-
De processtukken worden door de voorzitter of een van de rechters ter sprake gebracht voor zover deze van belang kunnen zijn voor de door de rechtbank te nemen beslissingen.
-
Door de officier van justitie en door de verdachte aangeduide processtukken of delen daarvan worden op hun vordering of verzoek eveneens ter sprake gebracht.
-
Het ter sprake brengen van processtukken kan bestaan uit het kort aanduiden, het samenvatten of het voorlezen van de inhoud. Het ter sprake brengen van processtukken bestaande uit geluids- of beeldopnamen kan bestaan uit het kort aanduiden, het samenvatten, het vertonen of het ten gehore brengen van de inhoud.
-
Het ter sprake brengen van processtukken kan achterwege blijven indien de officier van justitie en de verdachte daarmee instemmen. Indien op de terechtzitting een slachtoffer aanwezig is, kan het ter sprake brengen achterwege blijven indien ook het slachtoffer daarmee instemt.
-
Indien een schriftelijke uitwisseling van standpunten heeft plaatsgehad, wordt de inhoud daarvan in elk geval kort aangeduid overeenkomstig het derde lid.
Nieuw Wetboek van Strafvordering Laatste controle 30-03-2026, laatste wijziging 18-03-2026.
Inhoud
Boek 1 Strafvordering in het algemeen
Hoofdstuk 1 Inleidende bepalingen en definities
Titel 1.1 Inleidende bepalingen
Hoofdstuk 2 De behandeling van zaken door de rechter
Hoofdstuk 3 Vervolging en opsporing van strafbare feiten
Hoofdstuk 4 De verdachte en zijn raadsman
Titel 4.1 De verdachte
Titel 4.2 De raadsman
Afdeling 4.2.1 Het optreden van de raadsman
Afdeling 4.2.2 De bevoegdheden van de raadsman
Hoofdstuk 5 Het slachtoffer
Hoofdstuk 6 De getuige
Hoofdstuk 7 De deskundige
Hoofdstuk 8 De processtukken
Hoofdstuk 9 Overdracht van berichten en het indienen van stukken
Hoofdstuk 11 Enige algemene voorzieningen
Titel 11.1 Herstelrecht
Titel 11.2 Videoconferentie
Titel 11.3 De inzet van tolken
Titel 11.4 Opdrachten aan de reclassering
Titel 11.5 Verstoring van ambtsverrichtingen
Boek 2 Het opsporingsonderzoek
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Titel 1.1 Definities
Titel 1.2 Algemene bepalingen over de uitoefening van bevoegdheden in het kader van het opsporingsonderzoek
Titel 1.3 Algemene bevoegdheid
Titel 1.4 Verslaglegging door opsporingsambtenaren
Titel 1.5 Vastlegging van bevelen en van machtigingen en vorderingen daartoe
Titel 1.6 Toestemming voor onderzoekshandelingen
Hoofdstuk 2 De aangifte
Hoofdstuk 3 Het verhoor door opsporingsambtenaren
Hoofdstuk 4 Deskundigenonderzoek in opdracht van de officier van justitie
Hoofdstuk 5 Bevoegdheden tot vrijheidsbeperking en vrijheidsbeneming
Titel 5.1 Algemene bepalingen
Titel 5.2 Staandehouding en aanhouding
Titel 5.3 Ophouden voor onderzoek en inverzekeringstelling
Afdeling 5.3.1 Ophouden voor onderzoek
Afdeling 5.3.2 Inverzekeringstelling
Afdeling 5.3.3 Maatregelen ten aanzien van de voor onderzoek opgehouden of in verzekering gestelde verdachte
Afdeling 5.3.4 Voorgeleiding aan de rechter-commissaris
Titel 5.4 Voorlopige hechtenis
Afdeling 5.4.1 Algemene bepalingen
Afdeling 5.4.2 Toepassingsvoorwaarden
Afdeling 5.4.3 Schorsing van de voorlopige hechtenis
Afdeling 5.4.4 Opheffing van de voorlopige hechtenis
Afdeling 5.4.5 Bewaring
Afdeling 5.4.6 Gevangenhouding en gevangenneming
Afdeling 5.4.7 Beslissingen over voorlopige hechtenis in het eindvonnis
Afdeling 5.4.8 Voorlopige hechtenis na hoger beroep tegen het eindvonnis
Titel 5.5 Rechtsmiddelen
Afdeling 5.5.1 Bezwaar tegen het opleggen van maatregelen
Afdeling 5.5.2 Beroep tegen de directe invrijheidstelling van de verdachte
Afdeling 5.5.3 Beroep tegen beslissingen met betrekking tot de voorlopige hechtenis
Hoofdstuk 6 Bevoegdheden met betrekking tot het lichaam
Titel 6.1 Algemene bepalingen
Afdeling 6.1.1 Bevel officier van justitie
Afdeling 6.1.2 Onderzoek en fase van vrijheidsbeneming
Afdeling 6.1.3 Toestemming
Afdeling 6.1.4 Delegatie
Titel 6.2 Onderzoek aan de kleding en onderzoek van meegevoerde voorwerpen
Titel 6.3 Onderzoek aan het lichaam
Titel 6.4 Onderzoek in het lichaam
Titel 6.5 Overige onderzoeken met betrekking tot het lichaam
Afdeling 6.5.1 Het nemen van vingerafdrukken en gezichtsopnamen ter identiteitsvaststelling
Afdeling 6.5.2 Onderzoek naar gebruik van geweldbevorderende middelen
