De bepalingen van deze afdeling zijn van toepassing op de verdachte die ten tijde van het begaan van het strafbaar feit nog niet de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt.
Nieuw Wetboek van Strafvordering Laatste controle 30-03-2026, laatste wijziging 18-03-2026.
Inhoud
Boek 1 Strafvordering in het algemeen
Hoofdstuk 1 Inleidende bepalingen en definities
Titel 1.1 Inleidende bepalingen
Hoofdstuk 2 De behandeling van zaken door de rechter
Hoofdstuk 3 Vervolging en opsporing van strafbare feiten
Hoofdstuk 4 De verdachte en zijn raadsman
Titel 4.1 De verdachte
Titel 4.2 De raadsman
Afdeling 4.2.1 Het optreden van de raadsman
Afdeling 4.2.2 De bevoegdheden van de raadsman
Hoofdstuk 5 Het slachtoffer
Hoofdstuk 6 De getuige
Hoofdstuk 7 De deskundige
Hoofdstuk 8 De processtukken
Hoofdstuk 9 Overdracht van berichten en het indienen van stukken
Hoofdstuk 11 Enige algemene voorzieningen
Titel 11.1 Herstelrecht
Titel 11.2 Videoconferentie
Titel 11.3 De inzet van tolken
Titel 11.4 Opdrachten aan de reclassering
Titel 11.5 Verstoring van ambtsverrichtingen
Boek 2 Het opsporingsonderzoek
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Titel 1.1 Definities
Titel 1.2 Algemene bepalingen over de uitoefening van bevoegdheden in het kader van het opsporingsonderzoek
Titel 1.3 Algemene bevoegdheid
Titel 1.4 Verslaglegging door opsporingsambtenaren
Titel 1.5 Vastlegging van bevelen en van machtigingen en vorderingen daartoe
Titel 1.6 Toestemming voor onderzoekshandelingen
Hoofdstuk 2 De aangifte
Hoofdstuk 3 Het verhoor door opsporingsambtenaren
Hoofdstuk 4 Deskundigenonderzoek in opdracht van de officier van justitie
Hoofdstuk 5 Bevoegdheden tot vrijheidsbeperking en vrijheidsbeneming
Titel 5.1 Algemene bepalingen
Titel 5.2 Staandehouding en aanhouding
Titel 5.3 Ophouden voor onderzoek en inverzekeringstelling
Afdeling 5.3.1 Ophouden voor onderzoek
Afdeling 5.3.2 Inverzekeringstelling
Afdeling 5.3.3 Maatregelen ten aanzien van de voor onderzoek opgehouden of in verzekering gestelde verdachte
Afdeling 5.3.4 Voorgeleiding aan de rechter-commissaris
Titel 5.4 Voorlopige hechtenis
Afdeling 5.4.1 Algemene bepalingen
Afdeling 5.4.2 Toepassingsvoorwaarden
Afdeling 5.4.3 Schorsing van de voorlopige hechtenis
Afdeling 5.4.4 Opheffing van de voorlopige hechtenis
Afdeling 5.4.5 Bewaring
Afdeling 5.4.6 Gevangenhouding en gevangenneming
Afdeling 5.4.7 Beslissingen over voorlopige hechtenis in het eindvonnis
Afdeling 5.4.8 Voorlopige hechtenis na hoger beroep tegen het eindvonnis
Titel 5.5 Rechtsmiddelen
Afdeling 5.5.1 Bezwaar tegen het opleggen van maatregelen
Afdeling 5.5.2 Beroep tegen de directe invrijheidstelling van de verdachte
Afdeling 5.5.3 Beroep tegen beslissingen met betrekking tot de voorlopige hechtenis
Hoofdstuk 6 Bevoegdheden met betrekking tot het lichaam
Titel 6.1 Algemene bepalingen
Afdeling 6.1.1 Bevel officier van justitie
Afdeling 6.1.2 Onderzoek en fase van vrijheidsbeneming
Afdeling 6.1.3 Toestemming
Afdeling 6.1.4 Delegatie
Titel 6.2 Onderzoek aan de kleding en onderzoek van meegevoerde voorwerpen
Titel 6.3 Onderzoek aan het lichaam
Titel 6.4 Onderzoek in het lichaam
Titel 6.5 Overige onderzoeken met betrekking tot het lichaam
Afdeling 6.5.1 Het nemen van vingerafdrukken en gezichtsopnamen ter identiteitsvaststelling
Afdeling 6.5.2 Onderzoek naar gebruik van geweldbevorderende middelen
Afdeling 6.5.3 Het maken van beeldopnamen, het opmeten van lichaamsmaten en het nemen van lichaamsafdrukken, -haar en -materiaal
Afdeling 6.5.4 Onderzoek ten aanzien van fysieke eigenschappen
Afdeling 6.5.5 Het houden van een confrontatie
Afdeling 6.5.6 DNA-onderzoek
Afdeling 6.5.7 Onderzoek naar een ernstige besmettelijke ziekte
Titel 6.6 Onderzoek met betrekking tot het lichaam van een overleden verdachte of slachtoffer
Titel 6.7 Bevoegdheden van de rechter-commissaris
Titel 6.8 Rechtsmiddelen
Hoofdstuk 7 Bevoegdheden met betrekking tot voorwerpen en gegevens
Titel 7.1 Algemene bepalingen
Titel 7.2 Inbeslagneming van voorwerpen
Afdeling 7.2.1 Algemene bepalingen
Afdeling 7.2.2 Bevoegdheden tot inbeslagneming van voorwerpen
Afdeling 7.2.3 Inbeslagneming tot bewaring van het recht tot verhaal
Afdeling 7.2.4 Teruggave en bewaring van inbeslaggenomen voorwerpen
Titel 7.3 Onderzoek van gegevens
Afdeling 7.3.1 Algemene bepalingen
Afdeling 7.3.2 Bevoegdheden
Afdeling 7.3.3 Verstrekking van gegevens ten behoeve van het onderzoek
Titel 7.4 Ontoegankelijkmaking van gegevens
Titel 7.5 Uitoefening van bevoegdheden in het geval van verschoningsrecht
Titel 7.6 Onderzoek ter plaatse
Titel 7.7 Bevoegdheden van de rechter-commissaris
Titel 7.8 Rechtsmiddelen
Hoofdstuk 8 Heimelijke bevoegdheden
Titel 8.1 Algemene bepalingen
Afdeling 8.1.1 Bevel officier van justitie
Afdeling 8.1.2 Kennisgeving aan betrokkene
Afdeling 8.1.3 Voeging gegevens functioneel verschoningsgerechtigden
Afdeling 8.1.4 Technische hulpmiddelen
Afdeling 8.1.5 Verplichting tot inbeslagneming
Afdeling 8.1.6 Uitstel melding onbekende kwetsbaarheden
Titel 8.2 De bevoegdheden
Afdeling 8.2.1 Stelselmatige observatie
Afdeling 8.2.2 Stelselmatig overnemen persoonsgegevens uit publiek toegankelijke bronnen
Afdeling 8.2.3 Bevoegdheden ten aanzien van een besloten plaats
Afdeling 8.2.4 Pseudo-koop of -dienstverlening
Afdeling 8.2.5 Stelselmatige inwinning van informatie
Afdeling 8.2.6 Infiltratie
Afdeling 8.2.7 Vastleggen communicatie die plaatsvindt door middel van een aanbieder van een communicatiedienst
Afdeling 8.2.8 Vastleggen vertrouwelijke communicatie
Afdeling 8.2.9 Toegang op afstand tot een digitale-gegevensdrager of geautomatiseerd werk
Afdeling 8.2.10 Stelselmatige locatiebepaling
Titel 8.3 Bijstand door burgers bij de uitoefening van heimelijke bevoegdheden
Titel 8.4 Personen in de openbare dienst van een vreemde staat
Titel 8.5 Maatregelen in het belang van de veiligheid
Titel 8.6 Vermoeden georganiseerd verband en aanwijzingen terroristisch misdrijf
Titel 8.7 Rechtsmiddelen
Hoofdstuk 9 Het verkennend onderzoek
Hoofdstuk 10 Onderzoek door de rechter-commissaris
Titel 10.1 Algemene bepalingen
Titel 10.2 Bevoegdheden met betrekking tot de verdachte
Afdeling 10.2.1 Het verhoor van de verdachte
Afdeling 10.2.2 Observatie van de verdachte
Titel 10.3 Het verhoor van de getuige
Titel 10.4 De benoeming en het verhoor van een deskundige
Afdeling 10.4.1 De benoeming van een deskundige
Afdeling 10.4.2 Het verhoor van een deskundige
Titel 10.5 Getuigen aan wie toezeggingen zijn gedaan
Titel 10.6 Voortgangsbewaking door de rechter-commissaris
Titel 10.7 Beëindiging van het onderzoek
Titel 10.8 Rechtsmiddelen
Boek 3 Beslissingen over vervolging
Hoofdstuk 2 Bezwaarschrift tegen de procesinleiding
Hoofdstuk 3 De strafbeschikking
Titel 3.1 Inhoud van de strafbeschikking
Titel 3.2 Uitvaardigen van de strafbeschikking door opsporingsambtenaren en lichamen of personen, met een publieke taak belast
Titel 3.3 Waarborgen bij het uitvaardigen van de strafbeschikking
Titel 3.4 Uitreiken en toezenden van de strafbeschikking
Titel 3.5 Intrekken en wijzigen van de strafbeschikking
Titel 3.6 Openbaarheid van de strafbeschikking
Hoofdstuk 4 Het achterwege laten van vervolging
Titel 4.1 Het sepot
Hoofdstuk 5 Beklag over het niet opsporen of niet vervolgen van strafbare feiten
Hoofdstuk 6 Rechtsmiddelen
Boek 4 Berechting
Hoofdstuk 1 Het aanbrengen van de zaak ter berechting
Hoofdstuk 2 Het onderzoek op de terechtzitting
Titel 2.1 Algemene bepalingen
Titel 2.2 De aanvang van het onderzoek
Titel 2.3 De omvang van het onderzoek
Titel 2.4 Het onderzoek van de zaak zelf
Afdeling 2.4.1 Inleidende bepalingen
Afdeling 2.4.2 Het verhoor van de verdachte
Afdeling 2.4.3 Het verhoor van de getuige
Afdeling 2.4.4 Het verhoor van de deskundige
Afdeling 2.4.5 De uitoefening van het spreekrecht
Afdeling 2.4.6 Het beslag
Afdeling 2.4.7 Nader onderzoek
Afdeling 2.4.8 De schorsing van het onderzoek
Afdeling 2.4.9 Het requisitoir en het pleidooi, repliek en dupliek
Afdeling 2.4.10 De sluiting van het onderzoek en beslissingen ten aanzien van de uitspraak
Afdeling 2.4.11 Heropening van het onderzoek
Titel 2.5 De verslaglegging van het onderzoek op de terechtzitting
Hoofdstuk 3 De beraadslaging, de uitspraak en het eindvonnis
Hoofdstuk 4 De behandeling van met de berechting verbonden vorderingen
Titel 4.1 De vordering van de benadeelde partij
Titel 4.2 De vordering tot tenuitvoerlegging
Titel 4.3 De vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel
Afdeling 4.3.2 Afzonderlijke behandeling
Afdeling 4.3.3 Voeging en afsplitsing
Afdeling 4.3.4 De ontnemingsschikking
Hoofdstuk 5 De enkelvoudige kamer
Hoofdstuk 6 Herstelbeslissingen
Boek 5 Rechtsmiddelen
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Hoofdstuk 2 Het instellen en indienen, intrekken en afstand doen van gewone rechtsmiddelen
Hoofdstuk 3 Verzet tegen strafbeschikkingen
Hoofdstuk 4 Hoger beroep tegen vonnissen
Titel 4.1 Hoger beroep tegen eindvonnissen en tussenvonnissen
Afdeling 4.1.1 Gevallen waarin hoger beroep openstaat
Afdeling 4.1.2 De voorbereiding van de terechtzitting
Afdeling 4.1.3 De oproeping voor de terechtzitting
Afdeling 4.1.4 Het onderzoek op de terechtzitting
Afdeling 4.1.5 De beraadslaging, de uitspraak en het eindarrest
Titel 4.2 Hoger beroep in het geval van verbonden vorderingen
Afdeling 4.2.1 De vordering van de benadeelde partij
Afdeling 4.2.2 De vordering tot tenuitvoerlegging
Afdeling 4.2.3 De vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel
Titel 4.3 De enkelvoudige kamer
Titel 4.4 Herstelbeslissingen
Hoofdstuk 5 Beroep in cassatie tegen arresten
Titel 5.1 Beroep in cassatie tegen eindarresten en tussenarresten
Afdeling 5.1.1 Gevallen waarin beroep in cassatie openstaat
Afdeling 5.1.2 De voorbereiding van de behandeling van het beroep in cassatie
Afdeling 5.1.3 De behandeling van het beroep in cassatie
Titel 5.2 Beroep in cassatie in het geval van verbonden vorderingen
Afdeling 5.2.1 De vordering van de benadeelde partij
Afdeling 5.2.2 De vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel
Titel 5.3 Herstelarresten
Hoofdstuk 6 Gewone rechtsmiddelen tegen andere beslissingen
Hoofdstuk 7 Cassatie in het belang van de wet
Hoofdstuk 8 Herziening van arresten en vonnissen
Titel 8.1 Herziening ten voordele van de gewezen verdachte
- Artikel 5.8.1
- Artikel 5.8.2
- Artikel 5.8.3
- Artikel 5.8.4
- Artikel 5.8.5
- Artikel 5.8.6
- Artikel 5.8.7
- Artikel 5.8.8
