-
Behalve de rechters en de griffier neemt aan de tafel van de rechtbank niemand plaats.
-
De rechter die als rechter-commissaris enig onderzoek in de zaak heeft verricht, neemt, behoudens bij toepassing van artikel 4.2.51, derde lid, niet deel aan het onderzoek op de terechtzitting.
-
De rechter die op het beroep tegen het bevel van de rechter-commissaris, bedoeld in artikel 2.10.39, eerste lid, dan wel tegen de afwijzing van een vordering of een verzoek tot het geven van zodanig bevel heeft beslist dat ter gelegenheid van het verhoor van die getuige zijn identiteit verborgen wordt gehouden, neemt niet deel aan het onderzoek op de terechtzitting. Artikel 1.2.13, derde lid, is niet van toepassing.
Nieuw Wetboek van Strafvordering Laatste controle 29-03-2026, laatste wijziging 18-03-2026.
Inhoud
Boek 1 Strafvordering in het algemeen
Hoofdstuk 1 Inleidende bepalingen en definities
Titel 1.1 Inleidende bepalingen
Hoofdstuk 2 De behandeling van zaken door de rechter
Hoofdstuk 3 Vervolging en opsporing van strafbare feiten
Hoofdstuk 4 De verdachte en zijn raadsman
Titel 4.1 De verdachte
Titel 4.2 De raadsman
Afdeling 4.2.1 Het optreden van de raadsman
Afdeling 4.2.2 De bevoegdheden van de raadsman
Hoofdstuk 5 Het slachtoffer
Hoofdstuk 6 De getuige
Hoofdstuk 7 De deskundige
Hoofdstuk 8 De processtukken
Hoofdstuk 9 Overdracht van berichten en het indienen van stukken
Hoofdstuk 11 Enige algemene voorzieningen
Titel 11.1 Herstelrecht
Titel 11.2 Videoconferentie
Titel 11.3 De inzet van tolken
Titel 11.4 Opdrachten aan de reclassering
Titel 11.5 Verstoring van ambtsverrichtingen
Boek 2 Het opsporingsonderzoek
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Titel 1.1 Definities
Titel 1.2 Algemene bepalingen over de uitoefening van bevoegdheden in het kader van het opsporingsonderzoek
Titel 1.3 Algemene bevoegdheid
Titel 1.4 Verslaglegging door opsporingsambtenaren
Titel 1.5 Vastlegging van bevelen en van machtigingen en vorderingen daartoe
Titel 1.6 Toestemming voor onderzoekshandelingen
Hoofdstuk 2 De aangifte
Hoofdstuk 3 Het verhoor door opsporingsambtenaren
Hoofdstuk 4 Deskundigenonderzoek in opdracht van de officier van justitie
Hoofdstuk 5 Bevoegdheden tot vrijheidsbeperking en vrijheidsbeneming
Titel 5.1 Algemene bepalingen
Titel 5.2 Staandehouding en aanhouding
Titel 5.3 Ophouden voor onderzoek en inverzekeringstelling
Afdeling 5.3.1 Ophouden voor onderzoek
Afdeling 5.3.2 Inverzekeringstelling
Afdeling 5.3.3 Maatregelen ten aanzien van de voor onderzoek opgehouden of in verzekering gestelde verdachte
Afdeling 5.3.4 Voorgeleiding aan de rechter-commissaris
Titel 5.4 Voorlopige hechtenis
Afdeling 5.4.1 Algemene bepalingen
Afdeling 5.4.2 Toepassingsvoorwaarden
Afdeling 5.4.3 Schorsing van de voorlopige hechtenis
Afdeling 5.4.4 Opheffing van de voorlopige hechtenis
Afdeling 5.4.5 Bewaring
Afdeling 5.4.6 Gevangenhouding en gevangenneming
Afdeling 5.4.7 Beslissingen over voorlopige hechtenis in het eindvonnis
Afdeling 5.4.8 Voorlopige hechtenis na hoger beroep tegen het eindvonnis
Titel 5.5 Rechtsmiddelen
Afdeling 5.5.1 Bezwaar tegen het opleggen van maatregelen
Afdeling 5.5.2 Beroep tegen de directe invrijheidstelling van de verdachte
Afdeling 5.5.3 Beroep tegen beslissingen met betrekking tot de voorlopige hechtenis
Hoofdstuk 6 Bevoegdheden met betrekking tot het lichaam
Titel 6.1 Algemene bepalingen
Afdeling 6.1.1 Bevel officier van justitie
Afdeling 6.1.2 Onderzoek en fase van vrijheidsbeneming
Afdeling 6.1.3 Toestemming
Afdeling 6.1.4 Delegatie
