Nieuw Wetboek van Strafvordering Laatste controle 30-03-2026, laatste wijziging 18-03-2026.

Inhoud
Boek 1 Strafvordering in het algemeen
Hoofdstuk 1 Inleidende bepalingen en definities
Hoofdstuk 2 De behandeling van zaken door de rechter
Hoofdstuk 3 Vervolging en opsporing van strafbare feiten
Hoofdstuk 4 De verdachte en zijn raadsman
Hoofdstuk 5 Het slachtoffer
Hoofdstuk 6 De getuige
Titel 6.1 Algemene bepalingen met betrekking tot het verhoor van de getuige
Titel 6.2 Verschoningsrechten
Titel 6.3 Verschoningsplichten
Titel 6.4 Bepalingen met betrekking tot de minderjarige getuige
Titel 6.5 Leden van het Koninklijk Huis
Titel 6.6 Maatregelen tot bescherming van getuigen
Hoofdstuk 7 De deskundige
Hoofdstuk 8 De processtukken
Hoofdstuk 9 Overdracht van berichten en het indienen van stukken
Hoofdstuk 11 Enige algemene voorzieningen
Boek 2 Het opsporingsonderzoek
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Titel 1.1 Definities
Titel 1.2 Algemene bepalingen over de uitoefening van bevoegdheden in het kader van het opsporingsonderzoek
Titel 1.3 Algemene bevoegdheid
Titel 1.4 Verslaglegging door opsporingsambtenaren
Titel 1.5 Vastlegging van bevelen en van machtigingen en vorderingen daartoe
Titel 1.6 Toestemming voor onderzoekshandelingen
Hoofdstuk 2 De aangifte
Hoofdstuk 3 Het verhoor door opsporingsambtenaren
Hoofdstuk 4 Deskundigenonderzoek in opdracht van de officier van justitie
Hoofdstuk 5 Bevoegdheden tot vrijheidsbeperking en vrijheidsbeneming
Titel 5.1 Algemene bepalingen
Titel 5.2 Staandehouding en aanhouding
Titel 5.3 Ophouden voor onderzoek en inverzekeringstelling
Afdeling 5.3.1 Ophouden voor onderzoek
Afdeling 5.3.2 Inverzekeringstelling
Afdeling 5.3.3 Maatregelen ten aanzien van de voor onderzoek opgehouden of in verzekering gestelde verdachte
Afdeling 5.3.4 Voorgeleiding aan de rechter-commissaris
Titel 5.4 Voorlopige hechtenis
Titel 5.5 Rechtsmiddelen
Afdeling 5.5.1 Bezwaar tegen het opleggen van maatregelen
Afdeling 5.5.2 Beroep tegen de directe invrijheidstelling van de verdachte
Afdeling 5.5.3 Beroep tegen beslissingen met betrekking tot de voorlopige hechtenis
Hoofdstuk 6 Bevoegdheden met betrekking tot het lichaam
Titel 6.1 Algemene bepalingen
Titel 6.2 Onderzoek aan de kleding en onderzoek van meegevoerde voorwerpen
Titel 6.3 Onderzoek aan het lichaam
Titel 6.4 Onderzoek in het lichaam
Titel 6.5 Overige onderzoeken met betrekking tot het lichaam
Afdeling 6.5.1 Het nemen van vingerafdrukken en gezichtsopnamen ter identiteitsvaststelling
Afdeling 6.5.2 Onderzoek naar gebruik van geweldbevorderende middelen
Afdeling 6.5.3 Het maken van beeldopnamen, het opmeten van lichaamsmaten en het nemen van lichaamsafdrukken, -haar en -materiaal
Afdeling 6.5.4 Onderzoek ten aanzien van fysieke eigenschappen
Afdeling 6.5.5 Het houden van een confrontatie
Afdeling 6.5.6 DNA-onderzoek
Afdeling 6.5.7 Onderzoek naar een ernstige besmettelijke ziekte
Titel 6.6 Onderzoek met betrekking tot het lichaam van een overleden verdachte of slachtoffer
Titel 6.7 Bevoegdheden van de rechter-commissaris
Titel 6.8 Rechtsmiddelen
Hoofdstuk 7 Bevoegdheden met betrekking tot voorwerpen en gegevens
Titel 7.1 Algemene bepalingen
Titel 7.2 Inbeslagneming van voorwerpen
Titel 7.3 Onderzoek van gegevens
Titel 7.4 Ontoegankelijkmaking van gegevens
Titel 7.5 Uitoefening van bevoegdheden in het geval van verschoningsrecht
Titel 7.6 Onderzoek ter plaatse
Titel 7.7 Bevoegdheden van de rechter-commissaris
Titel 7.8 Rechtsmiddelen
Hoofdstuk 8 Heimelijke bevoegdheden
Titel 8.1 Algemene bepalingen
Afdeling 8.1.1 Bevel officier van justitie
Afdeling 8.1.2 Kennisgeving aan betrokkene
Afdeling 8.1.3 Voeging gegevens functioneel verschoningsgerechtigden
Afdeling 8.1.4 Technische hulpmiddelen
Afdeling 8.1.5 Verplichting tot inbeslagneming
Afdeling 8.1.6 Uitstel melding onbekende kwetsbaarheden
Titel 8.2 De bevoegdheden
Afdeling 8.2.1 Stelselmatige observatie
Afdeling 8.2.2 Stelselmatig overnemen persoonsgegevens uit publiek toegankelijke bronnen
Afdeling 8.2.3 Bevoegdheden ten aanzien van een besloten plaats
Afdeling 8.2.4 Pseudo-koop of -dienstverlening
Afdeling 8.2.5 Stelselmatige inwinning van informatie
Afdeling 8.2.6 Infiltratie
Afdeling 8.2.7 Vastleggen communicatie die plaatsvindt door middel van een aanbieder van een communicatiedienst
Afdeling 8.2.8 Vastleggen vertrouwelijke communicatie
Afdeling 8.2.9 Toegang op afstand tot een digitale-gegevensdrager of geautomatiseerd werk
Afdeling 8.2.10 Stelselmatige locatiebepaling
Titel 8.3 Bijstand door burgers bij de uitoefening van heimelijke bevoegdheden
Titel 8.4 Personen in de openbare dienst van een vreemde staat
Titel 8.5 Maatregelen in het belang van de veiligheid
Titel 8.6 Vermoeden georganiseerd verband en aanwijzingen terroristisch misdrijf
Titel 8.7 Rechtsmiddelen
Hoofdstuk 9 Het verkennend onderzoek
Hoofdstuk 10 Onderzoek door de rechter-commissaris
Titel 10.1 Algemene bepalingen
Titel 10.2 Bevoegdheden met betrekking tot de verdachte
Titel 10.3 Het verhoor van de getuige
Titel 10.4 De benoeming en het verhoor van een deskundige
Titel 10.5 Getuigen aan wie toezeggingen zijn gedaan
Titel 10.6 Voortgangsbewaking door de rechter-commissaris
Titel 10.7 Beëindiging van het onderzoek
Titel 10.8 Rechtsmiddelen
Boek 3 Beslissingen over vervolging
Hoofdstuk 1 Algemeen
Hoofdstuk 2 Bezwaarschrift tegen de procesinleiding
Hoofdstuk 3 De strafbeschikking
Titel 3.1 Inhoud van de strafbeschikking
Titel 3.2 Uitvaardigen van de strafbeschikking door opsporingsambtenaren en lichamen of personen, met een publieke taak belast
Titel 3.3 Waarborgen bij het uitvaardigen van de strafbeschikking
Titel 3.4 Uitreiken en toezenden van de strafbeschikking
Titel 3.5 Intrekken en wijzigen van de strafbeschikking
Titel 3.6 Openbaarheid van de strafbeschikking
Hoofdstuk 4 Het achterwege laten van vervolging
Hoofdstuk 5 Beklag over het niet opsporen of niet vervolgen van strafbare feiten
Hoofdstuk 6 Rechtsmiddelen
Boek 4 Berechting
Hoofdstuk 1 Het aanbrengen van de zaak ter berechting
Hoofdstuk 2 Het onderzoek op de terechtzitting
Titel 2.1 Algemene bepalingen
Titel 2.2 De aanvang van het onderzoek
Titel 2.3 De omvang van het onderzoek
Titel 2.4 Het onderzoek van de zaak zelf
Titel 2.5 De verslaglegging van het onderzoek op de terechtzitting
Hoofdstuk 3 De beraadslaging, de uitspraak en het eindvonnis
Hoofdstuk 4 De behandeling van met de berechting verbonden vorderingen
Hoofdstuk 5 De enkelvoudige kamer
Hoofdstuk 6 Herstelbeslissingen
Boek 5 Rechtsmiddelen
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Hoofdstuk 2 Het instellen en indienen, intrekken en afstand doen van gewone rechtsmiddelen
Titel 2.1 Instellen en indienen
Titel 2.2 Intrekken en afstand doen
Titel 2.3 Informatieverschaffing over ingestelde en ingediende gewone rechtsmiddelen
Hoofdstuk 3 Verzet tegen strafbeschikkingen
Hoofdstuk 4 Hoger beroep tegen vonnissen
Hoofdstuk 5 Beroep in cassatie tegen arresten
Titel 5.1 Beroep in cassatie tegen eindarresten en tussenarresten
Titel 5.2 Beroep in cassatie in het geval van verbonden vorderingen
Afdeling 5.2.1 De vordering van de benadeelde partij
Afdeling 5.2.2 De vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel
Titel 5.3 Herstelarresten
Hoofdstuk 6 Gewone rechtsmiddelen tegen andere beslissingen
Titel 6.1 Bezwaarschriften en klaagschriften
Titel 6.2 Beroep tegen beslissingen van de rechter-commissaris
Titel 6.3 Hoger beroep en beroep in cassatie tegen beslissingen van de raadkamer
Hoofdstuk 7 Cassatie in het belang van de wet
Hoofdstuk 8 Herziening van arresten en vonnissen
Boek 6 Bijzondere regelingen
Hoofdstuk 1 Voorzieningen vanwege de persoon van de verdachte
Titel 1.1 Jeugdigen en jongvolwassenen
Afdeling 1.1.1 Verdachten die ten tijde van het begaan van het strafbaar feit nog niet de leeftijd van twaalf jaar hebben bereikt
Afdeling 1.1.2 Verdachten die ten tijde van het begaan van het strafbaar feit de leeftijd van twaalf jaar maar nog niet die van achttien jaar hebben bereikt
Afdeling 1.1.3 Verdachten die ten tijde van het begaan van het strafbaar feit de leeftijd van achttien jaar maar nog niet die van drieëntwintig jaar hebben bereikt
Afdeling 1.1.4 De raad voor de kinderbescherming
Afdeling 1.1.5 De betrokkenheid van de ouder of een persoon naar keuze
Afdeling 1.1.6 Vordering van de benadeelde partij
Titel 1.2 Verdachten die door een beperking of een ziekte onvoldoende in staat zijn aan het proces tegen hen deel te nemen
Titel 1.3 Rechtspersonen
Titel 1.4 Rechterlijke ambtenaren
Hoofdstuk 2 Procesincidenten
Hoofdstuk 4 Bijzondere procedures
Titel 4.1 Beklag met betrekking tot voorwerpen en gegevens
Titel 4.2 Afzonderlijke rechterlijke beslissing met betrekking tot voorwerpen en gegevens
Titel 4.3 Rechtsmiddelen
Hoofdstuk 5 Bevoegdheden van bijzondere aard
Titel 5.1 Gedragsaanwijzing ter beëindiging van ernstige overlast
Titel 5.2 Bevoegdheden bij het ontruimen van een gekraakt pand
Titel 5.3 Bevoegdheden tot het betreden van plaatsen in verband met bepaalde misdrijven
Titel 5.4 Bevoegdheden in geval van aanwijzingen van een terroristisch misdrijf
Titel 5.5 Bevoegdheden in verband met de ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Titel 5.6 Bevoegdheden tot vastlegging en raadpleging van kentekengegevens
Titel 5.7 Onderzoek naar gebruik van geweld door ambtenaren
Hoofdstuk 6 Schadevergoeding en kosten
Boek 9 Slotbepalingen