- Artikel 5.8.9
- Artikel 5.8.10
- Artikel 5.8.11
- Artikel 5.8.12
- Artikel 5.8.13
- Artikel 5.8.14
- Artikel 5.8.15
- Artikel 5.8.16
- Artikel 5.8.17
- Artikel 5.8.18
- Artikel 5.8.19
- Artikel 5.8.20
- Artikel 5.8.21
- Artikel 5.8.22
- Artikel 5.8.23
- Artikel 5.8.24
- Artikel 5.8.25
- Artikel 5.8.26
Titel 8.2 Herziening ten nadele van de gewezen verdachte
Boek 6 Bijzondere regelingen
Hoofdstuk 1 Voorzieningen vanwege de persoon van de verdachte
Titel 1.1 Jeugdigen en jongvolwassenen
Afdeling 1.1.1 Verdachten die ten tijde van het begaan van het strafbaar feit nog niet de leeftijd van twaalf jaar hebben bereikt
Afdeling 1.1.2 Verdachten die ten tijde van het begaan van het strafbaar feit de leeftijd van twaalf jaar maar nog niet die van achttien jaar hebben bereikt
Afdeling 1.1.3 Verdachten die ten tijde van het begaan van het strafbaar feit de leeftijd van achttien jaar maar nog niet die van drieëntwintig jaar hebben bereikt
Afdeling 1.1.4 De raad voor de kinderbescherming
Afdeling 1.1.5 De betrokkenheid van de ouder of een persoon naar keuze
Afdeling 1.1.6 Vordering van de benadeelde partij
Titel 1.2 Verdachten die door een beperking of een ziekte onvoldoende in staat zijn aan het proces tegen hen deel te nemen
Titel 1.3 Rechtspersonen
Titel 1.4 Rechterlijke ambtenaren
Hoofdstuk 2 Procesincidenten
Hoofdstuk 4 Bijzondere procedures
Titel 4.1 Beklag met betrekking tot voorwerpen en gegevens
Afdeling 4.1.1 Beklag met betrekking tot voorwerpen
Afdeling 4.1.2 Beklag met betrekking tot gegevens
Afdeling 4.1.3 Behandeling van het klaagschrift
Titel 4.2 Afzonderlijke rechterlijke beslissing met betrekking tot voorwerpen en gegevens
Titel 4.3 Rechtsmiddelen
Hoofdstuk 5 Bevoegdheden van bijzondere aard
Titel 5.1 Gedragsaanwijzing ter beëindiging van ernstige overlast
Titel 5.2 Bevoegdheden bij het ontruimen van een gekraakt pand
Afdeling 5.2.1 Bevoegdheden
Afdeling 5.2.2 Rechtsmiddelen
Titel 5.3 Bevoegdheden tot het betreden van plaatsen in verband met bepaalde misdrijven
Titel 5.4 Bevoegdheden in geval van aanwijzingen van een terroristisch misdrijf
Titel 5.5 Bevoegdheden in verband met de ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Afdeling 5.5.1 Bevoegdheden
Afdeling 5.5.2 Rechtsmiddelen
Titel 5.6 Bevoegdheden tot vastlegging en raadpleging van kentekengegevens
Titel 5.7 Onderzoek naar gebruik van geweld door ambtenaren
Hoofdstuk 6 Schadevergoeding en kosten
Boek 9 Slotbepalingen
Boek 6
Artikel 6.1.2
Tegen de verdachte kan geen vervolging worden ingesteld.
Artikel 6.1.3
-
Tegen de verdachte kunnen met toepassing van de daarop betrekking hebbende bepalingen uitsluitend de volgende bevoegdheden uit Boek 2 worden uitgeoefend:
verhoor van de verdachte, bedoeld in Titel 3.2;
staandehouding en aanhouding, bedoeld in Titel 5.2;
ophouden voor onderzoek, bedoeld in Afdeling 5.3.1, met dien verstande dat dit voor ten hoogste zes uur kan worden bevolen;
onderzoek aan de kleding en onderzoek van meegevoerde voorwerpen, bedoeld in Titel 6.2;
onderzoek aan het lichaam en onderzoek in het lichaam, bedoeld in de Titels 6.3 en 6.4;
inbeslagneming van voorwerpen en onderzoek van gegevens, bedoeld in Hoofdstuk 7, met dien verstande dat beslag alleen kan worden gelegd om de waarheid aan het licht te brengen of met het oog op de onttrekking aan het verkeer van het voorwerp.
-
De officier van justitie of de hulpofficier van justitie die bij de voorgeleiding beveelt dat de verdachte wordt opgehouden voor onderzoek, stelt de raad voor de kinderbescherming hiervan direct in kennis.
-
De artikelen 6.1.5, eerste en tweede lid, en 6.1.7, eerste lid, aanhef en onderdelen c en d, zijn van overeenkomstige toepassing.
-
Boek 2, Titel 7.7 en Hoofdstuk 10, blijven buiten toepassing.
Artikel 6.1.4
De bepalingen van deze afdeling zijn van toepassing op de verdachte die ten tijde van het begaan van het strafbaar feit de leeftijd van twaalf jaar maar nog niet die van achttien jaar heeft bereikt.
Artikel 6.1.5
-
In de gevallen waarin de wet in de aanwijzing van een raadsman voorziet, kan de verdachte geen afstand doen van het recht op rechtsbijstand.
-
Indien de verdachte is aangehouden, stelt de officier van justitie of de hulpofficier van justitie die bij de voorgeleiding beveelt dat de verdachte wordt opgehouden voor onderzoek, het bestuur van de raad voor rechtsbijstand direct van zijn aanhouding in kennis, opdat het bestuur een raadsman aanwijst. Deze kennisgeving kan achterwege blijven indien de verdachte een raadsman heeft gekozen en deze of een vervangende raadsman tijdig beschikbaar zal zijn.
-
Het bestuur van de raad voor rechtsbijstand wijst voor de verdachte die geen raadsman heeft, een raadsman aan:
na de kennisgeving, bedoeld in het tweede lid;
nadat hij door de officier van justitie over het voornemen, bedoeld in artikel 6.1.16, tweede lid, is ingelicht;
nadat hij door de officier van justitie erover in kennis is gesteld dat tegen de verdachte een procesinleiding is ingediend wegens een feit dat in eerste aanleg door de rechtbank, niet zijnde de kantonrechter, wordt berecht.
Artikel 6.1.6
Van een verhoor door een opsporingsambtenaar worden geluids- en beeldopnamen gemaakt indien de ernst van het misdrijf of de persoonlijkheid van de verdachte daartoe aanleiding geeft.
Artikel 6.1.7
-
Onverminderd de artikelen 1.4.4 en 1.4.7 wordt de aangehouden verdachte direct na zijn aanhouding in kennis gesteld van:
de mogelijkheid van een medisch onderzoek als bedoeld in artikel 6.1.9;
de mogelijkheid van een advies over zijn persoonlijkheid en zijn levensomstandigheden, bedoeld in artikel 6.1.29;
het recht vergezeld te worden door de ouder of een persoon naar keuze overeenkomstig artikel 6.1.33;
het bepaalde in de artikelen 6.1.36 en 6.1.37.
-
De kennisgeving van rechten wordt gedaan in voor de verdachte eenvoudige en toegankelijke bewoordingen.
Artikel 6.1.8
De officier van justitie of de hulpofficier van justitie die bij de voorgeleiding beveelt dat de verdachte wordt opgehouden voor onderzoek, stelt de raad voor de kinderbescherming hiervan direct in kennis.
Artikel 6.1.9
-
De officier van justitie of de hulpofficier van justitie die bij de voorgeleiding beveelt dat de verdachte wordt opgehouden voor onderzoek kan, ambtshalve of op verzoek van de verdachte, bevelen dat de verdachte medisch wordt onderzocht om vast te stellen of deze in staat is een verhoor te ondergaan of te worden onderworpen aan een onderzoekshandeling. Bij een medisch onderzoek wordt de algemene geestelijke en lichamelijke gesteldheid van de verdachte beoordeeld. Het onderzoek is zo non-invasief mogelijk.
-
Een medisch onderzoek vindt plaats door of onder de verantwoordelijkheid van een arts.
-
Indien de uitkomst van het medisch onderzoek daartoe aanleiding geeft, kan de officier van justitie of de hulpofficier van justitie bevelen dat een verhoor van de verdachte of een onderzoekshandeling die deze moet ondergaan en die is gericht op de bewijsgaring, wordt uitgesteld.
Artikel 6.1.10
Voor het ophouden voor onderzoek of het ondergaan van inverzekeringstelling kan in het bevel elke geschikte plaats worden aangewezen.
Artikel 6.1.11
De kinderrechter treedt bij de toepassing van de voorlopige hechtenis op als rechter-commissaris.
Artikel 6.1.12
Bij een oproeping om te worden gehoord over een vordering tot het geven van een bevel tot voorlopige hechtenis of tot verlenging daarvan wordt de verdachte in kennis gesteld van:
het bepaalde in de artikelen 2.5.31 en 6.1.13, eerste lid, eerste zin;
het recht op periodieke toetsing van de voorlopige hechtenis;
het recht vergezeld te worden door de ouder of een persoon naar keuze overeenkomstig artikel 6.1.33;
het recht om bij het ondergaan van voorlopige hechtenis gescheiden van volwassenen te verblijven.
Artikel 6.1.13
-
Voorlopige hechtenis wordt voor een zo kort mogelijke passende duur bevolen. Bij het bevel tot voorlopige hechtenis en de verlenging daarvan houdt de rechter rekening met de leeftijd en persoonlijkheid van de verdachte en de omstandigheden waaronder het feit is begaan.
-
Het bevel tot gevangenneming of gevangenhouding is van kracht gedurende een door de rechtbank te bepalen termijn van ten hoogste een maand.
-
Wanneer het bevel is gegeven op de terechtzitting dan wel binnen de krachtens het eerste lid bepaalde termijn het onderzoek op de terechtzitting is aangevangen, blijft het bevel van kracht tot een maand na de dag van het eindvonnis.
-
De termijn waarbinnen het bevel van kracht is, kan door de rechtbank op vordering van de officier van justitie vóór de aanvang van het onderzoek op de terechtzitting telkens worden verlengd met periodes van ten hoogste een maand.
-
Indien de officier van justitie voornemens is te vorderen dat aan de verdachte de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen wordt opgelegd, kan het in het vierde lid bedoelde bevel telkens worden verlengd met periodes van ten hoogste drie maanden.
-
De behandeling van een vordering tot voorlopige hechtenis en tot verlenging, schorsing of opheffing daarvan vindt niet in het openbaar plaats. Op bevelen tot verlenging zijn het tweede en derde lid van overeenkomstige toepassing.
-
Voor het ondergaan van voorlopige hechtenis kan het bevel elke geschikte plaats vermelden.
-
Het bevel tot voorlopige hechtenis kan inhouden dat de verdachte gedurende de nacht in een inrichting als bedoeld in de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen dan wel op een andere geschikte plaats verblijft en dat de verdachte gedurende de dag in de gelegenheid wordt gesteld de inrichting of die plaats te verlaten.
-
In het bevel tot voorlopige hechtenis of het bevel tot schorsing kan de rechter aanwijzingen geven over de tenuitvoerlegging van het bevel.
-
In de gevallen waarin verlof kan worden verleend op grond van het bepaalde bij of krachtens de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen blijft Boek 2, Afdeling 5.4.3, buiten toepassing.
Artikel 6.1.14
-
De aan de schorsing van de voorlopige hechtenis te verbinden bijzondere voorwaarden kunnen naast de voorwaarden, bedoeld in artikel 2.5.33, inhouden:
zich gedurende een door de rechter te bepalen termijn te houden aan de aanwijzingen van de jeugdreclassering, daaronder begrepen dat de verdachte zich onder behandeling van een bepaalde deskundige of bepaalde instantie zal stellen;
het aanvaarden van intensieve begeleiding.