Titel 6.2 Onderzoek aan de kleding en onderzoek van meegevoerde voorwerpen
Titel 6.3 Onderzoek aan het lichaam
Titel 6.4 Onderzoek in het lichaam
Titel 6.5 Overige onderzoeken met betrekking tot het lichaam
Afdeling 6.5.1 Het nemen van vingerafdrukken en gezichtsopnamen ter identiteitsvaststelling
Afdeling 6.5.2 Onderzoek naar gebruik van geweldbevorderende middelen
Afdeling 6.5.3 Het maken van beeldopnamen, het opmeten van lichaamsmaten en het nemen van lichaamsafdrukken, -haar en -materiaal
Afdeling 6.5.4 Onderzoek ten aanzien van fysieke eigenschappen
Afdeling 6.5.5 Het houden van een confrontatie
Afdeling 6.5.6 DNA-onderzoek
Afdeling 6.5.7 Onderzoek naar een ernstige besmettelijke ziekte
Titel 6.6 Onderzoek met betrekking tot het lichaam van een overleden verdachte of slachtoffer
Titel 6.7 Bevoegdheden van de rechter-commissaris
Titel 6.8 Rechtsmiddelen
Hoofdstuk 7 Bevoegdheden met betrekking tot voorwerpen en gegevens
Titel 7.1 Algemene bepalingen
Titel 7.2 Inbeslagneming van voorwerpen
Afdeling 7.2.1 Algemene bepalingen
Afdeling 7.2.2 Bevoegdheden tot inbeslagneming van voorwerpen
Afdeling 7.2.3 Inbeslagneming tot bewaring van het recht tot verhaal
Afdeling 7.2.4 Teruggave en bewaring van inbeslaggenomen voorwerpen
Titel 7.3 Onderzoek van gegevens
Afdeling 7.3.1 Algemene bepalingen
Afdeling 7.3.2 Bevoegdheden
Afdeling 7.3.3 Verstrekking van gegevens ten behoeve van het onderzoek
Titel 7.4 Ontoegankelijkmaking van gegevens
Titel 7.5 Uitoefening van bevoegdheden in het geval van verschoningsrecht
Titel 7.6 Onderzoek ter plaatse
Titel 7.7 Bevoegdheden van de rechter-commissaris
Titel 7.8 Rechtsmiddelen
Hoofdstuk 8 Heimelijke bevoegdheden
Titel 8.1 Algemene bepalingen
Afdeling 8.1.1 Bevel officier van justitie
Afdeling 8.1.2 Kennisgeving aan betrokkene
Afdeling 8.1.3 Voeging gegevens functioneel verschoningsgerechtigden
Afdeling 8.1.4 Technische hulpmiddelen
Afdeling 8.1.5 Verplichting tot inbeslagneming
Afdeling 8.1.6 Uitstel melding onbekende kwetsbaarheden
Titel 8.2 De bevoegdheden
Afdeling 8.2.1 Stelselmatige observatie
Afdeling 8.2.2 Stelselmatig overnemen persoonsgegevens uit publiek toegankelijke bronnen
Afdeling 8.2.3 Bevoegdheden ten aanzien van een besloten plaats
Afdeling 8.2.4 Pseudo-koop of -dienstverlening
Afdeling 8.2.5 Stelselmatige inwinning van informatie
Afdeling 8.2.6 Infiltratie
Afdeling 8.2.7 Vastleggen communicatie die plaatsvindt door middel van een aanbieder van een communicatiedienst
Afdeling 8.2.8 Vastleggen vertrouwelijke communicatie
Afdeling 8.2.9 Toegang op afstand tot een digitale-gegevensdrager of geautomatiseerd werk
Afdeling 8.2.10 Stelselmatige locatiebepaling
Titel 8.3 Bijstand door burgers bij de uitoefening van heimelijke bevoegdheden
Titel 8.4 Personen in de openbare dienst van een vreemde staat
Titel 8.5 Maatregelen in het belang van de veiligheid
Titel 8.6 Vermoeden georganiseerd verband en aanwijzingen terroristisch misdrijf
Titel 8.7 Rechtsmiddelen
Hoofdstuk 9 Het verkennend onderzoek
Hoofdstuk 10 Onderzoek door de rechter-commissaris
Titel 10.1 Algemene bepalingen
Titel 10.2 Bevoegdheden met betrekking tot de verdachte
Afdeling 10.2.1 Het verhoor van de verdachte
Afdeling 10.2.2 Observatie van de verdachte
Titel 10.3 Het verhoor van de getuige
Titel 10.4 De benoeming en het verhoor van een deskundige
Afdeling 10.4.1 De benoeming van een deskundige
Afdeling 10.4.2 Het verhoor van een deskundige
Titel 10.5 Getuigen aan wie toezeggingen zijn gedaan
Titel 10.6 Voortgangsbewaking door de rechter-commissaris
