De rechtbank onderzoekt op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting de geldigheid van de tenlastelegging, haar bevoegdheid tot kennisneming van het tenlastegelegde feit en de ontvankelijkheid van de officier van justitie.
Nieuw Wetboek van Strafvordering Laatste controle 29-03-2026, laatste wijziging 18-03-2026.
Inhoud
Boek 1 Strafvordering in het algemeen
Hoofdstuk 1 Inleidende bepalingen en definities
Titel 1.1 Inleidende bepalingen
Hoofdstuk 2 De behandeling van zaken door de rechter
Hoofdstuk 3 Vervolging en opsporing van strafbare feiten
Hoofdstuk 4 De verdachte en zijn raadsman
Titel 4.1 De verdachte
Titel 4.2 De raadsman
Afdeling 4.2.1 Het optreden van de raadsman
Afdeling 4.2.2 De bevoegdheden van de raadsman
Hoofdstuk 5 Het slachtoffer
Hoofdstuk 6 De getuige
Hoofdstuk 7 De deskundige
Hoofdstuk 8 De processtukken
Hoofdstuk 9 Overdracht van berichten en het indienen van stukken
Hoofdstuk 11 Enige algemene voorzieningen
Titel 11.1 Herstelrecht
Titel 11.2 Videoconferentie
Titel 11.3 De inzet van tolken
Titel 11.4 Opdrachten aan de reclassering
Titel 11.5 Verstoring van ambtsverrichtingen
Boek 2 Het opsporingsonderzoek
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Titel 1.1 Definities
Titel 1.2 Algemene bepalingen over de uitoefening van bevoegdheden in het kader van het opsporingsonderzoek
Titel 1.3 Algemene bevoegdheid
Titel 1.4 Verslaglegging door opsporingsambtenaren
Titel 1.5 Vastlegging van bevelen en van machtigingen en vorderingen daartoe
Titel 1.6 Toestemming voor onderzoekshandelingen
Hoofdstuk 2 De aangifte
Hoofdstuk 3 Het verhoor door opsporingsambtenaren
Hoofdstuk 4 Deskundigenonderzoek in opdracht van de officier van justitie
Hoofdstuk 5 Bevoegdheden tot vrijheidsbeperking en vrijheidsbeneming
Titel 5.1 Algemene bepalingen
Titel 5.2 Staandehouding en aanhouding
Titel 5.3 Ophouden voor onderzoek en inverzekeringstelling
Afdeling 5.3.1 Ophouden voor onderzoek
Afdeling 5.3.2 Inverzekeringstelling
Afdeling 5.3.3 Maatregelen ten aanzien van de voor onderzoek opgehouden of in verzekering gestelde verdachte
Afdeling 5.3.4 Voorgeleiding aan de rechter-commissaris
Titel 5.4 Voorlopige hechtenis
Afdeling 5.4.1 Algemene bepalingen
Afdeling 5.4.2 Toepassingsvoorwaarden
Afdeling 5.4.3 Schorsing van de voorlopige hechtenis
Afdeling 5.4.4 Opheffing van de voorlopige hechtenis
Afdeling 5.4.5 Bewaring
Afdeling 5.4.6 Gevangenhouding en gevangenneming
Afdeling 5.4.7 Beslissingen over voorlopige hechtenis in het eindvonnis
Afdeling 5.4.8 Voorlopige hechtenis na hoger beroep tegen het eindvonnis
Titel 5.5 Rechtsmiddelen
Afdeling 5.5.1 Bezwaar tegen het opleggen van maatregelen
Afdeling 5.5.2 Beroep tegen de directe invrijheidstelling van de verdachte
Afdeling 5.5.3 Beroep tegen beslissingen met betrekking tot de voorlopige hechtenis
Hoofdstuk 6 Bevoegdheden met betrekking tot het lichaam
Titel 6.1 Algemene bepalingen
Afdeling 6.1.1 Bevel officier van justitie
Afdeling 6.1.2 Onderzoek en fase van vrijheidsbeneming
Afdeling 6.1.3 Toestemming
Afdeling 6.1.4 Delegatie
Titel 6.2 Onderzoek aan de kleding en onderzoek van meegevoerde voorwerpen
Titel 6.3 Onderzoek aan het lichaam
Titel 6.4 Onderzoek in het lichaam
Titel 6.5 Overige onderzoeken met betrekking tot het lichaam
Afdeling 6.5.1 Het nemen van vingerafdrukken en gezichtsopnamen ter identiteitsvaststelling
Afdeling 6.5.2 Onderzoek naar gebruik van geweldbevorderende middelen
Afdeling 6.5.3 Het maken van beeldopnamen, het opmeten van lichaamsmaten en het nemen van lichaamsafdrukken, -haar en -materiaal
Afdeling 6.5.4 Onderzoek ten aanzien van fysieke eigenschappen
Afdeling 6.5.5 Het houden van een confrontatie
Afdeling 6.5.6 DNA-onderzoek
Afdeling 6.5.7 Onderzoek naar een ernstige besmettelijke ziekte
Titel 6.6 Onderzoek met betrekking tot het lichaam van een overleden verdachte of slachtoffer
Titel 6.7 Bevoegdheden van de rechter-commissaris
Titel 6.8 Rechtsmiddelen
Hoofdstuk 7 Bevoegdheden met betrekking tot voorwerpen en gegevens
Titel 7.1 Algemene bepalingen
Titel 7.2 Inbeslagneming van voorwerpen
Afdeling 7.2.1 Algemene bepalingen
Afdeling 7.2.2 Bevoegdheden tot inbeslagneming van voorwerpen
Afdeling 7.2.3 Inbeslagneming tot bewaring van het recht tot verhaal
Afdeling 7.2.4 Teruggave en bewaring van inbeslaggenomen voorwerpen
Titel 7.3 Onderzoek van gegevens
Afdeling 7.3.1 Algemene bepalingen