Hoofdstuk 8

Herziening van arresten en vonnissen

Artikel 5.8.1

  1. Op aanvraag van de procureur-generaal of van de gewezen verdachte te wiens aanzien een eindvonnis of eindarrest onherroepelijk is geworden, kan de Hoge Raad ten voordele van de gewezen verdachte een eindvonnis of eindarrest van de rechter in Nederland houdende een veroordeling herzien:

    1. op grond van de omstandigheid dat bij eindarresten of eindvonnissen die onherroepelijk zijn geworden of bij verstek zijn gewezen, bewezenverklaringen zijn uitgesproken die niet zijn overeen te brengen;

    2. op grond van een uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens waarin is vastgesteld dat het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden of een protocol bij dit verdrag is geschonden in de procedure die tot de veroordeling of een veroordeling wegens hetzelfde feit heeft geleid of een beslissing van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens die daarmee kan worden gelijkgesteld, indien herziening noodzakelijk is met het oog op rechtsherstel als bedoeld in artikel 41 van dat verdrag;

    3. indien sprake is van een gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat op zichzelf of in verband met de vroeger geleverde bewijzen met de veroordeling niet bestaanbaar schijnt, zodanig dat het ernstige vermoeden ontstaat dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid hetzij tot een vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot de toepassing van een minder zware strafbepaling.