Afdeling 6.5.3 Het maken van beeldopnamen, het opmeten van lichaamsmaten en het nemen van lichaamsafdrukken, -haar en -materiaal
Afdeling 6.5.4 Onderzoek ten aanzien van fysieke eigenschappen
Afdeling 6.5.5 Het houden van een confrontatie
Afdeling 6.5.6 DNA-onderzoek
Afdeling 6.5.7 Onderzoek naar een ernstige besmettelijke ziekte
Titel 6.6 Onderzoek met betrekking tot het lichaam van een overleden verdachte of slachtoffer
Titel 6.7 Bevoegdheden van de rechter-commissaris
Titel 6.8 Rechtsmiddelen
Hoofdstuk 7 Bevoegdheden met betrekking tot voorwerpen en gegevens
Titel 7.1 Algemene bepalingen
Titel 7.2 Inbeslagneming van voorwerpen
Afdeling 7.2.1 Algemene bepalingen
Afdeling 7.2.2 Bevoegdheden tot inbeslagneming van voorwerpen
Afdeling 7.2.3 Inbeslagneming tot bewaring van het recht tot verhaal
Afdeling 7.2.4 Teruggave en bewaring van inbeslaggenomen voorwerpen
Titel 7.3 Onderzoek van gegevens
Afdeling 7.3.1 Algemene bepalingen
Afdeling 7.3.2 Bevoegdheden
Afdeling 7.3.3 Verstrekking van gegevens ten behoeve van het onderzoek
Titel 7.4 Ontoegankelijkmaking van gegevens
Titel 7.5 Uitoefening van bevoegdheden in het geval van verschoningsrecht
Titel 7.6 Onderzoek ter plaatse
Titel 7.7 Bevoegdheden van de rechter-commissaris
Titel 7.8 Rechtsmiddelen
Hoofdstuk 8 Heimelijke bevoegdheden
Titel 8.1 Algemene bepalingen
Afdeling 8.1.1 Bevel officier van justitie
Afdeling 8.1.2 Kennisgeving aan betrokkene
Afdeling 8.1.3 Voeging gegevens functioneel verschoningsgerechtigden
Afdeling 8.1.4 Technische hulpmiddelen
Afdeling 8.1.5 Verplichting tot inbeslagneming
Afdeling 8.1.6 Uitstel melding onbekende kwetsbaarheden
Titel 8.2 De bevoegdheden
Afdeling 8.2.1 Stelselmatige observatie
Afdeling 8.2.2 Stelselmatig overnemen persoonsgegevens uit publiek toegankelijke bronnen
Afdeling 8.2.3 Bevoegdheden ten aanzien van een besloten plaats
Afdeling 8.2.4 Pseudo-koop of -dienstverlening
Afdeling 8.2.5 Stelselmatige inwinning van informatie
Afdeling 8.2.6 Infiltratie
Afdeling 8.2.7 Vastleggen communicatie die plaatsvindt door middel van een aanbieder van een communicatiedienst
Afdeling 8.2.8 Vastleggen vertrouwelijke communicatie
Afdeling 8.2.9 Toegang op afstand tot een digitale-gegevensdrager of geautomatiseerd werk
Afdeling 8.2.10 Stelselmatige locatiebepaling
Titel 8.3 Bijstand door burgers bij de uitoefening van heimelijke bevoegdheden
Titel 8.4 Personen in de openbare dienst van een vreemde staat
Titel 8.5 Maatregelen in het belang van de veiligheid
Titel 8.6 Vermoeden georganiseerd verband en aanwijzingen terroristisch misdrijf
Titel 8.7 Rechtsmiddelen
Hoofdstuk 9 Het verkennend onderzoek
Hoofdstuk 10 Onderzoek door de rechter-commissaris
Titel 10.1 Algemene bepalingen
Titel 10.2 Bevoegdheden met betrekking tot de verdachte
Afdeling 10.2.1 Het verhoor van de verdachte
Afdeling 10.2.2 Observatie van de verdachte
Titel 10.3 Het verhoor van de getuige
Titel 10.4 De benoeming en het verhoor van een deskundige
Afdeling 10.4.1 De benoeming van een deskundige
Afdeling 10.4.2 Het verhoor van een deskundige
Titel 10.5 Getuigen aan wie toezeggingen zijn gedaan
Titel 10.6 Voortgangsbewaking door de rechter-commissaris
Titel 10.7 Beëindiging van het onderzoek
Titel 10.8 Rechtsmiddelen
Boek 3 Beslissingen over vervolging
Hoofdstuk 2 Bezwaarschrift tegen de procesinleiding
Hoofdstuk 3 De strafbeschikking
Titel 3.1 Inhoud van de strafbeschikking
Titel 3.2 Uitvaardigen van de strafbeschikking door opsporingsambtenaren en lichamen of personen, met een publieke taak belast
Titel 3.3 Waarborgen bij het uitvaardigen van de strafbeschikking
Titel 3.4 Uitreiken en toezenden van de strafbeschikking
Titel 3.5 Intrekken en wijzigen van de strafbeschikking
Titel 3.6 Openbaarheid van de strafbeschikking
Hoofdstuk 4 Het achterwege laten van vervolging
Titel 4.1 Het sepot
Hoofdstuk 5 Beklag over het niet opsporen of niet vervolgen van strafbare feiten
Hoofdstuk 6 Rechtsmiddelen
Boek 4 Berechting
Hoofdstuk 1 Het aanbrengen van de zaak ter berechting
Hoofdstuk 2 Het onderzoek op de terechtzitting
Titel 2.1 Algemene bepalingen
Titel 2.2 De aanvang van het onderzoek
Titel 2.3 De omvang van het onderzoek
Titel 2.4 Het onderzoek van de zaak zelf
Afdeling 2.4.1 Inleidende bepalingen
Afdeling 2.4.2 Het verhoor van de verdachte
Afdeling 2.4.3 Het verhoor van de getuige
