Rechtsmiddelen staan alleen open in de gevallen bij de wet bepaald.
Nieuw Wetboek van Strafvordering Laatste controle 30-03-2026, laatste wijziging 18-03-2026.
Inhoud
Boek 1 Strafvordering in het algemeen
Hoofdstuk 1 Inleidende bepalingen en definities
Titel 1.1 Inleidende bepalingen
Hoofdstuk 2 De behandeling van zaken door de rechter
Hoofdstuk 3 Vervolging en opsporing van strafbare feiten
Hoofdstuk 4 De verdachte en zijn raadsman
Titel 4.1 De verdachte
Titel 4.2 De raadsman
Afdeling 4.2.1 Het optreden van de raadsman
Afdeling 4.2.2 De bevoegdheden van de raadsman
Hoofdstuk 5 Het slachtoffer
Hoofdstuk 6 De getuige
Hoofdstuk 7 De deskundige
Hoofdstuk 8 De processtukken
Hoofdstuk 9 Overdracht van berichten en het indienen van stukken
Hoofdstuk 11 Enige algemene voorzieningen
Titel 11.1 Herstelrecht
Titel 11.2 Videoconferentie
Titel 11.3 De inzet van tolken
Titel 11.4 Opdrachten aan de reclassering
Titel 11.5 Verstoring van ambtsverrichtingen
Boek 2 Het opsporingsonderzoek
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Titel 1.1 Definities
Titel 1.2 Algemene bepalingen over de uitoefening van bevoegdheden in het kader van het opsporingsonderzoek
Titel 1.3 Algemene bevoegdheid
Titel 1.4 Verslaglegging door opsporingsambtenaren
Titel 1.5 Vastlegging van bevelen en van machtigingen en vorderingen daartoe
Titel 1.6 Toestemming voor onderzoekshandelingen
Hoofdstuk 2 De aangifte
Hoofdstuk 3 Het verhoor door opsporingsambtenaren
Hoofdstuk 4 Deskundigenonderzoek in opdracht van de officier van justitie
Hoofdstuk 5 Bevoegdheden tot vrijheidsbeperking en vrijheidsbeneming
Titel 5.1 Algemene bepalingen
Titel 5.2 Staandehouding en aanhouding
Titel 5.3 Ophouden voor onderzoek en inverzekeringstelling
Afdeling 5.3.1 Ophouden voor onderzoek
Afdeling 5.3.2 Inverzekeringstelling
Afdeling 5.3.3 Maatregelen ten aanzien van de voor onderzoek opgehouden of in verzekering gestelde verdachte
Afdeling 5.3.4 Voorgeleiding aan de rechter-commissaris
Titel 5.4 Voorlopige hechtenis
Afdeling 5.4.1 Algemene bepalingen
Afdeling 5.4.2 Toepassingsvoorwaarden
Afdeling 5.4.3 Schorsing van de voorlopige hechtenis
Afdeling 5.4.4 Opheffing van de voorlopige hechtenis
Afdeling 5.4.5 Bewaring
Afdeling 5.4.6 Gevangenhouding en gevangenneming
Afdeling 5.4.7 Beslissingen over voorlopige hechtenis in het eindvonnis
Afdeling 5.4.8 Voorlopige hechtenis na hoger beroep tegen het eindvonnis
Titel 5.5 Rechtsmiddelen
Afdeling 5.5.1 Bezwaar tegen het opleggen van maatregelen
Afdeling 5.5.2 Beroep tegen de directe invrijheidstelling van de verdachte
Afdeling 5.5.3 Beroep tegen beslissingen met betrekking tot de voorlopige hechtenis
Hoofdstuk 6 Bevoegdheden met betrekking tot het lichaam
Titel 6.1 Algemene bepalingen
Afdeling 6.1.1 Bevel officier van justitie
Afdeling 6.1.2 Onderzoek en fase van vrijheidsbeneming
Afdeling 6.1.3 Toestemming
Afdeling 6.1.4 Delegatie
Titel 6.2 Onderzoek aan de kleding en onderzoek van meegevoerde voorwerpen
Titel 6.3 Onderzoek aan het lichaam
Titel 6.4 Onderzoek in het lichaam
Titel 6.5 Overige onderzoeken met betrekking tot het lichaam
Afdeling 6.5.1 Het nemen van vingerafdrukken en gezichtsopnamen ter identiteitsvaststelling
Afdeling 6.5.2 Onderzoek naar gebruik van geweldbevorderende middelen
Afdeling 6.5.3 Het maken van beeldopnamen, het opmeten van lichaamsmaten en het nemen van lichaamsafdrukken, -haar en -materiaal
Afdeling 6.5.4 Onderzoek ten aanzien van fysieke eigenschappen
Afdeling 6.5.5 Het houden van een confrontatie
Afdeling 6.5.6 DNA-onderzoek
Afdeling 6.5.7 Onderzoek naar een ernstige besmettelijke ziekte
Titel 6.6 Onderzoek met betrekking tot het lichaam van een overleden verdachte of slachtoffer
Titel 6.7 Bevoegdheden van de rechter-commissaris
Titel 6.8 Rechtsmiddelen
Hoofdstuk 7 Bevoegdheden met betrekking tot voorwerpen en gegevens
Titel 7.1 Algemene bepalingen
Titel 7.2 Inbeslagneming van voorwerpen
Afdeling 7.2.1 Algemene bepalingen
Afdeling 7.2.2 Bevoegdheden tot inbeslagneming van voorwerpen
Afdeling 7.2.3 Inbeslagneming tot bewaring van het recht tot verhaal
Afdeling 7.2.4 Teruggave en bewaring van inbeslaggenomen voorwerpen
Titel 7.3 Onderzoek van gegevens
Afdeling 7.3.1 Algemene bepalingen
Afdeling 7.3.2 Bevoegdheden
Afdeling 7.3.3 Verstrekking van gegevens ten behoeve van het onderzoek
Titel 7.4 Ontoegankelijkmaking van gegevens
Titel 7.5 Uitoefening van bevoegdheden in het geval van verschoningsrecht
Titel 7.6 Onderzoek ter plaatse
Titel 7.7 Bevoegdheden van de rechter-commissaris
Titel 7.8 Rechtsmiddelen
Hoofdstuk 8 Heimelijke bevoegdheden
Titel 8.1 Algemene bepalingen
Afdeling 8.1.1 Bevel officier van justitie
Afdeling 8.1.2 Kennisgeving aan betrokkene
Afdeling 8.1.3 Voeging gegevens functioneel verschoningsgerechtigden
Afdeling 8.1.4 Technische hulpmiddelen
Afdeling 8.1.5 Verplichting tot inbeslagneming
Afdeling 8.1.6 Uitstel melding onbekende kwetsbaarheden
Titel 8.2 De bevoegdheden
Afdeling 8.2.1 Stelselmatige observatie
Afdeling 8.2.2 Stelselmatig overnemen persoonsgegevens uit publiek toegankelijke bronnen
Afdeling 8.2.3 Bevoegdheden ten aanzien van een besloten plaats
Afdeling 8.2.4 Pseudo-koop of -dienstverlening
Afdeling 8.2.5 Stelselmatige inwinning van informatie
Afdeling 8.2.6 Infiltratie
Afdeling 8.2.7 Vastleggen communicatie die plaatsvindt door middel van een aanbieder van een communicatiedienst
Afdeling 8.2.8 Vastleggen vertrouwelijke communicatie
Afdeling 8.2.9 Toegang op afstand tot een digitale-gegevensdrager of geautomatiseerd werk
Afdeling 8.2.10 Stelselmatige locatiebepaling
Titel 8.3 Bijstand door burgers bij de uitoefening van heimelijke bevoegdheden
Titel 8.4 Personen in de openbare dienst van een vreemde staat
Titel 8.5 Maatregelen in het belang van de veiligheid
Titel 8.6 Vermoeden georganiseerd verband en aanwijzingen terroristisch misdrijf
Titel 8.7 Rechtsmiddelen
Hoofdstuk 9 Het verkennend onderzoek
Hoofdstuk 10 Onderzoek door de rechter-commissaris
Titel 10.1 Algemene bepalingen
Titel 10.2 Bevoegdheden met betrekking tot de verdachte
Afdeling 10.2.1 Het verhoor van de verdachte
Afdeling 10.2.2 Observatie van de verdachte
Titel 10.3 Het verhoor van de getuige
Titel 10.4 De benoeming en het verhoor van een deskundige
Afdeling 10.4.1 De benoeming van een deskundige
Afdeling 10.4.2 Het verhoor van een deskundige
Titel 10.5 Getuigen aan wie toezeggingen zijn gedaan
Titel 10.6 Voortgangsbewaking door de rechter-commissaris
Titel 10.7 Beëindiging van het onderzoek
Titel 10.8 Rechtsmiddelen
Boek 3 Beslissingen over vervolging
Hoofdstuk 2 Bezwaarschrift tegen de procesinleiding
Hoofdstuk 3 De strafbeschikking
Titel 3.1 Inhoud van de strafbeschikking
Titel 3.2 Uitvaardigen van de strafbeschikking door opsporingsambtenaren en lichamen of personen, met een publieke taak belast
Titel 3.3 Waarborgen bij het uitvaardigen van de strafbeschikking
Titel 3.4 Uitreiken en toezenden van de strafbeschikking
Titel 3.5 Intrekken en wijzigen van de strafbeschikking
Titel 3.6 Openbaarheid van de strafbeschikking
Hoofdstuk 4 Het achterwege laten van vervolging
Titel 4.1 Het sepot
Hoofdstuk 5 Beklag over het niet opsporen of niet vervolgen van strafbare feiten
Hoofdstuk 6 Rechtsmiddelen
Boek 4 Berechting
Hoofdstuk 1 Het aanbrengen van de zaak ter berechting
Hoofdstuk 2 Het onderzoek op de terechtzitting
Titel 2.1 Algemene bepalingen
Titel 2.2 De aanvang van het onderzoek
Titel 2.3 De omvang van het onderzoek
Titel 2.4 Het onderzoek van de zaak zelf
Afdeling 2.4.1 Inleidende bepalingen
Afdeling 2.4.2 Het verhoor van de verdachte
Afdeling 2.4.3 Het verhoor van de getuige
Afdeling 2.4.4 Het verhoor van de deskundige
Afdeling 2.4.5 De uitoefening van het spreekrecht
Afdeling 2.4.6 Het beslag
Afdeling 2.4.7 Nader onderzoek
Afdeling 2.4.8 De schorsing van het onderzoek
Afdeling 2.4.9 Het requisitoir en het pleidooi, repliek en dupliek
Afdeling 2.4.10 De sluiting van het onderzoek en beslissingen ten aanzien van de uitspraak
Afdeling 2.4.11 Heropening van het onderzoek
Titel 2.5 De verslaglegging van het onderzoek op de terechtzitting
Hoofdstuk 3 De beraadslaging, de uitspraak en het eindvonnis
Hoofdstuk 4 De behandeling van met de berechting verbonden vorderingen
Titel 4.1 De vordering van de benadeelde partij
Titel 4.2 De vordering tot tenuitvoerlegging
Titel 4.3 De vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel
Afdeling 4.3.2 Afzonderlijke behandeling
Afdeling 4.3.3 Voeging en afsplitsing
Afdeling 4.3.4 De ontnemingsschikking
Hoofdstuk 5 De enkelvoudige kamer
Hoofdstuk 6 Herstelbeslissingen
Boek 5 Rechtsmiddelen
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Hoofdstuk 2 Het instellen en indienen, intrekken en afstand doen van gewone rechtsmiddelen
Hoofdstuk 3 Verzet tegen strafbeschikkingen
Hoofdstuk 4 Hoger beroep tegen vonnissen
Titel 4.1 Hoger beroep tegen eindvonnissen en tussenvonnissen
Afdeling 4.1.1 Gevallen waarin hoger beroep openstaat
Afdeling 4.1.2 De voorbereiding van de terechtzitting
Afdeling 4.1.3 De oproeping voor de terechtzitting
Afdeling 4.1.4 Het onderzoek op de terechtzitting
Afdeling 4.1.5 De beraadslaging, de uitspraak en het eindarrest
Titel 4.2 Hoger beroep in het geval van verbonden vorderingen
Afdeling 4.2.1 De vordering van de benadeelde partij
Afdeling 4.2.2 De vordering tot tenuitvoerlegging
Afdeling 4.2.3 De vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel
Titel 4.3 De enkelvoudige kamer
Titel 4.4 Herstelbeslissingen
Hoofdstuk 5 Beroep in cassatie tegen arresten
Titel 5.1 Beroep in cassatie tegen eindarresten en tussenarresten
Afdeling 5.1.1 Gevallen waarin beroep in cassatie openstaat
Afdeling 5.1.2 De voorbereiding van de behandeling van het beroep in cassatie
Afdeling 5.1.3 De behandeling van het beroep in cassatie
Titel 5.2 Beroep in cassatie in het geval van verbonden vorderingen
Afdeling 5.2.1 De vordering van de benadeelde partij
Afdeling 5.2.2 De vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel
Titel 5.3 Herstelarresten
Hoofdstuk 6 Gewone rechtsmiddelen tegen andere beslissingen
Hoofdstuk 7 Cassatie in het belang van de wet
Hoofdstuk 8 Herziening van arresten en vonnissen
Titel 8.1 Herziening ten voordele van de gewezen verdachte
- Artikel 5.8.1
- Artikel 5.8.2
- Artikel 5.8.3
- Artikel 5.8.4
- Artikel 5.8.5
- Artikel 5.8.6
- Artikel 5.8.7
- Artikel 5.8.8
- Artikel 5.8.9
- Artikel 5.8.10
- Artikel 5.8.11
- Artikel 5.8.12
- Artikel 5.8.13
- Artikel 5.8.14
- Artikel 5.8.15
- Artikel 5.8.16
- Artikel 5.8.17
- Artikel 5.8.18
- Artikel 5.8.19
- Artikel 5.8.20
- Artikel 5.8.21
- Artikel 5.8.22
- Artikel 5.8.23
- Artikel 5.8.24
- Artikel 5.8.25
- Artikel 5.8.26
Titel 8.2 Herziening ten nadele van de gewezen verdachte
Boek 6 Bijzondere regelingen
Hoofdstuk 1 Voorzieningen vanwege de persoon van de verdachte
Titel 1.1 Jeugdigen en jongvolwassenen
Afdeling 1.1.1 Verdachten die ten tijde van het begaan van het strafbaar feit nog niet de leeftijd van twaalf jaar hebben bereikt
Afdeling 1.1.2 Verdachten die ten tijde van het begaan van het strafbaar feit de leeftijd van twaalf jaar maar nog niet die van achttien jaar hebben bereikt
Afdeling 1.1.3 Verdachten die ten tijde van het begaan van het strafbaar feit de leeftijd van achttien jaar maar nog niet die van drieëntwintig jaar hebben bereikt
Afdeling 1.1.4 De raad voor de kinderbescherming
Afdeling 1.1.5 De betrokkenheid van de ouder of een persoon naar keuze
Afdeling 1.1.6 Vordering van de benadeelde partij
Titel 1.2 Verdachten die door een beperking of een ziekte onvoldoende in staat zijn aan het proces tegen hen deel te nemen
Titel 1.3 Rechtspersonen
Titel 1.4 Rechterlijke ambtenaren
Hoofdstuk 2 Procesincidenten
Hoofdstuk 4 Bijzondere procedures
Titel 4.1 Beklag met betrekking tot voorwerpen en gegevens
Afdeling 4.1.1 Beklag met betrekking tot voorwerpen
Afdeling 4.1.2 Beklag met betrekking tot gegevens
Afdeling 4.1.3 Behandeling van het klaagschrift
Titel 4.2 Afzonderlijke rechterlijke beslissing met betrekking tot voorwerpen en gegevens
Titel 4.3 Rechtsmiddelen
Hoofdstuk 5 Bevoegdheden van bijzondere aard
Titel 5.1 Gedragsaanwijzing ter beëindiging van ernstige overlast
Titel 5.2 Bevoegdheden bij het ontruimen van een gekraakt pand
Afdeling 5.2.1 Bevoegdheden
Afdeling 5.2.2 Rechtsmiddelen
Titel 5.3 Bevoegdheden tot het betreden van plaatsen in verband met bepaalde misdrijven
Titel 5.4 Bevoegdheden in geval van aanwijzingen van een terroristisch misdrijf
Titel 5.5 Bevoegdheden in verband met de ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Afdeling 5.5.1 Bevoegdheden
Afdeling 5.5.2 Rechtsmiddelen
Titel 5.6 Bevoegdheden tot vastlegging en raadpleging van kentekengegevens
Titel 5.7 Onderzoek naar gebruik van geweld door ambtenaren
Hoofdstuk 6 Schadevergoeding en kosten
Boek 9 Slotbepalingen
Boek 5
Artikel 5.1.2
-
Er zijn gewone en buitengewone rechtsmiddelen.