-
De rechter wint ten behoeve van het stellen van bijzondere voorwaarden advies in van de raad voor de kinderbescherming.
-
De rechter kan bij een bevel tot schorsing van de voorlopige hechtenis een gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet of, indien de verdachte inmiddels de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt, de reclassering opdracht geven toezicht te houden op de naleving van voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Artikel 6.1.15
-
De verdachte kan ter voorkoming van vervolging deelnemen aan een pedagogisch programma. De duur van het programma bedraagt ten hoogste twintig uur.
-
Deelname vindt plaats op voorstel van een opsporingsambtenaar na verkregen toestemming van de officier van justitie.
-
Bij algemene maatregel van bestuur worden de strafbare feiten en gevallen aangewezen die op deze wijze kunnen worden afgedaan.
-
Indien de officier van justitie van oordeel is dat de verdachte naar behoren aan een pedagogisch programma heeft deelgenomen, ziet hij af van vervolging.
-
Indien het gerechtshof vervolging van de verdachte beveelt als bedoeld in artikel 3.4.3, eerste lid, onderdeel b, houdt de rechter, indien hij een straf oplegt, rekening met de voltooide deelname als bedoeld in het vierde lid.
Artikel 6.1.16
-
De officier van justitie kan bij strafbeschikking een taakstraf opleggen voor ten hoogste zestig uur en de aanwijzing geven dat de verdachte medewerking verleent aan reclasseringstoezicht voor ten hoogste zes maanden.
-
Indien de officier van justitie voornemens is om een strafbeschikking uit te vaardigen houdende een taakstraf van meer dan tweeëndertig uur dan wel betalingsverplichtingen uit hoofde van geldboete en schadevergoedingsmaatregel, die afzonderlijk of gezamenlijk meer belopen dan € 115, roept hij de verdachte op om te worden gehoord. Bij een oproeping om te worden gehoord, wordt de verdachte gewezen op:
het recht om te worden vergezeld door de ouder of een persoon naar keuze overeenkomstig artikel 6.1.33;
het recht op rechtsbijstand.
Artikel 6.1.7, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
-
Indien over de verdachte advies is uitgebracht als bedoeld in artikel 6.1.29 geeft de strafbeschikking aan op welke wijze daarmee rekening is gehouden bij het opleggen van een straf of bij de keuze voor een aanwijzing betreffende het gedrag.
Artikel 6.1.17
-
Een zaak kan worden berecht door de kinderrechter indien de zaak naar het aanvankelijk oordeel van de officier van justitie van eenvoudige aard is, in het bijzonder ook ten aanzien van het bewijs en de toepassing van de wet, terwijl van de te vorderen jeugddetentie of gevangenisstraf het onvoorwaardelijk deel de zes maanden niet overstijgt.
-
De kinderrechter is niet bevoegd tot het opleggen van een vrijheidsstraf waarvan het onvoorwaardelijk deel de duur van zes maanden overstijgt. Evenmin is de kinderrechter bevoegd tot het opleggen van de maatregelen, bedoeld in de artikelen 37a, eerste lid, 38m en 77s, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.
-
De zaak wordt bij de kantonrechter aangebracht indien de zaak een overtreding betreft die op grond van artikel 4.5.3 door de kantonrechter kan worden berecht en behandeling door de kantonrechter naar het aanvankelijk oordeel van de officier van justitie aangewezen is.
-
De zaak wordt bij de meervoudige kamer aangebracht indien naar het aanvankelijk oordeel van de officier van justitie:
een straf of maatregel dient te worden opgelegd tot de oplegging waarvan de kinderrechter niet bevoegd is;
wegens de ingewikkeldheid van de zaak behandeling door de meervoudige kamer de voorkeur verdient;
gelijktijdige behandeling met zaken tegen verdachten die voor de meervoudige kamer terechtstaan de voorkeur verdient.
Artikel 6.1.18
-
Bij berechting van zaken door de meervoudige kamer neemt ten minste één kinderrechter deel aan het onderzoek op de terechtzitting.
-
Op de berechting door de kinderrechter is Boek 4, Hoofdstukken 1 tot en met 4, van overeenkomstige toepassing, voor zover in deze paragraaf niet anders is bepaald.
-
Op de berechting door de kinderrechter zijn verder de artikelen 4.5.4 tot en met 4.5.10 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 6.1.19
In de procesinleiding wordt de verdachte, naast op de in artikel 4.1.2, eerste lid, genoemde rechten, gewezen op zijn recht om bij het onderzoek op de terechtzitting te worden vergezeld door een ouder of een persoon naar keuze.
Artikel 6.1.20
-
In de oproeping voor de terechtzitting wordt de verdachte gewezen op:
de verplichting om in persoon op de terechtzitting te verschijnen en op de bevoegdheid van de rechtbank zijn medebrenging te bevelen, indien hij niet aan die verplichting voldoet;
het bepaalde in de artikelen 6.1.19, 6.1.22 en 6.1.41.
-
Artikel 6.1.7, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 6.1.21
-
De verdachte is verplicht in persoon te verschijnen.
-
Indien de verdachte van een misdrijf niet op de terechtzitting verschijnt, stelt de rechter, tenzij zonder onderzoek van de zaak zelf blijkt van nietigheid van de tenlastelegging, onbevoegdheid van de rechtbank of niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie, het onderzoek tot een bepaalde dag uit en beveelt hij tevens de medebrenging van de verdachte. De rechter kan, indien van de verdachte geen woon- of verblijfplaats bekend is of op grond van bijzondere omstandigheden, het uitstel van het onderzoek en het geven van een bevel tot medebrenging achterwege laten.
Artikel 6.1.22
-
De behandeling van de zaak vindt niet in het openbaar plaats. De rechter kan tot bijwonen van de terechtzitting bijzondere toegang verlenen. Aan het slachtoffer wordt toegang verleend, tenzij de rechter wegens bijzondere redenen anders beslist.
-
De rechter beveelt een openbare behandeling van de zaak indien naar zijn oordeel het belang van de openbaarheid van de zitting zwaarder moet wegen dan het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de verdachte, de medeverdachte of de ouder.
-
De voorzitter kan bepalen dat de vragen met betrekking tot de geestvermogens, de persoonlijkheid of levensomstandigheden van de verdachte in zijn afwezigheid zullen worden gesteld en behandeld, en dat de officier van justitie of de raadsman in afwezigheid van de verdachte het woord zal voeren over zijn geestvermogens. Artikel 4.2.36, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
-
De artikelen 4.2.65, vierde lid, eerste zin, en 4.3.27, eerste lid, laatste zin, zijn niet van toepassing.
Artikel 6.1.23
Indien over de verdachte advies is uitgebracht als bedoeld in artikel 6.1.29, geeft het eindvonnis aan op welke wijze met het advies rekening is gehouden.
Artikel 6.1.24
In geval van hoger beroep zijn de artikelen 6.1.21 tot en met 6.1.23 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 6.1.25
De bepalingen van deze afdeling zijn van toepassing op de verdachte die ten tijde van het strafbaar feit de leeftijd van achttien jaar maar nog niet die van drieëntwintig jaar heeft bereikt.
Artikel 6.1.26
-
De rechter-commissaris en de raadkamer kunnen, indien zij daartoe grond vinden in de persoonlijkheid van de verdachte of de omstandigheden waaronder het feit is begaan, bepalen dat toepassing wordt gegeven aan de artikelen 6.1.11 tot en met 6.1.14.
-
Indien de officier van justitie voornemens is te vorderen dat recht zal worden gedaan overeenkomstig artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht, kan hij Onze Minister verzoeken het bevel tot voorlopige hechtenis ten uitvoer te leggen in een inrichting als bedoeld in artikel 3a van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen.
Artikel 6.1.27
Een strafbeschikking kan, naast de in artikel 3.3.1, derde lid, genoemde aanwijzingen, de aanwijzing bevatten dat de verdachte zich richt naar de aanwijzingen van een reclasseringsinstelling als bedoeld in artikel 6:3:14, tweede lid. Artikel 3.3.1, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 6.1.28
-
De rechter kan bepalen dat de berechting plaatsvindt met toepassing van de artikelen 6.1.17 tot en met 6.1.23 indien hij daartoe grond vindt in de persoonlijkheid van de verdachte of de omstandigheden waaronder het feit is begaan.
-
Indien de zaak is aangebracht bij de meervoudige kamer kan de voorzitter van de rechtbank ambtshalve, op vordering van de officier van justitie of op verzoek van de verdachte de in het eerste lid bedoelde beslissing nemen. In dat geval wordt dit in de oproeping voor de terechtzitting vermeld. Daarbij wordt tevens vermeld dat de verdachte in persoon op de terechtzitting moet verschijnen en dat de rechtbank, indien de verdachte niet aan deze verplichting voldoet, zijn medebrenging kan bevelen.
-
De officier van justitie brengt de zaak bij de kinderrechter aan indien deze naar zijn aanvankelijk oordeel de in het eerste lid bedoelde beslissing dient te geven. De tweede en derde zin van het tweede lid zijn in dat geval van overeenkomstige toepassing.
-
Indien de officier van justitie voornemens is op de terechtzitting te vorderen dat ten aanzien van de verdachte toepassing wordt gegeven aan artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht, wordt dit tevens in de oproeping voor de terechtzitting vermeld.
Artikel 6.1.29
-
De raad voor de kinderbescherming is belast met het doen van onderzoek naar de persoonlijkheid en de levensomstandigheden van verdachten die ten tijde van het begaan van het strafbaar feit de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt. Desgevraagd of uit eigen beweging verschaft de raad inlichtingen of advies aan de officier van justitie en de rechter. De raad rapporteert zo spoedig mogelijk.
-
De raad voor de kinderbescherming kan onderzoek doen naar de persoonlijkheid en de levensomstandigheden van verdachten die ten tijde van het begaan van het strafbaar feit de leeftijd van achttien jaar maar nog niet die van drieëntwintig jaar hebben bereikt.
-
De raad voor de kinderbescherming verschaft desgevraagd inlichtingen aan de reclasseringsinstelling, bedoeld in artikel 1.11.9, over verdachten die ten tijde van het begaan van het strafbaar feit de leeftijd van achttien jaar maar nog niet die van drieëntwintig jaar hebben bereikt.
-
Bij het opstellen van het advies en bij het verschaffen van inlichtingen wordt melding gemaakt van specifieke kwetsbaarheden waarvan is gebleken.
-
De verdachte wordt bij het opstellen van het advies betrokken.
Artikel 6.1.30
-
De officier van justitie wint bij de raad inlichtingen in over de persoonlijkheid en de levensomstandigheden van de verdachte, tenzij:
hij onvoorwaardelijk van vervolging afziet;
over de verdachte in de periode van een jaar voorafgaand aan de aanhouding al een advies is opgesteld.
-
De officier van justitie kan afzien van het inwinnen van inlichtingen bij de raad indien hij voornemens is een strafbeschikking uit te vaardigen of indien hij de zaak ter berechting bij de kantonrechter aanbrengt.
-
Indien de verdachte in verzekering is gesteld, zich in voorlopige hechtenis bevindt of ingevolge artikel 2.10.23 ter observatie is overgebracht naar een psychiatrisch ziekenhuis, stelt de officier van justitie of de hulpofficier van justitie de raad voor de kinderbescherming hiervan direct in kennis.
Artikel 6.1.31
De bepalingen van deze afdeling zijn van toepassing zolang de verdachte minderjarig is. De rechter kan aan de bepalingen over de persoon naar keuze ook toepassing geven indien het een verdachte betreft die inmiddels meerderjarig is geworden of een verdachte als bedoeld in artikel 6.1.25.
Artikel 6.1.32
Onverminderd artikel 1.4.20, tweede lid, worden berichten aan minderjarigen eveneens overgedragen aan de ouder die een bekende verblijfplaats in Nederland heeft. Aan samenwonende ouders wordt met één bericht volstaan.
Artikel 6.1.33
-
Bij het verhoor heeft de verdachte het recht te worden vergezeld door de ouder of een persoon naar keuze. De verhorende ambtenaar verleent hen toegang tot het bijwonen van het verhoor van de verdachte.
-
De verhorende ambtenaar kan de toegang weigeren in het belang van het onderzoek of in het belang van de verdachte. Een opsporingsambtenaar kan de toegang slechts weigeren met toestemming van de officier van justitie.
Artikel 6.1.34
De ouder of de persoon naar keuze kan de officier van justitie of de hulpofficier van justitie die bij de voorgeleiding beveelt dat de verdachte wordt opgehouden voor onderzoek, verzoeken te bevelen dat de verdachte medisch wordt onderzocht als bedoeld in artikel 6.1.9 om vast te stellen of deze in staat is een verhoor te ondergaan of te worden onderworpen aan een onderzoekshandeling.