Afdeling 2.4.4 Het verhoor van de deskundige
Afdeling 2.4.5 De uitoefening van het spreekrecht
Afdeling 2.4.6 Het beslag
Afdeling 2.4.7 Nader onderzoek
Afdeling 2.4.8 De schorsing van het onderzoek
Afdeling 2.4.9 Het requisitoir en het pleidooi, repliek en dupliek
Afdeling 2.4.10 De sluiting van het onderzoek en beslissingen ten aanzien van de uitspraak
Afdeling 2.4.11 Heropening van het onderzoek
Titel 2.5 De verslaglegging van het onderzoek op de terechtzitting
Hoofdstuk 3 De beraadslaging, de uitspraak en het eindvonnis
Hoofdstuk 4 De behandeling van met de berechting verbonden vorderingen
Titel 4.1 De vordering van de benadeelde partij
Titel 4.2 De vordering tot tenuitvoerlegging
Titel 4.3 De vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel
Afdeling 4.3.2 Afzonderlijke behandeling
Afdeling 4.3.3 Voeging en afsplitsing
Afdeling 4.3.4 De ontnemingsschikking
Hoofdstuk 5 De enkelvoudige kamer
Hoofdstuk 6 Herstelbeslissingen
Boek 5 Rechtsmiddelen
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Hoofdstuk 2 Het instellen en indienen, intrekken en afstand doen van gewone rechtsmiddelen
Hoofdstuk 3 Verzet tegen strafbeschikkingen
Hoofdstuk 4 Hoger beroep tegen vonnissen
Titel 4.1 Hoger beroep tegen eindvonnissen en tussenvonnissen
Afdeling 4.1.1 Gevallen waarin hoger beroep openstaat
Afdeling 4.1.2 De voorbereiding van de terechtzitting
Afdeling 4.1.3 De oproeping voor de terechtzitting
Afdeling 4.1.4 Het onderzoek op de terechtzitting
Afdeling 4.1.5 De beraadslaging, de uitspraak en het eindarrest
Titel 4.2 Hoger beroep in het geval van verbonden vorderingen
Afdeling 4.2.1 De vordering van de benadeelde partij
Afdeling 4.2.2 De vordering tot tenuitvoerlegging
Afdeling 4.2.3 De vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel
Titel 4.3 De enkelvoudige kamer
Titel 4.4 Herstelbeslissingen
Hoofdstuk 5 Beroep in cassatie tegen arresten
Titel 5.1 Beroep in cassatie tegen eindarresten en tussenarresten
Afdeling 5.1.1 Gevallen waarin beroep in cassatie openstaat
Afdeling 5.1.2 De voorbereiding van de behandeling van het beroep in cassatie
Afdeling 5.1.3 De behandeling van het beroep in cassatie
Titel 5.2 Beroep in cassatie in het geval van verbonden vorderingen
Afdeling 5.2.1 De vordering van de benadeelde partij
Afdeling 5.2.2 De vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel
Titel 5.3 Herstelarresten
Hoofdstuk 6 Gewone rechtsmiddelen tegen andere beslissingen
Hoofdstuk 7 Cassatie in het belang van de wet
Hoofdstuk 8 Herziening van arresten en vonnissen
Titel 8.1 Herziening ten voordele van de gewezen verdachte
- Artikel 5.8.1
- Artikel 5.8.2
- Artikel 5.8.3
- Artikel 5.8.4
- Artikel 5.8.5
- Artikel 5.8.6
- Artikel 5.8.7
- Artikel 5.8.8
- Artikel 5.8.9
- Artikel 5.8.10
- Artikel 5.8.11
- Artikel 5.8.12
- Artikel 5.8.13
- Artikel 5.8.14
- Artikel 5.8.15
- Artikel 5.8.16
- Artikel 5.8.17
- Artikel 5.8.18
- Artikel 5.8.19
- Artikel 5.8.20
- Artikel 5.8.21
- Artikel 5.8.22
- Artikel 5.8.23
- Artikel 5.8.24
- Artikel 5.8.25
- Artikel 5.8.26
Titel 8.2 Herziening ten nadele van de gewezen verdachte
Boek 6 Bijzondere regelingen
Hoofdstuk 1 Voorzieningen vanwege de persoon van de verdachte
Titel 1.1 Jeugdigen en jongvolwassenen
Afdeling 1.1.1 Verdachten die ten tijde van het begaan van het strafbaar feit nog niet de leeftijd van twaalf jaar hebben bereikt
Afdeling 1.1.2 Verdachten die ten tijde van het begaan van het strafbaar feit de leeftijd van twaalf jaar maar nog niet die van achttien jaar hebben bereikt
Afdeling 1.1.3 Verdachten die ten tijde van het begaan van het strafbaar feit de leeftijd van achttien jaar maar nog niet die van drieëntwintig jaar hebben bereikt
Afdeling 1.1.4 De raad voor de kinderbescherming
Afdeling 1.1.5 De betrokkenheid van de ouder of een persoon naar keuze
Afdeling 1.1.6 Vordering van de benadeelde partij
Titel 1.2 Verdachten die door een beperking of een ziekte onvoldoende in staat zijn aan het proces tegen hen deel te nemen
Titel 1.3 Rechtspersonen
Titel 1.4 Rechterlijke ambtenaren
Hoofdstuk 2 Procesincidenten
Hoofdstuk 4 Bijzondere procedures
Titel 4.1 Beklag met betrekking tot voorwerpen en gegevens
Afdeling 4.1.1 Beklag met betrekking tot voorwerpen
Afdeling 4.1.2 Beklag met betrekking tot gegevens
