Nieuw Wetboek van Strafvordering Laatste controle 29-03-2026, laatste wijziging 18-03-2026.

Inhoud
Boek 1 Strafvordering in het algemeen
Hoofdstuk 1 Inleidende bepalingen en definities
Hoofdstuk 2 De behandeling van zaken door de rechter
Hoofdstuk 3 Vervolging en opsporing van strafbare feiten
Hoofdstuk 4 De verdachte en zijn raadsman
Hoofdstuk 5 Het slachtoffer
Hoofdstuk 6 De getuige
Titel 6.1 Algemene bepalingen met betrekking tot het verhoor van de getuige
Titel 6.2 Verschoningsrechten
Titel 6.3 Verschoningsplichten
Titel 6.4 Bepalingen met betrekking tot de minderjarige getuige
Titel 6.5 Leden van het Koninklijk Huis
Titel 6.6 Maatregelen tot bescherming van getuigen
Hoofdstuk 7 De deskundige
Hoofdstuk 8 De processtukken
Hoofdstuk 9 Overdracht van berichten en het indienen van stukken
Hoofdstuk 11 Enige algemene voorzieningen
Boek 2 Het opsporingsonderzoek
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Titel 1.1 Definities
Titel 1.2 Algemene bepalingen over de uitoefening van bevoegdheden in het kader van het opsporingsonderzoek
Titel 1.3 Algemene bevoegdheid
Titel 1.4 Verslaglegging door opsporingsambtenaren
Titel 1.5 Vastlegging van bevelen en van machtigingen en vorderingen daartoe
Titel 1.6 Toestemming voor onderzoekshandelingen
Hoofdstuk 2 De aangifte
Hoofdstuk 3 Het verhoor door opsporingsambtenaren
Hoofdstuk 4 Deskundigenonderzoek in opdracht van de officier van justitie
Hoofdstuk 5 Bevoegdheden tot vrijheidsbeperking en vrijheidsbeneming
Titel 5.1 Algemene bepalingen
Titel 5.2 Staandehouding en aanhouding
Titel 5.3 Ophouden voor onderzoek en inverzekeringstelling
Afdeling 5.3.1 Ophouden voor onderzoek
Afdeling 5.3.2 Inverzekeringstelling
Afdeling 5.3.3 Maatregelen ten aanzien van de voor onderzoek opgehouden of in verzekering gestelde verdachte
Afdeling 5.3.4 Voorgeleiding aan de rechter-commissaris
Titel 5.4 Voorlopige hechtenis
Titel 5.5 Rechtsmiddelen
Afdeling 5.5.1 Bezwaar tegen het opleggen van maatregelen
Afdeling 5.5.2 Beroep tegen de directe invrijheidstelling van de verdachte
Afdeling 5.5.3 Beroep tegen beslissingen met betrekking tot de voorlopige hechtenis
Hoofdstuk 6 Bevoegdheden met betrekking tot het lichaam
Titel 6.1 Algemene bepalingen
Titel 6.2 Onderzoek aan de kleding en onderzoek van meegevoerde voorwerpen
Titel 6.3 Onderzoek aan het lichaam
Titel 6.4 Onderzoek in het lichaam
Titel 6.5 Overige onderzoeken met betrekking tot het lichaam
Afdeling 6.5.1 Het nemen van vingerafdrukken en gezichtsopnamen ter identiteitsvaststelling
Afdeling 6.5.2 Onderzoek naar gebruik van geweldbevorderende middelen
Afdeling 6.5.3 Het maken van beeldopnamen, het opmeten van lichaamsmaten en het nemen van lichaamsafdrukken, -haar en -materiaal
Afdeling 6.5.4 Onderzoek ten aanzien van fysieke eigenschappen
Afdeling 6.5.5 Het houden van een confrontatie
Afdeling 6.5.6 DNA-onderzoek
Afdeling 6.5.7 Onderzoek naar een ernstige besmettelijke ziekte
Titel 6.6 Onderzoek met betrekking tot het lichaam van een overleden verdachte of slachtoffer
Titel 6.7 Bevoegdheden van de rechter-commissaris
Titel 6.8 Rechtsmiddelen
Hoofdstuk 7 Bevoegdheden met betrekking tot voorwerpen en gegevens
Titel 7.1 Algemene bepalingen
Titel 7.2 Inbeslagneming van voorwerpen
Titel 7.3 Onderzoek van gegevens
Titel 7.4 Ontoegankelijkmaking van gegevens
Titel 7.5 Uitoefening van bevoegdheden in het geval van verschoningsrecht
Titel 7.6 Onderzoek ter plaatse
Titel 7.7 Bevoegdheden van de rechter-commissaris
Titel 7.8 Rechtsmiddelen
Hoofdstuk 8 Heimelijke bevoegdheden
Titel 8.1 Algemene bepalingen
Afdeling 8.1.1 Bevel officier van justitie
Afdeling 8.1.2 Kennisgeving aan betrokkene
Afdeling 8.1.3 Voeging gegevens functioneel verschoningsgerechtigden
Afdeling 8.1.4 Technische hulpmiddelen
Afdeling 8.1.5 Verplichting tot inbeslagneming
Afdeling 8.1.6 Uitstel melding onbekende kwetsbaarheden
Titel 8.2 De bevoegdheden
Afdeling 8.2.1 Stelselmatige observatie
Afdeling 8.2.2 Stelselmatig overnemen persoonsgegevens uit publiek toegankelijke bronnen
Afdeling 8.2.3 Bevoegdheden ten aanzien van een besloten plaats
Afdeling 8.2.4 Pseudo-koop of -dienstverlening
Afdeling 8.2.5 Stelselmatige inwinning van informatie
Afdeling 8.2.6 Infiltratie
Afdeling 8.2.7 Vastleggen communicatie die plaatsvindt door middel van een aanbieder van een communicatiedienst
Afdeling 8.2.8 Vastleggen vertrouwelijke communicatie
Afdeling 8.2.9 Toegang op afstand tot een digitale-gegevensdrager of geautomatiseerd werk
Afdeling 8.2.10 Stelselmatige locatiebepaling
Titel 8.3 Bijstand door burgers bij de uitoefening van heimelijke bevoegdheden
Titel 8.4 Personen in de openbare dienst van een vreemde staat
Titel 8.5 Maatregelen in het belang van de veiligheid