Afdeling 7.3.2 Bevoegdheden
Afdeling 7.3.3 Verstrekking van gegevens ten behoeve van het onderzoek
Titel 7.4 Ontoegankelijkmaking van gegevens
Titel 7.5 Uitoefening van bevoegdheden in het geval van verschoningsrecht
Titel 7.6 Onderzoek ter plaatse
Titel 7.7 Bevoegdheden van de rechter-commissaris
Titel 7.8 Rechtsmiddelen
Hoofdstuk 8 Heimelijke bevoegdheden
Titel 8.1 Algemene bepalingen
Afdeling 8.1.1 Bevel officier van justitie
Afdeling 8.1.2 Kennisgeving aan betrokkene
Afdeling 8.1.3 Voeging gegevens functioneel verschoningsgerechtigden
Afdeling 8.1.4 Technische hulpmiddelen
Afdeling 8.1.5 Verplichting tot inbeslagneming
Afdeling 8.1.6 Uitstel melding onbekende kwetsbaarheden
Titel 8.2 De bevoegdheden
Afdeling 8.2.1 Stelselmatige observatie
Afdeling 8.2.2 Stelselmatig overnemen persoonsgegevens uit publiek toegankelijke bronnen
Afdeling 8.2.3 Bevoegdheden ten aanzien van een besloten plaats
Afdeling 8.2.4 Pseudo-koop of -dienstverlening
Afdeling 8.2.5 Stelselmatige inwinning van informatie
Afdeling 8.2.6 Infiltratie
Afdeling 8.2.7 Vastleggen communicatie die plaatsvindt door middel van een aanbieder van een communicatiedienst
Afdeling 8.2.8 Vastleggen vertrouwelijke communicatie
Afdeling 8.2.9 Toegang op afstand tot een digitale-gegevensdrager of geautomatiseerd werk
Afdeling 8.2.10 Stelselmatige locatiebepaling
Titel 8.3 Bijstand door burgers bij de uitoefening van heimelijke bevoegdheden
Titel 8.4 Personen in de openbare dienst van een vreemde staat
Titel 8.5 Maatregelen in het belang van de veiligheid
Titel 8.6 Vermoeden georganiseerd verband en aanwijzingen terroristisch misdrijf
Titel 8.7 Rechtsmiddelen
Hoofdstuk 9 Het verkennend onderzoek
Hoofdstuk 10 Onderzoek door de rechter-commissaris
Titel 10.1 Algemene bepalingen
Titel 10.2 Bevoegdheden met betrekking tot de verdachte
Afdeling 10.2.1 Het verhoor van de verdachte
Afdeling 10.2.2 Observatie van de verdachte
Titel 10.3 Het verhoor van de getuige
Titel 10.4 De benoeming en het verhoor van een deskundige
Afdeling 10.4.1 De benoeming van een deskundige
Afdeling 10.4.2 Het verhoor van een deskundige
Titel 10.5 Getuigen aan wie toezeggingen zijn gedaan
Titel 10.6 Voortgangsbewaking door de rechter-commissaris
Titel 10.7 Beëindiging van het onderzoek
Titel 10.8 Rechtsmiddelen
Boek 3 Beslissingen over vervolging
Hoofdstuk 2 Bezwaarschrift tegen de procesinleiding
Hoofdstuk 3 De strafbeschikking
Titel 3.1 Inhoud van de strafbeschikking
Titel 3.2 Uitvaardigen van de strafbeschikking door opsporingsambtenaren en lichamen of personen, met een publieke taak belast
Titel 3.3 Waarborgen bij het uitvaardigen van de strafbeschikking
Titel 3.4 Uitreiken en toezenden van de strafbeschikking
Titel 3.5 Intrekken en wijzigen van de strafbeschikking
Titel 3.6 Openbaarheid van de strafbeschikking
Hoofdstuk 4 Het achterwege laten van vervolging
Titel 4.1 Het sepot
Hoofdstuk 5 Beklag over het niet opsporen of niet vervolgen van strafbare feiten
Hoofdstuk 6 Rechtsmiddelen
Boek 4 Berechting
Hoofdstuk 1 Het aanbrengen van de zaak ter berechting
Hoofdstuk 2 Het onderzoek op de terechtzitting
Titel 2.1 Algemene bepalingen
Titel 2.2 De aanvang van het onderzoek
Titel 2.3 De omvang van het onderzoek
Titel 2.4 Het onderzoek van de zaak zelf
Afdeling 2.4.1 Inleidende bepalingen
Afdeling 2.4.2 Het verhoor van de verdachte
Afdeling 2.4.3 Het verhoor van de getuige
Afdeling 2.4.4 Het verhoor van de deskundige
Afdeling 2.4.5 De uitoefening van het spreekrecht
Afdeling 2.4.6 Het beslag
Afdeling 2.4.7 Nader onderzoek
Afdeling 2.4.8 De schorsing van het onderzoek
Afdeling 2.4.9 Het requisitoir en het pleidooi, repliek en dupliek
Afdeling 2.4.10 De sluiting van het onderzoek en beslissingen ten aanzien van de uitspraak
Afdeling 2.4.11 Heropening van het onderzoek
Titel 2.5 De verslaglegging van het onderzoek op de terechtzitting
Hoofdstuk 3 De beraadslaging, de uitspraak en het eindvonnis
Hoofdstuk 4 De behandeling van met de berechting verbonden vorderingen
Titel 4.1 De vordering van de benadeelde partij
Titel 4.2 De vordering tot tenuitvoerlegging
Titel 4.3 De vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel
Afdeling 4.3.2 Afzonderlijke behandeling
Afdeling 4.3.3 Voeging en afsplitsing
Afdeling 4.3.4 De ontnemingsschikking
Hoofdstuk 5 De enkelvoudige kamer
Hoofdstuk 6 Herstelbeslissingen
Boek 5 Rechtsmiddelen