Afdeling 4.1.3 Behandeling van het klaagschrift
Titel 4.2 Afzonderlijke rechterlijke beslissing met betrekking tot voorwerpen en gegevens
Titel 4.3 Rechtsmiddelen
Hoofdstuk 5 Bevoegdheden van bijzondere aard
Titel 5.1 Gedragsaanwijzing ter beëindiging van ernstige overlast
Titel 5.2 Bevoegdheden bij het ontruimen van een gekraakt pand
Afdeling 5.2.1 Bevoegdheden
Afdeling 5.2.2 Rechtsmiddelen
Titel 5.3 Bevoegdheden tot het betreden van plaatsen in verband met bepaalde misdrijven
Titel 5.4 Bevoegdheden in geval van aanwijzingen van een terroristisch misdrijf
Titel 5.5 Bevoegdheden in verband met de ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Afdeling 5.5.1 Bevoegdheden
Afdeling 5.5.2 Rechtsmiddelen
Titel 5.6 Bevoegdheden tot vastlegging en raadpleging van kentekengegevens
Titel 5.7 Onderzoek naar gebruik van geweld door ambtenaren
Hoofdstuk 6 Schadevergoeding en kosten
Boek 9 Slotbepalingen
Titel 2.4
Artikel 4.2.32
-
Eigen waarnemingen kunnen door de voorzitter of een van de rechters ter sprake worden gebracht.
-
Gegevens die geen deel uitmaken van de processtukken maar worden ontleend aan voor een ieder toegankelijke openbare bronnen, kunnen door de voorzitter of een van de rechters ter sprake worden gebracht.
Artikel 4.2.33
De voorzitter toont zo nodig stukken van overtuiging. De voorzitter kan de verdachte, getuigen en deskundigen hierover verhoren.
Artikel 4.2.34
De rechtbank kan bepalen dat door een opsporingsambtenaar dan wel de rechter-commissaris en diens griffier van hetgeen op een geluids- of beeldopname is vastgelegd alsnog volledig proces-verbaal wordt opgemaakt.
Artikel 4.2.35
-
De voorzitter verhoort de verdachte. Hij geeft daarna de rechters, de officier van justitie en de raadsman gelegenheid tot het stellen van vragen aan de verdachte. De voorzitter, de rechters, de officier van justitie en de raadsman kunnen ook gedurende de verdere loop van het onderzoek vragen stellen aan de verdachte.
-
De voorzitter kan bepalen dat de verdachte in afwezigheid van een of meer andere verdachten of getuigen zal worden verhoord.
-
Artikel 4.2.39 is van toepassing.
-
Bij het verhoor van de verdachte wordt zo veel mogelijk onderzocht of zijn verklaring op eigen wetenschap berust.
Artikel 4.2.36
-
De voorzitter kan bepalen dat de vragen met betrekking tot de geestvermogens van de verdachte in zijn afwezigheid zullen worden gesteld en behandeld, en dat de officier van justitie of de raadsman in afwezigheid van de verdachte het woord zal voeren over zijn geestvermogens.
-
Na terugkeer van de verdachte in de zittingzaal wordt hem meegedeeld wat is voorgevallen.
Artikel 4.2.37
-
De voorzitter vraagt de getuige naar zijn beroep en of hij bloed- of aanverwant is van de verdachte en zo ja, in welke graad.
-
Indien gegrond vermoeden bestaat dat de getuige in verband met het afleggen van zijn verklaring overlast zal ondervinden of in de uitoefening van zijn beroep zal worden belemmerd, kan de rechtbank bepalen dat het vragen naar een gegeven als bedoeld in artikel 1.6.1 dan wel het eerste lid door de voorzitter achterwege zal worden gelaten. De rechtbank neemt de maatregelen die redelijkerwijs nodig zijn om de onthulling van dit gegeven te voorkomen.
-
De voorzitter beëdigt daarna de getuige dat hij de gehele waarheid en niets dan de waarheid zal zeggen. Artikel 2.10.30, tweede lid, betreffende de vervanging van de beëdiging door een aanmaning, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 4.2.38
-
De voorzitter verhoort de getuige.
-
De voorzitter geeft daarna de rechters en de officier van justitie de gelegenheid om vragen te stellen aan de getuige.
-
De voorzitter geeft de verdachte de gelegenheid om vragen te stellen aan de getuige en om naar aanleiding van de verklaring van de getuige opmerkingen te maken.
-
Indien de getuige tijdens het opsporingsonderzoek nog niet is verhoord en op verzoek van de verdachte wordt verhoord, krijgt de verdachte als eerste de gelegenheid om vragen te stellen. Daarna verhoort de voorzitter de getuige. De voorzitter geeft vervolgens de rechters en de officier van justitie de gelegenheid om vragen te stellen aan de getuige.
-
De voorzitter stelt de officier van justitie in de gelegenheid om naar aanleiding van de ondervraging bedoeld in het vierde lid opmerkingen te maken.