Titel 8.6 Vermoeden georganiseerd verband en aanwijzingen terroristisch misdrijf
Titel 8.7 Rechtsmiddelen
Hoofdstuk 9 Het verkennend onderzoek
Hoofdstuk 10 Onderzoek door de rechter-commissaris
Titel 10.1 Algemene bepalingen
Titel 10.2 Bevoegdheden met betrekking tot de verdachte
Titel 10.3 Het verhoor van de getuige
Titel 10.4 De benoeming en het verhoor van een deskundige
Titel 10.5 Getuigen aan wie toezeggingen zijn gedaan
Titel 10.6 Voortgangsbewaking door de rechter-commissaris
Titel 10.7 Beëindiging van het onderzoek
Titel 10.8 Rechtsmiddelen
Boek 3 Beslissingen over vervolging
Hoofdstuk 1 Algemeen
Hoofdstuk 2 Bezwaarschrift tegen de procesinleiding
Hoofdstuk 3 De strafbeschikking
Titel 3.1 Inhoud van de strafbeschikking
Titel 3.2 Uitvaardigen van de strafbeschikking door opsporingsambtenaren en lichamen of personen, met een publieke taak belast
Titel 3.3 Waarborgen bij het uitvaardigen van de strafbeschikking
Titel 3.4 Uitreiken en toezenden van de strafbeschikking
Titel 3.5 Intrekken en wijzigen van de strafbeschikking
Titel 3.6 Openbaarheid van de strafbeschikking
Hoofdstuk 4 Het achterwege laten van vervolging
Hoofdstuk 5 Beklag over het niet opsporen of niet vervolgen van strafbare feiten
Hoofdstuk 6 Rechtsmiddelen
Boek 4 Berechting
Hoofdstuk 1 Het aanbrengen van de zaak ter berechting
Hoofdstuk 2 Het onderzoek op de terechtzitting
Titel 2.1 Algemene bepalingen
Titel 2.2 De aanvang van het onderzoek
Titel 2.3 De omvang van het onderzoek
Titel 2.4 Het onderzoek van de zaak zelf
Titel 2.5 De verslaglegging van het onderzoek op de terechtzitting
Hoofdstuk 3 De beraadslaging, de uitspraak en het eindvonnis
Hoofdstuk 4 De behandeling van met de berechting verbonden vorderingen
Hoofdstuk 5 De enkelvoudige kamer
Hoofdstuk 6 Herstelbeslissingen
Boek 5 Rechtsmiddelen
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Hoofdstuk 2 Het instellen en indienen, intrekken en afstand doen van gewone rechtsmiddelen
Titel 2.1 Instellen en indienen
Titel 2.2 Intrekken en afstand doen
Titel 2.3 Informatieverschaffing over ingestelde en ingediende gewone rechtsmiddelen
Hoofdstuk 3 Verzet tegen strafbeschikkingen
Hoofdstuk 4 Hoger beroep tegen vonnissen
Hoofdstuk 5 Beroep in cassatie tegen arresten
Titel 5.1 Beroep in cassatie tegen eindarresten en tussenarresten
Titel 5.2 Beroep in cassatie in het geval van verbonden vorderingen
Afdeling 5.2.1 De vordering van de benadeelde partij
Afdeling 5.2.2 De vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel
Titel 5.3 Herstelarresten
Hoofdstuk 6 Gewone rechtsmiddelen tegen andere beslissingen
Titel 6.1 Bezwaarschriften en klaagschriften
Titel 6.2 Beroep tegen beslissingen van de rechter-commissaris
Titel 6.3 Hoger beroep en beroep in cassatie tegen beslissingen van de raadkamer
Hoofdstuk 7 Cassatie in het belang van de wet
Hoofdstuk 8 Herziening van arresten en vonnissen
Boek 6 Bijzondere regelingen
Hoofdstuk 1 Voorzieningen vanwege de persoon van de verdachte
Titel 1.1 Jeugdigen en jongvolwassenen
Afdeling 1.1.1 Verdachten die ten tijde van het begaan van het strafbaar feit nog niet de leeftijd van twaalf jaar hebben bereikt
Afdeling 1.1.2 Verdachten die ten tijde van het begaan van het strafbaar feit de leeftijd van twaalf jaar maar nog niet die van achttien jaar hebben bereikt
Afdeling 1.1.3 Verdachten die ten tijde van het begaan van het strafbaar feit de leeftijd van achttien jaar maar nog niet die van drieëntwintig jaar hebben bereikt
Afdeling 1.1.4 De raad voor de kinderbescherming
Afdeling 1.1.5 De betrokkenheid van de ouder of een persoon naar keuze
Afdeling 1.1.6 Vordering van de benadeelde partij
Titel 1.2 Verdachten die door een beperking of een ziekte onvoldoende in staat zijn aan het proces tegen hen deel te nemen
Titel 1.3 Rechtspersonen
Titel 1.4 Rechterlijke ambtenaren
Hoofdstuk 2 Procesincidenten
Hoofdstuk 4 Bijzondere procedures
Titel 4.1 Beklag met betrekking tot voorwerpen en gegevens
Titel 4.2 Afzonderlijke rechterlijke beslissing met betrekking tot voorwerpen en gegevens
Titel 4.3 Rechtsmiddelen
Hoofdstuk 5 Bevoegdheden van bijzondere aard
Titel 5.1 Gedragsaanwijzing ter beëindiging van ernstige overlast
Titel 5.2 Bevoegdheden bij het ontruimen van een gekraakt pand
Titel 5.3 Bevoegdheden tot het betreden van plaatsen in verband met bepaalde misdrijven
Titel 5.4 Bevoegdheden in geval van aanwijzingen van een terroristisch misdrijf
Titel 5.5 Bevoegdheden in verband met de ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Titel 5.6 Bevoegdheden tot vastlegging en raadpleging van kentekengegevens
Titel 5.7 Onderzoek naar gebruik van geweld door ambtenaren
Hoofdstuk 6 Schadevergoeding en kosten
Boek 9 Slotbepalingen