-
Gewone rechtsmiddelen zijn:
een bezwaarschrift en een klaagschrift;
beroep tegen een beslissing van de rechter-commissaris;
hoger beroep en beroep in cassatie tegen een beslissing van de raadkamer;
verzet tegen een strafbeschikking;
hoger beroep tegen een vonnis;
beroep in cassatie tegen een arrest.
-
Buitengewone rechtsmiddelen zijn:
beroep in cassatie in het belang van de wet;
een aanvraag tot herziening ten voordele van de gewezen verdachte;
een aanvraag tot herziening ten nadele van de gewezen verdachte.
Artikel 5.1.3
-
Indien een gewoon rechtsmiddel niet tijdig of niet op de bij de wet voorziene wijze is ingesteld of ingediend, wordt het niet-ontvankelijk verklaard.
-
Het rechtsmiddel is evenwel ontvankelijk indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de desbetreffende procespartij in verzuim is geweest.
Artikel 5.2.1
-
Verzet tegen een strafbeschikking wordt ingesteld bij het parket dat in de strafbeschikking wordt vermeld.
-
Andere gewone rechtsmiddelen worden ingesteld of ingediend bij de griffie van het gerecht waardoor of waarbij de bestreden beslissing is genomen of dat bevoegd is te oordelen over het tegen een beslissing of handeling van het openbaar ministerie gerichte bezwaarschrift of klaagschrift.
Artikel 5.2.2
-
Een rechtsmiddel dat aan het openbaar ministerie is toegekend, wordt ingesteld door de officier van justitie of, in het geval het rechtsmiddel zich richt tegen een beslissing van het gerechtshof, de advocaat-generaal.
-
In andere gevallen wordt het rechtsmiddel ingesteld of ingediend door degene die het rechtsmiddel aanwendt, dan wel, namens deze, door:
een advocaat die verklaart dat hij daartoe door degene die het rechtsmiddel aanwendt specifiek is gemachtigd;
een vertegenwoordiger die daartoe door degene die het rechtsmiddel aanwendt specifiek schriftelijk is gemachtigd.
-
Verzet, beroep, hoger beroep en beroep in cassatie worden ingesteld:
langs elektronische weg, op bij algemene maatregel van bestuur bepaalde wijze;
door overdracht van een ondertekend bericht, via de post; of
door mededeling.
-
Een bezwaarschrift en een klaagschrift worden ingediend:
langs elektronische weg, op bij algemene maatregel van bestuur bepaalde wijze;
door overdracht van een ondertekend bericht, via de post; of
door afgifte.
-
Officieren van justitie, advocaten-generaal en advocaten kunnen een rechtsmiddel alleen instellen of indienen langs elektronische weg.
Artikel 5.2.3
-
Degene die is ingesloten in een huis van bewaring, gevangenis of rijksinstelling als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, onderdeel j, van de Wet forensische zorg, dan wel in een inrichting waar een vrijheidsbenemende straf of maatregel wordt tenuitvoergelegd als bedoeld in artikel 77h van het Wetboek van Strafrecht, kan ook een rechtsmiddel instellen of indienen door een ondertekend bericht dat hij overdraagt aan het hoofd van de instelling.
-
Het hoofd van de instelling houdt een register bij waarin hij ieder ingesteld of ingediend rechtsmiddel direct doet vastleggen. Als de dag van de instelling of indiening geldt de dag van vastlegging in dit register.
-
Van het ondertekend bericht wordt kennis gegeven aan het parket of de griffie, bedoeld in artikel 5.2.1, onder opgave van de datum van vastlegging in het register.
-
Onze Minister bepaalt het model van het register en kan inzake het bijhouden daarvan nadere regels geven. Het register kan door belanghebbenden worden geraadpleegd.
Artikel 5.2.4
-
Bij het instellen of indienen van het rechtsmiddel worden in ieder geval vermeld:
de naam van degene die het rechtsmiddel aanwendt, dan wel andere gegevens waarmee zijn identiteit eenvoudig kan worden vastgesteld;
de beslissing of handeling waartegen het rechtsmiddel zich richt;
het rechtsmiddel dat daartegen wordt aangewend.
-
Indien een advocaat het rechtsmiddel instelt of indient, vermeldt hij tevens zijn naam en kantooradres. De advocaat verklaart daarbij dat hij specifiek tot het instellen of indienen van het rechtsmiddel is gemachtigd. De vertegenwoordiger vermeldt zijn naam en adres en verstrekt de machtiging.
-
Elk parket en elke griffie houdt een register bij waarin ieder ingesteld of ingediend rechtsmiddel direct wordt vastgelegd. In dat register worden in ieder geval vastgelegd:
de gegevens, vermeld in het eerste en het tweede lid;
de dag waarop het rechtsmiddel is ingesteld of ingediend;
een eventuele beperking van de omvang van het rechtsmiddel.
-
Aan degene die het rechtsmiddel langs elektronische weg instelt of indient wordt een bevestiging verzonden.
-
Indien het rechtsmiddel wordt ingesteld door mededeling of ingediend door afgifte, ondertekenen degene die het rechtsmiddel instelt of indient en een medewerker van de griffie dan wel, in geval van verzet, van het parket, een kopie van de registratie uit hoofde van het derde lid. Indien degene die het rechtsmiddel instelt of indient niet kan tekenen, wordt de oorzaak van het beletsel in de kopie vermeld. De kopie wordt uitgereikt aan degene die het rechtsmiddel instelt of indient.
-
Indien het rechtsmiddel wordt ingesteld of ingediend via de post, wordt de dag van ontvangst op de ingekomen brief vermeld.
-
De stukken die betrekking hebben op het rechtsmiddel en de ingevolge het derde lid vastgelegde gegevens worden bij de processtukken gevoegd.
Artikel 5.2.5
-
Op de indiening van schrifturen zijn de artikelen 5.2.2 en 5.2.4 van overeenkomstige toepassing.
-
Bij een beroep in cassatie dat niet door het openbaar ministerie is ingesteld, kan alleen een daartoe specifiek gemachtigde advocaat schrifturen indienen.
Artikel 5.2.6
-
Indien de wet niet anders bepaalt, kan een rechtsmiddel worden ingetrokken totdat de behandeling van het rechtsmiddel aanvangt. Een rechtsmiddel dat is ingetrokken, kan niet opnieuw worden ingesteld of ingediend.
-
De artikelen 5.2.1 tot en met 5.2.4 zijn op de intrekking van een rechtsmiddel van overeenkomstige toepassing.
-
Indien de officier van justitie hoger beroep heeft ingesteld, is ook de advocaat-generaal bevoegd tot intrekking van het hoger beroep. Intrekking vindt in dat geval plaats bij de griffie van het gerechtshof.
Artikel 5.2.7
-
Van de bevoegdheid om een rechtsmiddel in te stellen of in te dienen kan afstand worden gedaan zo lang de termijn voor het instellen van een rechtsmiddel nog niet is verstreken. De artikelen 5.2.1 tot en met 5.2.4 zijn op het afstand doen van een rechtsmiddel van overeenkomstige toepassing, onverminderd het tweede en derde lid.
-
Indien een zaak door een enkelvoudige kamer is behandeld, kan ook op de terechtzitting afstand worden gedaan van de bevoegdheid om een rechtsmiddel in te stellen. De mogelijkheid daartoe wordt aan de verdachte meegedeeld. De uitdrukkelijk gemachtigde raadsman kan niet op de terechtzitting afstand doen van de bevoegdheid om een rechtsmiddel in te stellen.
-
Dat op de terechtzitting afstand is gedaan van de bevoegdheid om een rechtsmiddel in te stellen wordt in het proces-verbaal van de terechtzitting dan wel, indien het vonnis of arrest wordt aangetekend op de wijze, voorzien in artikel 4.5.9, in die aantekening vermeld.
-
Afstand van de bevoegdheid om een rechtsmiddel in te stellen of in te dienen kan niet worden herroepen.
Artikel 5.2.8
-
Het gerecht zorgt ervoor dat het openbaar ministerie, procespartijen en slachtoffers langs elektronische weg kennis kunnen nemen van rechtsmiddelen die volgens het door de griffie van het gerecht bijgehouden register zijn ingesteld of ingediend in hun zaak. Indien niet langs elektronische weg kennis kan worden genomen van rechtsmiddelen die volgens het register zijn ingesteld of ingediend, worden het openbaar ministerie alsmede procespartijen en slachtoffers die een elektronisch adres hebben opgegeven dan wel door een raadsman of advocaat worden bijgestaan, in kennis gesteld van het instellen, indienen, intrekken en afstand doen van rechtsmiddelen voor zover dat in het register is vastgelegd.
-
Indien een procespartij of het slachtoffer wordt bijgestaan door een raadsman of advocaat, volstaat het als deze kennis kan nemen of in kennis wordt gesteld van het instellen, indienen, intrekken en afstand doen van rechtsmiddelen, voor zover dat in het register is vastgelegd.
-
Elke belanghebbende kan kennisnemen van wat bij het parket en de griffie, bedoeld in artikel 5.2.1, in het register is vastgelegd over het instellen, indienen, intrekken en afstand doen van rechtsmiddelen.
-
Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld inzake de verplichting van het eerste lid. Die regels kunnen beperkingen inhouden van de verplichting tot het in kennis stellen. Zij kunnen tevens inhouden dat een verplichting tot in kennis stellen niet rust op het gerecht maar op het openbaar ministerie.
Artikel 5.2.9
-
Indien de officier van justitie hoger beroep heeft ingesteld tegen een eindvonnis, stelt hij de verdachte hiervan direct in kennis.
-
Indien de advocaat-generaal beroep in cassatie heeft ingesteld tegen een eindarrest, stelt hij de verdachte hiervan direct in kennis.
-
De verdachte wordt eveneens direct in kennis gesteld van de intrekking door het openbaar Ministerie van het hoger beroep tegen een eindvonnis dan wel het beroep in cassatie tegen een eindarrest.
-
Een kennisgeving als bedoeld in het eerste, tweede of derde lid wordt betekend.
Artikel 5.3.1
-
De verdachte kan verzet instellen tegen een strafbeschikking binnen twee weken nadat een kopie daarvan in persoon aan hem is uitgereikt dan wel zich een andere omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de strafbeschikking hem bekend is.
-
Onverminderd het eerste lid kan tegen een strafbeschikking waarin een geldboete van niet meer dan € 340 is opgelegd, wegens een overtreding die ten hoogste vier maanden voor toezending is gepleegd, verzet worden ingesteld tot uiterlijk zes weken na toezending.
Artikel 5.3.2
-
Onverminderd artikel 5.2.7 kan de verdachte afstand doen van de bevoegdheid om verzet in te stellen door vrijwillig aan de strafbeschikking te voldoen.
-
De verdachte kan tegenover een opsporingsambtenaar afstand doen van de bevoegdheid om verzet in te stellen, indien hij daarbij wordt bijgestaan door een raadsman. Alvorens de verdachte afstand doet, deelt de opsporingsambtenaar hem mee dat een gedane afstand niet kan worden herroepen. Van afstand is pas sprake als deze is vastgelegd en door de verdachte ondertekend.
-
Verzet kan worden ingetrokken tot een week nadat de procesinleiding aan de verdachte is betekend.
Artikel 5.3.3
Bij het verzet kunnen bezwaren tegen de strafbeschikking worden opgegeven.
Artikel 5.3.4
-
Tegen een gewijzigde strafbeschikking kan verzet worden ingesteld met overeenkomstige toepassing van de artikelen 5.3.1 tot en met 5.3.3.
-
Een reeds ingesteld verzet wordt geacht te zijn gericht tegen de gewijzigde strafbeschikking, tenzij vrijwillig aan de gewijzigde strafbeschikking wordt voldaan.
Artikel 5.3.5
-
De officier van justitie brengt, tenzij hij de strafbeschikking intrekt, de zaak zo spoedig mogelijk ter berechting aan door het verzet en de processtukken samen met de procesinleiding in te dienen bij de voorzitter van de rechtbank dan wel de enkelvoudige kamer en de procesinleiding, in het laatste geval vergezeld van een oproeping voor de terechtzitting, aan de verdachte te betekenen. De berechting vangt hierdoor aan.
-
De omschrijving van de gedraging in de procesinleiding is gelijk aan de omschrijving van het feit in de strafbeschikking of betreft een opgave van hetzelfde feit.
-
De behandeling van de zaak vindt plaats overeenkomstig Boek 4.
Artikel 5.3.6
Indien de rechtbank de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaart dan wel de verdachte vrijspreekt, ontslaat van alle rechtsvervolging of veroordeelt, vernietigt zij de strafbeschikking.
Artikel 5.4.1
-
Tegen eindvonnissen betreffende misdrijven staat hoger beroep open voor het openbaar ministerie en voor de verdachte.
-
Tegen eindvonnissen betreffende overtredingen staat hoger beroep open voor het openbaar ministerie en voor de verdachte, tenzij wegens de overtredingen:
met toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen straf of maatregel werd opgelegd, of
geen andere straf of maatregel werd opgelegd dan een geldboete tot een maximum, of wanneer bij het eindvonnis twee of meer geldboetes werden opgelegd, geldboetes tot een gezamenlijk maximum, van € 50.
-
Voor de verdachte staat evenwel hoger beroep open tegen een bij verstek gewezen eindvonnis als bedoeld in het tweede lid, onderdelen a en b, indien zich geen omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting of, na een schorsing voor onbepaalde tijd, de dag van de nadere terechtzitting de verdachte tevoren bekend was.