Artikel 4.2.39
-
De officier van justitie en de verdachte kunnen met betrekking tot een vraag opmerkingen maken voordat deze wordt beantwoord.
-
De rechtbank kan beletten dat aan een vraag gesteld door de officier van justitie of door de verdachte of zijn raadsman gevolg wordt gegeven.
Artikel 4.2.40
-
Indien de getuige bij zijn verhoor zonder wettige grond weigert op de gestelde vragen te antwoorden of de van hem vereiste verklaring, eed of belofte af te leggen, beveelt de rechtbank, indien zij dit in het belang van een behoorlijke behandeling van de zaak noodzakelijk acht, zijn gijzeling voor ten hoogste een maand. De rechtbank beveelt daarbij op welk tijdstip de getuige opnieuw aan haar zal worden voorgeleid. Voorgeleiding vindt in ieder geval plaats binnen twee weken nadat het bevel tot gijzeling is gegeven.
-
Voordat het bevel tot gijzeling wordt gegeven worden de getuige en zijn advocaat gehoord over de reden van zijn weigering.
-
De rechtbank beveelt het ontslag van de getuige uit de gijzeling zodra hij aan zijn verplichtingen heeft voldaan of het onderzoek op de terechtzitting is gesloten. Artikel 2.10.36, tweede lid, is van toepassing.
-
De artikelen 2.10.35, derde lid, 2.10.37, 2.10.38 en 2.10.72, eerste lid, zijn van toepassing.
Artikel 4.2.41
-
Indien een getuige ervan verdacht wordt zich op de terechtzitting aan het misdrijf van meineed schuldig te hebben gemaakt, kan de rechtbank bevelen dat de griffier direct een proces-verbaal opmaakt, dat door de voorzitter, de rechters en de griffier wordt ondertekend. Het proces-verbaal bevat de verklaring van de getuige.
-
De verklaring van de getuige wordt hem voorgelezen; daarna wordt hem gevraagd of hij in zijn verklaring volhardt en zo ja, of hij deze wil ondertekenen. Bij gebreke van ondertekening vermeldt het proces-verbaal de weigering of de reden van verhindering.
-
Het proces-verbaal wordt door de rechtbank ter kennis gebracht van de officier van justitie.
Artikel 4.2.42
De rechtbank kan getuigen tegenover elkaar stellen.
Artikel 4.2.43
-
Na het afleggen van zijn verklaring blijft de getuige in de zittingzaal, tenzij de rechtbank met toestemming van de officier van justitie en de verdachte bepaalt dat de getuige weg mag gaan, zo nodig met het bevel op een daarbij te bepalen tijdstip opnieuw aanwezig te zijn. De toestemming van de verdachte is niet vereist indien ten aanzien van de getuige het vermoeden, bedoeld in artikel 4.2.37, tweede lid, bestaat.
-
De voorzitter kan bevelen dat de getuige na diens verhoor de zittingzaal zal verlaten en dat hij op een later tijdstip zal worden binnengelaten om nogmaals te worden verhoord.
-
De voorzitter kan bevelen dat de verdachte de zittingzaal zal verlaten, opdat de getuige in zijn afwezigheid zal worden verhoord. Na zijn terugkeer in de zittingzaal wordt aan de verdachte direct meegedeeld wat is voorgevallen.
Artikel 4.2.44
-
Alle bepalingen in Afdeling 2.4.3 over het verhoor van getuigen zijn van overeenkomstige toepassing op het verhoor van deskundigen, met uitzondering van de artikelen 4.2.37, derde lid, en 4.2.40.
-
De deskundige wordt beëdigd dat hij naar waarheid en zijn geweten zal verklaren.
Artikel 4.2.45
-
De rechtbank kan aan de deskundige opdracht geven om voorafgaand aan zijn verhoor kennis te nemen van het verslag van een andere deskundige of het verhoor van die andere deskundige bij te wonen.
-
De rechtbank kan aan de deskundige vragen stellen naar aanleiding van het verslag of het verhoor van een andere deskundige.
-
De rechtbank kan de deskundige in de gelegenheid stellen om naar aanleiding van het verslag of het verhoor van een andere deskundige opmerkingen te maken.
Artikel 4.2.46
Degene die op grond van artikel 1.5.8 het spreekrecht kan uitoefenen, krijgt de gelegenheid om een verklaring af te leggen. Indien meer dan drie indirecte slachtoffers hebben meegedeeld dat zij van hun spreekrecht gebruik willen maken, en zij het onderling niet eens kunnen worden over wie van hen het woord zal voeren, beslist de voorzitter welke drie personen van het spreekrecht gebruik kunnen maken. De beslissing van de voorzitter laat onverlet dat de echtgenoot, geregistreerde partner of een andere levensgezel het woord kan voeren ter uitoefening van het spreekrecht.
Artikel 4.2.47
De voorzitter en de rechters kunnen degene die het spreekrecht heeft uitgeoefend vragen over zijn verklaring stellen. Nadere vragen van de officier van justitie en de verdachte worden door tussenkomst van de voorzitter gesteld.
Artikel 4.2.48
De officier van justitie legt een lijst met op grond van artikel 2.7.4, eerste lid, inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen over.
Artikel 4.2.49
-
Indien de rechtbank dit in het belang van een behoorlijke behandeling van de zaak noodzakelijk acht, beveelt zij de oproeping van een getuige of deskundige. De rechtbank kan tevens de medebrenging van de getuige of deskundige bevelen. Artikel 4.2.21 is van toepassing.