Artikel 6.1.35
De ouder of een persoon naar keuze wordt bij het opstellen van het advies, bedoeld in artikel 6.1.29, eerste lid, betrokken.
Artikel 6.1.36
-
In afwijking van artikel 2.5.12 doet de officier van justitie of de hulpofficier van justitie die bij de voorgeleiding beveelt dat de verdachte wordt opgehouden voor onderzoek, de ouder mededeling van de vrijheidsbeneming en van de redenen daarvan. De ouder wordt eveneens mededeling gedaan van de rechten, bedoeld in artikel 6.1.7.
-
De mededeling kan worden uitgesteld voor zover en voor zolang dit:
in strijd is met het belang van de verdachte;
niet mogelijk is omdat de ouder na redelijke inspanning niet kan worden bereikt of onbekend is.
-
Indien de mededeling wordt uitgesteld, wordt een persoon naar keuze in kennis gesteld van de vrijheidsbeneming. Indien de verdachte geen persoon naar keuze heeft aangewezen, wordt de raad voor de kinderbescherming in kennis gesteld.
Artikel 6.1.37
Indien de verdachte rechtens zijn vrijheid is ontnomen en niet is geplaatst in een justitiële jeugdinrichting, heeft de ouder vrije toegang tot de verdachte zonder dat het onderzoek daardoor mag worden opgehouden en voor zover het belang van het onderzoek zich daartegen niet verzet. De ouder kan vertrouwelijk met de verdachte communiceren, een en ander onder het vereiste toezicht en met inachtneming van huishoudelijke reglementen die gelden op de plaats waar de verdachte verblijft.
Artikel 6.1.38
In de gevallen waarin de rechter over de voorlopige hechtenis oordeelt, wordt de ouder opgeroepen. Artikel 6.1.43 is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 6.1.39
Het geven van de toestemming, bedoeld in artikel 2.6.3, eerste lid, het afleggen van een verklaring van afstand van het inbeslaggenomen voorwerp, bedoeld in artikel 2.7.26, eerste lid, en het doen van beklag, bedoeld in Hoofdstuk 4, vinden plaats door een ouder indien het een verdachte als bedoeld in artikel 6.1.1 betreft.
Artikel 6.1.40
Indien de officier van justitie voornemens is om een strafbeschikking uit te vaardigen als bedoeld in artikel 6.1.16, roept hij de ouder op om te worden gehoord. Artikel 6.1.43 is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 6.1.41
-
Bij de berechting door de meervoudige kamer of de kinderrechter wordt de ouder opgeroepen in persoon op de terechtzitting te verschijnen. Bij berechting door de kantonrechter kan de ouder worden opgeroepen. In de oproeping wordt de ouder erop gewezen dat de rechter, indien de ouder niet verschijnt, zijn medebrenging kan bevelen. In de oproeping wordt opgave gedaan van het feit dat de verdachte wordt tenlastegelegd.
-
Nadat de verdachte en de aanwezige getuigen en deskundigen zijn verhoord, wordt de ouder in de gelegenheid gesteld het woord te voeren. De ouder kan inbrengen wat tot verdediging kan dienen en opmerkingen maken over de persoonlijkheid en de levensomstandigheden van de verdachte.
-
De rechter kan bevelen dat de ouder de zittingzaal zal verlaten, opdat de verdachte, een getuige of een deskundige in zijn afwezigheid zal worden verhoord. Na zijn terugkeer in de zittingzaal wordt de ouder direct meegedeeld wat is voorgevallen, tenzij gewichtige redenen zich daartegen verzetten.
Artikel 6.1.42
-
Indien de opgeroepen ouder niet op de terechtzitting verschijnt, schorst de rechter het onderzoek van de zaak voor bepaalde tijd en beveelt hij de hernieuwde oproeping van de ouder, tenzij hij voortzetting van het onderzoek in het belang van een behoorlijke behandeling van de zaak noodzakelijk acht. Voordat de rechter beslist, hoort hij de verdachte, de officier van justitie en het slachtoffer dat op de terechtzitting aanwezig is.
-
De rechter kan de medebrenging van de ouder bevelen.
Artikel 6.1.43
-
De rechter kan de toegang van de ouder tot de terechtzitting weigeren indien:
de aanwezigheid van de ouder in strijd is met het belang van de verdachte;
de behandeling van de zaak zich tegen aanwezigheid van de ouder verzet.
-
In het geval, bedoeld in het eerste lid, of als na redelijke inspanning is gebleken dat de ouder niet kan worden bereikt of onbekend is, verleent de rechter toegang aan een persoon naar keuze.
-
Indien de verdachte geen persoon naar keuze heeft aangewezen of de rechter de aangewezen persoon ongeschikt acht, wordt de verdachte bijgestaan door een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming.
Artikel 6.1.44
Indien de vordering van de benadeelde partij wordt geacht te zijn gericht tegen de ouder, zijn de bepalingen van deze paragraaf van toepassing.
Artikel 6.1.45
Voor de toepassing van de bepalingen van Boek 4, Hoofdstukken 2 tot en met 6, en Boek 5, Hoofdstukken 4 en 5, wordt de ouder, voor zover het de behandeling van de vordering van de benadeelde partij betreft, gelijkgesteld aan de verdachte, tenzij uit de bepalingen van deze afdeling of de aard van de regeling het tegendeel voortvloeit.
Artikel 6.1.46
-
In de oproeping van de ouder voor de terechtzitting in eerste aanleg wordt opgave gedaan van de vordering.
-
De ouder wordt in de gelegenheid gesteld om het woord te voeren nadat de benadeelde partij overeenkomstig artikel 4.4.6, eerste lid, het woord heeft gevoerd. De voorzitter, de andere rechters en de officier van justitie kunnen aan de ouder vragen stellen. De ouder kan daarna telkens het woord voeren als de benadeelde partij het woord heeft gevoerd.
-
Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op de berechting in hoger beroep.
Artikel 6.1.47
De officier van justitie brengt het eindvonnis of het eindarrest na ondertekening ter kennis van de ouder.
Artikel 6.1.48
Het hoger beroep dat voor de ouder openstaat op grond van artikel 6.1.45 wordt binnen twee weken na de uitspraak van het eindvonnis ingesteld.
Artikel 6.1.49
Het beroep in cassatie dat voor de ouder openstaat op grond van artikel 6.1.45 wordt binnen twee weken na de uitspraak van het eindarrest ingesteld.
Artikel 6.1.50
-
Indien de officier van justitie of de rechter vermoedt dat de verdachte een beperking of een ziekte heeft, waardoor deze onvoldoende in staat is het proces tegen hem te begrijpen en hieraan deel te nemen, neemt hij de maatregel bedoeld in artikel 6.1.21 of andere maatregelen die hij noodzakelijk acht om de verdachte hiertoe voldoende in staat te stellen of hiervoor voldoende te compenseren. De eerste zin is van toepassing ongeacht het moment van ontstaan of intreden van de beperking of de ziekte.
-
De officier van justitie of de rechter neemt de maatregelen ambtshalve of op verzoek van de verdachte, van zijn raadsman, van zijn echtgenoot of geregistreerde partner dan wel een andere levensgezel, van zijn wettelijk vertegenwoordiger of van één van zijn bloed- of aanverwanten tot en met de derde graad. De rechter kan de maatregelen tevens nemen op vordering van de officier van justitie.
-
Voordat de officier van justitie of de rechter maatregelen neemt, wordt de verdachte in de gelegenheid gesteld te worden gehoord, tenzij dit ten gevolge van de beperking of de ziekte van de verdachte onmogelijk is. Voordat de rechter maatregelen neemt, hoort hij de officier van justitie.
-
De officier van justitie of de rechter-commissaris kan een nader onderzoek instellen alvorens maatregelen te nemen. De rechter op de zitting kan alvorens maatregelen te nemen de officier van justitie bevelen een nader onderzoek in te stellen en hem van de resultaten hiervan in kennis te stellen.
-
Wanneer de genomen maatregel op enig moment niet langer noodzakelijk blijkt, kan degene die op dat moment op grond van het eerste lid bevoegd is tot het nemen van maatregelen deze beëindigen. De maatregel vervalt van rechtswege nadat het eindvonnis of het eindarrest onherroepelijk is geworden.
Artikel 6.1.51
-
Indien de verdachte, bedoeld in artikel 6.1.50, eerste lid, geen raadsman heeft, wijst het bestuur van de raad voor rechtsbijstand, in opdracht van de officier van justitie of de rechter, een raadsman aan. De opdracht wordt ambtshalve of op verzoek van de andere in artikel 6.1.50, tweede lid, genoemde personen gegeven.
-
De verdachte kan geen afstand doen van het recht op rechtsbijstand.
Artikel 6.1.52
-
De officier van justitie ziet af van vervolging indien het gezien de aard van de beperking of de ziekte aannemelijk is dat het nemen van maatregelen niet binnen een afzienbare termijn ertoe zal leiden dat de verdachte voldoende in staat is het proces tegen hem te begrijpen en hieraan deel te nemen en het nemen van maatregelen hem hiervoor onvoldoende kan compenseren.
-
De rechter schorst ambtshalve, op vordering van de officier van justitie of op verzoek van de verdachte het onderzoek op de terechtzitting voor bepaalde tijd indien aannemelijk is dat het nemen van maatregelen niet direct ertoe zal leiden dat de verdachte voldoende in staat is het proces tegen hem te begrijpen en hieraan deel te nemen en het nemen van maatregelen hem hiervoor onvoldoende kan compenseren. De rechter beslist ambtshalve, op vordering van de officier van justitie of op verzoek van de verdachte dat het onderzoek op de terechtzitting wordt hervat of opnieuw aanvangt indien, zo nodig door het nemen van maatregelen, de verdachte voldoende in staat is het proces tegen hem te begrijpen en hieraan deel te nemen of, indien dit niet het geval is, hij door het nemen van maatregelen hiervoor voldoende wordt gecompenseerd.
-
Indien het gezien de aard van de beperking of de ziekte aannemelijk is dat de verdachte niet binnen een afzienbare termijn, ook niet door het nemen van maatregelen, voldoende in staat zal zijn om het proces tegen hem te begrijpen en hieraan deel te nemen en maatregelen hem hiervoor onvoldoende kunnen compenseren, spreekt de rechter ambtshalve, op vordering van de officier van justitie of op verzoek van de verdachte de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie uit. Alvorens de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie uit te spreken, hoort de rechter de officier van justitie. De rechter stelt de verdachte in de gelegenheid te worden gehoord, tenzij dit ten gevolge van de beperking of de ziekte onmogelijk is. Aan de verdachte wordt het recht gelaten om het laatst te spreken.
-
Indien de rechter overweegt toepassing te geven aan het tweede of derde lid, stelt hij de officier van justitie en de verdachte in de gelegenheid om een onderzoek in te stellen en hem in kennis te stellen van de resultaten hiervan.
Artikel 6.1.53
-
Tijdens een strafproces gericht tegen een rechtspersoon, doelvermogen of rederij, wordt deze rechtspersoon of dit doelvermogen vertegenwoordigd door de bestuurder of, indien er meer bestuurders zijn, door een van hen en de rederij door de boekhouder of een van de leden van de rederij. De genoemde personen kunnen een persoon machtigen om de rechtspersoon te vertegenwoordigen.
-
Tijdens een strafproces gericht tegen een maatschap of vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid, wordt deze vertegenwoordigd door de aansprakelijke vennoot of, indien er meer aansprakelijke vennoten zijn, door één van hen. De genoemde personen kunnen een persoon machtigen om de rechtspersoon te vertegenwoordigen.
-
De rechter kan bevelen dat een bepaalde bestuurder of vennoot in persoon moet verschijnen en zo nodig een bevel tot medebrenging geven.
Artikel 6.1.54
-
Indien de officier van justitie op de hoogte komt van enige informatie die duidt op het begaan van een strafbaar feit door een rechterlijk ambtenaar als genoemd in artikel 1, onderdeel b, onder 2°, 3°, 6°, 7° en 10° van de Wet op de rechterlijke organisatie, verzoekt hij, door tussenkomst van zijn hoofdofficier van justitie, de Hoge Raad om voor de berechting van het strafbaar feit een rechtbank in een ander ressort dan waar de rechterlijk ambtenaar werkzaam is, aan te wijzen. Indien de rechterlijk ambtenaar werkzaam is bij het landelijk parket of het functioneel parket, wijst de Hoge Raad niet de rechtbank Amsterdam, Oost-Brabant, Overijssel of Rotterdam aan.