-
De uitzondering van het derde lid geldt niet in geval de procesinleiding in overeenstemming met de wettelijke regeling aan de verdachte is betekend binnen zes weken nadat de verdachte verzet heeft ingesteld tegen een strafbeschikking en het onderzoek op de terechtzitting niet voor onbepaalde tijd is geschorst.
Artikel 5.4.2
-
Het hoger beroep wordt, behoudens het tweede lid, binnen twee weken na de uitspraak van het eindvonnis ingesteld indien:
de procesinleiding in persoon aan de verdachte is betekend;
de procesinleiding binnen zes weken nadat de verdachte verzet tegen een strafbeschikking ter zake van hetzelfde feit heeft ingesteld, in overeenstemming met de wettelijke regeling aan hem is betekend en in eerste aanleg geen onvoorwaardelijke straf of maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming van langere duur meebrengt dan zes maanden;
de oproeping om op de terechtzitting te verschijnen in persoon aan de verdachte is betekend;
de verdachte of een uitdrukkelijk gemachtigde raadsman op de terechtzitting is verschenen; of
zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting of de dag waarop het eindvonnis is uitgesproken de verdachte tevoren bekend was.
-
Indien het onderzoek op de terechtzitting voor onbepaalde tijd is geschorst, wordt het hoger beroep binnen twee weken na de uitspraak van het eindvonnis ingesteld indien:
de oproeping voor de nadere terechtzitting in persoon aan de verdachte is betekend;
de verdachte of een uitdrukkelijk gemachtigde raadsman op de nadere terechtzitting is verschenen; of
zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de nadere terechtzitting of de dag waarop het eindvonnis is uitgesproken de verdachte tevoren bekend was.
-
Buiten de gevallen, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt het hoger beroep ingesteld binnen twee weken nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de verdachte met het eindvonnis bekend is.
Artikel 5.4.3
-
Tegen een tussenvonnis kan eveneens hoger beroep worden ingesteld. Dat hoger beroep is slechts gelijktijdig met dat tegen het eindvonnis toegelaten.
-
In afwijking van het eerste lid kunnen de verdachte en het openbaar ministerie direct hoger beroep instellen tegen bij tussenvonnis gegeven beslissingen over de voorlopige hechtenis.
-
Hoger beroep op grond van het tweede lid wordt binnen twee weken na de uitspraak van het tussenvonnis ingesteld.
-
Tegelijk met het instellen van hoger beroep kan een schriftuur met bezwaren worden ingediend.
-
Hoger beroep dat op grond van het tweede lid is ingesteld wordt behandeld als ware het gericht tegen een beslissing van de raadkamer.
Artikel 5.4.4
-
Het hoger beroep kan slechts tegen het eindvonnis in zijn geheel worden ingesteld.
-
Indien het eindvonnis betrekking heeft op gevoegde feiten kan het hoger beroep echter worden beperkt tot een of meer van die feiten.
Artikel 5.4.5
Hoger beroep kan door de verdachte en het openbaar ministerie worden ingetrokken tot een week nadat de kennisgeving van de ontvangst van de processtukken aan de verdachte is betekend.
Artikel 5.4.6
-
Indien hoger beroep is ingesteld, zorgen de voorzitter van de rechtbank en de griffier ervoor dat de processtukken zo spoedig mogelijk worden overgedragen aan het gerechtshof. De processtukken worden pas overgedragen nadat de termijn om hoger beroep in te stellen is verstreken.
-
De voorzitter van de rechtbank vermeldt of een verkort proces-verbaal is opgemaakt. De voorzitter van het gerechtshof kan, indien dat het geval is, aan de voorzitter van de rechtbank kennis geven dat een proces-verbaal dient te worden opgemaakt dat aan de eisen van artikel 4.2.69 voldoet. De voorzitter van de rechtbank zorgt ervoor dat zo spoedig mogelijk aan dit verzoek wordt voldaan.
Artikel 5.4.7
-
De officier van justitie dient binnen twee weken na het instellen van hoger beroep een schriftuur met bezwaren in.
-
De verdachte kan binnen twee weken na het instellen van hoger beroep een schriftuur met bezwaren indienen. De verdachte kan in de schriftuur ook verzoeken inzake te verrichten onderzoek kenbaar maken.
-
Indien het eindvonnis wordt aangevuld op de voet van artikel 4.3.23, derde lid, kan de officier van justitie dan wel de verdachte die een schriftuur heeft ingediend binnen twee weken na de kennisgeving van de ontvangst van de processtukken een aanvullende schriftuur indienen.
-
De schriftuur wordt ingediend bij de griffie van de rechtbank die het vonnis heeft gewezen.
Artikel 5.4.8
-
De advocaat-generaal is bij opsporingsonderzoek in zaken waarin hoger beroep is ingesteld bevoegd andere opsporingsambtenaren dan de officier van justitie rechtstreeks opdrachten tot opsporing te geven.
-
Al hetgeen in Boek 2, Hoofdstuk 4, is bepaald over de officier van justitie, geldt tevens ten aanzien van de advocaat-generaal.
Artikel 5.4.9
-
Indien hoger beroep is ingesteld kan de rechter-commissaris in de rechtbank die het eindvonnis heeft gewezen, zolang het onderzoek op de terechtzitting nog niet is aangevangen, bevoegdheden uitoefenen die hem in Boek 2, Titels 10.2 tot en met 10.4, zijn toegekend. Dezelfde bevoegdheden kunnen worden uitgeoefend door de raadsheer-commissaris behorende bij het gerechtshof dat in hoger beroep zal oordelen. De rechter-commissaris of de raadsheer-commissaris oefent deze bevoegdheden alleen uit op vordering van de officier van justitie of de advocaat-generaal dan wel op verzoek van de verdachte en, na de aanvang van de berechting, eveneens op bevel van de voorzitter van het gerechtshof.
-
De rechter-commissaris of de raadsheer-commissaris stelt de voorzitter van het gerechtshof in kennis van zijn beslissing op een vordering of verzoek. Na de aanvang van de berechting kan de rechter-commissaris of raadsheer-commissaris de in de Boek 2, Titels 10.2 tot en met 10.4, omschreven bevoegdheden alleen uitoefenen met de instemming van de voorzitter van het gerechtshof. De voorzitter van het gerechtshof stelt de rechter-commissaris of raadsheer-commissaris die nog onderzoek verricht van die aanvang in kennis.
-
De artikelen 2.10.2, tweede en derde lid, 2.10.5 tot en met 2.10.7, en 2.10.10 tot en met 2.10.12 zijn van overeenkomstige toepassing. Al hetgeen in deze artikelen en in Boek 2, Titels 10.2 tot en met 10.4, is bepaald over de rechtbank, de rechter-commissaris, de officier van justitie en de griffier, geldt ten aanzien van het gerechtshof, de raadsheer-commissaris, de advocaat-generaal en de griffier van het gerechtshof.
Artikel 5.4.10
-
Zo spoedig mogelijk na de ontvangst van de processtukken geeft de voorzitter van het gerechtshof daarvan kennis aan de verdachte en de advocaat-generaal. Die kennisgeving wordt aan de verdachte betekend. De berechting vangt door die betekening aan.
-
De kennisgeving bevat in ieder geval:
de beslissing op grond van artikel 4.3.2 dan wel de beslissing tot veroordeling, vrijspraak of ontslag van alle rechtsvervolging;
indien een veroordeling of ontslag van alle rechtsvervolging is uitgesproken, de benaming van het strafbare feit dat het bewezenverklaarde oplevert met vermelding van de plaats waar en het tijdstip waarop het is begaan;
indien een straf of maatregel is opgelegd, de opgelegde straf of maatregel, alsmede de wettelijke voorschriften waarop deze is gegrond.
-
In de kennisgeving wordt de verdachte in ieder geval gewezen op:
zijn recht op rechtsbijstand;
zijn recht op kennisneming van alle processtukken;
zijn recht om stukken in te dienen ter voeging bij de processtukken;
zijn recht om een aanvullende schriftuur in te dienen indien het eindvonnis is aangevuld op de voet van artikel 4.3.23, derde lid;
zijn recht om tot de aanvang van het onderzoek op de terechtzitting de rechter-commissaris of de raadsheer-commissaris te verzoeken bevoegdheden uit te oefenen die hem in Boek 2, Titels 10.2 tot en met 10.4, zijn toegekend;
zijn recht een verzoek als bedoeld in artikel 5.4.11, eerste en tweede lid, in te dienen.
-
Indien de verdachte de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst, wordt hem een vertaling van de kennisgeving uitgereikt of toegezonden dan wel wordt hij in een voor hem begrijpelijke taal in kennis gesteld van de informatie, bedoeld in het tweede en derde lid.
Artikel 5.4.11
-
De verdachte kan de voorzitter van het gerechtshof verzoeken getuigen en deskundigen voor de terechtzitting te doen oproepen. De verdachte geeft aan de voorzitter de namen en de woon- of verblijfplaats op, of, indien onbekend, een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de getuige of deskundige.
-
De verdachte kan de voorzitter van het gerechtshof verzoeken te bevelen dat de advocaat-generaal zo nauwkeurig mogelijk omschreven stukken zal overdragen met het oog op voeging van deze stukken bij de processtukken, dan wel dat hem met het oog op de onderbouwing van zijn verzoek de inzage van deze stukken wordt toegestaan. Artikel 4.1.4, zevende lid, is van overeenkomstige toepassing. De verdachte kan de voorzitter van het gerechtshof verzoeken te bevelen dat de advocaat-generaal stukken van overtuiging zal overleggen.
-
Een verzoek wordt ingediend binnen twee weken na de betekening van de kennisgeving van de ontvangst van de processtukken. De voorzitter kan de termijn ambtshalve of op verzoek van de verdachte met een door hem te bepalen termijn verlengen. De termijn kan met instemming van de verdachte worden verkort.
-
De voorzitter stelt de advocaat-generaal in de gelegenheid binnen een door hem te bepalen termijn van ten hoogste twee weken zijn standpunt kenbaar te maken over een verzoek van de verdachte.
-
De voorzitter willigt een verzoek als bedoeld in het eerste lid niet in indien de advocaat-generaal aanvoert dat:
hij van oordeel is dat de gezondheid of het welzijn van de getuige of deskundige door het afleggen van een verklaring op de terechtzitting in gevaar wordt gebracht, en het voorkomen van dit gevaar zwaarder weegt dan het belang om de getuige of deskundige op de terechtzitting te kunnen ondervragen;
sprake is van een bedreigde getuige of een afgeschermde getuige wiens identiteit verborgen is gehouden;
de officier van justitie de getuige heeft toegezegd dat deze op geen andere wijze zal worden verhoord dan als bedreigde of als afgeschermde getuige wiens identiteit verborgen wordt gehouden en nog niet onherroepelijk op een vordering als bedoeld in de artikelen 2.10.39, eerste lid, of 2.10.46, eerste lid, is beslist.
-
De voorzitter kan, indien de verdachte en de advocaat-generaal daarmee instemmen, de rechter-commissaris in de rechtbank die het eindvonnis heeft gewezen dan wel de raadsheer-commissaris in het gerechtshof waar de zaak aanhangig is opdragen de getuige of deskundige te verhoren. De voorzitter kan ook bepalen dat een van de raadsheren die over de zaak oordelen, de getuige of deskundige als raadsheer-commissaris zal verhoren. Deze raadsheer kan aan het onderzoek op de terechtzitting deelnemen, tenzij bij het verhoren van de getuige of deskundige is bepaald dat de verdachte en zijn raadsman daarbij niet aanwezig mogen zijn. De voorzitter bepaalt of het verhoor op een geluidsopname of geluids- en beeldopname wordt vastgelegd en of van het verhoor volledig proces-verbaal wordt opgemaakt.
-
De voorzitter stelt de advocaat-generaal en de verdachte direct in kennis van zijn beslissing op een verzoek als bedoeld in het eerste of tweede lid. Bij inwilliging van een verzoek beveelt de voorzitter dat de advocaat-generaal de getuige of deskundige zal oproepen, de stukken zal overdragen met het oog op voeging van deze stukken bij de processtukken, de verdachte de inzage in stukken zal toestaan of de stukken van overtuiging zal overleggen.
-
Indien een verzoek als bedoeld in het eerste of tweede lid wordt gedaan buiten de termijn, bedoeld in het derde lid, zijn het vierde tot en met het zevende lid van toepassing, tenzij de voorzitter van oordeel is dat het verzoek zich gelet op de dag die voor de terechtzitting is bepaald, niet voor inwilliging leent.
-
De advocaat-generaal kan aan de voorzitter van het gerechtshof getuigen of deskundigen opgeven en vorderen dat deze, bij instemming van de verdachte, de rechter-commissaris in de rechtbank die het eindvonnis heeft gewezen dan wel de raadsheer-commissaris in het gerechtshof waar de zaak aanhangig is, verzoekt deze getuigen of deskundigen te verhoren. Het zesde tot en met achtste lid is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 5.4.12
De voorzitter van het gerechtshof bepaalt zo spoedig mogelijk na betekening van de kennisgeving van de ontvangst van de processtukken, in overleg met de advocaat-generaal en zo mogelijk in overleg met de verdachte of zijn raadsman de dag en het tijdstip waarop de terechtzitting plaatsvindt.
Artikel 5.4.13
Op de voorbereiding van de terechtzitting zijn de artikelen 4.1.3, 4.1.5, 4.1.6, tweede lid, 4.1.7 en 4.1.8 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 5.4.14
De advocaat-generaal en de verdachte kunnen nieuwe stukken van overtuiging aan de voorzitter overdragen.
Artikel 5.4.15
-
De advocaat-generaal roept de verdachte voor de terechtzitting op. De oproeping bevat een opgave van een of meer van de feiten die hem in eerste aanleg zijn tenlastegelegd. Artikel 4.1.1, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
-
Op de oproeping voor de terechtzitting van de verdachte zijn de artikelen 4.1.12 tot en met 4.1.14 van overeenkomstige toepassing.
-
Artikel 4.1.11, met uitzondering van het eerste lid, onderdeel a, is van overeenkomstige toepassing. In afwijking van artikel 4.1.11, derde lid, kan oproeping van het slachtoffer en de spreekgerechtigde achterwege blijven indien het hoger beroep zodanig is beperkt dat het desbetreffende strafbare feit niet aan het oordeel van het gerechtshof is onderworpen.
Artikel 5.4.16
Het onderzoek op de terechtzitting vindt plaats overeenkomstig Boek 4, Hoofdstuk 2, voor zover hiervan in de volgende artikelen van deze afdeling niet wordt afgeweken.
Artikel 5.4.17
-
Indien het onderzoek op de terechtzitting is aangevangen terwijl de verdachte nog hoger beroep kan instellen tegen het eindvonnis, schorst het gerechtshof het onderzoek op de terechtzitting.
-
Het onderzoek wordt op de nadere terechtzitting voortgezet indien de termijn waarbinnen de verdachte hoger beroep kan instellen tegen het eindvonnis is verlopen.
Artikel 5.4.18
-
Na de voordracht van de advocaat-generaal stelt de voorzitter de omvang van het hoger beroep vast. Hij stelt de advocaat-generaal of de verdachte die het hoger beroep heeft ingesteld in de gelegenheid de bij schriftuur opgegeven bezwaren tegen het vonnis toe te lichten en andere bezwaren op te geven.