-
Indien de rechtbank het in het belang van een behoorlijke behandeling van de zaak noodzakelijk acht aan een nieuwe deskundige onderzoek op te dragen, benoemt zij, gehoord de officier van justitie en de verdachte, een deskundige en verleent zij hem opdracht tot het uitbrengen van een verslag.
Artikel 4.2.50
-
Indien de rechtbank dit in het belang van een behoorlijke behandeling van de zaak noodzakelijk acht, beveelt zij dat de officier van justitie nader omschreven onderzoek zal verrichten of doen verrichten.
-
Indien de rechtbank dit in het belang van een behoorlijke behandeling van de zaak noodzakelijk acht, beveelt zij dat de officier van justitie bepaalde stukken zal overdragen met het oog op voeging van deze stukken bij de processtukken dan wel de verdachte de inzage van stukken zal toestaan met het oog op de onderbouwing van een verzoek tot het doen voegen van stukken bij de processtukken. Artikel 4.1.4, zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.
-
Indien de rechtbank dit in het belang van een behoorlijke behandeling van de zaak noodzakelijk acht, beveelt zij dat de officier van justitie bepaalde stukken van overtuiging zal overleggen.
Artikel 4.2.51
-
Indien de rechtbank dit in het belang van een behoorlijke behandeling van de zaak noodzakelijk acht, draagt zij de rechter-commissaris op enig onderzoek te verrichten. Zij duidt het onderwerp van het onderzoek aan en, zo nodig, de wijze waarop dit moet worden ingesteld. Tevens vermeldt zij, in het geval aan de rechter-commissaris het verhoor van getuigen of deskundigen wordt opgedragen, of het verhoor op een geluidsopname of geluids- en beeldopname wordt vastgelegd en of van het verhoor volledig proces-verbaal wordt opgemaakt.
-
De rechtbank kan bepalen dat de rechter-commissaris naast de hem opgedragen werkzaamheden ander onderzoek kan verrichten dat hij in het belang van een behoorlijke behandeling van de zaak noodzakelijk acht.
-
In het geval het onderzoek uitsluitend zal bestaan in het verhoren van getuigen of het verlenen van een opdracht aan, het benoemen en verhoren van deskundigen, kan de rechtbank de voorzitter of een van de rechters die over de zaak oordelen als rechter-commissaris aanwijzen. Deze rechter kan aan het verdere onderzoek op de terechtzitting deelnemen, tenzij bij het verhoren van de getuige of deskundige is bepaald dat de verdachte en zijn raadsman daar niet bij aanwezig mogen zijn.
-
Boek 2, Hoofdstuk 10, is op het onderzoek van toepassing, met uitzondering van de artikelen 2.10.1 tot en met 2.10.9, 2.10.59 tot en met 2.10.65 en 2.10.67 tot en met 2.10.69.
Artikel 4.2.52
-
De rechtbank draagt het verhoor van een getuige in ieder geval op aan de rechter-commissaris indien:
de getuige een bedreigde of afgeschermde getuige is wiens identiteit verborgen is gehouden; of
de officier van justitie de getuige heeft toegezegd dat hij op geen andere wijze zal worden verhoord dan als bedreigde getuige of als afgeschermde getuige, en nog niet onherroepelijk op een vordering als bedoeld in artikel 2.10.39, eerste lid, of 2.10.46, eerste lid, is beslist.
-
De officier van justitie dient direct nadat de stukken aan de rechter-commissaris zijn overgedragen de vordering, bedoeld in de artikelen 2.10.39, eerste lid, of 2.10.45, eerste lid, in.
Artikel 4.2.53
-
Indien de rechtbank het in het belang van een behoorlijke behandeling van de zaak noodzakelijk acht dat een onderzoek wordt ingesteld naar de geestvermogens van de verdachte die zich in voorlopige hechtenis bevindt en dit niet voldoende op een andere wijze kan plaatsvinden, beveelt zij bij een gemotiveerde beslissing dat de verdachte ter observatie zal worden overgebracht naar een in het bevel aan te duiden accommodatie, bedoeld in artikel 90sexies van het Wetboek van Strafrecht, of een instelling voor klinische observatie.
-
Het bevel kan ook worden gegeven indien de rechtbank overweegt toepassing te geven aan artikel 37b van het Wetboek van Strafrecht.
-
Het bevel wordt pas gegeven nadat het oordeel van een of meer deskundigen is ingewonnen en de officier van justitie, de verdachte en zijn raadsman in de gelegenheid zijn gesteld om te worden gehoord.
-
Indien het gaat om een verdachte die zich in voorlopige hechtenis bevindt, is artikel 2.10.25 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de bevelen worden gegeven door de rechtbank.
-
Indien toepassing wordt gegeven aan artikel 37b van het Wetboek van Strafrecht, geldt het verblijf in de accommodatie of instelling als verpleging van overheidswege. Het verblijf duurt ten hoogste zeven weken. De rechtbank kan te allen tijde bevelen dat het verblijf wordt beëindigd.
-
Bij toepassing van het tweede lid kan de verdachte worden aangehouden op bevel van de officier van justitie of een hulpofficier van justitie in het arrondissement waarin de verdachte feitelijk verblijft. Na de aanhouding wordt de verdachte direct overgebracht naar een door Onze Minister aangewezen accommodatie of instelling.
Artikel 4.2.54
-
Indien de rechtbank dit in het belang van een behoorlijke behandeling van de zaak noodzakelijk acht, beveelt zij dat een schouw zal worden gehouden of dat getuigen of verdachten elders dan in de zittingzaal worden verhoord. In dat geval beveelt zij dat de terechtzitting tijdelijk zal worden verplaatst.