Titel 4.1

Hoger beroep tegen eindvonnissen en tussenvonnissen

Artikel 5.4.1

  1. Tegen eindvonnissen betreffende misdrijven staat hoger beroep open voor het openbaar ministerie en voor de verdachte.

  2. Tegen eindvonnissen betreffende overtredingen staat hoger beroep open voor het openbaar ministerie en voor de verdachte, tenzij wegens de overtredingen:

    1. met toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen straf of maatregel werd opgelegd, of

    2. geen andere straf of maatregel werd opgelegd dan een geldboete tot een maximum, of wanneer bij het eindvonnis twee of meer geldboetes werden opgelegd, geldboetes tot een gezamenlijk maximum, van € 50.

  3. Voor de verdachte staat evenwel hoger beroep open tegen een bij verstek gewezen eindvonnis als bedoeld in het tweede lid, onderdelen a en b, indien zich geen omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting of, na een schorsing voor onbepaalde tijd, de dag van de nadere terechtzitting de verdachte tevoren bekend was.

  4. De uitzondering van het derde lid geldt niet in geval de procesinleiding in overeenstemming met de wettelijke regeling aan de verdachte is betekend binnen zes weken nadat de verdachte verzet heeft ingesteld tegen een strafbeschikking en het onderzoek op de terechtzitting niet voor onbepaalde tijd is geschorst.

Artikel 5.4.2

  1. Het hoger beroep wordt, behoudens het tweede lid, binnen twee weken na de uitspraak van het eindvonnis ingesteld indien:

    1. de procesinleiding in persoon aan de verdachte is betekend;

    2. de procesinleiding binnen zes weken nadat de verdachte verzet tegen een strafbeschikking ter zake van hetzelfde feit heeft ingesteld, in overeenstemming met de wettelijke regeling aan hem is betekend en in eerste aanleg geen onvoorwaardelijke straf of maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming van langere duur meebrengt dan zes maanden;

    3. de oproeping om op de terechtzitting te verschijnen in persoon aan de verdachte is betekend;

    4. de verdachte of een uitdrukkelijk gemachtigde raadsman op de terechtzitting is verschenen; of

    5. zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting of de dag waarop het eindvonnis is uitgesproken de verdachte tevoren bekend was.

  2. Indien het onderzoek op de terechtzitting voor onbepaalde tijd is geschorst, wordt het hoger beroep binnen twee weken na de uitspraak van het eindvonnis ingesteld indien:

    1. de oproeping voor de nadere terechtzitting in persoon aan de verdachte is betekend;

    2. de verdachte of een uitdrukkelijk gemachtigde raadsman op de nadere terechtzitting is verschenen; of

    3. zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de nadere terechtzitting of de dag waarop het eindvonnis is uitgesproken de verdachte tevoren bekend was.