-
De advocaat-generaal licht in voorkomende gevallen toe waarom de officier van justitie geen schriftuur met bezwaren heeft ingediend.
Artikel 5.4.19
Het gerechtshof richt het onderzoek op de terechtzitting op de opgegeven bezwaren tegen het eindvonnis en tussenvonnissen alsmede op hetgeen het verder nodig oordeelt.
Artikel 5.4.20
-
Ten aanzien van een niet verschenen getuige of deskundige beveelt het gerechtshof:
de hernieuwde oproeping indien de getuige of deskundige aan een eerdere oproeping geen gehoor heeft gegeven dan wel de oproeping indien de advocaat-generaal de oproeping heeft verzuimd;
de oproeping, indien daartoe binnen de termijn, gesteld in artikel 5.4.11, derde lid, een verzoek is gedaan dat niet is ingewilligd, ingeval de verdachte dit verzoek herhaalt of het gerechtshof de getuige of deskundige ambtshalve wenst te verhoren.
-
Het gerechtshof kan van de oproeping van niet verschenen getuigen of deskundigen afzien in de gevallen, bedoeld in artikel 4.2.19, tweede en derde lid, in verbinding met artikel 4.2.24.
-
De oproeping van getuigen en deskundigen die niet is verzocht op grond van artikel 5.4.11, binnen de ingevolge het derde lid van dat artikel geldende termijn, en de oproeping van getuigen en deskundigen die op de terechtzitting in eerste aanleg dan wel door de rechter- of raadsheer-commissaris zijn verhoord, kan worden geweigerd indien het gerechtshof de oproeping niet noodzakelijk acht in het belang van een behoorlijke behandeling van de zaak.
-
Het gerechtshof kan de medebrenging van de getuige en de deskundige gelasten.
Artikel 5.4.21
-
Processtukken die in eerste aanleg ter sprake zijn gebracht, behoeven tijdens het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep niet opnieuw ter sprake te worden gebracht.
-
Indien de verdachte verzoekt bepaalde processtukken opnieuw ter sprake te brengen, wordt dat verzoek toegewezen voor zover het gerechtshof oordeelt dat daardoor redelijke grenzen niet worden overschreden.
Artikel 5.4.22
In geval van verdenking van meineed brengt de advocaat-generaal het proces-verbaal met de andere processtukken ter kennis van de officier van justitie.
Artikel 5.4.23
-
In de gevallen van de artikelen 4.2.51 en 4.2.67, tweede lid, wordt het onderzoek verricht door een rechter-commissaris in de rechtbank die het eindvonnis heeft gewezen dan wel een raadsheer-commissaris in het gerechtshof waar de zaak aanhangig is.
-
Indien het onderzoek wordt verricht door een raadsheer-commissaris, geldt al hetgeen bepaald is over de rechtbank, de rechter-commissaris, de officier van justitie en de griffier, ten aanzien van het gerechtshof, de raadsheer-commissaris, de advocaat-generaal en de griffier van het gerechtshof.
Artikel 5.4.24
In afwijking van artikel 4.2.70 kan de voorzitter van het gerechtshof niet bepalen dat een verkort proces-verbaal wordt opgemaakt indien beroep in cassatie is ingesteld.
Artikel 5.4.25
De beraadslaging, de uitspraak en de verstrekking van het eindarrest vinden plaats overeenkomstig Boek 4, Hoofdstuk 3, voor zover hiervan in deze afdeling niet wordt afgeweken.
Artikel 5.4.26
De beraadslaging in hoger beroep vindt plaats naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep. De beraadslaging vindt tevens plaats naar aanleiding van het onderzoek in eerste aanleg, zoals dit volgens het proces-verbaal van die terechtzitting en een geluidsopname of geluids- en beeldopname van die terechtzitting heeft plaatsgehad, tenzij artikel 4.5.9 is toegepast.
Artikel 5.4.27
-
Indien de beraadslaging in hoger beroep daartoe aanleiding geeft, verklaart het gerechtshof zichzelf onbevoegd tot kennisneming van het hoger beroep of verklaart het degene die het hoger beroep heeft ingesteld daarin niet-ontvankelijk.
-
Het gerechtshof kan het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep:
indien de officier van justitie geen schriftuur met bezwaren heeft ingediend;
indien de advocaat-generaal de bij schriftuur opgegeven bezwaren op de terechtzitting niet heeft gehandhaafd;
voor zover de advocaat-generaal de ten aanzien van een gevoegd tenlastegelegd feit opgegeven bezwaren op de terechtzitting niet heeft gehandhaafd.
-
Het gerechtshof kan de verdachte niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep indien hij geen schriftuur met bezwaren heeft ingediend en evenmin op de terechtzitting bezwaren tegen het vonnis heeft opgegeven. Het tweede lid, onderdelen b en c, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 5.4.28
-
Indien de verdachte in eerste aanleg verstek heeft laten gaan en het gerechtshof van oordeel is dat de betekening van de oproeping van de verdachte voor de terechtzitting of, in het geval van een schorsing voor onbepaalde tijd, de nadere terechtzitting niet in overeenstemming met de wettelijke regeling heeft plaatsgevonden, doet het de zaak desalniettemin zelf af, tenzij de advocaat-generaal vordert of de verdachte verzoekt om terugwijzing naar de rechtbank.
-
Terugwijzing naar de rechtbank vindt ook zonder verzoek van de verdachte plaats indien de verdachte in hoger beroep niet op de terechtzitting aanwezig is en zich geen omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting of, na schorsing voor onbepaalde tijd, de dag van de nadere terechtzitting in hoger beroep de verdachte tevoren bekend was.
-
Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing indien:
de rechtbank naar het oordeel van het gerechtshof ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 4.3.2;
de rechtbank aan de behandeling van de zaak zelf niet had mogen toekomen, omdat de raadsman niet op de terechtzitting of, na een schorsing voor onbepaalde tijd, de nadere terechtzitting is verschenen, terwijl hij niet in overeenstemming met de wettelijke regeling op de hoogte is gebracht van de dag van de terechtzitting of nadere terechtzitting;
de rechtbank aan de behandeling van de zaak zelf niet had mogen toekomen omdat de verdachte niet in overeenstemming met de wettelijke regeling in staat is gesteld gebruik te maken van zijn recht op rechtsbijstand;
de rechtbank aan de behandeling van de zaak zelf niet had mogen toekomen omdat de verdachte niet in overeenstemming met de wettelijke regeling in staat is gesteld het onderzoek op de terechtzitting bij te wonen.
-
Terugwijzing naar de rechtbank vindt voorts plaats indien zich een zodanig gebrek heeft voorgedaan in de samenstelling van de rechtbank dat niet gezegd kan worden dat de behandeling heeft plaatsgevonden door een onpartijdige rechter. Terugwijzing blijft in dit geval slechts achterwege indien de verdachte daar uitdrukkelijk mee instemt.
-
In geval van terugwijzing doet de rechtbank recht met inachtneming van het arrest van het gerechtshof.
Artikel 5.4.29
-
Het gerechtshof kan het hoger beroep verwerpen voor zover het de bezwaren tegen beslissingen in het vonnis ongegrond acht en het niet ambtshalve tot het oordeel komt dat vernietiging van een beslissing aangewezen is.
-
Het gerechtshof vernietigt het vonnis voor zover het:
de bezwaren tegen een beslissing gegrond acht;
ambtshalve tot het oordeel komt dat vernietiging van een beslissing aangewezen is.
-
Het gerechtshof kan het vonnis in de gevallen, bedoeld in het tweede lid, geheel of gedeeltelijk vernietigen.
-
Vernietiging volgt in ieder geval voor zover:
geen recht tot strafvordering bestaat, terwijl de beslissing op het bestaan van dat recht is gebaseerd;
het bewezenverklaarde niet onder een wettelijke strafbepaling valt;
de oplegging van een straf of maatregel niet op de wet berust.
-
In het geval het vonnis geheel of gedeeltelijk wordt vernietigd, doet het gerechtshof in zoverre opnieuw recht.
Artikel 5.4.30
Indien het eindvonnis is gewezen naar aanleiding van verzet tegen een strafbeschikking, is artikel 5.3.6 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 5.4.31
-
Indien bij samenloop van feiten één hoofdstraf is uitgesproken en het hoger beroep slechts is ingesteld ten aanzien van een of meer van die feiten, wordt, in geval van vernietiging ten aanzien van de straf, de straf voor het andere feit of de andere feiten bepaald.
-
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien het ingestelde hoger beroep ten aanzien van een of meer feiten niet-ontvankelijk wordt verklaard.
Artikel 5.4.32
-
Het eindarrest bevat de beslissingen, bedoeld in de artikelen 5.4.27 tot en met 5.4.30, alsmede de bepaling van de straf bedoeld in artikel 5.4.31.
-
Deze beslissingen zijn gemotiveerd voor zover dat voor de begrijpelijkheid van die beslissingen noodzakelijk is.
-
Voor zover het gerechtshof het hoger beroep tegen een vonnis verwerpt, kan het de gronden voor een daarin opgenomen beslissing aanvullen of verbeteren. Aanvulling of verbetering kan ook plaatsvinden indien op de terechtzitting in hoger beroep:
een uitdrukkelijk voorgedragen standpunt wordt ingenomen dat in strijd is met een beslissing van de rechtbank;
het gebruik van een bewijsmiddel als bedoeld in artikel 4.3.24 wordt betwist;
door de verdachte anders wordt verklaard in de zin van artikel 4.3.23, tweede lid.
-
Voor zover het vonnis wordt vernietigd, bevat het arrest de beslissingen die in artikel 4.3.21, eerste en tweede lid, zijn vermeld. Deze beslissingen worden gemotiveerd overeenkomstig de artikelen 4.3.22 tot en met 4.3.25.
-
In geval van gehele of gedeeltelijke vernietiging van het vonnis kan het gerechtshof gedeelten uit het vonnis of de aanvulling op het vonnis in zijn arrest overnemen.
Artikel 5.4.33
In afwijking van artikel 4.3.23, derde lid, vindt aanvulling van het eindarrest ook plaats indien het beroep in cassatie meer dan drie maanden na de dag van de uitspraak is ingesteld.
Artikel 5.4.34
-
De benadeelde partij die zich overeenkomstig artikel 4.4.1 in het strafproces heeft gevoegd, kan zich met haar vordering in hoger beroep opnieuw voegen. Zij kan bij de opgave van haar vordering verwijzen naar de vordering in eerste aanleg, indien deze ongewijzigd is gebleven.
-
Indien de benadeelde partij zich niet opnieuw met haar vordering heeft gevoegd, wordt zij geacht haar vordering te hebben ingetrokken voor zover de vordering niet door de rechtbank is toegewezen.
-
De benadeelde partij kan haar in eerste aanleg ingediende vordering in hoger beroep voor de aanvang van de terechtzitting door een aanvullende opgave vermeerderen.
Artikel 5.4.35
-
Tegen een afwijzing van haar vordering in het eindvonnis staat voor de benadeelde partij hoger beroep open indien de vordering meer dan € 1.750 bedraagt.
-
Een op grond van het eerste lid ingesteld hoger beroep wordt, in het geval tegen het eindvonnis tevens hoger beroep is ingesteld door de verdachte of het openbaar ministerie, als een voeging in de zin van artikel 5.4.34, eerste lid, aangemerkt.
-
Indien alleen de benadeelde partij hoger beroep heeft ingesteld tegen de beslissing op haar vordering, is ook de beslissing van de rechtbank inzake de schadevergoedingsmaatregel aan het oordeel van het gerechtshof onderworpen.
Artikel 5.4.36
Ingeval van een gevoegde behandeling zijn de artikelen 4.4.3 tot en met 4.4.8 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het gerechtshof artikel 4.4.7 betrekt bij de vraag of het ingestelde hoger beroep al dan niet geheel of gedeeltelijk moet worden verworpen.
Artikel 5.4.37
-
Tegen een vonnis uit hoofde van artikel 4.6.2, eerste lid, staat hoger beroep open voor de verdachte en voor het openbaar ministerie.
-
Voor de benadeelde partij staat hoger beroep open tegen een afwijzing van haar vordering in dat vonnis, indien de vordering meer dan € 1.750 bedraagt.
-
De artikelen 5.4.3, eerste lid, en 5.4.4, eerste lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 5.4.38
-
Hoger beroep op grond van deze afdeling wordt binnen twee weken na de uitspraak van het vonnis ingesteld.
-
De desbetreffende procespartij kan binnen twee weken na het instellen van hoger beroep een schriftuur met bezwaren indienen. Artikel 5.4.7, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
-
Hoger beroep op grond van deze afdeling kan binnen een maand na het instellen worden ingetrokken.
Artikel 5.4.39
Indien in eerste aanleg een vordering tot tenuitvoerlegging is ingediend, zijn de artikelen 4.4.10 en 4.4.11 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het gerechtshof artikel 4.4.11 betrekt bij de vraag of het ingestelde hoger beroep al dan niet geheel of gedeeltelijk moet worden verworpen.
Artikel 5.4.40
-
Indien een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel bij de berechting in hoger beroep wordt behandeld, zijn de artikelen 4.4.15, 4.4.16 en 4.4.21 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het gerechtshof artikel 4.4.15 betrekt bij de vraag of het ingestelde hoger beroep al dan niet geheel of gedeeltelijk moet worden verworpen.
-
Artikel 4.4.22 is van overeenkomstige toepassing. Artikel 5.4.42 is bij afsplitsing van toepassing op de afzonderlijke behandeling.
Artikel 5.4.41
-
Tegen een vonnis uit hoofde van Boek 4, Afdeling 4.3.2, artikel 4.5.10 dan wel artikel 4.6.2, tweede lid, staat hoger beroep open voor de verdachte en voor het openbaar ministerie.
-
De artikelen 5.4.2, 5.4.3, eerste lid, 5.4.4, eerste lid, en 5.4.5 zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 5.4.42
-
Op de afzonderlijke behandeling van de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel is Afdeling 4.1.2 van overeenkomstige toepassing.
-
Afdeling 4.1.3 is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de oproeping in plaats van de opgave van feiten de vordering bevat. De oproeping van het slachtoffer en de spreekgerechtigde blijft achterwege en het gestelde in artikel 4.1.12, eerste lid, onderdeel g, wordt niet in de oproeping vermeld.
-
Afdeling 4.1.4 is van overeenkomstige toepassing. Bij de overeenkomstige toepassing van de bepalingen van Boek 4, Hoofdstuk 2, op de voet van artikel 5.4.16 wordt artikel 4.4.18, eerste lid, onderdelen a tot en met e, in acht genomen.
-
Afdeling 4.1.5 is van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van de artikelen 5.4.30 en 5.4.31. Bij vernietiging en bij de aanvulling of verbetering van gronden wordt artikel 4.4.18, tweede lid, in acht genomen.
Artikel 5.4.43
-
Op de berechting door de enkelvoudige kamer zijn de Titels 4.1 en 4.2 van toepassing voor zover daarvan in de volgende artikelen van deze titel niet is afgeweken.
-
Een zaak kan worden behandeld en beslist door de enkelvoudige kamer indien zij van eenvoudige aard is, in het bijzonder ten aanzien van het bewijs en de toepassing van de wet, en de zaak in eerste aanleg is behandeld door een enkelvoudige kamer.