  2. Waar in deze bepaling wordt gesproken van een veroordeling, is hieronder het ontslag van alle rechtsvervolging met oplegging van een vrijheidsbenemende maatregel als bedoeld in de artikelen 37a, 37b en 77s van het Wetboek van Strafrecht begrepen.

Artikel 5.8.2

  1. Na het overlijden van de gewezen verdachte kan de herzieningsaanvraag uitsluitend worden gedaan door:

    1. de procureur-generaal;

    2. de overlevende echtgenoot of geregistreerde partner, of bij afwezigheid dan wel niet in staat of bereid zijn van deze:

      1. elke bloedverwant in de rechte lijn of bij afwezigheid dan wel niet in staat of bereid zijn van deze;

      2. de bloedverwanten in de zijlijn tot en met de tweede graad.

  2. Indien de aanvraag is gedaan door de procureur-generaal benoemt de Hoge Raad een bijzondere vertegenwoordiger.

  3. Bij een vernietiging van het eindvonnis of eindarrest na een aanvraag op grond van het eerste lid wordt geen straf of maatregel opgelegd.

  4. Indien de gewezen verdachte gedurende de behandeling van de zaak overlijdt, benoemt de rechter voor wie de zaak dient of zal dienen, een bijzondere vertegenwoordiger. Het derde lid is van toepassing.

  5. Indien de gewezen verdachte de leeftijd van zestien jaar nog niet heeft bereikt of anders dan wegens verkwisting onder curatele is gesteld, dan wel aan een zodanige psychische stoornis, psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap lijdt dat hij niet in staat is te beoordelen of zijn belang gediend is met een herzieningsaanvraag, kan zijn wettelijk vertegenwoordiger in burgerlijke zaken herziening aanvragen.

  6. Bij de toepassing van de bepalingen van deze titel worden de nabestaande of de wettelijk vertegenwoordiger die op grond van het eerste of vijfde lid herziening heeft aangevraagd, alsmede de bijzondere vertegenwoordiger die op grond van het tweede of vierde lid is benoemd, met een gewezen verdachte gelijkgesteld, behoudens bij toepassing van de artikelen 5.8.8 en 5.8.18.

Artikel 5.8.3

De gewezen verdachte heeft het recht zich door een raadsman te doen bijstaan.

Artikel 5.8.4

  1. De procureur-generaal dient de herzieningsaanvraag bij de Hoge Raad in door middel van een vordering.

  2. De gewezen verdachte kan de herzieningsaanvraag slechts door zijn raadsman laten indienen bij de Hoge Raad. De door de raadsman ondertekende aanvraag vermeldt de gronden waarop deze berust, met bijvoeging van de stukken waaruit van die gronden kan blijken, alsmede van een kopie van het eindvonnis of eindarrest waarvan herziening wordt gevraagd.

Artikel 5.8.5

  1. Ter voorbereiding van een herzieningsaanvraag kan een gewezen verdachte die is veroordeeld voor een feit waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van twaalf jaar of meer is gesteld en waardoor de rechtsorde ernstig is geschokt, door zijn raadsman aan de procureur-generaal doen verzoeken een nader onderzoek in te stellen naar de aanwezigheid van een grond voor herziening als bedoeld in artikel 5.8.1, eerste lid, onderdeel c.

  2. Het verzoek wordt door de raadsman ondertekend. Het verzoek behelst een opgave van het onderzoek dat dient te worden verricht, met bijvoeging van een kopie van het eindvonnis of eindarrest waarvan de gewezen verdachte herziening wil aanvragen, en wordt gemotiveerd. Het verzoek kan tevens strekken tot de instelling van een onderzoeksteam als bedoeld in artikel 5.8.7.

  3. Indien het verzoek niet voldoet aan de voorwaarden van het eerste en tweede lid, verklaart de procureur-generaal het niet-ontvankelijk. Indien het verzoek ontvankelijk is kan de procureur-generaal het verzoek slechts afwijzen indien:

    1. er onvoldoende aanwijzingen zijn dat mogelijkerwijs sprake is van een grond tot herziening;

    2. het verzochte onderzoek niet noodzakelijk is.

  4. De procureur-generaal beslist zo spoedig mogelijk. De beslissing is gemotiveerd en wordt ter kennis gebracht van degene die het verzoek heeft ingediend. In geval van toewijzing van het verzoek vermeldt de beslissing welk onderzoek moet worden verricht.

  5. Artikel 5.8.1, tweede lid, is van toepassing.

Artikel 5.8.6

  1. In geval van een verzoek als bedoeld in artikel 5.8.5 kan de procureur-generaal ambtshalve of op verzoek van de gewezen verdachte advies inwinnen van een commissie belast met de advisering over de wenselijkheid van een nader onderzoek als bedoeld in artikel 5.8.5, eerste lid.

  2. Tenzij het verzoek bedoeld in artikel 5.8.5 naar zijn oordeel niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond dan wel voor toewijzing vatbaar is, wint de procureur-generaal in ieder geval advies in van de commissie indien de gewezen verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaar of meer.

  3. Het advies van de commissie is openbaar. Indien de beslissing van de procureur-generaal op het in artikel 5.8.5, eerste lid, bedoelde verzoek afwijkt van het advies van de commissie, wordt in de beslissing de reden voor die afwijking vermeld.

  4. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de samenstelling, de inrichting, de bevoegdheden en de werkwijze van de in het eerste lid bedoelde commissie. De algemene maatregel van bestuur regelt in ieder geval het aantal leden, de periode gedurende welke zij zitting hebben in de commissie, de vervulling van het secretariaat en de aan de commissie ter beschikking te stellen financiële middelen. De benoeming van de leden vindt plaats door Onze Minister op voordracht van de procureur-generaal.

Artikel 5.8.7

  1. In geval van toewijzing van het in artikel 5.8.5 bedoelde verzoek, stelt de procureur-generaal het nader onderzoek in. Indien daarbij naar zijn oordeel enig onderzoek door de rechter-commissaris noodzakelijk is, kan hij dat onderzoek opdragen aan de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in een rechtbank die van de zaak nog geen kennis heeft genomen. Artikel 5.8.14, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

  2. Indien het belang van het nader onderzoek dit naar zijn oordeel vordert, kan de procureur-generaal zich laten bijstaan door een onderzoeksteam.