  3. Buiten de gevallen, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt het hoger beroep ingesteld binnen twee weken nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de verdachte met het eindvonnis bekend is.

Artikel 5.4.3

  1. Tegen een tussenvonnis kan eveneens hoger beroep worden ingesteld. Dat hoger beroep is slechts gelijktijdig met dat tegen het eindvonnis toegelaten.

  2. In afwijking van het eerste lid kunnen de verdachte en het openbaar ministerie direct hoger beroep instellen tegen bij tussenvonnis gegeven beslissingen over de voorlopige hechtenis.

  3. Hoger beroep op grond van het tweede lid wordt binnen twee weken na de uitspraak van het tussenvonnis ingesteld.

  4. Tegelijk met het instellen van hoger beroep kan een schriftuur met bezwaren worden ingediend.

  5. Hoger beroep dat op grond van het tweede lid is ingesteld wordt behandeld als ware het gericht tegen een beslissing van de raadkamer.

Artikel 5.4.4

  1. Het hoger beroep kan slechts tegen het eindvonnis in zijn geheel worden ingesteld.

  2. Indien het eindvonnis betrekking heeft op gevoegde feiten kan het hoger beroep echter worden beperkt tot een of meer van die feiten.

Artikel 5.4.5

Hoger beroep kan door de verdachte en het openbaar ministerie worden ingetrokken tot een week nadat de kennisgeving van de ontvangst van de processtukken aan de verdachte is betekend.

Artikel 5.4.6

  1. Indien hoger beroep is ingesteld, zorgen de voorzitter van de rechtbank en de griffier ervoor dat de processtukken zo spoedig mogelijk worden overgedragen aan het gerechtshof. De processtukken worden pas overgedragen nadat de termijn om hoger beroep in te stellen is verstreken.

  2. De voorzitter van de rechtbank vermeldt of een verkort proces-verbaal is opgemaakt. De voorzitter van het gerechtshof kan, indien dat het geval is, aan de voorzitter van de rechtbank kennis geven dat een proces-verbaal dient te worden opgemaakt dat aan de eisen van artikel 4.2.69 voldoet. De voorzitter van de rechtbank zorgt ervoor dat zo spoedig mogelijk aan dit verzoek wordt voldaan.

Artikel 5.4.7

  1. De officier van justitie dient binnen twee weken na het instellen van hoger beroep een schriftuur met bezwaren in.

  2. De verdachte kan binnen twee weken na het instellen van hoger beroep een schriftuur met bezwaren indienen. De verdachte kan in de schriftuur ook verzoeken inzake te verrichten onderzoek kenbaar maken.

  3. Indien het eindvonnis wordt aangevuld op de voet van artikel 4.3.23, derde lid, kan de officier van justitie dan wel de verdachte die een schriftuur heeft ingediend binnen twee weken na de kennisgeving van de ontvangst van de processtukken een aanvullende schriftuur indienen.

  4. De schriftuur wordt ingediend bij de griffie van de rechtbank die het vonnis heeft gewezen.

Artikel 5.4.8

  1. De advocaat-generaal is bij opsporingsonderzoek in zaken waarin hoger beroep is ingesteld bevoegd andere opsporingsambtenaren dan de officier van justitie rechtstreeks opdrachten tot opsporing te geven.

  2. Al hetgeen in Boek 2, Hoofdstuk 4, is bepaald over de officier van justitie, geldt tevens ten aanzien van de advocaat-generaal.

Artikel 5.4.9

  1. Indien hoger beroep is ingesteld kan de rechter-commissaris in de rechtbank die het eindvonnis heeft gewezen, zolang het onderzoek op de terechtzitting nog niet is aangevangen, bevoegdheden uitoefenen die hem in Boek 2, Titels 10.2 tot en met 10.4, zijn toegekend. Dezelfde bevoegdheden kunnen worden uitgeoefend door de raadsheer-commissaris behorende bij het gerechtshof dat in hoger beroep zal oordelen. De rechter-commissaris of de raadsheer-commissaris oefent deze bevoegdheden alleen uit op vordering van de officier van justitie of de advocaat-generaal dan wel op verzoek van de verdachte en, na de aanvang van de berechting, eveneens op bevel van de voorzitter van het gerechtshof.

  2. De rechter-commissaris of de raadsheer-commissaris stelt de voorzitter van het gerechtshof in kennis van zijn beslissing op een vordering of verzoek. Na de aanvang van de berechting kan de rechter-commissaris of raadsheer-commissaris de in de Boek 2, Titels 10.2 tot en met 10.4, omschreven bevoegdheden alleen uitoefenen met de instemming van de voorzitter van het gerechtshof. De voorzitter van het gerechtshof stelt de rechter-commissaris of raadsheer-commissaris die nog onderzoek verricht van die aanvang in kennis.