-
De rechtbank is bevoegd ten behoeve van de schouw met door haar aangewezen personen elke plaats te betreden. De rechtbank en de door haar aangewezen personen kunnen de hulp inroepen van de politie en de Koninklijke marechaussee.
-
De rechtbank is bevoegd naar aanleiding van de situatie op de plaats waar de tijdelijke terechtzitting zal worden gehouden de nodige bevelen te geven voor de wijze van behandeling van de zaak op die terechtzitting.
Artikel 4.2.55
-
Indien de rechtbank nader onderzoek beveelt of indien zij schorsing om een andere reden in het belang van een behoorlijke behandeling van de zaak noodzakelijk acht, schorst de rechtbank het onderzoek op de terechtzitting voor bepaalde of onbepaalde tijd.
-
De schorsing voor bepaalde tijd kan zo nodig telkens tot een nader te bepalen tijdstip worden verlengd.
-
De redenen voor de schorsing worden in het proces-verbaal vastgelegd.
-
In geval van schorsing wordt een proces-verbaal opgemaakt dat de gegevens, bedoeld in artikel 4.2.68, eerste lid, bevat. Bij instemming van de officier van justitie en de verdachte kan artikel 4.2.70 worden toegepast. Het proces-verbaal wordt ondertekend door de voorzitter of een van de andere rechters en de griffier en wordt voor de hervatting van het onderzoek ter kennis gebracht van de procespartijen. In geval artikel 4.2.70 wordt toegepast, wordt de geluidsopname of geluids- en beeldopname voor de hervatting van het onderzoek bij de processtukken gevoegd.
Artikel 4.2.56
-
Indien de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt en de rechtbank het onderzoek voor bepaalde tijd schorst, stelt zij de termijn van de schorsing op niet meer dan drie maanden.
-
Indien de rechtbank het onderzoek voor onbepaalde tijd schorst, stelt zij een uiterste termijn waarbinnen het onderzoek moet worden hervat. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 4.2.57
-
Indien het onderzoek voor bepaalde tijd wordt geschorst, deelt de voorzitter de datum en het tijdstip van hervatting van het onderzoek mee aan:
de verdachte en zijn raadsman;
de getuigen en deskundigen die nog niet op de terechtzitting zijn verhoord;
het slachtoffer en de persoon die op grond van artikel 1.5.8 het spreekrecht kan uitoefenen; en
de tolken.
-
De mededeling geldt als oproeping.
-
De personen, bedoeld in het eerste lid, die bij de mededeling niet aanwezig waren, worden voor de nadere terechtzitting opgeroepen.
-
De rechtbank kan getuigen en deskundigen die al op de terechtzitting zijn verhoord alsmede tolken aanwijzen wier aanwezigheid op de nadere terechtzitting is vereist. Een vordering daartoe van de officier van justitie of een verzoek van de verdachte wordt toegewezen, tenzij de rechtbank van oordeel is dat door een afwijzing redelijkerwijs het openbaar ministerie niet in zijn vervolging en de verdachte niet in zijn verdediging wordt geschaad.
Artikel 4.2.58
-
Indien het onderzoek voor onbepaalde tijd is geschorst, worden de personen, genoemd in artikel 4.2.57, eerste lid, voor de nadere terechtzitting opgeroepen.
-
Artikel 4.2.57, vierde lid, is van toepassing.
-
Met betrekking tot de oproeping van de verdachte zijn de artikelen 4.1.13 en 4.2.13 van toepassing.
Artikel 4.2.59
-
Indien de schorsing van het onderzoek is bevolen, wordt het onderzoek van de zaak op de nadere terechtzitting hervat in de stand waarin het zich op het tijdstip van de schorsing bevond.
-
De rechtbank is bevoegd te bevelen dat het onderzoek op de terechtzitting opnieuw wordt aangevangen.
-
De rechtbank beveelt in ieder geval dat het onderzoek op de terechtzitting opnieuw wordt aangevangen indien de samenstelling van de rechtbank bij de hervatting is gewijzigd, tenzij de officier van justitie en de verdachte instemmen met hervatting in de stand waarin het onderzoek zich op het tijdstip van de schorsing bevond.
-
Ook in het geval het onderzoek op de terechtzitting opnieuw wordt aangevangen blijven beslissingen van de rechtbank inzake de geldigheid van de betekening van de oproeping op grond van artikel 4.2.13, eerste lid, beslissingen op verweren van de verdachte op grond van artikel 4.2.26, eerste lid, beslissingen op vorderingen tot wijziging van de tenlastelegging alsmede beslissingen over het verhoren of het oproepen van getuigen of deskundigen voor de terechtzitting op grond van de artikelen 4.2.19, 4.2.22 en 4.2.49 in stand.
-
De rechtbank kan slechts op de gronden, bedoeld in artikel 4.2.19, tweede lid, afzien van de hernieuwde oproeping van een niet verschenen getuige die voorafgaande aan de schorsing op grond van de artikelen 4.2.19 of 4.2.22 was opgeroepen. Indien de rechter-commissaris die door de rechtbank met het verhoor van een getuige is belast zijn opdracht teruggeeft zonder dat de getuige door hem is verhoord, kan de rechtbank de vordering van de officier van justitie of het verzoek van de verdachte om die getuige op te roepen eveneens slechts afwijzen op de gronden, bedoeld in artikel 4.2.19, tweede lid. De artikelen 4.2.20 en 4.2.21 zijn van toepassing.