  3. Het in het tweede lid bedoelde team wordt samengesteld uit opsporingsambtenaren die niet eerder bij de zaak betrokken zijn geweest. Het team kan worden aangevuld met leden van het openbaar ministerie of deskundigen die niet eerder bij de zaak betrokken zijn geweest. Het College van procureurs-generaal verleent de procureur-generaal op zijn verzoek de nodige bijstand bij de instelling van het onderzoeksteam en de uitvoering van het onderzoek. De leden van het onderzoeksteam worden benoemd door de procureur-generaal.

  4. De werkzaamheden van het onderzoeksteam vinden onder leiding en verantwoordelijkheid van de procureur-generaal plaats.

  5. Indien tijdens het nader onderzoek getuigen of deskundigen worden verhoord, nodigt de procureur-generaal of degene die in zijn opdracht met het verhoor is belast, de raadsman van de gewezen verdachte tot bijwoning van het verhoor uit, voor zover dit met de bescherming van de in artikel 2.10.32, eerste lid, vermelde belangen verenigbaar is. De gewezen verdachte kan in de gelegenheid worden gesteld het verhoor bij te wonen. De gewezen verdachte en zijn raadsman kunnen de vragen opgeven die zij gesteld wensen te zien. De artikelen 2.10.32 en 2.10.33 zijn van overeenkomstige toepassing.

  6. Nadat het onderzoek is voltooid worden de daarop betrekking hebbende stukken aan de processtukken toegevoegd en wordt de gewezen verdachte van die stukken in kennis gesteld.

Artikel 5.8.8

  1. Ten aanzien van het in artikel 5.8.7, eerste lid, bedoelde onderzoek vinden Boek 1, Hoofdstukken 4, 6, 7, 8 en 11, en Boek 2, Hoofdstukken 1, 3, 4, 6, 7, 8 en 10, overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat daar waar wordt gesproken van de verdachte daaronder wordt verstaan de gewezen verdachte, indien niet uit enige bepaling het tegendeel volgt.

  2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de inrichting van het onderzoek.

Artikel 5.8.9

  1. In gevallen waarin de Hoge Raad beslist op een ontvankelijke herzieningsaanvraag die betrekking heeft op een eindarrest waartegen eerder beroep in cassatie is ingesteld, is hij bij voorkeur samengesteld uit raadsheren die niet ten gronde op het beroep in cassatie hebben beslist.

  2. In geval de procureur-generaal, de plaatsvervangend procureur-generaal of een advocaat-generaal met betrekking tot een eindarrest waar de herzieningsaanvraag betrekking op heeft eerder bevoegdheden heeft uitgeoefend die op grond van Hoofdstuk 5 aan de procureur-generaal zijn toegekend, worden de bevoegdheden die in dit hoofdstuk aan de procureur-generaal zijn toegekend bij voorkeur uitgeoefend door:

    1. in geval het de procureur-generaal betreft: de plaatsvervangend procureur-generaal of een advocaat-generaal;

    2. in geval het de plaatsvervangend procureur-generaal betreft: een advocaat-generaal;

    3. in geval het een advocaat-generaal betreft: een andere advocaat-generaal.

Artikel 5.8.10

  1. De Hoge Raad verklaart de herzieningsaanvraag niet-ontvankelijk indien deze niet een onherroepelijk eindvonnis of eindarrest van de rechter in Nederland houdende een veroordeling of een ontslag van alle rechtsvervolging als bedoeld in artikel 5.8.1, tweede lid, betreft, dan wel niet voldoet aan de voorwaarden in artikel 5.8.4 gesteld.

  2. De Hoge Raad kan de herzieningsaanvraag betreffende het in artikel 5.8.1, eerste lid, onderdeel b, vermelde geval niet-ontvankelijk verklaren indien deze niet wordt ingediend binnen drie maanden nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens de gewezen verdachte bekend is.

  3. Indien de herzieningsaanvraag kennelijk ongegrond is, wijst de Hoge Raad deze af.

  4. In de overige gevallen zijn de volgende bepalingen uit deze titel van toepassing.

  5. De Hoge Raad kan alvorens de zaak verder te behandelen opdracht geven tot een nader onderzoek als bedoeld in de artikelen 5.8.5 en 5.8.7 of tot het inwinnen van advies van de in artikel 5.8.6 bedoelde commissie.

  6. Hangende de beslissing op de herzieningsaanvraag kan de Hoge Raad te allen tijde de tenuitvoerlegging van het onherroepelijke eindvonnis of eindarrest opschorten.

Artikel 5.8.11

  1. De Hoge Raad beveelt de verdere behandeling op de openbare zitting op een daartoe door de voorzitter te bepalen dag.

  2. Indien de gewezen verdachte op de voet van artikel 5.8.7, zesde lid, van de resultaten van het onderzoek in kennis is gesteld, wordt de dienende zittingsdag bepaald op een datum niet eerder dan zes weken daarna en kan de gewezen verdachte of zijn raadsman de herzieningsaanvraag nader toelichten tot uiterlijk de laatste dag voor de dienende zittingsdag.

  3. De griffier doet ten minste tien dagen voor de dienende zittingsdag aan de gewezen verdachte een kennisgeving van die dag betekenen.

Artikel 5.8.12

  1. De herzieningsaanvraag wordt in behandeling genomen op een openbare zitting voor strafzaken van de enkelvoudige kamer. Het lid van de Hoge Raad dat zitting heeft in de enkelvoudige kamer draagt de titel van rolraadsheer.

  2. In afwijking van artikel 1.2.6 verwijst de rolraadsheer een zaak naar de meervoudige kamer:

    1. wanneer de raadsman van de gewezen verdachte te kennen geeft de herzieningsaanvraag mondeling te willen toelichten;

    2. wanneer hij verwijzing wenselijk acht.

  3. De meervoudige kamer verwijst een zaak wederom naar de rolraadsheer indien dat in enige stand van het geding nodig is.

Artikel 5.8.13

  1. Op de zitting van de rolraadsheer, of op de zitting van de meervoudige kamer wanneer de raadsman daar de herzieningsaanvraag mondeling heeft toegelicht, dan wel op een nadere zitting neemt de procureur-generaal zijn conclusie, die hij aan de Hoge Raad overlegt.