  3. De artikelen 2.10.2, tweede en derde lid, 2.10.5 tot en met 2.10.7, en 2.10.10 tot en met 2.10.12 zijn van overeenkomstige toepassing. Al hetgeen in deze artikelen en in Boek 2, Titels 10.2 tot en met 10.4, is bepaald over de rechtbank, de rechter-commissaris, de officier van justitie en de griffier, geldt ten aanzien van het gerechtshof, de raadsheer-commissaris, de advocaat-generaal en de griffier van het gerechtshof.

Artikel 5.4.10

  1. Zo spoedig mogelijk na de ontvangst van de processtukken geeft de voorzitter van het gerechtshof daarvan kennis aan de verdachte en de advocaat-generaal. Die kennisgeving wordt aan de verdachte betekend. De berechting vangt door die betekening aan.

  2. De kennisgeving bevat in ieder geval:

    1. de beslissing op grond van artikel 4.3.2 dan wel de beslissing tot veroordeling, vrijspraak of ontslag van alle rechtsvervolging;

    2. indien een veroordeling of ontslag van alle rechtsvervolging is uitgesproken, de benaming van het strafbare feit dat het bewezenverklaarde oplevert met vermelding van de plaats waar en het tijdstip waarop het is begaan;

    3. indien een straf of maatregel is opgelegd, de opgelegde straf of maatregel, alsmede de wettelijke voorschriften waarop deze is gegrond.

  3. In de kennisgeving wordt de verdachte in ieder geval gewezen op:

    1. zijn recht op rechtsbijstand;

    2. zijn recht op kennisneming van alle processtukken;

    3. zijn recht om stukken in te dienen ter voeging bij de processtukken;

    4. zijn recht om een aanvullende schriftuur in te dienen indien het eindvonnis is aangevuld op de voet van artikel 4.3.23, derde lid;

    5. zijn recht om tot de aanvang van het onderzoek op de terechtzitting de rechter-commissaris of de raadsheer-commissaris te verzoeken bevoegdheden uit te oefenen die hem in Boek 2, Titels 10.2 tot en met 10.4, zijn toegekend;

    6. zijn recht een verzoek als bedoeld in artikel 5.4.11, eerste en tweede lid, in te dienen.

  4. Indien de verdachte de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst, wordt hem een vertaling van de kennisgeving uitgereikt of toegezonden dan wel wordt hij in een voor hem begrijpelijke taal in kennis gesteld van de informatie, bedoeld in het tweede en derde lid.

Artikel 5.4.11

  1. De verdachte kan de voorzitter van het gerechtshof verzoeken getuigen en deskundigen voor de terechtzitting te doen oproepen. De verdachte geeft aan de voorzitter de namen en de woon- of verblijfplaats op, of, indien onbekend, een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de getuige of deskundige.

  2. De verdachte kan de voorzitter van het gerechtshof verzoeken te bevelen dat de advocaat-generaal zo nauwkeurig mogelijk omschreven stukken zal overdragen met het oog op voeging van deze stukken bij de processtukken, dan wel dat hem met het oog op de onderbouwing van zijn verzoek de inzage van deze stukken wordt toegestaan. Artikel 4.1.4, zevende lid, is van overeenkomstige toepassing. De verdachte kan de voorzitter van het gerechtshof verzoeken te bevelen dat de advocaat-generaal stukken van overtuiging zal overleggen.

  3. Een verzoek wordt ingediend binnen twee weken na de betekening van de kennisgeving van de ontvangst van de processtukken. De voorzitter kan de termijn ambtshalve of op verzoek van de verdachte met een door hem te bepalen termijn verlengen. De termijn kan met instemming van de verdachte worden verkort.

  4. De voorzitter stelt de advocaat-generaal in de gelegenheid binnen een door hem te bepalen termijn van ten hoogste twee weken zijn standpunt kenbaar te maken over een verzoek van de verdachte.

  5. De voorzitter willigt een verzoek als bedoeld in het eerste lid niet in indien de advocaat-generaal aanvoert dat:

    1. hij van oordeel is dat de gezondheid of het welzijn van de getuige of deskundige door het afleggen van een verklaring op de terechtzitting in gevaar wordt gebracht, en het voorkomen van dit gevaar zwaarder weegt dan het belang om de getuige of deskundige op de terechtzitting te kunnen ondervragen;

    2. sprake is van een bedreigde getuige of een afgeschermde getuige wiens identiteit verborgen is gehouden;

    3. de officier van justitie de getuige heeft toegezegd dat deze op geen andere wijze zal worden verhoord dan als bedreigde of als afgeschermde getuige wiens identiteit verborgen wordt gehouden en nog niet onherroepelijk op een vordering als bedoeld in de artikelen 2.10.39, eerste lid, of 2.10.46, eerste lid, is beslist.