-
Het verzoek kan achterwege blijven indien vervolging tegen de verdachte wordt ingesteld door het uitvaardigen van een strafbeschikking houdende een geldboete, waarvan de hoogte vaststaat op grond van door het College van procureurs-generaal vastgestelde richtlijnen. Het verzoek kan tevens achterwege blijven indien de officier van justitie van oordeel is dat aan de informatie elke feitelijke grondslag ontbreekt. In het laatste geval stelt de hoofdofficier van justitie de procureur-generaal bij de Hoge Raad in kennis van deze beslissing en de informatie.
-
Bij dringende noodzaak kunnen voorafgaand aan de beslissing van de Hoge Raad de in Boek 2 omschreven bevoegdheden worden uitgeoefend en de in artikel 1.3.14 bedoelde bevelen worden gegeven.
-
De Hoge Raad kan alvorens te beslissen de procureur-generaal bij de Hoge Raad opdragen verslag te doen. Ten behoeve van het verslag kan de procureur-generaal de officier van justitie opdragen stukken te overleggen en onderzoek te verrichten.
-
Bij deelneming van meer dan één persoon aan het strafbaar feit geldt de aanwijzing van de Hoge Raad ook voor de andere verdachten.
Artikel 6.1.55
-
De procureur-generaal bij de Hoge Raad brengt de beslissing van de Hoge Raad ter kennis van de verzoekende officier van justitie, zijn hoofdofficier van justitie en de hoofdofficier van justitie van het parket in het arrondissement van de aangewezen rechtbank. De beslissing van de Hoge Raad wordt ter kennis gebracht van de rechterlijk ambtenaar, tenzij het belang van het onderzoek zich daartegen verzet.
-
Na de aanwijzing van de Hoge Raad wordt een officier van justitie die werkzaam is bij een parket in een ander ressort dan waar de rechterlijk ambtenaar werkzaam is, belast met de opsporing en vervolging van het strafbare feit.
Artikel 6.2.1
Op verzoek van een procespartij kan elk van de rechters die een zaak behandelt, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
Artikel 6.2.2
-
Het verzoek wordt gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden.
-
Het verzoek is gemotiveerd. Tijdens het onderzoek op de zitting kan het verzoek ook mondeling worden gedaan. Indien het verzoek tijdens het onderzoek op de zitting wordt gedaan, wordt het onderzoek geschorst.
-
Alle feiten of omstandigheden worden tegelijk voorgedragen.
-
Een volgend verzoek om wraking van dezelfde rechter wordt niet in behandeling genomen, tenzij feiten of omstandigheden worden voorgedragen die pas na het eerdere verzoek aan de verzoeker bekend zijn geworden.
Artikel 6.2.3
Een rechter van wie wraking is verzocht, kan in de wraking berusten.
Artikel 6.2.4
-
Het verzoek om wraking wordt zo spoedig mogelijk behandeld door een meervoudige kamer waarin de rechter van wie wraking is verzocht, geen zitting heeft. In de gevallen waarin het verzoek om wraking niet is gedaan tijdens een openbare zitting, is de behandeling van het verzoek om wraking niet openbaar.
-
De verzoeker en de rechter van wie wraking is verzocht, worden in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. De meervoudige kamer kan ambtshalve of op verzoek van de verzoeker of van de rechter van wie wraking is verzocht, bepalen dat zij niet in elkaars aanwezigheid worden gehoord.
-
De meervoudige kamer kan zonder onderzoek op de zitting de niet-ontvankelijkheid van de verzoeker uitspreken indien het verzoek om wraking kennelijk niet-ontvankelijk is.
-
De meervoudige kamer beslist zo spoedig mogelijk. De beslissing is gemotiveerd. De verzoeker, het openbaar ministerie en de rechter van wie wraking is verzocht worden direct van de beslissing in kennis gesteld.
-
In geval van misbruik kan de meervoudige kamer bepalen dat een volgend verzoek niet in behandeling wordt genomen. Dit wordt in de beslissing vermeld.
Artikel 6.2.5
-
Op grond van feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 6.2.1 kan elk van de rechters die een zaak behandelt, het gerecht verzoeken zich te verschonen.
-
Het verzoek is gemotiveerd. Tijdens het onderzoek op de zitting kan het verzoek ook mondeling worden gedaan. Wordt het verzoek gedaan tijdens het onderzoek op de zitting, dan wordt het onderzoek geschorst.
Artikel 6.2.6
-
Het verzoek om verschoning wordt zo spoedig mogelijk behandeld door een meervoudige kamer waarin de rechter die om verschoning heeft verzocht, geen zitting heeft. In de gevallen waarin het verzoek om verschoning niet is gedaan tijdens een openbare zitting, is de behandeling van het verzoek om verschoning niet openbaar.
-
De meervoudige kamer beslist zo spoedig mogelijk. De beslissing is gemotiveerd en wordt direct ter kennis gebracht van de rechter die om verschoning heeft verzocht en van de procespartijen.
Artikel 6.2.7
-
Een geschil over rechtsmacht bestaat:
indien twee of meer rechters zich gelijktijdig bevoegd achten tot onderzoek in dezelfde zaak;
indien twee of meer rechters zich tot onderzoek van dezelfde zaak onbevoegd verklaren en hun beslissingen met elkaar in strijd zijn.
-
Onder rechters zijn in deze titel begrepen de personen of colleges, aan welke bij bijzondere wetten rechtsmacht is opgedragen, met dien verstande dat alleen geschillen waarbij ook gerechten zijn betrokken die tot de rechterlijke macht behoren overeenkomstig de bepalingen van deze titel worden beslecht.
Artikel 6.2.8
-
Bij het bestaan van een geschil over rechtsmacht kan bij de bevoegde rechter een gemotiveerd verzoek tot regeling van rechtsgebied worden ingediend door de officier van de justitie die de bewaring heeft gevorderd, heeft gevorderd dat de rechter-commissaris onderzoek verricht op grond van artikel 2.10.1 of die de procesinleiding heeft ingediend dan wel de advocaat-generaal die het strafbare feit in hoger beroep vervolgt of heeft vervolgd, en door de verdachte.
-
De griffier brengt het verzoekschrift zo spoedig mogelijk ter kennis aan de personen, bedoeld in het eerste lid, voor zover het verzoek niet van hen is uitgegaan.
-
Na de kennisgeving, bedoeld in het tweede lid, zijn de rechters tussen wie het geschil bestaat onbevoegd enig onderzoek in de zaak te verrichten, totdat het geschil onherroepelijk is beslecht. Niettemin kunnen zij spoedeisende maatregelen nemen, hetzij ambtshalve, hetzij op vordering van de officier van justitie of advocaat-generaal, dan wel op verzoek van de verdachte. Elk van de rechters tussen wie het geschil bestaat, kan alle maatregelen nemen die met betrekking tot de voorlopige hechtenis kunnen worden genomen.
-
De tot kennisneming van het geschil bevoegde rechter kan bevelen dat het onderzoek dat de rechter-commissaris verricht op grond van de artikelen 2.10.1 tot en met 2.10.4 zal worden voortgezet.
Artikel 6.2.9
-
De behandeling van het verzoekschrift door de raadkamer is niet openbaar.
-
De raadkamer beslist zo spoedig mogelijk.
-
Bij de beslissing wordt tevens bepaald of en in hoeverre de handelingen en beslissingen van de rechter aan wie het onderzoek van de zaak wordt onttrokken, zullen standhouden.
-
De beslissing wordt zo spoedig mogelijk aan de verdachte betekend. Zij wordt door de griffier direct ter kennis gebracht van de rechters tussen wie het geschil bestaat en van de officier van justitie of de advocaat-generaal.
-
Indien de beslissing door het gerechtshof is genomen staat voor de officier van justitie of de advocaat-generaal binnen twee weken na de beslissing en voor de verdachte binnen twee weken na de betekening van de beslissing beroep in cassatie open. Het tweede en vierde lid zijn op de behandeling van het beroep in cassatie van overeenkomstige toepassing.
Artikel 6.2.10
-
De rechter kan ambtshalve, op vordering van het openbaar ministerie of op verzoek van een procespartij de Hoge Raad een rechtsvraag stellen ter beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing, indien een antwoord op deze vraag nodig is om te beslissen en aan de beantwoording van deze vraag bijzonder gewicht kan worden toegekend, gelet op het met de vraag gemoeide zaaksoverstijgend belang.
-
Voordat de rechter de vraag stelt, worden de procespartijen in de gelegenheid gesteld een standpunt in te nemen over het voornemen om een vraag te stellen, alsmede over de inhoud van de te stellen vraag.
-
De beslissing waarbij de vraag wordt gesteld, vermeldt de relevante feitelijke en juridische context en de standpunten die door de procespartijen zijn ingenomen. Tevens wordt daarin gemotiveerd dat met de beantwoording van de vraag wordt voldaan aan het eerste lid.
-
De griffier brengt de beslissing zo spoedig mogelijk ter kennis van de Hoge Raad.
Artikel 6.2.11
-
Tenzij de Hoge Raad, gehoord de procureur-generaal bij de Hoge Raad, meteen beslist om af te zien van beantwoording van de vraag, stelt hij het openbaar ministerie en de raadsman of advocaat van de betrokken procespartij in de gelegenheid om opmerkingen te maken.
-
De Hoge Raad kan bepalen dat ook derden, door tussenkomst van een advocaat, binnen een daartoe te bepalen termijn in de gelegenheid worden gesteld om opmerkingen te maken. De aankondiging hiervan vindt plaats op een door de Hoge Raad te bepalen wijze.
-
Na het verstrijken van de termijn voor het maken van opmerkingen, neemt de procureur-generaal bij de Hoge Raad conclusie. Het openbaar ministerie en de raadsman of advocaat van de betrokken procespartij kunnen nadat zij in kennis zijn gesteld van de conclusie hun opmerkingen daarbij aan de Hoge Raad ter kennis brengen.
-
De griffier van de Hoge Raad stelt de procespartijen in kennis van de ingekomen opmerkingen van de andere procespartij en derden, alsmede van de conclusie van de procureur-generaal.
-
De Hoge Raad bepaalt binnen welke termijn en op welke wijze de stukken en opmerkingen aan de Hoge Raad worden verstrekt.
Artikel 6.2.12
-
Nadat de procureur-generaal bij de Hoge Raad conclusie heeft genomen, bepaalt de Hoge Raad de dag waarop hij zal beslissen.
-
De Hoge Raad ziet af van beantwoording indien hij oordeelt dat de vraag zich niet voor beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing leent of de vraag van onvoldoende gewicht is om beantwoording te rechtvaardigen. De Hoge Raad kan zich bij de vermelding van de gronden van zijn beslissing beperken tot dit oordeel.
-
Indien het antwoord op de vraag, nadat deze is gesteld, niet meer nodig is voor de beslissing van de rechter kan de Hoge Raad, indien hem dat geraden voorkomt, de vraag desondanks beantwoorden.
-
De griffier van de Hoge Raad stelt de rechter die de vraag heeft gesteld en de procespartijen in kennis van de beslissing. De griffier van de Hoge Raad stelt de rechter die de vraag heeft gesteld eveneens in kennis van de conclusie van de procureur-generaal en de in artikel 6.2.11, vierde lid, bedoelde opmerkingen.
-
Tenzij het antwoord op de vraag niet meer nodig is om te beslissen, beslist de rechter, nadat hij de procespartijen in de gelegenheid heeft gesteld over de uitspraak van de Hoge Raad een standpunt in te nemen, met inachtneming van deze uitspraak.
Artikel 6.4.1
-
Belanghebbenden kunnen zich beklagen over:
de inbeslagneming van voorwerpen;
het uitblijven van een bevel tot teruggave van inbeslaggenomen voorwerpen;
het al dan niet uitoefenen van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 2.7.26, derde lid.
-
Het klaagschrift wordt ingediend bij het gerecht dat de zaak berecht, zal berechten of het laatst heeft berecht, uiterlijk binnen drie maanden na de beëindiging van de zaak.
-
Indien onbekend is of berechting zal plaatsvinden, wordt het klaagschrift uiterlijk binnen twee jaar na de inbeslagneming van het voorwerp waarop het beklag betrekking heeft, ingediend bij de rechtbank in het rechtsgebied waarbinnen de inbeslagneming heeft plaatsgevonden. De rechtbank is bevoegd, tenzij de rechtbank voordat met de behandeling van het klaagschrift een aanvang is gemaakt, constateert dat de berechting door een ander gerecht plaatsvindt of zal plaatsvinden. In dat geval wordt het klaagschrift aan dat gerecht overgedragen.
-
De beslagene kan zich beklagen over het voornemen tot uitoefening van de in artikel 2.7.26, tweede lid, bedoelde bevoegdheid. Het klaagschrift wordt ingediend uiterlijk binnen twee weken nadat de beslagene van dat voornemen in kennis is gesteld.