  2. Voorafgaand aan zijn conclusie kan de procureur-generaal ambtshalve een nader onderzoek instellen als bedoeld in de artikelen 5.8.5 en 5.8.7 alsmede een advies inwinnen bij de commissie als bedoeld in artikel 5.8.6. De artikelen 5.8.6, eerste en derde lid, 5.8.7 en 5.8.8 zijn van overeenkomstige toepassing.

  3. Nadat de procureur-generaal zijn conclusie heeft genomen wordt de dag voor de uitspraak bepaald, tenzij de Hoge Raad een opdracht tot nader onderzoek geeft.

  4. De raadsman van de gewezen verdachte wordt van de conclusie in kennis gesteld.

  5. De raadsman kan binnen twee weken nadien commentaar op de conclusie aan de Hoge Raad ter kennis brengen.

Artikel 5.8.14

  1. Indien de Hoge Raad de noodzakelijkheid daarvan blijkt draagt hij aan de procureur-generaal op een nader onderzoek te verrichten als bedoeld in de artikelen 5.8.5 en 5.8.7, dan wel advies in te winnen van de in artikel 5.8.6 bedoelde commissie. Nadat het onderzoek is voltooid, doet de procureur-generaal de stukken toekomen aan de Hoge Raad.

  2. De Hoge Raad kan tevens een nader onderzoek opdragen aan een daartoe uit zijn midden te benoemen raadsheer-commissaris. Indien de herziening niet een door de Hoge Raad in eerste aanleg gewezen arrest betreft, kan de Hoge Raad ook nader onderzoek opdragen aan de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in een rechtbank die van de zaak nog geen kennis heeft genomen.

  3. Het in het tweede lid bedoelde onderzoek wordt verricht overeenkomstig de bepalingen van Boek 2, Titels 10.2 tot en met 10.4. De artikelen 2.10.10 tot en met 2.10.12 en 2.10.66, eerste en derde lid, zijn van toepassing. Indien het onderzoek wordt verricht door een raadsheer-commissaris, geldt al hetgeen bepaald is over de rechtbank, de rechter-commissaris, de officier van justitie en de griffier, ten aanzien van de Hoge Raad, de raadsheer-commissaris, de procureur-generaal en de griffier van de Hoge Raad, behoudens dat de raadsheer-commissaris en de procureur-generaal zich bij het doorzoeken van plaatsen en bij een schouw kunnen doen vervangen door de rechter-commissaris en de officier van justitie in het arrondissement waarin de rechtbank is gelegen waar de doorzoeking of schouw zal plaatshebben. Artikel 2.10.10, eerste tot en met vijfde lid,is van overeenkomstige toepassing.

  4. Na afloop van het onderzoek draagt de raadsheer- of rechter-commissaris de stukken over aan de Hoge Raad.

  5. De raadsman wordt van de stukken van het onderzoek in kennis gesteld.

Artikel 5.8.15

Indien de Hoge Raad de herzieningsaanvraag niet gegrond acht, wijst hij die af.

Artikel 5.8.16

  1. Indien de Hoge Raad de herzieningsaanvraag ingevolge artikel 5.8.1, eerste lid, onderdeel a, gegrond acht, vernietigt hij de eindarresten of eindvonnissen, met verwijzing van de zaken naar een gerechtshof dat daarvan nog geen kennis heeft genomen, ten einde die gelijktijdig opnieuw te onderzoeken en daarin bij een en hetzelfde eindarrest recht te doen, zonder dat echter de straf de bij de vernietigde eindarresten of eindvonnissen opgelegde straffen te boven mag gaan. Hebben alle gerechtshoven al van de zaak kennis genomen, dan wordt niettemin één daarvan aangewezen.

  2. Indien een van de bewezenverklaringen door de Hoge Raad in eerste aanleg is uitgesproken, dan wordt de zaak verwezen naar de zitting van de Hoge Raad samengesteld als in artikel 5.8.22 vermeld.

  3. De gewezen verdachte aan wie krachtens het vernietigde eindvonnis of eindarrest zijn vrijheid is ontnomen, is van rechtswege vrij en wordt zo spoedig mogelijk in vrijheid gesteld, behoudens artikel 5.8.18.

Artikel 5.8.17

  1. Indien de Hoge Raad de herzieningsaanvraag ingevolge artikel 5.8.1, eerste lid, onderdeel b, gegrond acht, doet hij bij wijze van herziening de zaak zelf af of beveelt hij de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van het onherroepelijke eindvonnis of eindarrest en verwijst hij de zaak op de voet van artikel 5.8.16, teneinde met inachtneming van het arrest van de Hoge Raad hetzij het onherroepelijke eindvonnis of eindarrest te handhaven hetzij met vernietiging daarvan recht te doen.

  2. Indien de Hoge Raad de herzieningsaanvraag ingevolge artikel 5.8.1, eerste lid, onderdeel c, gegrond acht, beveelt hij de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van het onherroepelijke eindvonnis of eindarrest en verwijst hij de zaak op de voet van artikel 5.8.16, teneinde hetzij het onherroepelijke eindvonnis of eindarrest te handhaven, hetzij met vernietiging daarvan:

    1. het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren;

    2. de verdachte vrij te spreken;

    3. de verdachte als niet-strafbaar te ontslaan van alle rechtsvervolging; of

    4. de verdachte opnieuw te veroordelen met toepassing van de minder zware strafbepaling of met oplegging van een lagere straf.

  3. Artikel 5.8.16, derde lid, is van toepassing.

Artikel 5.8.18

  1. Bij de verwijzing kan de Hoge Raad een bevel tot gevangenhouding tegen de gewezen verdachte uitvaardigen. Dit bevel is geldig voor onbepaalde termijn, maar kan door het gerechtshof worden geschorst of opgeheven. In geen geval zal deze gevangenhouding langer mogen duren dan de vrijheidsstraf die de gewezen verdachte krachtens het onherroepelijke eindvonnis of eindarrest nog dient te ondergaan. De artikelen 2.5.16, 2.5.24, 2.5.26 tot en met 2.5.31, 2.5.32 tot en met 2.5.37 zijn van overeenkomstige toepassing.

  2. Indien bij het onherroepelijke eindvonnis of eindarrest aan de gewezen verdachte een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel is opgelegd, kan het in het eerste lid bedoelde bevel tot gevangenhouding worden tenuitvoergelegd in een inrichting die ingevolge de Penitentiaire beginselenwet of de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden bestemd is voor de tenuitvoerlegging van de opgelegde maatregel. Voor de gewezen verdachte blijft de rechtspositie van de Penitentiaire beginselenwet of de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden onverminderd van toepassing.