-
De enkelvoudige kamer is niet bevoegd tot het opleggen van een gevangenisstraf van meer dan een jaar. Hij is evenmin bevoegd tot het opleggen van de maatregelen, bedoeld in de artikelen 37a, eerste lid, en 38m van het Wetboek van Strafrecht.
Artikel 5.4.44
-
Indien de zaak in eerste aanleg door een enkelvoudige kamer is behandeld en deze aan de verdachte een straf of maatregel heeft opgelegd, wordt de verdachte opgeroepen voor een enkelvoudige kamer van het gerechtshof.
-
In afwijking van artikel 1.2.6, derde lid, is verwijzing naar de meervoudige kamer voor de aanvang van het onderzoek op de terechtzitting slechts mogelijk indien de raadsheer die zitting heeft in de enkelvoudige kamer van oordeel is dat de zaak niet van eenvoudige aard is of het belang ervan zich tegen behandeling door een enkelvoudige kamer verzet.
Artikel 5.4.45
-
Zo spoedig mogelijk nadat de processtukken door de rechtbank zijn overgedragen bepaalt de raadsheer die zitting heeft in de enkelvoudige kamer in overleg met de advocaat-generaal de dag en het tijdstip waarop de terechtzitting plaatsvindt. De raadsheer kan met de verdachte of zijn raadsman overleggen over de dag en het tijdstip waarop de terechtzitting plaatsvindt.
-
De kennisgeving van de ontvangst van de processtukken wordt, vergezeld van de oproeping bedoeld in artikel 5.4.15, aan de verdachte betekend.
-
In afwijking van artikel 5.4.10, derde lid, onderdeel f, wordt de verdachte ter kennis gebracht dat hij bij de enkelvoudige kamer een verzoek als bedoeld in artikel 5.4.11, eerste en tweede lid, kan indienen.
-
In afwijking van artikel 5.4.11, derde lid, wordt een verzoek, indien tussen de dag waarop de kennisgeving van de ontvangst van de processtukken aan de verdachte is betekend en die van de terechtzitting ten minste twee weken verlopen, ten minste tien dagen voor de terechtzitting ingediend. Indien de kennisgeving later dan op de veertiende dag voor de terechtzitting wordt betekend, eindigt de termijn op de vierde dag na die van de betekening, maar uiterlijk op de derde dag voor die van de terechtzitting.
-
Op door de verdachte ingediende verzoeken is artikel 5.4.11, vierde tot en met achtste lid, van overeenkomstige toepassing.
-
Indien de verdachte de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst, wordt hem een vertaling van de kennisgeving en de oproeping uitgereikt of toegezonden dan wel wordt hem daarvan in een voor hem begrijpelijke taal mededeling gedaan.
-
Artikel 5.4.11, negende lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 5.4.46
-
Op de beslissing door de enkelvoudige kamer zijn de artikelen 4.5.7 en 4.5.8 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het eindarrest in afwijking van artikel 4.5.8, tweede lid, onderdeel c, altijd in het proces-verbaal van de terechtzitting wordt aangetekend in het geval beroep in cassatie tegen het eindarrest is ingesteld.
-
Het arrest wordt voorts in het proces-verbaal van de terechtzitting aangetekend in het geval van terugwijzing naar de rechtbank.
-
Op de beslissing door de enkelvoudige kamer is voorts artikel 4.5.9 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de aantekening in afwijking van artikel 4.5.9, tweede lid, in ieder geval vermeldt:
de naam van de rechter, de dag van de uitspraak en of de uitspraak bij verstek is gedaan;
de beslissing uit hoofde van artikel 5.4.29;
bij vernietiging, indien een veroordeling is uitgesproken, het strafbare feit dat het bewezenverklaarde oplevert, de opgelegde straf of maatregel, alsmede de wettelijke voorschriften waarop deze is gegrond;
de uit de artikelen 4.3.17 tot en met 4.3.19 alsmede Titel 4.2 voortvloeiende beslissingen.
Artikel 5.4.47
-
De afzonderlijke behandeling van het hoger beroep tegen een vonnis waarin is beslist op een vordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht kan plaatsvinden door een enkelvoudige kamer.
-
Afdeling 4.2.3 en de artikelen 5.4.43 tot en met 5.4.46 zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 5.4.48
De artikelen 4.6.1, 4.6.2 en 4.6.3 zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 5.5.1
-
Tegen eindarresten betreffende misdrijven staat beroep in cassatie open voor het openbaar ministerie en voor de verdachte.
-
Tegen eindarresten betreffende overtredingen staat beroep in cassatie open voor het openbaar ministerie en voor de verdachte, tenzij wegens de overtredingen:
met toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen straf of maatregel werd opgelegd; of
geen andere straf of maatregel werd opgelegd dan een geldboete tot een maximum, of wanneer twee of meer geldboetes werden opgelegd, geldboetes tot een gezamenlijk maximum, van € 250.
Artikel 5.5.2
Tegen een tussenarrest is het beroep in cassatie gelijktijdig met dat tegen het eindarrest toegelaten.
Artikel 5.5.3
Het beroep in cassatie kan ook tegen een gedeelte van het arrest worden ingesteld.
Artikel 5.5.4
-
Het beroep in cassatie wordt, behoudens het tweede lid, binnen twee weken na de uitspraak van het eindarrest ingesteld indien:
de kennisgeving van de ontvangst van de processtukken aan de verdachte in persoon is betekend;
de kennisgeving van de ontvangst van de processtukken binnen zes weken nadat de verdachte hoger beroep heeft ingesteld in overeenstemming met de wettelijke regeling aan de verdachte is betekend en in hoger beroep geen onvoorwaardelijke straf of maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming van langere duur meebrengt dan een jaar;
de oproeping om op de terechtzitting te verschijnen aan de verdachte in persoon is betekend;
de verdachte of een uitdrukkelijk gemachtigde raadsman op de terechtzitting is verschenen;
zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting of de dag waarop het eindarrest is uitgesproken de verdachte tevoren bekend was.
-
Indien het onderzoek op de terechtzitting voor onbepaalde tijd is geschorst, wordt het beroep in cassatie binnen twee weken na de uitspraak van het eindarrest ingesteld indien:
de oproeping voor de nadere terechtzitting aan de verdachte in persoon is betekend;
de verdachte of een uitdrukkelijk gemachtigde raadsman op de nadere terechtzitting is verschenen;
zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de nadere terechtzitting of de dag waarop het eindarrest is uitgesproken de verdachte tevoren bekend was.
-
Buiten de gevallen, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt het beroep in cassatie ingesteld binnen twee weken nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat het eindarrest de verdachte bekend is.
Artikel 5.5.5
-
Indien beroep in cassatie is ingesteld, draagt het gerechtshof de processtukken zo spoedig mogelijk over aan de Hoge Raad.
-
De processtukken worden pas overgedragen nadat de termijn om beroep in cassatie in te stellen is verstreken.
Artikel 5.5.6
-
Na ontvangst van de processtukken doet de griffier aan de verdachte een kennisgeving daarvan betekenen.
-
Indien door het openbaar ministerie beroep in cassatie is ingesteld, wordt aan het openbaar ministerie kennis gegeven dat de processtukken door de Hoge Raad zijn ontvangen.
-
Bij de kennisgevingen wordt vermeld dat de behandeling van de zaak door de Hoge Raad een aanvang neemt na afloop van de ingevolge artikel 5.5.7 toepasselijke termijnen. In de kennisgevingen wordt op het toepasselijke lid van artikel 5.5.7 gewezen.
Artikel 5.5.7
-
Indien het openbaar ministerie beroep in cassatie heeft ingesteld, dient het op straffe van niet-ontvankelijkheid binnen een maand nadat de in artikel 5.5.6, tweede lid, bedoelde kennisgeving is verzonden bij de Hoge Raad een schriftuur in met zijn middelen van cassatie.
-
De verdachte die beroep in cassatie heeft ingesteld, doet op straffe van niet-ontvankelijkheid binnen twee maanden nadat de in artikel 5.5.6, eerste lid, bedoelde kennisgeving is betekend, door zijn raadsman bij de Hoge Raad een schriftuur indienen met zijn middelen van cassatie.
Artikel 5.5.8
-
Het lid van de Hoge Raad dat zitting heeft in de enkelvoudige kamer draagt de titel van rolraadsheer.
-
Alle zaken worden op de openbare zitting in aanwezigheid van de griffier en de procureur-generaal behandeld door de rolraadsheer. De behandeling vindt evenwel plaats door de meervoudige kamer in het geval, bedoeld in artikel 5.5.10, eerste lid, en in gevallen waarin de Hoge Raad dat wenselijk acht.
-
Beslissingen over de procesgang kunnen, indien de wet niet anders bepaalt, door de rolraadsheer ook anders dan op de openbare zitting worden gegeven. Het procesreglement geeft daarover nadere regels.
Artikel 5.5.9
-
De rolraadsheer bepaalt met inachtneming van de termijnen, bedoeld in artikel 5.5.7, de dag van de zitting waarop de zaak door de Hoge Raad in behandeling zal worden genomen.
-
Aan het openbaar ministerie en aan de verdachte, dan wel, indien zich bij de Hoge Raad namens de verdachte een raadsman heeft gesteld, aan de raadsman, wordt de zittingsdag ter kennis gebracht.
-
Het slachtoffer dat daarom verzoekt wordt in kennis gesteld van de zittingsdag.
Artikel 5.5.10
-
Uiterlijk op de dienende zittingsdag kan de raadsman, bedoeld in artikel 5.5.9, tweede lid, dan wel het openbaar ministerie, voorgestelde middelen van cassatie schriftelijk toelichten dan wel tegenspreken. Indien een daartoe strekkend verzoek is ingewilligd, kan de raadsman dan wel het openbaar ministerie, voorgestelde middelen van cassatie op de dienende zittingsdag mondeling toelichten dan wel tegenspreken.
-
Op de dienende zittingsdag of op een nadere zittingsdag neemt de procureur-generaal zijn conclusie, die hij aan de Hoge Raad ter kennis brengt, of geeft hij aan dat hij van het nemen van een conclusie afziet. De Hoge Raad bepaalt hierna op de zitting de dag van de uitspraak.
-
Aan de raadsman, indien deze namens de verdachte middelen van cassatie heeft ingediend, en aan het openbaar ministerie, indien dat middelen van cassatie heeft ingediend, wordt de conclusie ter kennis gebracht.
-
In het geval, bedoeld in het derde lid, kunnen de raadsman en het openbaar ministerie kunnen binnen twee weken commentaar op de conclusie aan de Hoge Raad ter kennis brengen.
Artikel 5.5.11
-
Indien de Hoge Raad direct op de voet van artikel 80a, eerste lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie van oordeel is dat de ingediende cassatiemiddelen geen behandeling in cassatie rechtvaardigen, wordt het beroep op de eerste zittingsdag door de rolraadsheer niet-ontvankelijk verklaard.
-
Indien geen schriftuur met middelen van cassatie is ingediend en de procureur-generaal afziet van het nemen van een conclusie, kan de beslissing dat de procespartij die het beroep instelde niet in dat beroep kan worden ontvangen, direct door de rolraadsheer op de zitting worden gegeven.
Artikel 5.5.12
-
Verzuim van vormen kan grond geven tot vernietiging zowel wanneer dat verzuim heeft plaatsgehad in het arrest zelf als wanneer het heeft plaatsgehad tijdens de berechting.
-
De Hoge Raad vernietigt het arrest indien de aard van de niet in acht genomen vorm en de aard van de aangevoerde klachten dat rechtvaardigen. Van een verzuim van vormen dat vernietiging rechtvaardigt is in ieder geval sprake:
wanneer aan de berechting is deelgenomen door een rechter die niet onafhankelijk of onpartijdig was, die niet op de krachtens de wet voorgeschreven wijze is benoemd of die krachtens een wettelijke bepaling van deelname aan het onderzoek uitgesloten was;
wanneer het onderzoek op de terechtzitting ten onrechte niet in het openbaar heeft plaatsgevonden;
wanneer het onderzoek op de terechtzitting in afwezigheid van de verdachte heeft plaatsgevonden en daardoor zijn recht om bij de behandeling aanwezig te zijn is geschonden;
wanneer de rechter heeft geweigerd of verzuimd om te beslissen op een verzoek van de verdachte dat of een vordering van het openbaar ministerie die ertoe strekte gebruik te maken van een recht dat door de wet wordt toegekend, tenzij de belangen van de partij die daar gronden tegen aanvoert niet zijn geschaad;
wanneer de verdachte niet van zijn recht om het laatst te spreken gebruik heeft kunnen maken;
wanneer het arrest niet de bij de wet voorgeschreven beslissingen bevat of deze beslissingen niet op de bij de wet voorgeschreven wijze zijn gemotiveerd, tenzij de belangen van de partij die daar gronden tegen heeft aangevoerd niet zijn geschaad;
wanneer de samenstelling van het gerechtshof tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gewijzigd en het onderzoek daarna niet opnieuw is aangevangen, tenzij de advocaat-generaal en de verdachte daarmee hebben ingestemd.
Artikel 5.5.13
-
De Hoge Raad verklaart de procespartij die het beroep instelde niet-ontvankelijk, verwerpt het beroep of vernietigt het arrest geheel of gedeeltelijk, hetzij op de aangevoerde, hetzij op andere gronden.
-
Indien het arrest wordt vernietigd, doet de Hoge Raad de zaak zelf af zonder in een nieuw onderzoek naar de feiten te treden. De Hoge Raad kan na vernietiging van het arrest de zaak terugwijzen naar het gerechtshof dat het heeft gewezen dan wel verwijzen naar een ander gerechtshof om met inachtneming van de uitspraak van de Hoge Raad opnieuw dan wel verder te worden berecht en afgedaan.
Artikel 5.5.14
Het arrest wordt ondertekend door de voorzitter en de raadsheren die over de zaak hebben geoordeeld, alsmede door de griffier die bij de beraadslaging aanwezig is geweest.
Artikel 5.5.15
Het arrest wordt door de Hoge Raad op een openbare zitting uitgesproken in aanwezigheid van de griffier en de procureur-generaal.
Artikel 5.5.16
-
Een door de griffier gewaarmerkte kopie van het arrest van de Hoge Raad wordt zo spoedig mogelijk door de griffier ter kennis gebracht van het openbaar ministerie.
-
De griffier geeft tevens van de beslissing kennis aan de verdachte en aan het slachtoffer dat daarom verzoekt. De griffier verstrekt elk van hen desgevraagd een kopie van het arrest van de Hoge Raad.
-
De artikelen 4.3.30, zesde lid, en 4.3.32, zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 5.5.17
-
Tegen de beslissing betreffende haar vordering in het eindarrest, een arrest uit hoofde van Afdeling 4.2.1 of een arrest uit hoofde van artikel 5.4.48 in verbinding met artikel 4.6.2, eerste lid, staat voor de benadeelde partij van wie de vordering is afgewezen beroep in cassatie open indien de vordering meer dan € 1.750 bedraagt.
-
Tegen een arrest uit hoofde van Afdeling 4.2.1 of van artikel 5.4.48 in verbinding met artikel 4.6.2, eerste lid, staat beroep in cassatie open voor de verdachte en het openbaar ministerie.