Artikel 6.4.2
-
Belanghebbenden, niet zijnde de verdachte, gewezen verdachte of veroordeelde, kunnen zich beklagen over het uitvaardigen van een strafbeschikking houdende aanwijzingen als bedoeld in artikel 3.3.1, derde lid, onderdeel a, b, of c, en over een schikking als bedoeld in artikel 4.4.24 op de grond dat deze aanwijzing of schikking betrekking heeft op hun toekomende voorwerpen en de officier van justitie die de aanwijzing heeft gegeven of de schikking is aangegaan, niet bereid is die voorwerpen terug te geven of de waarde die zij bij verkoop redelijkerwijs hadden moeten opbrengen te vergoeden.
-
Het klaagschrift wordt uiterlijk binnen drie maanden nadat de verdachte, gewezen verdachte of veroordeelde aan de gegeven aanwijzingen of aan de termen van de schikking heeft voldaan, dan wel de klager met die aanwijzingen of schikking bekend is geworden, ingediend bij de rechtbank van het arrondissement waar de officier van justitie is aangesteld. Indien de strafbeschikking is uitgevaardigd of een schikking is aangegaan door een officier van justitie bij het landelijk parket, het functioneel parket of het parket centrale verwerking openbaar ministerie, is de rechtbank Amsterdam bevoegd.
Artikel 6.4.3
-
De belanghebbende, niet zijnde de verdachte of veroordeelde, kan zich beklagen over de bij vonnis, arrest of strafbeschikking opgelegde verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van hem toekomende voorwerpen. Geen beklag staat open indien het bedrag waarop de verbeurdverklaarde voorwerpen bij de uitspraak zijn geschat, is betaald of ingevorderd, dan wel vervangende hechtenis is toegepast.
-
De belanghebbende kan zich beklagen over de onttrekking aan het verkeer van hem toekomende voorwerpen bij een beslissing als bedoeld in artikel 6.4.12, tenzij hij bij de behandeling van de desbetreffende vordering is gehoord, althans daartoe is opgeroepen, of tegen de beslissing beroep in cassatie heeft ingesteld.
-
Het klaagschrift wordt binnen drie maanden nadat de beslissing tot verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer uitvoerbaar is geworden, ingediend bij het gerecht dat de beslissing in hoogste feitelijke aanleg heeft genomen.
Artikel 6.4.4
Indien het inbeslaggenomen voorwerp een geautomatiseerd werk of een gegevensdrager betreft, geeft de belanghebbende in zijn klaagschrift aan of het beklag zich mede uitstrekt tot daarin opgeslagen gegevens of over de na de inbeslagneming overgenomen gegevens.
Artikel 6.4.5
-
Belanghebbenden kunnen zich beklagen over:
het overnemen van gegevens en het bevelen gegevens te verstrekken, met het oog op teruggave of vernietiging van die gegevens;
het ontoegankelijk maken van gegevens;
het bevel tot het bewaren en beschikbaar houden van gegevens.
-
Artikel 6.4.1, tweede lid is van toepassing. Artikel 6.4.1, derde lid, is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het klaagschrift uiterlijk binnen twee jaar na de handeling waarop het beklag betrekking heeft, wordt ingediend.
Artikel 6.4.6
-
Het gerecht stelt de officier van justitie in kennis van een ingediend klaagschrift.
-
De officier van justitie stelt het gerecht in kennis van wie naar zijn oordeel heeft te gelden als rechthebbende van het voorwerp of van de gegevens, en of hem andere belanghebbenden bekend zijn en zo ja welke.
-
Het gerecht stelt de beslagene, indien hij noch de klager is, noch afstand van het voorwerp heeft gedaan, direct in kennis van het klaagschrift. In de gevallen dat de beslagene zelf een klaagschrift kan indienen, wordt hij daarvan in kennis gesteld.
-
Het gerecht stelt degene bij wie de gegevens zijn overgenomen of ontoegankelijk gemaakt of die de gegevens heeft verstrekt of bewaart en beschikbaar houdt, indien hij niet de klager is, direct in kennis van het klaagschrift. In de gevallen dat de betrokkene zelf een klaagschrift kan indienen, wordt hij daarvan in kennis gesteld.
-
Het gerecht stelt tevens andere bekende belanghebbenden van het klaagschrift in kennis. De belanghebbenden worden in de gelegenheid gesteld zelf binnen twee weken na de kennisgeving een klaagschrift in te dienen over dezelfde voorwerpen of gegevens. Eveneens worden zij in de gelegenheid gesteld tijdens de behandeling van het klaagschrift te worden gehoord. De kennisgeving geldt daarbij als oproeping.
Artikel 6.4.7
-
De officier van justitie wordt in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken te reageren op het klaagschrift.
-
De raadkamer kan zonder onderzoek op de zitting een beslissing nemen over het klaagschrift indien de reactie van de officier van justitie inhoudt dat:
tot teruggave van het voorwerp is besloten of het voorwerp is teruggegeven;
de gegevens worden teruggegeven of vernietigd dan wel de gegevens zijn teruggegeven of vernietigd;
de ontoegankelijkmaking van de gegevens ongedaan is of wordt gemaakt;
het bevel tot het bewaren en beschikbaar houden van de gegevens is of wordt opgeheven.
Artikel 6.4.8
-
In het geval van een klaagschrift als bedoeld in artikel 6.4.2 wordt tevens de verdachte, gewezen verdachte of veroordeelde in de gelegenheid gesteld te worden gehoord.
-
Het onderzoek op de zitting vangt binnen twee maanden na ontvangst van het klaagschrift aan.
Artikel 6.4.9
-
Acht de raadkamer het klaagschrift gegrond of deels gegrond, dan neemt het de daarmee overeenkomende beslissing en – indien van toepassing – herroept het de verbeurdverklaring of de onttrekking aan het verkeer dan wel verklaart het de aanwijzingen onderscheidenlijk de schikking vervallen.
-
Bij de herroeping van een verbeurdverklaring kan de raadkamer de voorwerpen aan het verkeer onttrokken verklaren, indien zij daarvoor vatbaar zijn. De artikelen 33b en 33c van het Wetboek van Strafrecht, en artikel 6:1:12, tweede lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
-
De beslissing wordt direct aan de klager betekend.
Artikel 6.4.10
-
Op een bevel, gegeven met betrekking tot een voorwerp, is artikel 2.7.29 van overeenkomstige toepassing.
-
Met hetgeen onder de Staat berust als verbeurdverklaarde of aan het verkeer onttrokken verklaarde voorwerpen wordt, zolang de mogelijkheid van herroeping van de straf of maatregel bestaat, gehandeld overeenkomstig de artikelen 2.7.28 en 2.7.31.
Artikel 6.4.11
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de inhoud van de klaagschriften, de wijze waarop deze moeten worden ingediend en de vorm van de beslissingen op deze klaagschriften.
Artikel 6.4.12
-
Bevoegd tot het nemen van beslissingen als bedoeld in artikel 36b, eerste lid, onderdeel 4°, van het Wetboek van Strafrecht is de rechtbank waarvoor de zaak is berecht of had kunnen worden berecht.
-
De beslissing wordt alleen genomen op een gemotiveerde vordering van de officier van justitie.
-
De vordering en de oproeping voor de zitting worden betekend aan de belanghebbende, zo deze bekend is.
-
De beslissing wordt direct aan de belanghebbende, zo deze bekend is, betekend.
Artikel 6.4.13
-
Bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing op een gemotiveerde vordering van de officier van justitie kan worden bevolen dat ontoegankelijk gemaakte gegevens worden vernietigd indien het gegevens betreft:
met betrekking tot welke of met behulp waarvan een strafbaar feit is begaan;
die van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit ervan in strijd is met de wet of het algemeen belang,
voor zover de vernietiging noodzakelijk is ter voorkoming van nieuwe strafbare feiten.
-
Bevoegd tot het nemen van de beslissing is de rechtbank waarvoor de zaak is berecht of had kunnen worden berecht.
-
De vordering en de oproeping voor de zitting worden aan de belanghebbende, zo deze bekend is, betekend.
-
De beslissing wordt zo spoedig mogelijk aan de belanghebbende, zo deze bekend is, betekend.
-
Indien het gerecht de vordering afwijst, beveelt het dat de ontoegankelijkmaking van gegevens ongedaan wordt gemaakt.
Artikel 6.4.14
Tegen de beslissing van de raadkamer op het beklag kan door de officier van justitie beroep in cassatie worden ingesteld binnen twee weken na de dagtekening van de beslissing, en door de klager binnen twee weken na de betekening.
Artikel 6.4.15
-
De officier van justitie en de belanghebbende kunnen beroep in cassatie instellen tegen de beslissing van de rechtbank, bedoeld in de artikelen 6.4.12 en 6.4.13.
-
De termijn voor het instellen van beroep voor de officier van justitie is twee weken na de dagtekening van de beslissing. Voor de belanghebbende is de termijn twee weken na de betekening.
Artikel 6.5.1 (Gedragsaanwijzing OvJ)
-
De officier van justitie kan de verdachte tegen wie ernstige bezwaren bestaan een gedragsaanwijzing geven in geval van verdenking van een strafbaar feit:
waardoor de openbare orde, gezien de aard van het strafbaar feit of de samenhang met andere strafbare feiten, dan wel de wijze waarop het strafbaar feit is begaan, ernstig is verstoord, en waarbij grote vrees voor herhaling bestaat;
in verband waarmee vrees bestaat voor ernstig belastend gedrag van de verdachte jegens een persoon of personen; of
in verband waarmee vrees bestaat voor gedrag van de verdachte dat herhaald gevaar voor goederen oplevert.
-
De gedragsaanwijzing kan inhouden dat de verdachte wordt bevolen:
zich niet op te houden in een bepaald gebied;
zich te onthouden van contact met een bepaalde persoon;
zich op bepaalde tijdstippen te melden bij de daartoe aangewezen opsporingsambtenaar;
zich te doen begeleiden bij hulpverlening die van invloed kan zijn op het begaan van strafbare feiten door de verdachte.
-
De gedragsaanwijzing wordt in persoon aan de verdachte betekend, onder vermelding van de datum van ingang en de periode gedurende welke de gedragsaanwijzing van kracht blijft, en van de redenen die tot de gedragsaanwijzing hebben geleid.
-
De gedragsaanwijzing blijft ten hoogste drie maanden van kracht dan wel, indien dit een kortere periode betreft, totdat het ter zake van het strafbaar feit gewezen eindvonnis of eindarrest of de ter zake van het strafbaar feit uitgevaardigde strafbeschikking onherroepelijk is geworden. De gedragsaanwijzing kan drie keer worden verlengd met een periode van drie maanden. Elke verlenging wordt in persoon aan de verdachte betekend. Verlenging is niet mogelijk indien tegen de verdachte geen vervolging is ingesteld. De gedragsaanwijzing blijft van kracht uiterlijk totdat het ter zake van het strafbaar feit gewezen eindvonnis of eindarrest of de ter zake van het strafbaar feit uitgevaardigde strafbeschikking onherroepelijk is geworden. De rechter voor wie de verdachte is opgeroepen te verschijnen, kan de gedragsaanwijzing wijzigen. De rechter kan de gedragsaanwijzing opheffen indien hij van oordeel is dat niet of niet langer wordt voldaan aan de in het eerste lid gestelde voorwaarden voor het geven van de gedragsaanwijzing.
-
De verdachte kan tegen de gedragsaanwijzing en een verlenging daarvan een bezwaarschrift indienen bij de rechtbank, die zo spoedig mogelijk beslist. De verdachte kan zich door een raadsman laten bijstaan.
-
De officier van justitie wijzigt de gedragsaanwijzing of trekt die in indien nieuwe feiten of omstandigheden daartoe aanleiding geven.
Artikel 6.5.2
-
In geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in de artikelen 138, 138a en 139 van het Wetboek van Strafrecht kan de officier van justitie, na een daartoe door de rechter-commissaris verleende machtiging, bevelen dat een opsporingsambtenaar alle personen die wederrechtelijk vertoeven op een plaats als in die artikelen bedoeld, alsmede alle voorwerpen die daar ter plaatse worden aangetroffen, verwijdert of doet verwijderen. De opsporingsambtenaar kan daartoe de desbetreffende plaats betreden.
-
Artikel 2.1.14 is van overeenkomstige toepassing op de machtiging van de rechter-commissaris.
-
De rechter-commissaris beslist binnen drie dagen na de indiening van de vordering van de officier van justitie. De personen, bedoeld in het eerste lid, worden zo mogelijk door de rechter-commissaris gehoord. Bij dringende noodzaak beslist de rechter-commissaris zonder de personen te hebben gehoord.