  3. Indien tegen de gewezen verdachte een bevel tot gevangenhouding als bedoeld in het eerste lid is uitgevaardigd, en deze geen raadsman heeft, wordt voor hem in opdracht van de voorzitter van het gerechtshof door het bestuur van de raad voor rechtsbijstand een raadsman aangewezen.

Artikel 5.8.19

Beslissingen als bedoeld in de artikelen 5.8.10 en 5.8.15 tot en met 5.8.17 worden gegeven bij arrest. Deze beslissingen worden gemotiveerd. Het arrest wordt op een openbare zitting uitgesproken in aanwezigheid van de griffier en de procureur-generaal.

Artikel 5.8.20

De beslissingen van de Hoge Raad, bedoeld in de artikelen 5.8.10 en 5.8.15 tot en met 5.8.18 worden zodra mogelijk door de griffier ter kennis gebracht van de gewezen verdachte en van de ambtenaar belast met de tenuitvoerlegging van het onherroepelijke eindvonnis of eindarrest waarvan de herziening is gevraagd of uitgesproken.

Artikel 5.8.21

  1. Het gerechtshof berecht de verwezen zaak of zaken met overeenkomstige toepassing van de bepalingen van Hoofdstuk 4.

  2. De raadsheer die eerder enig onderzoek in de zaak heeft verricht, neemt niet deel aan het onderzoek op de terechtzitting.

  3. In de gevallen, bedoeld in artikel 5.4.23, wordt het onderzoek verricht door een daartoe door het gerechtshof aangewezen rechter-commissaris of raadsheer-commissaris die nog geen onderzoek in de zaak heeft verricht.

  4. Het onderzoek en de beraadslaging, bedoeld in de artikelen 4.3.1 en 4.3.3, vinden plaats naar aanleiding van zowel het onderzoek op de terechtzitting in herziening als het onderzoek op vorige terechtzittingen, zoals dat volgens een daarvan opgemaakt proces-verbaal dan wel een daarvan gemaakte geluidsopname of geluids- en beeldopname heeft plaatsgehad.

  5. Ten aanzien van de bij de verwijzing vernietigde eindvonnissen en eindarresten doet het gerechtshof opnieuw recht. Het gerechtshof handhaaft het bij de verwijzing niet vernietigde eindvonnis of eindarrest met gehele of gedeeltelijke overneming, aanvulling of verbetering van de gronden of doet, met gehele of gedeeltelijke vernietiging van dit eindvonnis of eindarrest, opnieuw recht met inachtneming van artikel 5.8.17, eerste of tweede lid.

Artikel 5.8.22

  1. Indien de Hoge Raad ingevolge verwijzing op de voet van de artikelen 5.8.16, tweede lid, of 5.8.17, eerste of tweede lid, zelf recht doet, oordeelt hij met een aantal van tien raadsheren. Bij het staken van de stemmen wordt een beslissing genomen ten voordele van de gewezen verdachte.

  2. De Hoge Raad berecht de verwezen zaak of zaken op de voet van artikel 5.8.21, eerste en derde tot en met vijfde lid, met dien verstande dat in het geval van het derde lid van dat artikel het onderzoek ook kan worden opgedragen aan een daartoe door de Hoge Raad uit zijn midden aangewezen raadsheer-commissaris.

Artikel 5.8.23

  1. In geen geval mag door de Hoge Raad of door het gerechtshof een straf of maatregel worden opgelegd die zwaarder is dan die bij het vernietigde eindvonnis of eindarrest was opgelegd. Voorts mag in geen geval een zwaardere strafbepaling worden toegepast.

  2. Indien bij samenloop van meerdere feiten één hoofdstraf is uitgesproken en de herziening slechts gevraagd of uitgesproken is ten aanzien van een of meer van die feiten, wordt, in geval van vernietiging, bij het arrest of het eindarrest in herziening de straf voor het andere feit of de andere feiten bepaald.

  3. Bij het arrest of eindarrest wordt bepaald dat de krachtens de vernietigde uitspraak voor het feit ondergane straf, en de krachtens artikel 5.8.18 ondergane voorlopige hechtenis bij de uitvoering van de straf in mindering worden gebracht.

Artikel 5.8.24

  1. Indien de bij het onherroepelijke eindvonnis of eindarrest opgelegde straf of maatregel al bij wege van gratie is kwijtgescholden, kan geen straf worden opgelegd.

  2. Is de straf door gratie gewijzigd of verminderd, dan wordt geen straf opgelegd die de gewijzigde of verminderde straf te boven gaat.

Artikel 5.8.25

  1. Indien een herzieningsaanvraag of een verzoek tot een nader onderzoek als bedoeld in artikel 5.8.5 is ingediend, vraagt het openbaar ministerie zo mogelijk aan het slachtoffer of hij op de hoogte wenst te worden gehouden van de voortgang van de herzieningsprocedure.

  2. Het slachtoffer wordt op zijn verzoek door het openbaar ministerie in ieder geval in kennis gesteld van de beslissing van de Hoge Raad op de herzieningsaanvraag en van het eindarrest in de herzieningszaak tegen de verdachte.

  3. In daartoe aangewezen gevallen en in ieder geval indien het feit waarvoor de gewezen verdachte werd veroordeeld een misdrijf betreft waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van acht jaar of meer is gesteld, of dat strafbaar is gesteld in de artikelen 240b, 247, 248a, 248b, 249, 250, 273f, eerste lid, 285, 285b, 300, tweede en derde lid, 301, tweede en derde lid, 306 tot en met 308 en 318 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, stelt het openbaar ministerie het slachtoffer desgevraagd in kennis van de invrijheidstelling van de gewezen verdachte.

Artikel 5.8.26

  1. Indien de gewezen verdachte bij het vernietigde eindvonnis of eindarrest is veroordeeld tot een vergoeding aan de benadeelde partij van de door het strafbare feit veroorzaakte schade kan bij het arrest of eindarrest in herziening worden bepaald dat al betaalde schadevergoedingen aan de gewezen verdachte worden vergoed. Deze kosten komen ten laste van de schatkist van het Rijk.

  2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op door de gewezen verdachte aan de benadeelde partij betaalde proceskosten.