  6. De voorzitter kan, indien de verdachte en de advocaat-generaal daarmee instemmen, de rechter-commissaris in de rechtbank die het eindvonnis heeft gewezen dan wel de raadsheer-commissaris in het gerechtshof waar de zaak aanhangig is opdragen de getuige of deskundige te verhoren. De voorzitter kan ook bepalen dat een van de raadsheren die over de zaak oordelen, de getuige of deskundige als raadsheer-commissaris zal verhoren. Deze raadsheer kan aan het onderzoek op de terechtzitting deelnemen, tenzij bij het verhoren van de getuige of deskundige is bepaald dat de verdachte en zijn raadsman daarbij niet aanwezig mogen zijn. De voorzitter bepaalt of het verhoor op een geluidsopname of geluids- en beeldopname wordt vastgelegd en of van het verhoor volledig proces-verbaal wordt opgemaakt.

  7. De voorzitter stelt de advocaat-generaal en de verdachte direct in kennis van zijn beslissing op een verzoek als bedoeld in het eerste of tweede lid. Bij inwilliging van een verzoek beveelt de voorzitter dat de advocaat-generaal de getuige of deskundige zal oproepen, de stukken zal overdragen met het oog op voeging van deze stukken bij de processtukken, de verdachte de inzage in stukken zal toestaan of de stukken van overtuiging zal overleggen.

  8. Indien een verzoek als bedoeld in het eerste of tweede lid wordt gedaan buiten de termijn, bedoeld in het derde lid, zijn het vierde tot en met het zevende lid van toepassing, tenzij de voorzitter van oordeel is dat het verzoek zich gelet op de dag die voor de terechtzitting is bepaald, niet voor inwilliging leent.

  9. De advocaat-generaal kan aan de voorzitter van het gerechtshof getuigen of deskundigen opgeven en vorderen dat deze, bij instemming van de verdachte, de rechter-commissaris in de rechtbank die het eindvonnis heeft gewezen dan wel de raadsheer-commissaris in het gerechtshof waar de zaak aanhangig is, verzoekt deze getuigen of deskundigen te verhoren. Het zesde tot en met achtste lid is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 5.4.12

De voorzitter van het gerechtshof bepaalt zo spoedig mogelijk na betekening van de kennisgeving van de ontvangst van de processtukken, in overleg met de advocaat-generaal en zo mogelijk in overleg met de verdachte of zijn raadsman de dag en het tijdstip waarop de terechtzitting plaatsvindt.

Artikel 5.4.13

Op de voorbereiding van de terechtzitting zijn de artikelen 4.1.3, 4.1.5, 4.1.6, tweede lid, 4.1.7 en 4.1.8 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 5.4.14

De advocaat-generaal en de verdachte kunnen nieuwe stukken van overtuiging aan de voorzitter overdragen.

Artikel 5.4.15

  1. De advocaat-generaal roept de verdachte voor de terechtzitting op. De oproeping bevat een opgave van een of meer van de feiten die hem in eerste aanleg zijn tenlastegelegd. Artikel 4.1.1, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

  2. Op de oproeping voor de terechtzitting van de verdachte zijn de artikelen 4.1.12 tot en met 4.1.14 van overeenkomstige toepassing.

  3. Artikel 4.1.11, met uitzondering van het eerste lid, onderdeel a, is van overeenkomstige toepassing. In afwijking van artikel 4.1.11, derde lid, kan oproeping van het slachtoffer en de spreekgerechtigde achterwege blijven indien het hoger beroep zodanig is beperkt dat het desbetreffende strafbare feit niet aan het oordeel van het gerechtshof is onderworpen.

Artikel 5.4.16

Het onderzoek op de terechtzitting vindt plaats overeenkomstig Boek 4, Hoofdstuk 2, voor zover hiervan in de volgende artikelen van deze afdeling niet wordt afgeweken.

Artikel 5.4.17

  1. Indien het onderzoek op de terechtzitting is aangevangen terwijl de verdachte nog hoger beroep kan instellen tegen het eindvonnis, schorst het gerechtshof het onderzoek op de terechtzitting.

  2. Het onderzoek wordt op de nadere terechtzitting voortgezet indien de termijn waarbinnen de verdachte hoger beroep kan instellen tegen het eindvonnis is verlopen.

Artikel 5.4.18

  1. Na de voordracht van de advocaat-generaal stelt de voorzitter de omvang van het hoger beroep vast. Hij stelt de advocaat-generaal of de verdachte die het hoger beroep heeft ingesteld in de gelegenheid de bij schriftuur opgegeven bezwaren tegen het vonnis toe te lichten en andere bezwaren op te geven.

  2. De advocaat-generaal licht in voorkomende gevallen toe waarom de officier van justitie geen schriftuur met bezwaren heeft ingediend.

Artikel 5.4.19

Het gerechtshof richt het onderzoek op de terechtzitting op de opgegeven bezwaren tegen het eindvonnis en tussenvonnissen alsmede op hetgeen het verder nodig oordeelt.