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Hoofdstuk 2 Het instellen en indienen, intrekken en afstand doen van gewone rechtsmiddelen
Hoofdstuk 3 Verzet tegen strafbeschikkingen
Hoofdstuk 4 Hoger beroep tegen vonnissen
Titel 4.1 Hoger beroep tegen eindvonnissen en tussenvonnissen
Afdeling 4.1.1 Gevallen waarin hoger beroep openstaat
Afdeling 4.1.2 De voorbereiding van de terechtzitting
Afdeling 4.1.3 De oproeping voor de terechtzitting
Afdeling 4.1.4 Het onderzoek op de terechtzitting
Afdeling 4.1.5 De beraadslaging, de uitspraak en het eindarrest
Titel 4.2 Hoger beroep in het geval van verbonden vorderingen
Afdeling 4.2.1 De vordering van de benadeelde partij
Afdeling 4.2.2 De vordering tot tenuitvoerlegging
Afdeling 4.2.3 De vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel
Titel 4.3 De enkelvoudige kamer
Titel 4.4 Herstelbeslissingen
Hoofdstuk 5 Beroep in cassatie tegen arresten
Titel 5.1 Beroep in cassatie tegen eindarresten en tussenarresten
Afdeling 5.1.1 Gevallen waarin beroep in cassatie openstaat
Afdeling 5.1.2 De voorbereiding van de behandeling van het beroep in cassatie
Afdeling 5.1.3 De behandeling van het beroep in cassatie
Titel 5.2 Beroep in cassatie in het geval van verbonden vorderingen
Afdeling 5.2.1 De vordering van de benadeelde partij
Afdeling 5.2.2 De vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel
Titel 5.3 Herstelarresten
Hoofdstuk 6 Gewone rechtsmiddelen tegen andere beslissingen
Hoofdstuk 7 Cassatie in het belang van de wet
Hoofdstuk 8 Herziening van arresten en vonnissen
Titel 8.1 Herziening ten voordele van de gewezen verdachte
- Artikel 5.8.1
- Artikel 5.8.2
- Artikel 5.8.3
- Artikel 5.8.4
- Artikel 5.8.5
- Artikel 5.8.6
- Artikel 5.8.7
- Artikel 5.8.8
- Artikel 5.8.9
- Artikel 5.8.10
- Artikel 5.8.11
- Artikel 5.8.12
- Artikel 5.8.13
- Artikel 5.8.14
- Artikel 5.8.15
- Artikel 5.8.16
- Artikel 5.8.17
- Artikel 5.8.18
- Artikel 5.8.19
- Artikel 5.8.20
- Artikel 5.8.21
- Artikel 5.8.22
- Artikel 5.8.23
- Artikel 5.8.24
- Artikel 5.8.25
- Artikel 5.8.26
Titel 8.2 Herziening ten nadele van de gewezen verdachte
Boek 6 Bijzondere regelingen
Hoofdstuk 1 Voorzieningen vanwege de persoon van de verdachte
Titel 1.1 Jeugdigen en jongvolwassenen
Afdeling 1.1.1 Verdachten die ten tijde van het begaan van het strafbaar feit nog niet de leeftijd van twaalf jaar hebben bereikt
Afdeling 1.1.2 Verdachten die ten tijde van het begaan van het strafbaar feit de leeftijd van twaalf jaar maar nog niet die van achttien jaar hebben bereikt
Afdeling 1.1.3 Verdachten die ten tijde van het begaan van het strafbaar feit de leeftijd van achttien jaar maar nog niet die van drieëntwintig jaar hebben bereikt
Afdeling 1.1.4 De raad voor de kinderbescherming
Afdeling 1.1.5 De betrokkenheid van de ouder of een persoon naar keuze
Afdeling 1.1.6 Vordering van de benadeelde partij
Titel 1.2 Verdachten die door een beperking of een ziekte onvoldoende in staat zijn aan het proces tegen hen deel te nemen
Titel 1.3 Rechtspersonen
Titel 1.4 Rechterlijke ambtenaren
Hoofdstuk 2 Procesincidenten
Hoofdstuk 4 Bijzondere procedures
Titel 4.1 Beklag met betrekking tot voorwerpen en gegevens
Afdeling 4.1.1 Beklag met betrekking tot voorwerpen
Afdeling 4.1.2 Beklag met betrekking tot gegevens
Afdeling 4.1.3 Behandeling van het klaagschrift
Titel 4.2 Afzonderlijke rechterlijke beslissing met betrekking tot voorwerpen en gegevens
Titel 4.3 Rechtsmiddelen
Hoofdstuk 5 Bevoegdheden van bijzondere aard
Titel 5.1 Gedragsaanwijzing ter beëindiging van ernstige overlast
Titel 5.2 Bevoegdheden bij het ontruimen van een gekraakt pand
Afdeling 5.2.1 Bevoegdheden
Afdeling 5.2.2 Rechtsmiddelen
Titel 5.3 Bevoegdheden tot het betreden van plaatsen in verband met bepaalde misdrijven
Titel 5.4 Bevoegdheden in geval van aanwijzingen van een terroristisch misdrijf
Titel 5.5 Bevoegdheden in verband met de ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Afdeling 5.5.1 Bevoegdheden
Afdeling 5.5.2 Rechtsmiddelen
Titel 5.6 Bevoegdheden tot vastlegging en raadpleging van kentekengegevens
Titel 5.7 Onderzoek naar gebruik van geweld door ambtenaren
Hoofdstuk 6 Schadevergoeding en kosten
Boek 9 Slotbepalingen
Hoofdstuk 3
Artikel 4.3.2
Indien het onderzoek op grond van artikel 4.3.1 daartoe aanleiding geeft, spreekt de rechtbank de nietigheid van de tenlastelegging, haar onbevoegdheid of de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie uit.