-
De artikelen 5.5.2 en 5.5.3 zijn van overeenkomstige toepassing.
-
Beroep in cassatie op grond van deze afdeling wordt binnen twee weken na de uitspraak van het arrest ingesteld.
Artikel 5.5.18
-
Indien beroep in cassatie is ingesteld tegen een eindarrest waarin op haar vordering is beslist, wordt aan de benadeelde partij een kennisgeving betekend dat de processtukken zijn ontvangen. Indien de benadeelde partij geen beroep in cassatie heeft ingesteld, wordt haar daarbij kennis gegeven dat een advocaat zich namens haar bij de Hoge Raad kan stellen.
-
De benadeelde partij doet op straffe van niet-ontvankelijkheid binnen twee maanden nadat de in het eerste lid bedoelde kennisgeving is verzonden, door een advocaat bij de Hoge Raad een schriftuur indienen met haar middelen van cassatie. Gedurende die tijd is zij bevoegd om van de processtukken kennis te nemen.
-
De benadeelde partij of haar advocaat wordt in kennis gesteld van de zittingsdag indien door of namens haar beroep in cassatie is ingesteld dan wel zich bij de Hoge Raad namens de benadeelde partij een advocaat heeft gesteld.
-
Uiterlijk op de dienende zittingsdag kan de advocaat van de benadeelde partij voorgestelde middelen van cassatie schriftelijk toelichten dan wel tegenspreken voor zover die haar vordering betreffen. Indien een daartoe strekkend verzoek is ingewilligd, kan de advocaat voorgestelde middelen van cassatie op de dienende zittingsdag mondeling toelichten dan wel tegenspreken voor zover die haar vordering betreffen.
-
Aan de advocaat die namens de benadeelde partij middelen van cassatie heeft ingediend wordt de conclusie ter kennis gebracht.
-
De advocaat, bedoeld in het vijfde lid, kan binnen twee weken nadien commentaar op de conclusie aan de Hoge Raad ter kennis brengen.
-
De griffier geeft van de beslissing van de Hoge Raad kennis aan de benadeelde partij. De griffier verstrekt haar desgevraagd een kopie van het arrest van de Hoge Raad.
Artikel 5.5.19
Op de voorbereiding en behandeling van het beroep in cassatie tegen een arrest uit hoofde van Afdeling 4.2.1 of een arrest uit hoofde van artikel 5.4.48 in verbinding met artikel 4.6.2, eerste lid, zijn de Afdelingen 5.1.2 en 5.1.3 alsmede artikel 5.5.18 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 5.5.20
-
Tegen een arrest uit hoofde van Afdeling 4.2.3 of een arrest uit hoofde van artikel 5.4.48 in verbinding met artikel 4.6.2, tweede lid, staat beroep in cassatie open voor de verdachte en voor het openbaar ministerie.
-
Op de behandeling van het beroep in cassatie is Titel 5.1, met uitzondering van artikel 5.5.1, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 5.5.21
-
In het geval bij de behandeling van het beroep in cassatie middelen van cassatie ten onrechte buiten behandeling zijn gelaten en in het geval ten gevolge van een onjuiste betekening van de kennisgeving in cassatie geen middelen van cassatie zijn ingediend, kan de Hoge Raad het arrest dat hij heeft gewezen intrekken. De beslissing tot intrekking wordt op de openbare zitting uitgesproken.
-
De Hoge Raad kan voorts in een arrest een kennelijke rekenfout, schrijffout of andere kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent verbeteren.
-
De beslissing om opnieuw arrest te wijzen of een gewezen arrest te verbeteren kan worden genomen door de leden van de Hoge Raad die het in te trekken of te verbeteren arrest hebben gewezen. Indien één van deze leden daar niet toe in staat is, treedt een ander in zijn plaats.
-
Na een beslissing tot intrekking als bedoeld in het eerste lid wordt de zaak, onverminderd artikel 5.5.11, door de Hoge Raad in behandeling genomen op een openbare zitting.
Artikel 5.6.1
-
De rechter verklaart een bezwaarschrift of klaagschrift niet-ontvankelijk of ongegrond dan wel gegrond, tenzij de wet anders bepaalt.
-
In het geval het bezwaarschrift of klaagschrift gegrond wordt verklaard, kan de rechter bevelen hetgeen volgens de wet behoort of had behoren plaats te vinden, tenzij uit inhoud of strekking van de wettelijke regeling anders voortvloeit.
Artikel 5.6.2
Tegelijk met het instellen van beroep tegen een beslissing van de rechter-commissaris kan een schriftuur met bezwaren worden ingediend.
Artikel 5.6.3
De raadkamer verklaart het beroep niet-ontvankelijk of ongegrond dan wel gegrond. In het laatste geval beveelt de raadkamer hetgeen volgens de wet behoort of had behoren plaats te vinden.
Artikel 5.6.4
Indien het beroep tegen een beslissing van de rechter-commissaris gegrond wordt verklaard, kan de raadkamer bepalen dat onderzoek en beslissingen in het desbetreffende opsporingsonderzoek door een andere rechter-commissaris wordt verricht dan wel worden genomen.
Artikel 5.6.5
-
Tegelijk met het instellen van hoger beroep tegen een beslissing van de raadkamer kan een schriftuur met bezwaren worden ingediend.
-
Behandeling vindt in ieder geval door een meervoudige kamer van het gerechtshof plaats indien de beslissing in eerste aanleg door een meervoudige kamer is genomen.
Artikel 5.6.6
Het gerecht dat de beslissing heeft genomen draagt de processtukken zo spoedig mogelijk over nadat de termijnen voor het instellen van het rechtsmiddel zijn verstreken aan het gerecht dat naar aanleiding van het rechtsmiddel dient te beslissen.
Artikel 5.6.7
Op het beroep in cassatie tegen een beslissing van de raadkamer is, voor zover de wet niet anders bepaalt, Titel 5.1 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de Hoge Raad de zaak na vernietiging kan terugwijzen naar de rechtbank die de beslissing genomen heeft.
Artikel 5.7.1
-
Indien de procureur-generaal bij de Hoge Raad beroep in cassatie in het belang van de wet nodig oordeelt van een rechterlijke beslissing waartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat, doet het openbaar ministerie hem op zijn verzoek de processtukken toekomen.
-
De voorzitter bepaalt op verzoek van de procureur-generaal de dag van de zitting. De procureur-generaal kan op de zitting het woord voeren. Hij brengt zijn vordering ter kennis van de Hoge Raad.
-
De Hoge Raad verwerpt het beroep of beslist met vernietiging van de rechterlijke beslissing, in het belang van de wet, het rechtspunt, zoals de rechter had behoren te doen.
-
Artikel 5.5.15 is van toepassing.
-
In geval van vernietiging doet de procureur-generaal een door de griffier gewaarmerkte kopie toekomen aan het gerecht waarvan de vernietigde beslissing afkomstig is.
Artikel 5.8.1
-
Op aanvraag van de procureur-generaal of van de gewezen verdachte te wiens aanzien een eindvonnis of eindarrest onherroepelijk is geworden, kan de Hoge Raad ten voordele van de gewezen verdachte een eindvonnis of eindarrest van de rechter in Nederland houdende een veroordeling herzien:
op grond van de omstandigheid dat bij eindarresten of eindvonnissen die onherroepelijk zijn geworden of bij verstek zijn gewezen, bewezenverklaringen zijn uitgesproken die niet zijn overeen te brengen;
op grond van een uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens waarin is vastgesteld dat het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden of een protocol bij dit verdrag is geschonden in de procedure die tot de veroordeling of een veroordeling wegens hetzelfde feit heeft geleid of een beslissing van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens die daarmee kan worden gelijkgesteld, indien herziening noodzakelijk is met het oog op rechtsherstel als bedoeld in artikel 41 van dat verdrag;
indien sprake is van een gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat op zichzelf of in verband met de vroeger geleverde bewijzen met de veroordeling niet bestaanbaar schijnt, zodanig dat het ernstige vermoeden ontstaat dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid hetzij tot een vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot de toepassing van een minder zware strafbepaling.
-
Waar in deze bepaling wordt gesproken van een veroordeling, is hieronder het ontslag van alle rechtsvervolging met oplegging van een vrijheidsbenemende maatregel als bedoeld in de artikelen 37a, 37b en 77s van het Wetboek van Strafrecht begrepen.
Artikel 5.8.2
-
Na het overlijden van de gewezen verdachte kan de herzieningsaanvraag uitsluitend worden gedaan door:
de procureur-generaal;
de overlevende echtgenoot of geregistreerde partner, of bij afwezigheid dan wel niet in staat of bereid zijn van deze:
- 1°
elke bloedverwant in de rechte lijn of bij afwezigheid dan wel niet in staat of bereid zijn van deze;
- 2°
de bloedverwanten in de zijlijn tot en met de tweede graad.
- 1°
-
Indien de aanvraag is gedaan door de procureur-generaal benoemt de Hoge Raad een bijzondere vertegenwoordiger.
-
Bij een vernietiging van het eindvonnis of eindarrest na een aanvraag op grond van het eerste lid wordt geen straf of maatregel opgelegd.
-
Indien de gewezen verdachte gedurende de behandeling van de zaak overlijdt, benoemt de rechter voor wie de zaak dient of zal dienen, een bijzondere vertegenwoordiger. Het derde lid is van toepassing.
-
Indien de gewezen verdachte de leeftijd van zestien jaar nog niet heeft bereikt of anders dan wegens verkwisting onder curatele is gesteld, dan wel aan een zodanige psychische stoornis, psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap lijdt dat hij niet in staat is te beoordelen of zijn belang gediend is met een herzieningsaanvraag, kan zijn wettelijk vertegenwoordiger in burgerlijke zaken herziening aanvragen.
-
Bij de toepassing van de bepalingen van deze titel worden de nabestaande of de wettelijk vertegenwoordiger die op grond van het eerste of vijfde lid herziening heeft aangevraagd, alsmede de bijzondere vertegenwoordiger die op grond van het tweede of vierde lid is benoemd, met een gewezen verdachte gelijkgesteld, behoudens bij toepassing van de artikelen 5.8.8 en 5.8.18.
Artikel 5.8.3
De gewezen verdachte heeft het recht zich door een raadsman te doen bijstaan.
Artikel 5.8.4
-
De procureur-generaal dient de herzieningsaanvraag bij de Hoge Raad in door middel van een vordering.
-
De gewezen verdachte kan de herzieningsaanvraag slechts door zijn raadsman laten indienen bij de Hoge Raad. De door de raadsman ondertekende aanvraag vermeldt de gronden waarop deze berust, met bijvoeging van de stukken waaruit van die gronden kan blijken, alsmede van een kopie van het eindvonnis of eindarrest waarvan herziening wordt gevraagd.
Artikel 5.8.5
-
Ter voorbereiding van een herzieningsaanvraag kan een gewezen verdachte die is veroordeeld voor een feit waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van twaalf jaar of meer is gesteld en waardoor de rechtsorde ernstig is geschokt, door zijn raadsman aan de procureur-generaal doen verzoeken een nader onderzoek in te stellen naar de aanwezigheid van een grond voor herziening als bedoeld in artikel 5.8.1, eerste lid, onderdeel c.
-
Het verzoek wordt door de raadsman ondertekend. Het verzoek behelst een opgave van het onderzoek dat dient te worden verricht, met bijvoeging van een kopie van het eindvonnis of eindarrest waarvan de gewezen verdachte herziening wil aanvragen, en wordt gemotiveerd. Het verzoek kan tevens strekken tot de instelling van een onderzoeksteam als bedoeld in artikel 5.8.7.
-
Indien het verzoek niet voldoet aan de voorwaarden van het eerste en tweede lid, verklaart de procureur-generaal het niet-ontvankelijk. Indien het verzoek ontvankelijk is kan de procureur-generaal het verzoek slechts afwijzen indien:
er onvoldoende aanwijzingen zijn dat mogelijkerwijs sprake is van een grond tot herziening;
het verzochte onderzoek niet noodzakelijk is.
-
De procureur-generaal beslist zo spoedig mogelijk. De beslissing is gemotiveerd en wordt ter kennis gebracht van degene die het verzoek heeft ingediend. In geval van toewijzing van het verzoek vermeldt de beslissing welk onderzoek moet worden verricht.
-
Artikel 5.8.1, tweede lid, is van toepassing.
Artikel 5.8.6
-
In geval van een verzoek als bedoeld in artikel 5.8.5 kan de procureur-generaal ambtshalve of op verzoek van de gewezen verdachte advies inwinnen van een commissie belast met de advisering over de wenselijkheid van een nader onderzoek als bedoeld in artikel 5.8.5, eerste lid.
-
Tenzij het verzoek bedoeld in artikel 5.8.5 naar zijn oordeel niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond dan wel voor toewijzing vatbaar is, wint de procureur-generaal in ieder geval advies in van de commissie indien de gewezen verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaar of meer.
-
Het advies van de commissie is openbaar. Indien de beslissing van de procureur-generaal op het in artikel 5.8.5, eerste lid, bedoelde verzoek afwijkt van het advies van de commissie, wordt in de beslissing de reden voor die afwijking vermeld.
-
Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de samenstelling, de inrichting, de bevoegdheden en de werkwijze van de in het eerste lid bedoelde commissie. De algemene maatregel van bestuur regelt in ieder geval het aantal leden, de periode gedurende welke zij zitting hebben in de commissie, de vervulling van het secretariaat en de aan de commissie ter beschikking te stellen financiële middelen. De benoeming van de leden vindt plaats door Onze Minister op voordracht van de procureur-generaal.
Artikel 5.8.7
-
In geval van toewijzing van het in artikel 5.8.5 bedoelde verzoek, stelt de procureur-generaal het nader onderzoek in. Indien daarbij naar zijn oordeel enig onderzoek door de rechter-commissaris noodzakelijk is, kan hij dat onderzoek opdragen aan de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in een rechtbank die van de zaak nog geen kennis heeft genomen. Artikel 5.8.14, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
-
Indien het belang van het nader onderzoek dit naar zijn oordeel vordert, kan de procureur-generaal zich laten bijstaan door een onderzoeksteam.
-
Het in het tweede lid bedoelde team wordt samengesteld uit opsporingsambtenaren die niet eerder bij de zaak betrokken zijn geweest. Het team kan worden aangevuld met leden van het openbaar ministerie of deskundigen die niet eerder bij de zaak betrokken zijn geweest. Het College van procureurs-generaal verleent de procureur-generaal op zijn verzoek de nodige bijstand bij de instelling van het onderzoeksteam en de uitvoering van het onderzoek. De leden van het onderzoeksteam worden benoemd door de procureur-generaal.
-
De werkzaamheden van het onderzoeksteam vinden onder leiding en verantwoordelijkheid van de procureur-generaal plaats.
-
Indien tijdens het nader onderzoek getuigen of deskundigen worden verhoord, nodigt de procureur-generaal of degene die in zijn opdracht met het verhoor is belast, de raadsman van de gewezen verdachte tot bijwoning van het verhoor uit, voor zover dit met de bescherming van de in artikel 2.10.32, eerste lid, vermelde belangen verenigbaar is. De gewezen verdachte kan in de gelegenheid worden gesteld het verhoor bij te wonen. De gewezen verdachte en zijn raadsman kunnen de vragen opgeven die zij gesteld wensen te zien. De artikelen 2.10.32 en 2.10.33 zijn van overeenkomstige toepassing.