Artikel 5.4.20

  1. Ten aanzien van een niet verschenen getuige of deskundige beveelt het gerechtshof:

    1. de hernieuwde oproeping indien de getuige of deskundige aan een eerdere oproeping geen gehoor heeft gegeven dan wel de oproeping indien de advocaat-generaal de oproeping heeft verzuimd;

    2. de oproeping, indien daartoe binnen de termijn, gesteld in artikel 5.4.11, derde lid, een verzoek is gedaan dat niet is ingewilligd, ingeval de verdachte dit verzoek herhaalt of het gerechtshof de getuige of deskundige ambtshalve wenst te verhoren.

  2. Het gerechtshof kan van de oproeping van niet verschenen getuigen of deskundigen afzien in de gevallen, bedoeld in artikel 4.2.19, tweede en derde lid, in verbinding met artikel 4.2.24.

  3. De oproeping van getuigen en deskundigen die niet is verzocht op grond van artikel 5.4.11, binnen de ingevolge het derde lid van dat artikel geldende termijn, en de oproeping van getuigen en deskundigen die op de terechtzitting in eerste aanleg dan wel door de rechter- of raadsheer-commissaris zijn verhoord, kan worden geweigerd indien het gerechtshof de oproeping niet noodzakelijk acht in het belang van een behoorlijke behandeling van de zaak.

  4. Het gerechtshof kan de medebrenging van de getuige en de deskundige gelasten.

Artikel 5.4.21

  1. Processtukken die in eerste aanleg ter sprake zijn gebracht, behoeven tijdens het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep niet opnieuw ter sprake te worden gebracht.

  2. Indien de verdachte verzoekt bepaalde processtukken opnieuw ter sprake te brengen, wordt dat verzoek toegewezen voor zover het gerechtshof oordeelt dat daardoor redelijke grenzen niet worden overschreden.

Artikel 5.4.22

In geval van verdenking van meineed brengt de advocaat-generaal het proces-verbaal met de andere processtukken ter kennis van de officier van justitie.

Artikel 5.4.23

  1. In de gevallen van de artikelen 4.2.51 en 4.2.67, tweede lid, wordt het onderzoek verricht door een rechter-commissaris in de rechtbank die het eindvonnis heeft gewezen dan wel een raadsheer-commissaris in het gerechtshof waar de zaak aanhangig is.

  2. Indien het onderzoek wordt verricht door een raadsheer-commissaris, geldt al hetgeen bepaald is over de rechtbank, de rechter-commissaris, de officier van justitie en de griffier, ten aanzien van het gerechtshof, de raadsheer-commissaris, de advocaat-generaal en de griffier van het gerechtshof.

Artikel 5.4.24

In afwijking van artikel 4.2.70 kan de voorzitter van het gerechtshof niet bepalen dat een verkort proces-verbaal wordt opgemaakt indien beroep in cassatie is ingesteld.

Artikel 5.4.25

De beraadslaging, de uitspraak en de verstrekking van het eindarrest vinden plaats overeenkomstig Boek 4, Hoofdstuk 3, voor zover hiervan in deze afdeling niet wordt afgeweken.

Artikel 5.4.26

De beraadslaging in hoger beroep vindt plaats naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep. De beraadslaging vindt tevens plaats naar aanleiding van het onderzoek in eerste aanleg, zoals dit volgens het proces-verbaal van die terechtzitting en een geluidsopname of geluids- en beeldopname van die terechtzitting heeft plaatsgehad, tenzij artikel 4.5.9 is toegepast.

Artikel 5.4.27

  1. Indien de beraadslaging in hoger beroep daartoe aanleiding geeft, verklaart het gerechtshof zichzelf onbevoegd tot kennisneming van het hoger beroep of verklaart het degene die het hoger beroep heeft ingesteld daarin niet-ontvankelijk.

  2. Het gerechtshof kan het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep:

    1. indien de officier van justitie geen schriftuur met bezwaren heeft ingediend;

    2. indien de advocaat-generaal de bij schriftuur opgegeven bezwaren op de terechtzitting niet heeft gehandhaafd;

    3. voor zover de advocaat-generaal de ten aanzien van een gevoegd tenlastegelegd feit opgegeven bezwaren op de terechtzitting niet heeft gehandhaafd.

  3. Het gerechtshof kan de verdachte niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep indien hij geen schriftuur met bezwaren heeft ingediend en evenmin op de terechtzitting bezwaren tegen het vonnis heeft opgegeven. Het tweede lid, onderdelen b en c, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 5.4.28

  1. Indien de verdachte in eerste aanleg verstek heeft laten gaan en het gerechtshof van oordeel is dat de betekening van de oproeping van de verdachte voor de terechtzitting of, in het geval van een schorsing voor onbepaalde tijd, de nadere terechtzitting niet in overeenstemming met de wettelijke regeling heeft plaatsgevonden, doet het de zaak desalniettemin zelf af, tenzij de advocaat-generaal vordert of de verdachte verzoekt om terugwijzing naar de rechtbank.

  2. Terugwijzing naar de rechtbank vindt ook zonder verzoek van de verdachte plaats indien de verdachte in hoger beroep niet op de terechtzitting aanwezig is en zich geen omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting of, na schorsing voor onbepaalde tijd, de dag van de nadere terechtzitting in hoger beroep de verdachte tevoren bekend was.