Artikel 4.3.3
Indien het onderzoek op grond van artikel 4.3.1 niet leidt tot toepassing van artikel 4.3.2, beraadslaagt de rechtbank op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting over de vraag of bewezen is dat het feit door de verdachte is begaan, en, zo ja, welk strafbaar feit het bewezenverklaarde volgens de wet oplevert. Indien wordt aangenomen dat het feit bewezen en strafbaar is, beraadslaagt de rechtbank over de vraag of een strafuitsluitingsgrond de strafbaarheid van de verdachte wegneemt en over de oplegging van een of meer bij de wet bepaalde straffen of maatregelen.
Artikel 4.3.4
-
Acht de rechtbank het tenlastegelegde feit bewezen, het bewezenverklaarde feit een strafbaar feit en de verdachte vanwege dat feit strafbaar, dan legt zij, behoudens bij toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, een of meer straffen of maatregelen op binnen de grenzen bij de wet bepaald.
-
De rechtbank kan bewezen verklaren dat de verdachte één uit meer strafbare feiten heeft begaan en het bewezenverklaarde alternatief kwalificeren tenzij dat niet te verenigen is met een goede procesorde. Bij een alternatieve kwalificatie kunnen de straffen en maatregelen worden opgelegd die op elk van deze feiten zijn gesteld. Een alternatieve kwalificatie blijft achterwege in het geval beide strafbare feiten niet hetzelfde feit in de zin van artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht betreffen.
Artikel 4.3.5
-
Acht de rechtbank niet bewezen dat de verdachte het hem tenlastegelegde feit heeft begaan, dan spreekt zij hem vrij.
-
Acht de rechtbank het tenlastegelegde feit bewezen maar het bewezenverklaarde feit geen strafbaar feit of de verdachte vanwege dat feit niet strafbaar, dan ontslaat zij hem van alle rechtsvervolging ter zake van dat feit. In het geval, bedoeld in artikel 39 van het Wetboek van Strafrecht, kan zij tevens een maatregel opleggen als voorzien in de artikelen 37a, 37b of 77s van het Wetboek van Strafrecht, indien de wettelijke voorwaarden daarvoor zijn vervuld.
Artikel 4.3.6
-
In het nadeel van de verdachte wordt geen acht geslagen op processtukken die niet ter sprake zijn gebracht tijdens het onderzoek op de terechtzitting, tenzij artikel 4.2.31, vierde lid, is toegepast.
-
In het nadeel van de verdachte wordt geen acht geslagen op processtukken bestaande uit geluids- of beeldopnamen die niet tijdens het onderzoek op de terechtzitting zijn vertoond of ten gehore gebracht dan wel daar met instemming van de verdachte kort zijn aangeduid of samengevat, tenzij artikel 4.2.31, vierde lid, is toegepast.
-
In het nadeel van de verdachte worden aan een beslissing geen waarnemingen ten grondslag gelegd waarvan het gebruik niet voorzienbaar is.
-
In de gevallen waarin de bijstand van een tolk nodig is, wordt in het nadeel van de verdachte geen acht geslagen op hetgeen op de terechtzitting is gezegd of ten gehore gebracht zonder dat dit voor hem is vertolkt.
Artikel 4.3.7
-
Het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, dient op wettige bewijsmiddelen te steunen.
-
Het bewijs kan slechts worden aangenomen als buiten redelijke twijfel staat dat de verdachte het feit heeft begaan.
-
Indien de rechtbank er niet van overtuigd is dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, spreekt zij hem daarvan vrij.
Artikel 4.3.8
-
Als wettige bewijsmiddelen worden alleen erkend:
de verklaring van de verdachte;
de verklaring van een getuige;
de verklaring van een deskundige;
een schriftelijk stuk;
een geluids- of beeldopname;
de eigen waarneming van de rechter.