-
Van een dringende noodzaak als bedoeld in het derde lid is in elk geval sprake in de situatie dat een verdachte van het misdrijf als omschreven in artikel 138a van het Wetboek van Strafrecht:
tevens wordt verdacht van het misdrijf als omschreven in artikel 138 van het Wetboek van Strafrecht;
tevens wordt verdacht van een strafbaar feit waardoor de rechthebbende, bedoeld in de artikelen 138 en 138a van het Wetboek van Strafrecht, wordt getroffen;
een ernstige verstoring van de openbare orde en veiligheid veroorzaakt in de omgeving van de woning of het gebouw, bedoeld in de artikelen 138 en 138a van het Wetboek van Strafrecht;
een gevaarlijke situatie veroorzaakt door het wederrechtelijk vertoeven, bedoeld in de artikelen 138 en 138a van het Wetboek van Strafrecht.
-
De beslissing van de rechter-commissaris is gemotiveerd, gedagtekend en ondertekend. De beslissing wordt direct ter kennis gebracht van de officier van justitie en de personen, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 6.5.3
-
De officier van justitie kan beroep instellen tegen de afwijzing door de rechter-commissaris van een vordering op grond van deze titel.
-
De termijn voor het instellen van beroep is twee weken na de dagtekening van de beslissing. De rechtbank beslist zo spoedig mogelijk.
Artikel 6.5.4
-
Het bevel van de officier van justitie, bedoeld in artikel 6.5.2, eerste lid, is dadelijk uitvoerbaar. De personen, bedoeld in artikel 6.5.2, eerste lid, kunnen beroep instellen tegen de beslissing van de rechter-commissaris.
-
De termijn voor het instellen van beroep is twee weken na dagtekening van de beslissing. De rechtbank beslist zo spoedig mogelijk.
Artikel 6.5.5
-
De opsporingsambtenaar belast met de opsporing van de strafbare feiten, bedoeld in de artikelen 437, 437bis of 437ter van het Wetboek van Strafrecht, heeft toegang tot elke plaats waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat zij wordt gebruikt door een handelaar genoemd in die artikelen.
-
De opsporingsambtenaar heeft ook toegang tot elke plaats waarvan redelijkerwijs vermoed kan worden dat een misdrijf als omschreven in de artikelen 92 tot en met 96, 97a tot en met 98c, 240, 240a, 240b, 248a, 250 en 273f van het Wetboek van Strafrecht wordt begaan.
Artikel 6.5.6
-
In geval van aanwijzingen van een terroristisch misdrijf kan de officier van justitie bevelen dat een opsporingsambtenaar voorwerpen onderzoekt en aan opneming onderwerpt en daarvan monsters neemt. De opsporingsambtenaar kan daartoe verpakkingen openen.
-
Indien het onderzoek, de opneming of de monsterneming niet ter plaatse kan plaatsvinden, kan de opsporingsambtenaar de voorwerpen voor dat doel voor korte tijd meenemen. Hiervan wordt direct een bewijs uitgereikt aan degene ten aanzien van wie de bevoegdheid is uitgeoefend, tenzij dit feitelijk onmogelijk is.
-
Het bevel wordt gegeven voor een periode van ten hoogste twaalf uur, voor een daarbij omschreven gebied. De geldigheidsduur kan telkens met ten hoogste twaalf uur worden verlengd.
-
In bij algemene maatregel van bestuur aangewezen veiligheidsrisicogebieden kan voor de uitoefening van de in dit artikel bedoelde bevoegdheid onder bij die algemene maatregel van bestuur gestelde voorwaarden een bevel van de officier van justitie achterwege blijven.
Artikel 6.5.7
-
In geval van aanwijzingen van een terroristisch misdrijf kan de officier van justitie bevelen dat een opsporingsambtenaar vervoermiddelen onderzoekt.
-
Ter uitvoering van het bevel kan een opsporingsambtenaar:
vervoermiddelen op hun lading onderzoeken;
de bestuurder van een vervoermiddel bevelen inzage te geven van de wettelijk voorgeschreven bescheiden met betrekking tot de lading;
de bestuurder van een vervoermiddel bevelen dat deze zijn vervoermiddel stilhoudt en naar een door hem aangewezen plaats overbrengt.
-
Artikel 6.5.6, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 6.5.8
-
In geval van aanwijzingen van een terroristisch misdrijf kan de officier van justitie bevelen dat een opsporingsambtenaar personen aan de kleding onderzoekt.
-
Ter uitvoering van het bevel kan een opsporingsambtenaar gebruikmaken van detectieapparatuur of andere hulpmiddelen.
-
Artikel 6.5.6, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
-
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de wijze van uitvoering van het onderzoek, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 6.5.9
-
In geval van verdenking van een misdrijf waarvoor een geldboete van de vierde categorie kan worden opgelegd en waardoor op geld waardeerbaar voordeel van enig belang kan zijn verkregen, kan een opsporingsambtenaar, op vertoon van een bewijs van de daartoe gegeven machtiging van de rechter-commissaris, met als doel om met het oog op de oplegging van een ontnemingsmaatregel inzicht te verkrijgen in de vermogenspositie van de verdachte, opeenvolgend of gelijktijdig aan een ieder bevelen:
hem opgave te doen of inzage of kopie te geven van stukken of van gegevens, niet zijnde gegevens als bedoeld in artikel 2.7.46, derde lid;
op te geven of, en zo ja welke, vermogensbestanddelen hij onder zich heeft of heeft gehad, welke toebehoren of hebben toebehoord aan de verdachte;
en aldus verstrekte stukken in beslag te nemen.
-
Een bevel wordt niet gegeven aan de verdachte.
-
Het bevel kan alleen worden gegeven na een daartoe op vordering van de officier van justitie verleende machtiging van de rechter-commissaris. De machtiging geldt voor een periode van ten hoogste een jaar en kan op vordering van de officier van justitie telkens met ten hoogste een jaar worden verlengd.
-
De opsporingsambtenaar die het bevel geeft kan de persoon tot wie het is gericht tevens bevelen dat hij geheimhouding in acht neemt over datgene wat hem met betrekking tot dat bevel bekend is.
-
Op een bevel als bedoeld in het eerste en vierde lid is artikel 2.7.44 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 6.5.10
-
In geval van een machtiging van de rechter-commissaris tot inbeslagneming van voorwerpen die kunnen dienen tot bewaring van het recht tot verhaal voor een op te leggen ontnemingsmaatregel als bedoeld in artikel 2.7.19 kan de rechter-commissaris op vordering van de officier van justitie bepalen dat de desbetreffende voorwerpen op grond van deze machtiging zonder verdere rechterlijke tussenkomst gedurende een in die machtiging omschreven periode telkens kunnen worden inbeslaggenomen.
-
Artikel 6.5.9, derde lid, tweede zin, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 6.5.11
De in de artikelen 2.7.12, 2.7.13 en 2.7.69 omschreven bevoegdheden kunnen, wanneer zij worden uitgeoefend ter inbeslagneming van de in de artikelen 6.5.9 en 6.5.10 bedoelde stukken en voorwerpen, ook worden uitgeoefend in geval van verdenking van een misdrijf waarvoor een geldboete van de vierde categorie kan worden opgelegd en waardoor op geld waardeerbaar voordeel van enig belang kan zijn verkregen.
Artikel 6.5.12
-
De officier van justitie kan beroep instellen tegen de afwijzing door de rechter-commissaris van een vordering op grond van deze titel.
-
De termijn voor het instellen van beroep is twee weken na de dagtekening van de beslissing. De rechtbank beslist zo spoedig mogelijk.
Artikel 6.5.13
-
Een opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 1.3.10, onderdelen b en c, kan op of aan de openbare weg kentekengegevens van voertuigen als bedoeld in het tweede lid met behulp van een technisch hulpmiddel vastleggen, met als doel deze gegevens met toepassing van het derde lid te kunnen raadplegen. De aanwezigheid van het technisch hulpmiddel wordt op duidelijke wijze kenbaar gemaakt.
-
Onder kentekengegevens als bedoeld in dit artikel worden verstaan het kenteken van het voertuig, de foto-opname van het voertuig en de locatie en het tijdstip waarop de vastlegging plaatsvindt.
-
De officier van justitie kan bevelen dat een daartoe aangewezen opsporingsambtenaar de kentekengegevens raadpleegt:
in geval van verdenking van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld, ten behoeve van de opsporing van dat misdrijf; of
ten behoeve van de aanhouding, bedoeld in artikel 6:1:6.
-
De kentekengegevens worden een maand na de datum van vastlegging vernietigd.
-
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de inzet van een technisch hulpmiddel en de vastlegging van de kentekengegevens.
-
De voordracht voor een krachtens het vijfde lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers van de Staten-Generaal is overgelegd.
Artikel 6.5.14
-
Indien een ambtenaar, aan wie bij of krachtens artikel 7, eerste, achtste of negende lid, van de Politiewet 2012 of artikel 6, eerste lid, van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten de bevoegdheid geweld te gebruiken is toegekend, in de uitoefening van zijn functie geweld heeft gebruikt, kan de officier van justitie bevelen dat een feitenonderzoek wordt ingesteld. De officier van justitie stelt de betrokken ambtenaar daarvan in kennis.
-
Een feitenonderzoek is gericht op de beoordeling of het geweld is gebruikt overeenkomstig de geweldsinstructie.
-
De artikelen 1.5.1 tot en met 1.5.7 en 1.5.14 zijn gedurende het feitenonderzoek voor zover relevant van overeenkomstige toepassing.
-
Met een ambtenaar aan wie bij of krachtens artikel 7, eerste, achtste of negende lid, van de Politiewet 2012 of artikel 6, eerste lid, van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten de bevoegdheid geweld te gebruiken is toegekend, wordt ten aanzien van het eerste lid gelijkgesteld een persoon in de openbare dienst van een vreemde staat die in Nederland op door het volkenrecht toegelaten wijze zijn bediening uitoefent en aan wie de bevoegdheid geweld te gebruiken is toegekend.
-
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over het feitenonderzoek.
Artikel 6.5.15
-
In het feitenonderzoek kan de officier van justitie, of, indien de artikelen de hulpofficier van justitie of de opsporingsambtenaar als bevoegd aanwijzen, deze ambtenaar, de in de artikelen 2.4.1, eerste en tweede lid, 2.6.7, eerste lid, 2.7.3, 2.7.8 tot en met 2.7.13, 2.7.37, eerste lid, 2.7.46, 2.7.67, bedoelde bevoegdheden uitoefenen en kan de rechter-commissaris op vordering van de officier van justitie de bevoegdheden van de artikelen 2.7.68 en 2.7.69 uitoefenen. De artikelen 2.7.4, onderdeel a, 2.7.5 en 2.7.17 zijn van overeenkomstige toepassing.
-
Een bevel als bedoeld in de artikelen 2.7.9, eerste lid, en 2.7.47, eerste en vierde lid, wordt niet gericht aan de ambtenaar, bedoeld in artikel 6.5.14, eerste lid.
-
De in het eerste lid bedoelde bevoegdheden kunnen slechts worden uitgeoefend indien:
het geweldgebruik, bedoeld in artikel 6.5.14, eerste lid, lichamelijk letsel of de dood tot gevolg heeft gehad;
de uitoefening van de desbetreffende bevoegdheid in redelijke verhouding staat tot de aard van het geweldgebruik ter beoordeling waarvan het feitenonderzoek is ingesteld;
het vergaren van gegevens voor het feitenonderzoek door uitoefening van de desbetreffende bevoegdheid niet op een andere, minder ingrijpende wijze mogelijk is.
Artikel 6.5.16
-
Op basis van het feitenonderzoek beslist de officier van justitie welke vervolgingsbeslissing wordt genomen.
-
De officier van justitie stelt van zijn beslissing direct de ambtenaar, bedoeld in artikel 6.5.14, eerste lid, in kennis.
Artikel 6.6.1
-
Schadevergoeding na strafvorderlijk optreden kan op grond van deze titel worden toegekend indien de gevraagde vergoeding ten hoogste € 25.000 bedraagt, met inbegrip van de tot aan de dag van het verzoek verschenen rente. Voor zover deze titel voorziet in de mogelijkheid van schadevergoeding, zijn andere wettelijke voorzieningen uitgesloten.
-
Het bedrag in het eerste lid geldt niet ten aanzien van een verzoek dat uitsluitend strekt tot vergoeding van schade als gevolg van ondergane inverzekeringstelling, klinische observatie, voorlopige hechtenis of vrijheidsbeneming in het buitenland in verband met een door Nederlandse autoriteiten gedaan verzoek om uitlevering of overlevering, of van schade als gevolg van ondergane straf of vrijheidsbenemende maatregel.
-
Onder schade wordt mede begrepen het nadeel dat niet bestaat uit vermogensschade.
Artikel 6.6.2
De rechtmatigheid of onrechtmatigheid van strafvorderlijk optreden wordt beoordeeld naar het tijdstip waarop het optreden plaatsvond.