  3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing indien:

    1. de rechtbank naar het oordeel van het gerechtshof ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 4.3.2;

    2. de rechtbank aan de behandeling van de zaak zelf niet had mogen toekomen, omdat de raadsman niet op de terechtzitting of, na een schorsing voor onbepaalde tijd, de nadere terechtzitting is verschenen, terwijl hij niet in overeenstemming met de wettelijke regeling op de hoogte is gebracht van de dag van de terechtzitting of nadere terechtzitting;

    3. de rechtbank aan de behandeling van de zaak zelf niet had mogen toekomen omdat de verdachte niet in overeenstemming met de wettelijke regeling in staat is gesteld gebruik te maken van zijn recht op rechtsbijstand;

    4. de rechtbank aan de behandeling van de zaak zelf niet had mogen toekomen omdat de verdachte niet in overeenstemming met de wettelijke regeling in staat is gesteld het onderzoek op de terechtzitting bij te wonen.

  4. Terugwijzing naar de rechtbank vindt voorts plaats indien zich een zodanig gebrek heeft voorgedaan in de samenstelling van de rechtbank dat niet gezegd kan worden dat de behandeling heeft plaatsgevonden door een onpartijdige rechter. Terugwijzing blijft in dit geval slechts achterwege indien de verdachte daar uitdrukkelijk mee instemt.

  5. In geval van terugwijzing doet de rechtbank recht met inachtneming van het arrest van het gerechtshof.

Artikel 5.4.29

  1. Het gerechtshof kan het hoger beroep verwerpen voor zover het de bezwaren tegen beslissingen in het vonnis ongegrond acht en het niet ambtshalve tot het oordeel komt dat vernietiging van een beslissing aangewezen is.

  2. Het gerechtshof vernietigt het vonnis voor zover het:

    1. de bezwaren tegen een beslissing gegrond acht;

    2. ambtshalve tot het oordeel komt dat vernietiging van een beslissing aangewezen is.

  3. Het gerechtshof kan het vonnis in de gevallen, bedoeld in het tweede lid, geheel of gedeeltelijk vernietigen.

  4. Vernietiging volgt in ieder geval voor zover:

    1. geen recht tot strafvordering bestaat, terwijl de beslissing op het bestaan van dat recht is gebaseerd;

    2. het bewezenverklaarde niet onder een wettelijke strafbepaling valt;

    3. de oplegging van een straf of maatregel niet op de wet berust.

  5. In het geval het vonnis geheel of gedeeltelijk wordt vernietigd, doet het gerechtshof in zoverre opnieuw recht.

Artikel 5.4.30

Indien het eindvonnis is gewezen naar aanleiding van verzet tegen een strafbeschikking, is artikel 5.3.6 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 5.4.31

  1. Indien bij samenloop van feiten één hoofdstraf is uitgesproken en het hoger beroep slechts is ingesteld ten aanzien van een of meer van die feiten, wordt, in geval van vernietiging ten aanzien van de straf, de straf voor het andere feit of de andere feiten bepaald.

  2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien het ingestelde hoger beroep ten aanzien van een of meer feiten niet-ontvankelijk wordt verklaard.

Artikel 5.4.32

  1. Het eindarrest bevat de beslissingen, bedoeld in de artikelen 5.4.27 tot en met 5.4.30, alsmede de bepaling van de straf bedoeld in artikel 5.4.31.

  2. Deze beslissingen zijn gemotiveerd voor zover dat voor de begrijpelijkheid van die beslissingen noodzakelijk is.

  3. Voor zover het gerechtshof het hoger beroep tegen een vonnis verwerpt, kan het de gronden voor een daarin opgenomen beslissing aanvullen of verbeteren. Aanvulling of verbetering kan ook plaatsvinden indien op de terechtzitting in hoger beroep:

    1. een uitdrukkelijk voorgedragen standpunt wordt ingenomen dat in strijd is met een beslissing van de rechtbank;

    2. het gebruik van een bewijsmiddel als bedoeld in artikel 4.3.24 wordt betwist;

    3. door de verdachte anders wordt verklaard in de zin van artikel 4.3.23, tweede lid.

  4. Voor zover het vonnis wordt vernietigd, bevat het arrest de beslissingen die in artikel 4.3.21, eerste en tweede lid, zijn vermeld. Deze beslissingen worden gemotiveerd overeenkomstig de artikelen 4.3.22 tot en met 4.3.25.

  5. In geval van gehele of gedeeltelijke vernietiging van het vonnis kan het gerechtshof gedeelten uit het vonnis of de aanvulling op het vonnis in zijn arrest overnemen.

Artikel 5.4.33

In afwijking van artikel 4.3.23, derde lid, vindt aanvulling van het eindarrest ook plaats indien het beroep in cassatie meer dan drie maanden na de dag van de uitspraak is ingesteld.

← terug naar Nieuw Wetboek van Strafvordering