-
Feiten of omstandigheden van algemene bekendheid behoeven geen bewijs.
Artikel 4.3.9
-
Onder verklaring van de verdachte wordt verstaan zijn bij het onderzoek op de terechtzitting gedane mededeling van feiten of omstandigheden, hem uit eigen wetenschap bekend.
-
Onder verklaring van een getuige wordt verstaan zijn bij het onderzoek op de terechtzitting gedane mededeling van feiten of omstandigheden die hij zelf heeft waargenomen of ondervonden.
-
Onder verklaring van een deskundige wordt verstaan zijn bij het onderzoek op de terechtzitting gedane mededeling van wat zijn wetenschap en kennis hem leren omtrent datgene wat aan zijn oordeel is onderworpen.
-
Een mededeling van de verdachte, een getuige of een deskundige als in het eerste, tweede en derde lid bedoeld die elders dan op de terechtzitting is gedaan, kan tot het bewijs meewerken indien daarvan uit een wettig bewijsmiddel blijkt.
-
Onder eigen waarneming van de rechter wordt verstaan de waarneming die bij het onderzoek op de terechtzitting door hem persoonlijk is gedaan.
Artikel 4.3.10
-
Het bewijs dat de verdachte het feit heeft begaan, kan niet uitsluitend worden aangenomen op de mededelingen van de verdachte.
-
Het bewijs dat de verdachte het feit heeft begaan, kan niet uitsluitend worden aangenomen op de mededelingen van één getuige.
-
Het bewijs dat de verdachte het feit heeft begaan, kan worden aangenomen op het proces-verbaal dat in de wettelijke vorm is opgemaakt door een opsporingsambtenaar die daartoe bevoegd is en zijn mededeling weergeeft van feiten of omstandigheden die hij zelf heeft waargenomen of ondervonden.
Artikel 4.3.11
-
Het bewijs dat de verdachte het feit heeft begaan, kan niet in beslissende mate steunen op mededelingen van een persoon die de verdachte niet heeft kunnen ondervragen, tenzij het recht op een eerlijk proces daardoor niet wordt geschonden.
-
Het bewijs dat de verdachte het feit heeft begaan, kan niet steunen op mededelingen die de verdachte op grond van een wettelijke verplichting tot het verschaffen van informatie heeft gedaan, tenzij het recht op een eerlijk proces daardoor niet wordt geschonden.
Artikel 4.3.12
-
De rechtbank kent een schadevergoeding toe indien de zaak niet binnen een redelijke termijn is berecht en schadevergoeding in het belang is van een goede rechtsbedeling.
-
Bij de vraag of schadevergoeding in het belang is van een goede rechtsbedeling kan onder meer rekening worden gehouden met het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het onrechtmatig handelen en het daardoor veroorzaakte nadeel.
-
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de wijze waarop de schadevergoeding wordt berekend en de maximale hoogte van de schadevergoeding.
Artikel 4.3.13
-
Onrechtmatig handelen bij het opsporingsonderzoek of de vervolging leidt tot strafvermindering indien het daardoor veroorzaakte nadeel langs deze weg kan worden gecompenseerd en strafvermindering in het belang is van een goede rechtsbedeling.
-
Artikel 4.3.12, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 4.3.14
-
Indien bij het opsporingsonderzoek of de vervolging bij de verkrijging van bewijsmiddelen onrechtmatig is gehandeld, kunnen deze bijdragen aan het bewijs van het tenlastegelegde feit tenzij het belang van een goede rechtsbedeling zich daartegen verzet.
-
Bij onrechtmatig handelen door het openbaar ministerie of opsporingsambtenaren kan het belang van een goede rechtsbedeling meebrengen dat de resultaten worden uitgesloten van het bewijs met als doel te bevorderen dat in overeenstemming met de geschonden norm wordt gehandeld.
-
Artikel 4.3.12, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 4.3.15
-
Het openbaar ministerie verliest het recht om de verdachte te vervolgen indien door onrechtmatig handelen bij het opsporingsonderzoek of de vervolging een eerlijk proces niet meer mogelijk is.
-
Het openbaar ministerie verliest, behoudens zwaarwegende omstandigheden, het recht om de verdachte te vervolgen indien het onrechtmatig handelen bij het opsporingsonderzoek of de vervolging niet te verenigen is met de basisvoorwaarden voor een behoorlijke berechting.
-
De vervolging van de verdachte is niet te verenigen met de basisvoorwaarden voor een behoorlijke berechting indien onjuist of onvolledig verslag wordt gedaan van ernstig onrechtmatig handelen door een opsporingsambtenaar dat met het tenlastegelegde strafbare feit verband houdt en dit verzuim niet tijdig wordt rechtgezet.
-
Indien het openbaar ministerie weigert om een op de terechtzitting gegeven bevel van de rechter ten uitvoer te leggen, wordt de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard indien dat in het belang is van een goede rechtsbedeling. Artikel 4.3.13, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 4.3.16
Indien het onrechtmatig handelen heeft plaatsgevonden buiten het opsporingsonderzoek of de vervolging zijn de artikelen 4.3.13, 4.3.14 en 4.3.15, eerste, tweede en derde lid, van overeenkomstige toepassing indien dat handelen van bepalende invloed is geweest op het opsporingsonderzoek naar of de vervolging van de verdachte ter zake van het tenlastegelegde feit.