Artikel 5.8.27

  1. De Hoge Raad kan op aanvraag van het College van procureurs-generaal een onherroepelijk eindvonnis of eindarrest van de rechter in Nederland houdende vrijspraak of ontslag van alle rechtsvervolging ten nadele van de gewezen verdachte herzien indien dit in het belang is van een goede rechtsbedeling en:

    1. sprake is van een gegeven dat aan de rechter bij het onderzoek op de terechtzitting niet bekend was en waardoor het ernstige vermoeden ontstaat dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, de zaak zou zijn geëindigd in een veroordeling van de gewezen verdachte voor een opzettelijk begaan misdrijf dat de dood van een ander ten gevolge heeft;

    2. de beslissing berust op stukken waarvan de valsheid na de beslissing is vastgesteld en het ernstige vermoeden bestaat dat indien de valsheid aan de rechter bekend zou zijn geweest, de zaak zou zijn geëindigd in een veroordeling van de gewezen verdachte;

    3. is komen vast te staan dat een getuige of deskundige zich met betrekking tot de zaak aan het in artikel 207 van het Wetboek van Strafrecht omschreven misdrijf schuldig heeft gemaakt en het ernstige vermoeden bestaat dat indien de meinedigheid aan de rechter bekend zou zijn geweest, de zaak zou zijn geëindigd in een veroordeling van de gewezen verdachte; of

    4. na het onherroepelijk worden van het eindvonnis of eindarrest is komen vast te staan dat de gewezen verdachte zich met betrekking tot zijn zaak schuldig heeft gemaakt aan een van de in de artikelen 177, 178, 179, 284, 284a, 285 en 285a van het Wetboek van Strafrecht omschreven misdrijven en het ernstige vermoeden bestaat dat indien de verdachte dit misdrijf niet zou hebben begaan de zaak zou zijn geëindigd in een veroordeling van de gewezen verdachte.

  2. Herziening ten nadele van de gewezen verdachte van een onherroepelijk eindvonnis of eindarrest van de rechter in Nederland is tevens mogelijk indien is komen vast te staan dat de rechter zich met betrekking tot de aan zijn oordeel onderworpen zaak schuldig heeft gemaakt aan het in artikel 364 van het Wetboek van Strafrecht omschreven misdrijf.

  3. Als een in het eerste lid, onderdeel a, bedoeld gegeven kunnen uitsluitend worden aangemerkt:

    1. verklaringen, stukken of processen-verbaal, houdende een geloofwaardige bekentenis van de gewezen verdachte of van een persoon die wegens hetzelfde feit is vrijgesproken of ontslagen van alle rechtsvervolging; en

    2. de resultaten van technisch onderzoek.

  4. Indien de in artikel 5.8.28, tweede lid, bedoelde bewijsmiddelen het resultaat zijn van onderzoek dat niet overeenkomstig de wettelijke voorschriften heeft plaatsgevonden en waarbij een inbreuk is gemaakt op een recht van de gewezen verdachte, worden deze bewijsmiddelen niet in aanmerking genomen bij de beoordeling van de herzieningsaanvraag en niet als bewijs in de zaak gebruikt.

  5. Onder een misdrijf als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, is niet begrepen de medeplichtigheid aan, poging tot en voorbereiding van dat misdrijf.

Artikel 5.8.28

  1. Het College van procureurs-generaal dient de herzieningsaanvraag bij de Hoge Raad in door middel van een vordering. Het College van procureurs-generaal kan een procureur-generaal machtigen een of meer van de in deze titel opgenomen bevoegdheden uit te oefenen.

  2. De herzieningsaanvraag vermeldt de gronden waarop de vordering berust, met bijvoeging van de bewijsmiddelen waaruit van die gronden kan blijken en het eindvonnis of eindarrest waarvan herziening wordt gevorderd.

  3. De Hoge Raad verklaart de herzieningsaanvraag niet-ontvankelijk indien:

    1. deze niet voldoet aan de in het eerste en tweede lid gestelde vereisten;

    2. op het moment waarop de herzieningsaanvraag wordt ingediend het recht tot strafvordering voor het strafbare feit waarop de aanvraag betrekking heeft is vervallen door verjaring of door het overlijden van de gewezen verdachte;

    3. de herzieningsaanvraag het in artikel 5.8.27, eerste lid, onderdeel a, vermelde geval betreft en voor hetzelfde feit al eerder een herziening van een onherroepelijk eindvonnis of eindarrest van de rechter in Nederland is gevorderd;

    4. de herzieningsaanvraag niet een onherroepelijk eindvonnis of eindarrest van de rechter in Nederland betreft.

  4. De Hoge Raad wijst de herzieningsaanvraag af indien deze kennelijk ongegrond is.

  5. In de overige gevallen zijn de artikelen 5.8.11, eerste en derde lid, 5.8.12, 5.8.13, eerste en derde tot en met vijfde lid, 5.8.15, 5.8.19 en 5.8.25 van overeenkomstige toepassing alsmede de volgende bepalingen van deze titel.

  6. Artikel 5.8.9 is van toepassing.

Artikel 5.8.29

  1. Behoudens artikel 5.8.31 worden bij een onderzoek naar de aanwezigheid van een grond voor herziening als bedoeld in artikel 5.8.27 de bevoegdheden die door de wet aan opsporingsambtenaren zijn toegekend, niet tegen de gewezen verdachte uitgeoefend.

  2. Ter voorbereiding van een herzieningsaanvraag kan een daartoe door het College van procureurs-generaal aangewezen officier van justitie bij de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in een rechtbank die nog geen kennis heeft genomen van de zaak en die niet gelegen is binnen het ressort van een gerechtshof dat kennis heeft genomen van de zaak, slechts een vordering indienen tot een nader onderzoek indien:

    1. er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de Hoge Raad een herzieningsaanvraag gegrond zal achten; en

    2. dat onderzoek dringend noodzakelijk is.

  3. De vordering van de officier van justitie behelst een opgave van het onderzoek dat door de rechter-commissaris dient te worden verricht en is gemotiveerd. De vordering behoeft voorafgaande instemming van het College van procureurs-generaal.

  4. De officier van justitie stelt zodra het belang van het onderzoek dat toelaat de gewezen verdachte en zijn raadsman in kennis van zijn vordering.

  5. De rechter-commissaris wijst de vordering af indien deze kennelijk ongegrond is.

  6. In het andere geval hoort hij, alvorens te beslissen, de gewezen verdachte over de vordering van de officier van justitie, tenzij het belang van het onderzoek dringend vordert dat van het horen van de gewezen verdachte over die vordering wordt afgezien.

  7. De gewezen verdachte is bevoegd zich bij het horen door een raadsman te doen bijstaan.

Artikel 5.8.30

  1. De rechter-commissaris beslist zo spoedig mogelijk op de in artikel 5.8.29, tweede lid, bedoelde vordering. De beslissing is gemotiveerd en wordt ter kennis gebracht van de officier van justitie en betekend aan de gewezen verdachte, met vermelding van de termijn waarbinnen en de wijze waarop het rechtsmiddel dat tegen de beslissing openstaat, kan worden ingesteld. Indien het belang van het onderzoek dit dringend vereist kan de rechter-commissaris betekening van de beslissing aan de gewezen verdachte uitstellen.