Artikel 6.6.3
-
Een verzoek tot schadevergoeding kan ook door de erfgenamen van de benadeelde worden ingediend en de vergoeding kan ook aan hen worden toegekend. In dat geval blijft vergoeding achterwege van schade die niet uit vermogensschade bestaat.
-
Indien de benadeelde na het indienen van het verzoek is overleden, vindt de toekenning plaats ten behoeve van de erfgenamen.
Artikel 6.6.4
-
Degene die schade heeft geleden door onrechtmatig strafvorderlijk optreden heeft recht op schadevergoeding.
-
Het verzoek om schadevergoeding wordt ingediend binnen de verjaringstermijn die is gesteld in Titel 11 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek.
Artikel 6.6.5
-
Na rechtmatig strafvorderlijk optreden kan schadevergoeding uitsluitend worden toegekend indien en voor zover daartoe, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.
-
Een verzoek tot vergoeding van schade die de verdachte lijdt na rechtmatig strafvorderlijk optreden is alleen mogelijk indien de zaak is geëindigd zonder oplegging van een straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. Indien meerdere feiten gevoegd zijn behandeld, worden deze feiten als één zaak aangemerkt, tenzij er tussen deze feiten in redelijkheid geen verband bestaat.
-
In afwijking van het tweede lid kan schadevergoeding worden toegekend voor ondergane inverzekeringstelling, klinische observatie, voorlopige hechtenis of vrijheidsbeneming in het buitenland in verband met een door Nederlandse autoriteiten gedaan verzoek om uitlevering of overlevering:
indien de zaak is geëindigd met oplegging van een straf of maatregel, maar op grond van een feit waarvoor voorlopige hechtenis niet is toegelaten; of
voor zover de ondergane vrijheidsbeneming, na verrekening als bedoeld in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, de duur van de opgelegde straf overschrijdt.
-
Het verzoek tot schadevergoeding wordt door de gewezen verdachte ingediend binnen vijf jaar nadat deze kennis heeft kunnen nemen van de beëindiging van de zaak, en door de benadeelde, niet zijnde de gewezen verdachte, binnen vijf jaar nadat deze bekend is geworden met de schade.
-
Afdeling 10 van Titel 1 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek is van overeenkomstige toepassing, tenzij de aard of strekking van de regel zich tegen toepassing verzet.
Artikel 6.6.6
-
Indien na de vernietiging van het onherroepelijke eindvonnis of eindarrest op grond van Boek 5, Titel 8.1, in herziening geen straf of maatregel wordt opgelegd, wordt een schadevergoeding toegekend voor de ondergane inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis en voor de ondergane straf en vrijheidsbenemende maatregel. De toekenning heeft plaats voor zover daartoe, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.
-
Indien een herzieningsaanvraag op grond van Boek 5, Titel 8.2, niet-ontvankelijk of ongegrond wordt verklaard, kan een schadevergoeding worden toegekend voor de op grond van die titel ondergane voorlopige hechtenis. Toekenning is ook mogelijk indien na de vernietiging van het onherroepelijke eindvonnis of eindarrest in herziening geen straf of maatregel wordt opgelegd. Artikel 6.6.5, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing.
-
Indien een vordering tot tenuitvoerlegging wordt afgewezen of de officier van justitie in de vordering niet ontvankelijk wordt verklaard, kan de veroordeelde een schadevergoeding worden toegekend voor ondergane vrijheidsbeneming voorafgaand aan de beslissing op de vordering. Toekenning is ook mogelijk indien het gerechtshof in hoger beroep de beslissing tot tenuitvoerlegging vernietigt. Artikel 6.6.5, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing.
-
Indien een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid dadelijk uitvoerbaar is verklaard en de zaak eindigt zonder oplegging van die maatregel, kan de gewezen verdachte of de veroordeelde een schadevergoeding worden toegekend voor ondergane vervangende hechtenis. Artikel 6.6.5, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing.
-
Indien de rechtbank een bezwaarschrift tegen de herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling gegrond heeft verklaard of de voorwaardelijke invrijheidstelling is herroepen vanwege het niet naleven van de algemene voorwaarde, maar de zaak betreffende het nieuwe strafbare feit eindigt zonder oplegging van een straf of maatregel, kan de veroordeelde een schadevergoeding worden toegekend voor ondergane vrijheidsbeneming als gevolg van de herroeping. Artikel 6.6.5, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing.
-
Het verzoek tot schadevergoeding wordt door de gewezen verdachte of de veroordeelde ingediend binnen vijf jaar nadat deze kennis heeft kunnen nemen van de beëindiging van de zaak.
Artikel 6.6.7
-
Een verzoek tot schadevergoeding wordt ingediend bij de instantie die de schade heeft veroorzaakt of bij de officier van justitie onder wiens verantwoordelijkheid het strafvorderlijk optreden heeft plaatsgevonden. Indien niet bekend is onder wiens verantwoordelijkheid het strafvorderlijk optreden heeft plaatsgevonden, kan het verzoek ook worden ingediend bij de officier van justitie die is aangesteld bij het parket van het arrondissement waarbinnen het strafvorderlijk optreden heeft plaatsgevonden.
-
Een instantie zendt een verzoek waarvan behandeling door een andere instantie aangewezen is, door naar die instantie, onder gelijktijdige mededeling daarvan aan de verzoeker.
-
De officier van justitie zendt het verzoek zoveel mogelijk ter behandeling door naar de instantie die de schade heeft veroorzaakt. Indien meerdere instanties betrokken zijn, draagt de officier van justitie zorg voor een gecoördineerde behandeling.
-
Op het verzoek wordt binnen drie maanden beslist. De beslistermijn kan eenmaal met drie maanden worden verlengd. Nadien is verlenging alleen mogelijk met instemming van de verzoeker.
-
Bij gehele of gedeeltelijke toewijzing van het verzoek vindt uitbetaling plaats door de instantie of de officier van justitie die op het verzoek heeft beslist. Indien meerdere instanties betrokken zijn, vindt uitbetaling plaats naar verhouding van hun aandeel in de schade.
Artikel 6.6.8
-
Een verzoek tot schadevergoeding kan worden ingediend bij de rechtbank binnen drie maanden na de gehele of gedeeltelijke afwijzing van het initiële verzoek, of binnen drie maanden na het verstrijken van de termijn, bedoeld in artikel 6.6.7, vierde lid.
-
Indien het oorspronkelijke verzoek was ingediend bij de instantie die de schade heeft veroorzaakt, wordt het verzoek ingediend bij de rechtbank in het rechtsgebied waarbinnen het strafvorderlijk optreden heeft plaatsgevonden. Indien het oorspronkelijke verzoek was ingediend bij de officier van justitie, wordt het verzoek ingediend bij de rechtbank van het arrondissement waar de officier van justitie is aangesteld. Is de officier van justitie niet aangesteld bij een arrondissementsparket, dan wordt het verzoek ingediend bij de rechtbank Den Haag.
-
De instantie die de schade heeft veroorzaakt wordt gehoord, althans hiertoe opgeroepen.
-
Bij gehele of gedeeltelijke toewijzing van het verzoek bepaalt de rechtbank dat uitbetaling plaatsvindt door de instantie of de officier van justitie bij wie het oorspronkelijke verzoek was ingediend. Indien meerdere instanties betrokken zijn, bepaalt de rechtbank dat uitbetaling plaatsvindt naar verhouding van hun aandeel in de schade.
Artikel 6.6.9
-
De verzoeker, de officier van justitie en de instantie die de schade heeft veroorzaakt kunnen binnen drie maanden hoger beroep instellen tegen de beslissing van de rechtbank. Hoger beroep is niet mogelijk indien het verzoek strekt tot vergoeding van een bedrag dat niet meer beloopt dan het bedrag, bedoeld in artikel 332 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
-
Artikel 6.6.8, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 6.6.10
-
Bij algemene maatregel van bestuur kan de hoogte van de schadevergoeding, bedoeld in de artikelen 6.6.5 en 6.6.6, worden verbonden aan een maximum. Verder kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur forfaitaire bedragen worden vastgesteld die voor nader te omschrijven vormen van schade worden toegekend en waarvan gemotiveerd kan worden afgeweken indien gronden van billijkheid hiertoe aanleiding geven.
-
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de indiening en de behandeling van het verzoek tot schadevergoeding, bedoeld in artikel 6.6.7, en over daarop betrekking hebbende kosten of heffingen.
Artikel 6.6.11
-
Op verzoek van de gewezen verdachte wordt uit de schatkist van het Rijk een vergoeding toegekend voor de kosten die bij of krachtens de Wet tarieven in strafzaken ten laste zijn gekomen van de gewezen verdachte, voor zover de aanwending van die kosten het belang van het onderzoek heeft gediend of nutteloos is geworden doordat de officier van justitie afziet van vervolging of rechtsmiddelen intrekt.
-
Het verzoek wordt ingediend bij de officier van justitie die de beslissing tot niet-vervolging heeft genomen dan wel de procesinleiding heeft ingediend.
-
De artikelen 6.6.5, vierde lid, 6.6.7, vierde lid, 6.6.8, eerste en tweede lid, en 6.6.9 zijn van overeenkomstige toepassing.
-
Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op de behandeling van vorderingen of beroep in het kader van de tenuitvoerlegging van een terbeschikkingstelling en op de behandeling van klaagschriften of beroep als bedoeld in Hoofdstuk 4.
Artikel 6.6.12
-
Indien de zaak eindigt zonder oplegging van een straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, wordt aan de gewezen verdachte uit de schatkist van het Rijk een vergoeding toegekend voor zijn ten behoeve van het onderzoek en de behandeling van de zaak gemaakte reis- en verblijfkosten, berekend bij of krachtens de Wet tarieven in strafzaken.
-
Indien de zaak eindigt zonder oplegging van een straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, kan aan de gewezen verdachte uit de schatkist van het Rijk een vergoeding worden toegekend voor de schade die de gewezen verdachte werkelijk heeft geleden als gevolg van tijdverzuim door de vervolging en de behandeling van de zaak op de terechtzitting, alsmede, behoudens voor zover artikel 44a van de Wet op de rechtsbijstand van toepassing is, in de kosten van een raadsman. Een vergoeding voor de kosten van een raadsman gedurende de inverzekeringstelling en de voorlopige hechtenis is hierin begrepen. Een vergoeding voor deze kosten kan verder worden toegekend in het geval dat de zaak eindigt met oplegging van een straf of maatregel op grond van een feit waarvoor voorlopige hechtenis niet is toegelaten.
-
Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de ouder van een minderjarige die is opgeroepen op grond van artikel 6.1.41.
-
De artikelen 6.6.3, 6.6.5, eerste lid, tweede lid, tweede zin, en vierde lid, 6.6.7, vierde lid, 6.6.8, eerste en tweede lid, 6.6.9 en 6.6.11, tweede lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 6.6.13
-
Voor de kosten van uitlevering van voorwerpen op grond van een daartoe strekkend bevel krachtens artikel 2.7.9 of van overbrenging van een vervoermiddel ingevolge een daartoe strekkend bevel krachtens artikel 2.7.11, tweede lid, onderdeel b, kan de betrokkene uit de schatkist van het Rijk een vergoeding ontvangen.
-
Voor de kosten van het nakomen van een bevel tot verstrekking van gegevens op grond van de artikelen 2.7.45 tot en met 2.7.50, van het medewerking verlenen aan het ontsleutelen van gegevens op grond van de artikelen 2.7.43 en 2.7.52, of van het medewerking verlenen aan de uitvoering van een bevel als bedoeld in artikel 2.8.13, vierde lid, kan de betrokkene uit de schatkist van het Rijk een vergoeding ontvangen. Die vergoeding kan op een lager bedrag worden gesteld voor zover de betrokkene niet de administratie heeft gevoerd en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers heeft bewaard als voorgeschreven in artikel 10 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 15i, eerste lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek.
-
De artikelen 6.6.5, eerste en vierde lid, 6.6.7, vierde lid, 6.6.8, eerste en tweede lid, 6.6.9 en 6.6.11, tweede lid, zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het verzoek wordt ingediend bij de officier van justitie onder wiens verantwoordelijkheid het bevel is gegeven.
Artikel 6.6.14
-
Voor de kosten die de benoemde deskundige, bedoeld in artikel 1.7.1, eerste lid, maakt voor het geven van informatie over of het doen van onderzoek, ontvangt hij uit de schatkist van het Rijk een vergoeding op de wijze bij de wet bepaald.
-
De rechter-commissaris kan, onverminderd artikel 6.6.11, beslissen dat een niet-benoemde deskundige die op verzoek van de verdachte onderzoek heeft uitgevoerd dat in het belang van het onderzoek is gebleken, uit de schatkist van het Rijk een vergoeding ontvangt. Deze vergoeding bedraagt niet meer dan die welke een benoemde deskundige ontvangt.