Artikel 4.3.17
-
In het geval van toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, van oplegging van straf of maatregel, van vrijspraak of ontslag van alle rechtsvervolging neemt de rechtbank een beslissing over de met toepassing van artikel 2.7.4, eerste lid, inbeslaggenomen voorwerpen ten aanzien waarvan nog geen bevel tot teruggave is gegeven. Deze beslissing laat ieders rechten ten aanzien van het voorwerp onverlet.
-
De rechtbank beveelt, onverminderd artikel 4.3.4, eerste lid:
de teruggave van het voorwerp aan degene bij wie het is inbeslaggenomen;
de teruggave van het voorwerp aan degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt; of
indien geen persoon als rechthebbende kan worden aangemerkt, de bewaring van het voorwerp ten behoeve van de rechthebbende.
-
Op dit bevel is artikel 2.7.29 van toepassing.
-
De rechtbank kan de teruggave van inbeslaggenomen voorwerpen onder zekerheidstelling bevelen. Artikel 2.7.30 is van overeenkomstige toepassing.
-
Artikel 2.7.24, tweede lid, is van toepassing.
Artikel 4.3.18
-
In de gevallen, bedoeld in artikel 4.3.17, eerste lid, neemt de rechtbank een beslissing over de met toepassing van de artikelen 2.7.56 en 2.8.16, eerste lid, onderdeel e, ontoegankelijk gemaakte gegevens indien de desbetreffende maatregelen nog niet zijn opgeheven.
-
Voor zover de vernietiging noodzakelijk is ter voorkoming van nieuwe strafbare feiten kan de rechtbank bevelen dat de gegevens worden vernietigd indien het gegevens betreft:
met betrekking tot welke of met behulp waarvan een strafbaar feit is begaan; of
die van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit ervan in strijd is met de wet of het algemeen belang.
In alle andere gevallen beveelt de rechtbank dat de gegevens toegankelijk worden gemaakt voor de personen, genoemd in artikel 2.7.56, tweede en vierde lid.
-
In de gevallen, bedoeld in artikel 4.3.17, eerste lid, neemt de rechtbank tevens een beslissing over het bevel, bedoeld in artikel 2.7.57, indien een dergelijk bevel nog niet is opgeheven.
Artikel 4.3.19
-
Indien ter zake van hetzelfde feit een strafbeschikking is voorafgegaan, maar geen verzet is gedaan, vernietigt de rechtbank de strafbeschikking indien hij de verdachte vrijspreekt, ontslaat van alle rechtsvervolging of veroordeelt. Indien de rechtbank de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie uitspreekt, kan zij de strafbeschikking vernietigen.
-
Indien de strafbeschikking reeds geheel of ten dele is tenuitvoergelegd, houdt de rechtbank daarmee rekening bij het bepalen van de op te leggen straf of maatregel.
Artikel 4.3.20
-
Het eindvonnis bevat voor zover mogelijk:
naam en voornamen;
geboortedatum en geboorteplaats; en
woon- of verblijfplaats
van de verdachte.
-
Het eindvonnis bevat voorts de namen van de rechters door wie het is gewezen en vermeldt de dag van de uitspraak.
-
Het eindvonnis bevat het tenlastegelegde en de vordering van de officier van justitie.
Artikel 4.3.21
-
Het eindvonnis bevat de beslissing van de rechtbank op de vragen die in de artikelen 4.3.1 en 4.3.3 zijn vermeld.
-
Het eindvonnis bevat, voor zover de artikelen 4.3.17 tot en met 4.3.19 van toepassing zijn, de daarbij vermelde beslissingen.
-
Het eindvonnis bevat de beslissingen van de rechtbank over de voorlopige hechtenis die volgens de wet op de terechtzitting worden genomen, indien die beslissingen niet al in de loop van het onderzoek op de terechtzitting zijn uitgesproken.
-
Het eindvonnis bevat de beslissing op een vordering of een verzoek als bedoeld in artikel 4.2.6, eerste lid, indien die beslissing niet al in de loop van het onderzoek op de terechtzitting is uitgesproken.
-
Het eindvonnis bevat de beslissing over de toekenning van schadevergoeding ingevolge artikel 4.3.12.
Artikel 4.3.22
-
De beslissingen die in artikel 4.3.21 zijn vermeld, zijn gemotiveerd voor zover dat voor de begrijpelijkheid noodzakelijk is, in die zin dat die beslissingen inzichtelijk en controleerbaar zijn.
-
Indien de rechtbank in strijd met een door de verdachte uitdrukkelijk voorgedragen standpunt aanneemt dat het tenlastegelegde een bepaald strafbaar feit oplevert of dat een bepaalde strafuitsluitingsgrond of wettelijke strafverminderingsgrond niet van toepassing is, dan geeft het eindvonnis de redenen op die daaraan ten grondslag liggen.
-
Indien een beslissing van de rechtbank op de vragen die in de artikelen 4.3.1 en 4.3.3 zijn vermeld afwijkt van een ander door de verdachte uitdrukkelijk voorgedragen standpunt, dan wel van een standpunt dat door de officier van justitie uitdrukkelijk is voorgedragen, dan geeft het eindvonnis de redenen op die daaraan ten grondslag liggen indien dat standpunt deugdelijk is onderbouwd.