  2. Voor de officier van justitie staat binnen twee weken na de beslissing en voor de gewezen verdachte binnen twee weken na de betekening van de beslissing beroep open bij de rechtbank.

  3. De rechtbank beslist zo spoedig mogelijk.

Artikel 5.8.31

  1. In geval van toewijzing van de in artikel 5.8.29, tweede lid, bedoelde vordering verricht de rechter-commissaris zo spoedig mogelijk het verzochte onderzoek alsmede ander onderzoek dat hij noodzakelijk acht. De rechter-commissaris gaat niet over tot het verrichten van het onderzoek zolang tegen zijn beslissing nog beroep openstaat en zo dit is ingesteld, totdat het is ingetrokken of daarop is beslist, tenzij het belang van het onderzoek geen uitstel van het voorgenomen onderzoek toelaat. Indien de rechtbank het beroep tegen een beslissing tot het instellen van een onderzoek gegrond oordeelt en de rechter-commissaris al onderzoek heeft verricht, zorgt de rechter-commissaris ervoor dat de resultaten van dit onderzoek worden vernietigd.

  2. De rechter-commissaris kan tijdens het nader onderzoek de bevoegdheden uitoefenen die hem in Boek 2 zijn toegekend. In afwijking van de artikelen 2.5.42 en 2.5.43 kan de rechter-commissaris alleen met verlof van de rechtbank op de vordering van de officier van justitie verleend, de bewaring van de gewezen verdachte bevelen. Dit bevel kan in afwijking van artikel 2.5.27 alleen worden gegeven:

    1. indien uit gedragingen van de gewezen verdachte, of uit hem persoonlijk betreffende omstandigheden, blijkt van ernstig gevaar voor vlucht; of

    2. indien de voorlopige hechtenis noodzakelijk is voor het, anders dan door verklaringen van de gewezen verdachte, aan de dag brengen van de waarheid.

  3. In afwijking van artikel 2.5.43 kan de rechter-commissaris het bevel tot bewaring eenmaal met ten hoogste twee weken verlengen, met verlof van de rechtbank op de vordering van de officier van justitie verleend. De gewezen verdachte wordt in de gelegenheid gesteld op de vordering te worden gehoord.

  4. Nadat het onderzoek is voltooid, draagt de rechter-commissaris de daarop betrekking hebbende stukken over aan de officier van justitie. Aan de gewezen verdachte en zijn raadsman worden de stukken ter kennis gebracht.

  5. De rechter-commissaris stelt de officier van justitie en de gewezen verdachte in kennis van de beëindiging van het onderzoek.

Artikel 5.8.32

  1. Hangende de beslissing op de herzieningsaanvraag kan de Hoge Raad op vordering van het College van procureurs-generaal of ambtshalve een bevel tot gevangenneming of gevangenhouding tegen de gewezen verdachte uitvaardigen. Dit bevel blijft van kracht tot twee maanden na de dag waarop een beslissing is genomen op de herzieningsaanvraag. Het kan door de Hoge Raad worden geschorst of opgeheven. De artikelen 2.5.16, 2.5.24, 2.5.26 tot en met 2.5.31, 2.5.32 tot en met 2.5.37 zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het bevel tot voorlopige hechtenis alleen kan worden gegeven:

    1. indien uit gedragingen van de gewezen verdachte, of uit hem persoonlijk betreffende omstandigheden, blijkt van ernstig gevaar voor vlucht; of

    2. de voorlopige hechtenis noodzakelijk is voor het, anders dan door verklaringen van de gewezen verdachte, aan de dag brengen van de waarheid.

  2. Indien de herzieningsaanvraag niet-ontvankelijk of ongegrond wordt verklaard wordt de gewezen verdachte zo spoedig mogelijk in vrijheid gesteld.

Artikel 5.8.33

  1. Indien de Hoge Raad de herzieningsaanvraag gegrond acht, verwijst hij de zaak naar een rechtbank die daarvan nog geen kennis heeft genomen en die niet gelegen is binnen het ressort van een gerechtshof dat kennis heeft genomen van de zaak, teneinde hetzij het onherroepelijke eindvonnis of eindarrest te handhaven hetzij met vernietiging daarvan opnieuw recht te doen.

  2. De verwezen zaak wordt berecht met overeenkomstige toepassing van Boek 4 en artikel 5.8.21, vierde lid. Het opsporingsonderzoek wordt verricht volgens de daarvoor geldende bepalingen voor zover deze titel geen afwijkende bepalingen bevat.

  3. De rechter die enig onderzoek in de zaak heeft verricht, neemt niet deel aan het onderzoek op de terechtzitting.

  4. In afwijking van artikel 2.5.27 kan een bevel tot voorlopige hechtenis alleen worden gegeven op de gronden, bedoeld in artikel 5.8.32, eerste lid.

Artikel 5.8.34

  1. Indien het onherroepelijke arrest in eerste aanleg door de Hoge Raad is gewezen, verwijst hij de zaak, in zoverre in afwijking van artikel 5.8.33, eerste lid, naar de zitting van de Hoge Raad.

  2. De Hoge Raad berecht de verwezen zaak op de voet van artikel 5.8.33, tweede, vierde en vijfde lid, en met een aantal van tien raadsheren. Bij het staken van de stemmen wordt een beslissing ten voordele van de gewezen verdachte genomen.

Artikel 5.8.35

  1. Het bestuur van de raad voor rechtsbijstand wijst voor de gewezen verdachte die geen raadsman heeft, een raadsman aan:

    1. in opdracht van de voorzitter van de rechtbank in het geval van een vordering als bedoeld in artikel 5.8.29, tweede lid;

    2. in opdracht van de voorzitter van de Hoge Raad in het geval van een herzieningsaanvraag als bedoeld in artikel 5.8.27;

    3. in opdracht van de voorzitter van de rechtbank, van het gerechtshof of van de Hoge Raad waar de zaak dient nadat de zaak op grond van artikel 5.8.33 of 5.8.34 is verwezen.

  2. De in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde aanwijzing geldt voor de duur van de behandeling door de rechter-commissaris. De in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde aanwijzing geldt voor de duur van de behandeling door de Hoge Raad van de herzieningsaanvraag. De in het eerste lid, onderdeel c, bedoelde aanwijzing geldt voor de gehele aanleg waarin zij heeft plaatsgehad.

← terug naar Nieuw Wetboek van Strafvordering