Artikel 4.2.60
-
Indien op de terechtzitting uitsluitend mededeling wordt gedaan van door de meervoudige kamer na een onderbreking of schorsing genomen beslissingen en van de datum en het tijdstip van de nadere terechtzitting dan wel van de sluiting van het onderzoek op de terechtzitting, kunnen die mededelingen worden gedaan door één van de leden van de meervoudige kamer.
-
De mededelingen worden in het proces-verbaal vastgelegd.
Artikel 4.2.61
-
Tijdens de schorsing kan de rechtbank het onderzoek op de terechtzitting voor spoedeisende maatregelen tijdelijk hervatten.
-
De artikelen 4.2.58 en 4.2.59 zijn van toepassing.
Artikel 4.2.62
-
Nadat de verdachte en de aanwezige getuigen en deskundigen zijn verhoord en het spreekrecht is uitgeoefend, houdt de officier van justitie zijn requisitoir met zijn vordering ten aanzien van de door de rechter te nemen beslissingen. De officier van justitie legt zijn vordering na voorlezing aan de rechtbank over.
-
De verdachte krijgt na het requisitoir van de officier van justitie gelegenheid voor pleidooi. Hij kan daarbij aanvoeren wat hij voor zijn verdediging van belang vindt.
-
De officier van justitie krijgt daarna gelegenheid voor repliek en de verdachte voor dupliek.
-
De officier van justitie en de verdachte kunnen, wanneer zij overeenkomstig het eerste, tweede en derde lid het woord voeren, verwijzen naar stukken die zijn of worden overgelegd. Die stukken worden geacht door hen op de terechtzitting te zijn voorgedragen voor zover de rechtbank daarmee instemt. De instemming wordt in het proces-verbaal van de terechtzitting vastgelegd. De stukken waarop de instemming betrekking heeft worden als bijlagen aan het proces-verbaal toegevoegd.
Artikel 4.2.63
-
Aan de verdachte wordt het recht gelaten om het laatst te spreken.
-
De voorzitter kan naar aanleiding van hetgeen de verdachte aanvoert, bepalen dat aan de verdachte, aan getuigen en deskundigen en aan degenen die het spreekrecht hebben uitgeoefend nieuwe vragen worden gesteld en dat processtukken ter sprake worden gebracht. In dat geval krijgen de officier van justitie en de verdachte opnieuw de gelegenheid het woord te voeren overeenkomstig artikel 4.2.62. Aan de verdachte wordt opnieuw het recht gelaten het laatst te spreken.
Artikel 4.2.64
Voor de sluiting van het onderzoek vraagt de voorzitter, indien de uitspraak niet direct wordt gedaan, aan de verdachte die op de terechtzitting door een tolk is bijgestaan of hij bij de uitspraak aanwezig zal zijn. Indien de verdachte verklaart aanwezig te zullen zijn, deelt de voorzitter de tolk de datum en het tijdstip van de uitspraak mee. Die mededeling geldt als oproeping.
Artikel 4.2.65
-
De voorzitter sluit het onderzoek op de terechtzitting wanneer hij van oordeel is dat het is voltooid.
-
De rechtbank kan direct uitspraak doen. In het andere geval deelt de voorzitter mee wanneer de rechtbank uitspraak zal doen.
-
Indien de rechtbank het wenselijk acht dat de verdachte bij de uitspraak aanwezig is, beveelt zij dat de verdachte in persoon zal verschijnen. Met het oog daarop kan de rechtbank de medebrenging van de verdachte bevelen.
-
De verdachte, bedoeld in artikel 4.2.2, eerste lid, is verplicht bij de uitspraak aanwezig te zijn. Met het oog daarop beveelt de rechtbank de medebrenging van de verdachte, tenzij zij dit met overeenkomstige toepassing van artikel 4.2.2, tweede lid, achterwege laat.
Artikel 4.2.66
-
De rechtbank doet uiterlijk twee weken na de sluiting van het onderzoek uitspraak. De Algemene termijnenwet is op deze termijn niet van toepassing.
-
De rechtbank kan de uitspraak vervroegen indien een kennisgeving daarvan tijdig aan de verdachte in persoon wordt betekend. De rechtbank stelt de officier van justitie, het slachtoffer, de persoon die op grond van artikel 1.5.8 het spreekrecht heeft uitgeoefend en de tolk aan wie het tijdstip van de uitspraak was meegedeeld, in kennis van de vervroeging van de uitspraak.
-
De rechtbank kan de uitspraak op de dag waarop zij zou plaatsvinden voor bepaalde tijd uitstellen. Zij kan de verdachte, de officier van justitie, het slachtoffer, de persoon die op grond van artikel 1.5.8 het spreekrecht heeft uitgeoefend en de tolk aan wie het tijdstip van de uitspraak was meegedeeld, daarvan op voorhand in kennis stellen.
-
Indien de uitspraak niet binnen de ingevolge het eerste lid geldende termijn is gedaan, heropent de rechtbank het onderzoek en behandelt zij de zaak op de bestaande tenlastelegging opnieuw.
Artikel 4.2.67
-
Indien tijdens de beraadslaging blijkt dat het onderzoek niet volledig is geweest, kan de rechtbank op de dag waarop de uitspraak zou plaatsvinden bepalen dat het onderzoek op een door haar te bepalen terechtzitting wordt heropend.
-
De rechtbank bepaalt welk onderzoek nog moet worden verricht. Afdeling 2.4.7 is van toepassing.
-
Artikel 4.2.58 is van toepassing.