-
Indien de rechtbank in afwijking van een uitdrukkelijk voorgedragen standpunt tot een bewezenverklaring komt, kunnen de redenen die daaraan ten grondslag liggen ook worden opgenomen in de aanvulling bedoeld in artikel 4.3.23, derde lid.
Artikel 4.3.23
-
Het eindvonnis bevat de uit wettige bewijsmiddelen blijkende redengevende feiten en omstandigheden waar de beslissing dat het tenlastegelegde feit door de verdachte is begaan op steunt.
-
Voor zover de verdachte het bewezenverklaarde heeft bekend kan een opgave volstaan van de bewijsmiddelen waar de redengevende feiten en omstandigheden uit blijken, tenzij de verdachte nadien anders heeft verklaard.
-
Indien aan de verdachte niet een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel van meer dan een jaar wordt opgelegd, behoeven de redengevende feiten en omstandigheden dan wel een opgave van de bewijsmiddelen waar zij uit blijken niet in het eindvonnis te worden opgenomen. Het eindvonnis wordt in dat geval aangevuld met een weergave van de uit de bewijsmiddelen blijkende redengevende feiten en omstandigheden dan wel een opgave van de bewijsmiddelen indien binnen drie maanden na de uitspraak een gewoon rechtsmiddel tegen het vonnis wordt aangewend.
-
Aanvulling vindt plaats binnen drie maanden na het aanwenden van het rechtsmiddel. De aanvulling wordt ondertekend door één van de rechters die het eindvonnis hebben gewezen of, indien zij daar niet toe in staat zijn, door de voorzitter van het bestuur van de rechtbank dan wel een door deze aangewezen rechter.
-
Aan een vordering van de officier van justitie of een verzoek van de verdachte om het eindvonnis aan te vullen wordt gevolg gegeven indien de vordering of het verzoek binnen drie maanden na de uitspraak is gedaan.
Artikel 4.3.24
Het eindvonnis dan wel de aanvulling, bedoeld in artikel 4.3.23, derde lid, geeft in het bijzonder de redenen op die hebben geleid tot het gebruik als bewijsmiddel, indien dat gebruik is betwist, van een verklaring die of een schriftelijk stuk dat mededelingen bevat van:
een persoon met een psychische stoornis, psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap;
een persoon die de leeftijd van zestien jaar nog niet heeft bereikt;
een afgeschermde getuige;
een persoon van wie de identiteitsgegevens niet volledig bekend zijn;
een persoon met wie op grond van artikel 2.10.60, derde lid, of artikel 2.10.63 door de officier van justitie een afspraak is gemaakt;
een persoon die de juistheid van die mededelingen later bij een verhoor door een rechter heeft ontkend; of
een persoon die verdacht wordt van het deelnemen aan hetzelfde feit.
Artikel 4.3.25
-
Het eindvonnis vermeldt, in geval van oplegging van straf of maatregel dan wel toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, de wettelijke voorschriften waarop deze is gegrond.
-
Het eindvonnis geeft in het bijzonder de redenen op die de straf hebben bepaald of tot de maatregel hebben geleid.
-
Indien een strafbaar feit in de procesinleiding ter kennis van de rechtbank is gebracht met het oog op het bepalen van de straf, dan blijkt uit het eindvonnis of daar bij het bepalen van de straf op is gelet.
-
Indien de in Titel IIIa van het Eerste Boek van het Wetboek van Strafrecht omschreven grond tot vermindering van de opgelegde straf heeft geleid, blijkt uit het eindvonnis in hoeverre deze de straf mee heeft bepaald.
-
Als de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege is opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, dan geeft het vonnis dit gemotiveerd aan.
-
Bij toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geeft het eindvonnis in het bijzonder de redenen op die daartoe hebben geleid.
-
Het eindvonnis vermeldt, in geval van oplegging van een vrijheidsstraf, gelet op de mogelijkheid van deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire Beginselenwet of de voorwaardelijke invrijheidstelling, bedoeld in artikel 6:2:10, welk gedeelte van die straf in ieder geval wordt tenuitvoergelegd.
Artikel 4.3.26
-
Het eindvonnis wordt uitgesproken op een openbare zitting van de rechtbank. De officier van justitie en de griffier zijn hierbij aanwezig.
-
De uitspraak wordt zo mogelijk gedaan door de voorzitter of door een rechter die over de zaak heeft geoordeeld.
-
Voor de verdachte die tijdens het onderzoek op de terechtzitting door een tolk is bijgestaan en die bij de uitspraak aanwezig is, wordt de uitspraak vertolkt.
Artikel 4.3.27
-
De verdachte die zich ter zake van het tenlastegelegde feit in voorlopige hechtenis bevindt, is bij de uitspraak aanwezig. Een verdachte ten aanzien van wie geen bevel tot medebrenging is gegeven, kan te kennen geven niet aanwezig te zullen zijn bij de uitspraak. Dat geldt niet voor de verdachte, bedoeld in artikel 4.2.2, eerste lid.
-
Indien een verdachte als bedoeld in het eerste lid, eerste zin, niet in staat is bij de uitspraak tegenwoordig te zijn, of indien een verdachte als bedoeld in artikel 4.2.2 niet aanwezig is wegens toepassing van artikel 4.2.2, tweede lid, wordt het eindvonnis hem zo spoedig mogelijk door de griffier voorgelezen, met de mededeling bedoeld in artikel 4.3.28. De griffier maakt daarvan proces-verbaal op.