-
Nadat het onderzoek is voltooid worden de daarop betrekking hebbende stukken aan de processtukken toegevoegd en wordt de gewezen verdachte van die stukken in kennis gesteld.
Artikel 5.8.8
-
Ten aanzien van het in artikel 5.8.7, eerste lid, bedoelde onderzoek vinden Boek 1, Hoofdstukken 4, 6, 7, 8 en 11, en Boek 2, Hoofdstukken 1, 3, 4, 6, 7, 8 en 10, overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat daar waar wordt gesproken van de verdachte daaronder wordt verstaan de gewezen verdachte, indien niet uit enige bepaling het tegendeel volgt.
-
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de inrichting van het onderzoek.
Artikel 5.8.9
-
In gevallen waarin de Hoge Raad beslist op een ontvankelijke herzieningsaanvraag die betrekking heeft op een eindarrest waartegen eerder beroep in cassatie is ingesteld, is hij bij voorkeur samengesteld uit raadsheren die niet ten gronde op het beroep in cassatie hebben beslist.
-
In geval de procureur-generaal, de plaatsvervangend procureur-generaal of een advocaat-generaal met betrekking tot een eindarrest waar de herzieningsaanvraag betrekking op heeft eerder bevoegdheden heeft uitgeoefend die op grond van Hoofdstuk 5 aan de procureur-generaal zijn toegekend, worden de bevoegdheden die in dit hoofdstuk aan de procureur-generaal zijn toegekend bij voorkeur uitgeoefend door:
in geval het de procureur-generaal betreft: de plaatsvervangend procureur-generaal of een advocaat-generaal;
in geval het de plaatsvervangend procureur-generaal betreft: een advocaat-generaal;
in geval het een advocaat-generaal betreft: een andere advocaat-generaal.
Artikel 5.8.10
-
De Hoge Raad verklaart de herzieningsaanvraag niet-ontvankelijk indien deze niet een onherroepelijk eindvonnis of eindarrest van de rechter in Nederland houdende een veroordeling of een ontslag van alle rechtsvervolging als bedoeld in artikel 5.8.1, tweede lid, betreft, dan wel niet voldoet aan de voorwaarden in artikel 5.8.4 gesteld.
-
De Hoge Raad kan de herzieningsaanvraag betreffende het in artikel 5.8.1, eerste lid, onderdeel b, vermelde geval niet-ontvankelijk verklaren indien deze niet wordt ingediend binnen drie maanden nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens de gewezen verdachte bekend is.
-
Indien de herzieningsaanvraag kennelijk ongegrond is, wijst de Hoge Raad deze af.
-
In de overige gevallen zijn de volgende bepalingen uit deze titel van toepassing.
-
De Hoge Raad kan alvorens de zaak verder te behandelen opdracht geven tot een nader onderzoek als bedoeld in de artikelen 5.8.5 en 5.8.7 of tot het inwinnen van advies van de in artikel 5.8.6 bedoelde commissie.
-
Hangende de beslissing op de herzieningsaanvraag kan de Hoge Raad te allen tijde de tenuitvoerlegging van het onherroepelijke eindvonnis of eindarrest opschorten.
Artikel 5.8.11
-
De Hoge Raad beveelt de verdere behandeling op de openbare zitting op een daartoe door de voorzitter te bepalen dag.
-
Indien de gewezen verdachte op de voet van artikel 5.8.7, zesde lid, van de resultaten van het onderzoek in kennis is gesteld, wordt de dienende zittingsdag bepaald op een datum niet eerder dan zes weken daarna en kan de gewezen verdachte of zijn raadsman de herzieningsaanvraag nader toelichten tot uiterlijk de laatste dag voor de dienende zittingsdag.
-
De griffier doet ten minste tien dagen voor de dienende zittingsdag aan de gewezen verdachte een kennisgeving van die dag betekenen.
Artikel 5.8.12
-
De herzieningsaanvraag wordt in behandeling genomen op een openbare zitting voor strafzaken van de enkelvoudige kamer. Het lid van de Hoge Raad dat zitting heeft in de enkelvoudige kamer draagt de titel van rolraadsheer.
-
In afwijking van artikel 1.2.6 verwijst de rolraadsheer een zaak naar de meervoudige kamer:
wanneer de raadsman van de gewezen verdachte te kennen geeft de herzieningsaanvraag mondeling te willen toelichten;
wanneer hij verwijzing wenselijk acht.
-
De meervoudige kamer verwijst een zaak wederom naar de rolraadsheer indien dat in enige stand van het geding nodig is.
Artikel 5.8.13
-
Op de zitting van de rolraadsheer, of op de zitting van de meervoudige kamer wanneer de raadsman daar de herzieningsaanvraag mondeling heeft toegelicht, dan wel op een nadere zitting neemt de procureur-generaal zijn conclusie, die hij aan de Hoge Raad overlegt.
-
Voorafgaand aan zijn conclusie kan de procureur-generaal ambtshalve een nader onderzoek instellen als bedoeld in de artikelen 5.8.5 en 5.8.7 alsmede een advies inwinnen bij de commissie als bedoeld in artikel 5.8.6. De artikelen 5.8.6, eerste en derde lid, 5.8.7 en 5.8.8 zijn van overeenkomstige toepassing.
-
Nadat de procureur-generaal zijn conclusie heeft genomen wordt de dag voor de uitspraak bepaald, tenzij de Hoge Raad een opdracht tot nader onderzoek geeft.
-
De raadsman van de gewezen verdachte wordt van de conclusie in kennis gesteld.
-
De raadsman kan binnen twee weken nadien commentaar op de conclusie aan de Hoge Raad ter kennis brengen.
Artikel 5.8.14
-
Indien de Hoge Raad de noodzakelijkheid daarvan blijkt draagt hij aan de procureur-generaal op een nader onderzoek te verrichten als bedoeld in de artikelen 5.8.5 en 5.8.7, dan wel advies in te winnen van de in artikel 5.8.6 bedoelde commissie. Nadat het onderzoek is voltooid, doet de procureur-generaal de stukken toekomen aan de Hoge Raad.
-
De Hoge Raad kan tevens een nader onderzoek opdragen aan een daartoe uit zijn midden te benoemen raadsheer-commissaris. Indien de herziening niet een door de Hoge Raad in eerste aanleg gewezen arrest betreft, kan de Hoge Raad ook nader onderzoek opdragen aan de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in een rechtbank die van de zaak nog geen kennis heeft genomen.
-
Het in het tweede lid bedoelde onderzoek wordt verricht overeenkomstig de bepalingen van Boek 2, Titels 10.2 tot en met 10.4. De artikelen 2.10.10 tot en met 2.10.12 en 2.10.66, eerste en derde lid, zijn van toepassing. Indien het onderzoek wordt verricht door een raadsheer-commissaris, geldt al hetgeen bepaald is over de rechtbank, de rechter-commissaris, de officier van justitie en de griffier, ten aanzien van de Hoge Raad, de raadsheer-commissaris, de procureur-generaal en de griffier van de Hoge Raad, behoudens dat de raadsheer-commissaris en de procureur-generaal zich bij het doorzoeken van plaatsen en bij een schouw kunnen doen vervangen door de rechter-commissaris en de officier van justitie in het arrondissement waarin de rechtbank is gelegen waar de doorzoeking of schouw zal plaatshebben. Artikel 2.10.10, eerste tot en met vijfde lid,is van overeenkomstige toepassing.
-
Na afloop van het onderzoek draagt de raadsheer- of rechter-commissaris de stukken over aan de Hoge Raad.
-
De raadsman wordt van de stukken van het onderzoek in kennis gesteld.
Artikel 5.8.15
Indien de Hoge Raad de herzieningsaanvraag niet gegrond acht, wijst hij die af.
Artikel 5.8.16
-
Indien de Hoge Raad de herzieningsaanvraag ingevolge artikel 5.8.1, eerste lid, onderdeel a, gegrond acht, vernietigt hij de eindarresten of eindvonnissen, met verwijzing van de zaken naar een gerechtshof dat daarvan nog geen kennis heeft genomen, ten einde die gelijktijdig opnieuw te onderzoeken en daarin bij een en hetzelfde eindarrest recht te doen, zonder dat echter de straf de bij de vernietigde eindarresten of eindvonnissen opgelegde straffen te boven mag gaan. Hebben alle gerechtshoven al van de zaak kennis genomen, dan wordt niettemin één daarvan aangewezen.
-
Indien een van de bewezenverklaringen door de Hoge Raad in eerste aanleg is uitgesproken, dan wordt de zaak verwezen naar de zitting van de Hoge Raad samengesteld als in artikel 5.8.22 vermeld.
-
De gewezen verdachte aan wie krachtens het vernietigde eindvonnis of eindarrest zijn vrijheid is ontnomen, is van rechtswege vrij en wordt zo spoedig mogelijk in vrijheid gesteld, behoudens artikel 5.8.18.
Artikel 5.8.17
-
Indien de Hoge Raad de herzieningsaanvraag ingevolge artikel 5.8.1, eerste lid, onderdeel b, gegrond acht, doet hij bij wijze van herziening de zaak zelf af of beveelt hij de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van het onherroepelijke eindvonnis of eindarrest en verwijst hij de zaak op de voet van artikel 5.8.16, teneinde met inachtneming van het arrest van de Hoge Raad hetzij het onherroepelijke eindvonnis of eindarrest te handhaven hetzij met vernietiging daarvan recht te doen.
-
Indien de Hoge Raad de herzieningsaanvraag ingevolge artikel 5.8.1, eerste lid, onderdeel c, gegrond acht, beveelt hij de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van het onherroepelijke eindvonnis of eindarrest en verwijst hij de zaak op de voet van artikel 5.8.16, teneinde hetzij het onherroepelijke eindvonnis of eindarrest te handhaven, hetzij met vernietiging daarvan:
het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren;
de verdachte vrij te spreken;
de verdachte als niet-strafbaar te ontslaan van alle rechtsvervolging; of
de verdachte opnieuw te veroordelen met toepassing van de minder zware strafbepaling of met oplegging van een lagere straf.
-
Artikel 5.8.16, derde lid, is van toepassing.
Artikel 5.8.18
-
Bij de verwijzing kan de Hoge Raad een bevel tot gevangenhouding tegen de gewezen verdachte uitvaardigen. Dit bevel is geldig voor onbepaalde termijn, maar kan door het gerechtshof worden geschorst of opgeheven. In geen geval zal deze gevangenhouding langer mogen duren dan de vrijheidsstraf die de gewezen verdachte krachtens het onherroepelijke eindvonnis of eindarrest nog dient te ondergaan. De artikelen 2.5.16, 2.5.24, 2.5.26 tot en met 2.5.31, 2.5.32 tot en met 2.5.37 zijn van overeenkomstige toepassing.
-
Indien bij het onherroepelijke eindvonnis of eindarrest aan de gewezen verdachte een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel is opgelegd, kan het in het eerste lid bedoelde bevel tot gevangenhouding worden tenuitvoergelegd in een inrichting die ingevolge de Penitentiaire beginselenwet of de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden bestemd is voor de tenuitvoerlegging van de opgelegde maatregel. Voor de gewezen verdachte blijft de rechtspositie van de Penitentiaire beginselenwet of de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden onverminderd van toepassing.
-
Indien tegen de gewezen verdachte een bevel tot gevangenhouding als bedoeld in het eerste lid is uitgevaardigd, en deze geen raadsman heeft, wordt voor hem in opdracht van de voorzitter van het gerechtshof door het bestuur van de raad voor rechtsbijstand een raadsman aangewezen.
Artikel 5.8.19
Beslissingen als bedoeld in de artikelen 5.8.10 en 5.8.15 tot en met 5.8.17 worden gegeven bij arrest. Deze beslissingen worden gemotiveerd. Het arrest wordt op een openbare zitting uitgesproken in aanwezigheid van de griffier en de procureur-generaal.
Artikel 5.8.20
De beslissingen van de Hoge Raad, bedoeld in de artikelen 5.8.10 en 5.8.15 tot en met 5.8.18 worden zodra mogelijk door de griffier ter kennis gebracht van de gewezen verdachte en van de ambtenaar belast met de tenuitvoerlegging van het onherroepelijke eindvonnis of eindarrest waarvan de herziening is gevraagd of uitgesproken.
Artikel 5.8.21
-
Het gerechtshof berecht de verwezen zaak of zaken met overeenkomstige toepassing van de bepalingen van Hoofdstuk 4.
-
De raadsheer die eerder enig onderzoek in de zaak heeft verricht, neemt niet deel aan het onderzoek op de terechtzitting.
-
In de gevallen, bedoeld in artikel 5.4.23, wordt het onderzoek verricht door een daartoe door het gerechtshof aangewezen rechter-commissaris of raadsheer-commissaris die nog geen onderzoek in de zaak heeft verricht.
-
Het onderzoek en de beraadslaging, bedoeld in de artikelen 4.3.1 en 4.3.3, vinden plaats naar aanleiding van zowel het onderzoek op de terechtzitting in herziening als het onderzoek op vorige terechtzittingen, zoals dat volgens een daarvan opgemaakt proces-verbaal dan wel een daarvan gemaakte geluidsopname of geluids- en beeldopname heeft plaatsgehad.
-
Ten aanzien van de bij de verwijzing vernietigde eindvonnissen en eindarresten doet het gerechtshof opnieuw recht. Het gerechtshof handhaaft het bij de verwijzing niet vernietigde eindvonnis of eindarrest met gehele of gedeeltelijke overneming, aanvulling of verbetering van de gronden of doet, met gehele of gedeeltelijke vernietiging van dit eindvonnis of eindarrest, opnieuw recht met inachtneming van artikel 5.8.17, eerste of tweede lid.
Artikel 5.8.22
-
Indien de Hoge Raad ingevolge verwijzing op de voet van de artikelen 5.8.16, tweede lid, of 5.8.17, eerste of tweede lid, zelf recht doet, oordeelt hij met een aantal van tien raadsheren. Bij het staken van de stemmen wordt een beslissing genomen ten voordele van de gewezen verdachte.
-
De Hoge Raad berecht de verwezen zaak of zaken op de voet van artikel 5.8.21, eerste en derde tot en met vijfde lid, met dien verstande dat in het geval van het derde lid van dat artikel het onderzoek ook kan worden opgedragen aan een daartoe door de Hoge Raad uit zijn midden aangewezen raadsheer-commissaris.
Artikel 5.8.23
-
In geen geval mag door de Hoge Raad of door het gerechtshof een straf of maatregel worden opgelegd die zwaarder is dan die bij het vernietigde eindvonnis of eindarrest was opgelegd. Voorts mag in geen geval een zwaardere strafbepaling worden toegepast.
-
Indien bij samenloop van meerdere feiten één hoofdstraf is uitgesproken en de herziening slechts gevraagd of uitgesproken is ten aanzien van een of meer van die feiten, wordt, in geval van vernietiging, bij het arrest of het eindarrest in herziening de straf voor het andere feit of de andere feiten bepaald.
