ouder, tenzij hij voortzetting van het onderzoek in het belang van een behoorlijke behandeling van de zaak noodzakelijk acht. Voordat de rechter beslist, hoort hij de verdachte, de officier van justitie en het slachtoffer dat op de terechtzitting aanwezig is.

  2. De rechter kan de medebrenging van de ouder bevelen.

Artikel 6.1.43

  1. De rechter kan de toegang van de ouder tot de terechtzitting weigeren indien:

    1. de aanwezigheid van de ouder in strijd is met het belang van de verdachte;

    2. de behandeling van de zaak zich tegen aanwezigheid van de ouder verzet.

  2. In het geval, bedoeld in het eerste lid, of als na redelijke inspanning is gebleken dat de ouder niet kan worden bereikt of onbekend is, verleent de rechter toegang aan een persoon naar keuze.

  3. Indien de verdachte geen persoon naar keuze heeft aangewezen of de rechter de aangewezen persoon ongeschikt acht, wordt de verdachte bijgestaan door een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming.

Artikel 6.1.44

Indien de vordering van de benadeelde partij wordt geacht te zijn gericht tegen de ouder, zijn de bepalingen van deze paragraaf van toepassing.

Artikel 6.1.45

Voor de toepassing van de bepalingen van Boek 4, Hoofdstukken 2 tot en met 6, en Boek 5, Hoofdstukken 4 en 5, wordt de ouder, voor zover het de behandeling van de vordering van de benadeelde partij betreft, gelijkgesteld aan de verdachte, tenzij uit de bepalingen van deze afdeling of de aard van de regeling het tegendeel voortvloeit.

Artikel 6.1.46

  1. In de oproeping van de ouder voor de terechtzitting in eerste aanleg wordt opgave gedaan van de vordering.

  2. De ouder wordt in de gelegenheid gesteld om het woord te voeren nadat de benadeelde partij overeenkomstig artikel 4.4.6, eerste lid, het woord heeft gevoerd. De voorzitter, de andere rechters en de officier van justitie kunnen aan de ouder vragen stellen. De ouder kan daarna telkens het woord voeren als de benadeelde partij het woord heeft gevoerd.

  3. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op de berechting in hoger beroep.

Artikel 6.1.47

De officier van justitie brengt het eindvonnis of het eindarrest na ondertekening ter kennis van de ouder.

Artikel 6.1.48

Het hoger beroep dat voor de ouder openstaat op grond van artikel 6.1.45 wordt binnen twee weken na de uitspraak van het eindvonnis ingesteld.

Artikel 6.1.49

Het beroep in cassatie dat voor de ouder openstaat op grond van artikel 6.1.45 wordt binnen twee weken na de uitspraak van het eindarrest ingesteld.

← terug naar Nieuw Wetboek van Strafvordering