-
Indien de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt in een ander arrondissement dan dat waar de berechting heeft plaatsgevonden, kan de voorlezing van het eindvonnis worden gedaan door de griffier van de rechtbank in het arrondissement waar de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt.
Artikel 4.3.28
Indien de verdachte bij de uitspraak van het eindvonnis aanwezig is, deelt de voorzitter hem mee of een rechtsmiddel tegen het eindvonnis openstaat en, zo ja, binnen welke termijn dat rechtsmiddel kan worden aangewend.
Artikel 4.3.29
Het eindvonnis wordt binnen twee dagen na de uitspraak ondertekend door de rechters die over de zaak hebben geoordeeld en door de griffier die bij de beraadslaging aanwezig is geweest. De griffier brengt het ondertekende vonnis binnen twee weken ter kennis van het openbaar ministerie.
Artikel 4.3.30
-
De officier van justitie brengt het eindvonnis na ondertekening ter kennis van de verdachte die niet bij de uitspraak aanwezig is geweest.
-
Het eindvonnis wordt, behoudens het vierde lid, aan de verdachte betekend indien:
de procesinleiding of de oproeping voor de terechtzitting niet in persoon aan de verdachte is betekend;
de verdachte noch een uitdrukkelijk gemachtigde raadsman op de terechtzitting is verschenen; en
geen sprake is van een andere omstandigheid waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting of de dag waarop het eindvonnis is uitgesproken de verdachte tevoren bekend was.
-
Het eindvonnis wordt, behoudens het vierde lid, aan de verdachte betekend indien:
de procesinleiding niet binnen zes weken nadat de verdachte verzet tegen een strafbeschikking ter zake van hetzelfde feit heeft ingesteld, in overeenstemming met de wettelijke regeling aan hem is betekend en aan hem geen onvoorwaardelijke straf of maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming van langere duur meebrengt dan zes maanden;
de verdachte noch een uitdrukkelijk gemachtigde raadsman op de terechtzitting is verschenen; en
geen sprake is van een andere omstandigheid waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting of de dag waarop het eindvonnis is uitgesproken de verdachte tevoren bekend was.
-
Indien het onderzoek op de terechtzitting voor onbepaalde tijd is geschorst, wordt het eindvonnis aan de verdachte betekend indien:
de oproeping voor de nadere terechtzitting niet in persoon aan de verdachte is betekend;
de verdachte noch een uitdrukkelijk gemachtigde raadsman op de nadere terechtzitting is verschenen; en
geen sprake is van een andere omstandigheid waaruit voortvloeit dat de dag van de nadere terechtzitting of de dag waarop het eindvonnis is uitgesproken de verdachte tevoren bekend was.
-
Het eindvonnis wordt in persoon aan de verdachte betekend indien:
het op grond van het tweede, derde of vierde lid dient te worden betekend en een van de artikelen 14a, 22c, 38v, 38z, 77m of 77x van het Wetboek van Strafrecht is toegepast; of
artikel 38 van het Wetboek van Strafrecht is toegepast, zodra het eindvonnis onherroepelijk is geworden.
-
Onder het eindvonnis zijn begrepen de stukken die daarvan als bijlage deel uitmaken.
-
De officier van justitie brengt het eindvonnis desgevraagd ter kennis van de verdachte die bij de uitspraak aanwezig is geweest.
-
In geval het eindvonnis wordt aangevuld op de voet van artikel 4.3.23, derde lid, brengt de officier van justitie de aanvulling ter kennis van de verdachte.
Artikel 4.3.31
-
Indien de verdachte de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst, stelt de officier van justitie hem in een voor hem begrijpelijke taal in kennis van:
de beslissing op grond van artikel 4.3.2 dan wel de beslissing tot veroordeling, vrijspraak of ontslag van alle rechtsvervolging;
indien een veroordeling of ontslag van alle rechtsvervolging is uitgesproken, de benaming van het strafbare feit dat het bewezenverklaarde oplevert met vermelding van de plaats waar en het tijdstip waarop het is begaan;
een opgelegde straf of maatregel, alsmede de wettelijke voorschriften waarop deze is gegrond;
indien een van de artikelen 14a, 22c, 38v, 38z, 77m of 77x van het Wetboek van Strafrecht is toegepast,
- 1°
alle beslissingen die betrekking hebben op de in deze artikelen bedoelde algemene en bijzondere voorwaarden, vrijheidsbeperkende maatregel of taakstraf;
- 2°
de datum van ingang van de proeftijd of maatregel, dan wel van de termijn binnen welke de taakstraf moet worden voltooid.
- 1°
-
Artikel 4.3.30, tweede tot en met vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
-
De kennisgeving behoeft niet te worden toegezonden of betekend indien de verdachte bij de uitspraak aanwezig is geweest en deze op grond van artikel 4.3.26, derde lid, voor hem is vertolkt.
Artikel 4.3.32
De voorzitter of een andere rechter die over de zaak heeft geoordeeld verstrekt het eindvonnis desgevraagd aan ieder ander dan de verdachte en zijn raadsman, tenzij dit naar zijn oordeel ter bescherming van de belangen van degene ten aanzien van wie het eindvonnis is gewezen of van derden dient te worden geweigerd. In het laatste geval kan een geanonimiseerd eindvonnis, een deel van het eindvonnis of een uittreksel daarvan worden verstrekt.