-
Bij het arrest of eindarrest wordt bepaald dat de krachtens de vernietigde uitspraak voor het feit ondergane straf, en de krachtens artikel 5.8.18 ondergane voorlopige hechtenis bij de uitvoering van de straf in mindering worden gebracht.
Artikel 5.8.24
-
Indien de bij het onherroepelijke eindvonnis of eindarrest opgelegde straf of maatregel al bij wege van gratie is kwijtgescholden, kan geen straf worden opgelegd.
-
Is de straf door gratie gewijzigd of verminderd, dan wordt geen straf opgelegd die de gewijzigde of verminderde straf te boven gaat.
Artikel 5.8.25
-
Indien een herzieningsaanvraag of een verzoek tot een nader onderzoek als bedoeld in artikel 5.8.5 is ingediend, vraagt het openbaar ministerie zo mogelijk aan het slachtoffer of hij op de hoogte wenst te worden gehouden van de voortgang van de herzieningsprocedure.
-
Het slachtoffer wordt op zijn verzoek door het openbaar ministerie in ieder geval in kennis gesteld van de beslissing van de Hoge Raad op de herzieningsaanvraag en van het eindarrest in de herzieningszaak tegen de verdachte.
-
In daartoe aangewezen gevallen en in ieder geval indien het feit waarvoor de gewezen verdachte werd veroordeeld een misdrijf betreft waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van acht jaar of meer is gesteld, of dat strafbaar is gesteld in de artikelen 240b, 247, 248a, 248b, 249, 250, 273f, eerste lid, 285, 285b, 300, tweede en derde lid, 301, tweede en derde lid, 306 tot en met 308 en 318 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, stelt het openbaar ministerie het slachtoffer desgevraagd in kennis van de invrijheidstelling van de gewezen verdachte.
Artikel 5.8.26
-
Indien de gewezen verdachte bij het vernietigde eindvonnis of eindarrest is veroordeeld tot een vergoeding aan de benadeelde partij van de door het strafbare feit veroorzaakte schade kan bij het arrest of eindarrest in herziening worden bepaald dat al betaalde schadevergoedingen aan de gewezen verdachte worden vergoed. Deze kosten komen ten laste van de schatkist van het Rijk.
-
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op door de gewezen verdachte aan de benadeelde partij betaalde proceskosten.
Artikel 5.8.27
-
De Hoge Raad kan op aanvraag van het College van procureurs-generaal een onherroepelijk eindvonnis of eindarrest van de rechter in Nederland houdende vrijspraak of ontslag van alle rechtsvervolging ten nadele van de gewezen verdachte herzien indien dit in het belang is van een goede rechtsbedeling en:
sprake is van een gegeven dat aan de rechter bij het onderzoek op de terechtzitting niet bekend was en waardoor het ernstige vermoeden ontstaat dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, de zaak zou zijn geëindigd in een veroordeling van de gewezen verdachte voor een opzettelijk begaan misdrijf dat de dood van een ander ten gevolge heeft;
de beslissing berust op stukken waarvan de valsheid na de beslissing is vastgesteld en het ernstige vermoeden bestaat dat indien de valsheid aan de rechter bekend zou zijn geweest, de zaak zou zijn geëindigd in een veroordeling van de gewezen verdachte;
is komen vast te staan dat een getuige of deskundige zich met betrekking tot de zaak aan het in artikel 207 van het Wetboek van Strafrecht omschreven misdrijf schuldig heeft gemaakt en het ernstige vermoeden bestaat dat indien de meinedigheid aan de rechter bekend zou zijn geweest, de zaak zou zijn geëindigd in een veroordeling van de gewezen verdachte; of
na het onherroepelijk worden van het eindvonnis of eindarrest is komen vast te staan dat de gewezen verdachte zich met betrekking tot zijn zaak schuldig heeft gemaakt aan een van de in de artikelen 177, 178, 179, 284, 284a, 285 en 285a van het Wetboek van Strafrecht omschreven misdrijven en het ernstige vermoeden bestaat dat indien de verdachte dit misdrijf niet zou hebben begaan de zaak zou zijn geëindigd in een veroordeling van de gewezen verdachte.
-
Herziening ten nadele van de gewezen verdachte van een onherroepelijk eindvonnis of eindarrest van de rechter in Nederland is tevens mogelijk indien is komen vast te staan dat de rechter zich met betrekking tot de aan zijn oordeel onderworpen zaak schuldig heeft gemaakt aan het in artikel 364 van het Wetboek van Strafrecht omschreven misdrijf.
-
Als een in het eerste lid, onderdeel a, bedoeld gegeven kunnen uitsluitend worden aangemerkt:
verklaringen, stukken of processen-verbaal, houdende een geloofwaardige bekentenis van de gewezen verdachte of van een persoon die wegens hetzelfde feit is vrijgesproken of ontslagen van alle rechtsvervolging; en
de resultaten van technisch onderzoek.
-
Indien de in artikel 5.8.28, tweede lid, bedoelde bewijsmiddelen het resultaat zijn van onderzoek dat niet overeenkomstig de wettelijke voorschriften heeft plaatsgevonden en waarbij een inbreuk is gemaakt op een recht van de gewezen verdachte, worden deze bewijsmiddelen niet in aanmerking genomen bij de beoordeling van de herzieningsaanvraag en niet als bewijs in de zaak gebruikt.
-
Onder een misdrijf als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, is niet begrepen de medeplichtigheid aan, poging tot en voorbereiding van dat misdrijf.
Artikel 5.8.28
-
Het College van procureurs-generaal dient de herzieningsaanvraag bij de Hoge Raad in door middel van een vordering. Het College van procureurs-generaal kan een procureur-generaal machtigen een of meer van de in deze titel opgenomen bevoegdheden uit te oefenen.
-
De herzieningsaanvraag vermeldt de gronden waarop de vordering berust, met bijvoeging van de bewijsmiddelen waaruit van die gronden kan blijken en het eindvonnis of eindarrest waarvan herziening wordt gevorderd.
-
De Hoge Raad verklaart de herzieningsaanvraag niet-ontvankelijk indien:
deze niet voldoet aan de in het eerste en tweede lid gestelde vereisten;
op het moment waarop de herzieningsaanvraag wordt ingediend het recht tot strafvordering voor het strafbare feit waarop de aanvraag betrekking heeft is vervallen door verjaring of door het overlijden van de gewezen verdachte;
de herzieningsaanvraag het in artikel 5.8.27, eerste lid, onderdeel a, vermelde geval betreft en voor hetzelfde feit al eerder een herziening van een onherroepelijk eindvonnis of eindarrest van de rechter in Nederland is gevorderd;
de herzieningsaanvraag niet een onherroepelijk eindvonnis of eindarrest van de rechter in Nederland betreft.
-
De Hoge Raad wijst de herzieningsaanvraag af indien deze kennelijk ongegrond is.
-
In de overige gevallen zijn de artikelen 5.8.11, eerste en derde lid, 5.8.12, 5.8.13, eerste en derde tot en met vijfde lid, 5.8.15, 5.8.19 en 5.8.25 van overeenkomstige toepassing alsmede de volgende bepalingen van deze titel.
-
Artikel 5.8.9 is van toepassing.
Artikel 5.8.29
-
Behoudens artikel 5.8.31 worden bij een onderzoek naar de aanwezigheid van een grond voor herziening als bedoeld in artikel 5.8.27 de bevoegdheden die door de wet aan opsporingsambtenaren zijn toegekend, niet tegen de gewezen verdachte uitgeoefend.
-
Ter voorbereiding van een herzieningsaanvraag kan een daartoe door het College van procureurs-generaal aangewezen officier van justitie bij de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in een rechtbank die nog geen kennis heeft genomen van de zaak en die niet gelegen is binnen het ressort van een gerechtshof dat kennis heeft genomen van de zaak, slechts een vordering indienen tot een nader onderzoek indien:
er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de Hoge Raad een herzieningsaanvraag gegrond zal achten; en
dat onderzoek dringend noodzakelijk is.
-
De vordering van de officier van justitie behelst een opgave van het onderzoek dat door de rechter-commissaris dient te worden verricht en is gemotiveerd. De vordering behoeft voorafgaande instemming van het College van procureurs-generaal.
-
De officier van justitie stelt zodra het belang van het onderzoek dat toelaat de gewezen verdachte en zijn raadsman in kennis van zijn vordering.
-
De rechter-commissaris wijst de vordering af indien deze kennelijk ongegrond is.
-
In het andere geval hoort hij, alvorens te beslissen, de gewezen verdachte over de vordering van de officier van justitie, tenzij het belang van het onderzoek dringend vordert dat van het horen van de gewezen verdachte over die vordering wordt afgezien.
-
De gewezen verdachte is bevoegd zich bij het horen door een raadsman te doen bijstaan.
Artikel 5.8.30
-
De rechter-commissaris beslist zo spoedig mogelijk op de in artikel 5.8.29, tweede lid, bedoelde vordering. De beslissing is gemotiveerd en wordt ter kennis gebracht van de officier van justitie en betekend aan de gewezen verdachte, met vermelding van de termijn waarbinnen en de wijze waarop het rechtsmiddel dat tegen de beslissing openstaat, kan worden ingesteld. Indien het belang van het onderzoek dit dringend vereist kan de rechter-commissaris betekening van de beslissing aan de gewezen verdachte uitstellen.
-
Voor de officier van justitie staat binnen twee weken na de beslissing en voor de gewezen verdachte binnen twee weken na de betekening van de beslissing beroep open bij de rechtbank.
-
De rechtbank beslist zo spoedig mogelijk.
Artikel 5.8.31
-
In geval van toewijzing van de in artikel 5.8.29, tweede lid, bedoelde vordering verricht de rechter-commissaris zo spoedig mogelijk het verzochte onderzoek alsmede ander onderzoek dat hij noodzakelijk acht. De rechter-commissaris gaat niet over tot het verrichten van het onderzoek zolang tegen zijn beslissing nog beroep openstaat en zo dit is ingesteld, totdat het is ingetrokken of daarop is beslist, tenzij het belang van het onderzoek geen uitstel van het voorgenomen onderzoek toelaat. Indien de rechtbank het beroep tegen een beslissing tot het instellen van een onderzoek gegrond oordeelt en de rechter-commissaris al onderzoek heeft verricht, zorgt de rechter-commissaris ervoor dat de resultaten van dit onderzoek worden vernietigd.
-
De rechter-commissaris kan tijdens het nader onderzoek de bevoegdheden uitoefenen die hem in Boek 2 zijn toegekend. In afwijking van de artikelen 2.5.42 en 2.5.43 kan de rechter-commissaris alleen met verlof van de rechtbank op de vordering van de officier van justitie verleend, de bewaring van de gewezen verdachte bevelen. Dit bevel kan in afwijking van artikel 2.5.27 alleen worden gegeven:
indien uit gedragingen van de gewezen verdachte, of uit hem persoonlijk betreffende omstandigheden, blijkt van ernstig gevaar voor vlucht; of
indien de voorlopige hechtenis noodzakelijk is voor het, anders dan door verklaringen van de gewezen verdachte, aan de dag brengen van de waarheid.
-
In afwijking van artikel 2.5.43 kan de rechter-commissaris het bevel tot bewaring eenmaal met ten hoogste twee weken verlengen, met verlof van de rechtbank op de vordering van de officier van justitie verleend. De gewezen verdachte wordt in de gelegenheid gesteld op de vordering te worden gehoord.
-
Nadat het onderzoek is voltooid, draagt de rechter-commissaris de daarop betrekking hebbende stukken over aan de officier van justitie. Aan de gewezen verdachte en zijn raadsman worden de stukken ter kennis gebracht.
-
De rechter-commissaris stelt de officier van justitie en de gewezen verdachte in kennis van de beëindiging van het onderzoek.
Artikel 5.8.32
-
Hangende de beslissing op de herzieningsaanvraag kan de Hoge Raad op vordering van het College van procureurs-generaal of ambtshalve een bevel tot gevangenneming of gevangenhouding tegen de gewezen verdachte uitvaardigen. Dit bevel blijft van kracht tot twee maanden na de dag waarop een beslissing is genomen op de herzieningsaanvraag. Het kan door de Hoge Raad worden geschorst of opgeheven. De artikelen 2.5.16, 2.5.24, 2.5.26 tot en met 2.5.31, 2.5.32 tot en met 2.5.37 zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het bevel tot voorlopige hechtenis alleen kan worden gegeven:
indien uit gedragingen van de gewezen verdachte, of uit hem persoonlijk betreffende omstandigheden, blijkt van ernstig gevaar voor vlucht; of
de voorlopige hechtenis noodzakelijk is voor het, anders dan door verklaringen van de gewezen verdachte, aan de dag brengen van de waarheid.
-
Indien de herzieningsaanvraag niet-ontvankelijk of ongegrond wordt verklaard wordt de gewezen verdachte zo spoedig mogelijk in vrijheid gesteld.
Artikel 5.8.33
-
Indien de Hoge Raad de herzieningsaanvraag gegrond acht, verwijst hij de zaak naar een rechtbank die daarvan nog geen kennis heeft genomen en die niet gelegen is binnen het ressort van een gerechtshof dat kennis heeft genomen van de zaak, teneinde hetzij het onherroepelijke eindvonnis of eindarrest te handhaven hetzij met vernietiging daarvan opnieuw recht te doen.
-
De verwezen zaak wordt berecht met overeenkomstige toepassing van Boek 4 en artikel 5.8.21, vierde lid. Het opsporingsonderzoek wordt verricht volgens de daarvoor geldende bepalingen voor zover deze titel geen afwijkende bepalingen bevat.
-
De rechter die enig onderzoek in de zaak heeft verricht, neemt niet deel aan het onderzoek op de terechtzitting.
-
In afwijking van artikel 2.5.27 kan een bevel tot voorlopige hechtenis alleen worden gegeven op de gronden, bedoeld in artikel 5.8.32, eerste lid.
Artikel 5.8.34
-
Indien het onherroepelijke arrest in eerste aanleg door de Hoge Raad is gewezen, verwijst hij de zaak, in zoverre in afwijking van artikel 5.8.33, eerste lid, naar de zitting van de Hoge Raad.
-
De Hoge Raad berecht de verwezen zaak op de voet van artikel 5.8.33, tweede, vierde en vijfde lid, en met een aantal van tien raadsheren. Bij het staken van de stemmen wordt een beslissing ten voordele van de gewezen verdachte genomen.
Artikel 5.8.35
-
Het bestuur van de raad voor rechtsbijstand wijst voor de gewezen verdachte die geen raadsman heeft, een raadsman aan:
in opdracht van de voorzitter van de rechtbank in het geval van een vordering als bedoeld in artikel 5.8.29, tweede lid;
in opdracht van de voorzitter van de Hoge Raad in het geval van een herzieningsaanvraag als bedoeld in artikel 5.8.27;
in opdracht van de voorzitter van de rechtbank, van het gerechtshof of van de Hoge Raad waar de zaak dient nadat de zaak op grond van artikel 5.8.33 of 5.8.34 is verwezen.
-
De in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde aanwijzing geldt voor de duur van de behandeling door de rechter-commissaris. De in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde aanwijzing geldt voor de duur van de behandeling door de Hoge Raad van de herzieningsaanvraag. De in het eerste lid, onderdeel c, bedoelde aanwijzing geldt voor de gehele aanleg waarin zij heeft plaatsgehad.