Titel 10.7 Beëindiging van het onderzoek
Titel 10.8 Rechtsmiddelen
Boek 3 Beslissingen over vervolging
Hoofdstuk 2 Bezwaarschrift tegen de procesinleiding
Hoofdstuk 3 De strafbeschikking
Titel 3.1 Inhoud van de strafbeschikking
Titel 3.2 Uitvaardigen van de strafbeschikking door opsporingsambtenaren en lichamen of personen, met een publieke taak belast
Titel 3.3 Waarborgen bij het uitvaardigen van de strafbeschikking
Titel 3.4 Uitreiken en toezenden van de strafbeschikking
Titel 3.5 Intrekken en wijzigen van de strafbeschikking
Titel 3.6 Openbaarheid van de strafbeschikking
Hoofdstuk 4 Het achterwege laten van vervolging
Titel 4.1 Het sepot
Hoofdstuk 5 Beklag over het niet opsporen of niet vervolgen van strafbare feiten
Hoofdstuk 6 Rechtsmiddelen
Boek 4 Berechting
Hoofdstuk 1 Het aanbrengen van de zaak ter berechting
Hoofdstuk 2 Het onderzoek op de terechtzitting
Titel 2.1 Algemene bepalingen
Titel 2.2 De aanvang van het onderzoek
Titel 2.3 De omvang van het onderzoek
Titel 2.4 Het onderzoek van de zaak zelf
Afdeling 2.4.1 Inleidende bepalingen
Afdeling 2.4.2 Het verhoor van de verdachte
Afdeling 2.4.3 Het verhoor van de getuige
Afdeling 2.4.4 Het verhoor van de deskundige
Afdeling 2.4.5 De uitoefening van het spreekrecht
Afdeling 2.4.6 Het beslag
Afdeling 2.4.7 Nader onderzoek
Afdeling 2.4.8 De schorsing van het onderzoek
Afdeling 2.4.9 Het requisitoir en het pleidooi, repliek en dupliek
Afdeling 2.4.10 De sluiting van het onderzoek en beslissingen ten aanzien van de uitspraak
Afdeling 2.4.11 Heropening van het onderzoek
Titel 2.5 De verslaglegging van het onderzoek op de terechtzitting
Hoofdstuk 3 De beraadslaging, de uitspraak en het eindvonnis
Hoofdstuk 4 De behandeling van met de berechting verbonden vorderingen
Titel 4.1 De vordering van de benadeelde partij
Titel 4.2 De vordering tot tenuitvoerlegging
Titel 4.3 De vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel
Afdeling 4.3.2 Afzonderlijke behandeling
Afdeling 4.3.3 Voeging en afsplitsing
Afdeling 4.3.4 De ontnemingsschikking
Hoofdstuk 5 De enkelvoudige kamer
Hoofdstuk 6 Herstelbeslissingen
Boek 5 Rechtsmiddelen
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Hoofdstuk 2 Het instellen en indienen, intrekken en afstand doen van gewone rechtsmiddelen
Hoofdstuk 3 Verzet tegen strafbeschikkingen
Hoofdstuk 4 Hoger beroep tegen vonnissen
Titel 4.1 Hoger beroep tegen eindvonnissen en tussenvonnissen
Afdeling 4.1.1 Gevallen waarin hoger beroep openstaat
Afdeling 4.1.2 De voorbereiding van de terechtzitting
Afdeling 4.1.3 De oproeping voor de terechtzitting
Afdeling 4.1.4 Het onderzoek op de terechtzitting
Afdeling 4.1.5 De beraadslaging, de uitspraak en het eindarrest
Titel 4.2 Hoger beroep in het geval van verbonden vorderingen
Afdeling 4.2.1 De vordering van de benadeelde partij
Afdeling 4.2.2 De vordering tot tenuitvoerlegging
Afdeling 4.2.3 De vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel
Titel 4.3 De enkelvoudige kamer
Titel 4.4 Herstelbeslissingen
Hoofdstuk 5 Beroep in cassatie tegen arresten
Titel 5.1 Beroep in cassatie tegen eindarresten en tussenarresten
Afdeling 5.1.1 Gevallen waarin beroep in cassatie openstaat
Afdeling 5.1.2 De voorbereiding van de behandeling van het beroep in cassatie
Afdeling 5.1.3 De behandeling van het beroep in cassatie
Titel 5.2 Beroep in cassatie in het geval van verbonden vorderingen
Afdeling 5.2.1 De vordering van de benadeelde partij
Afdeling 5.2.2 De vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel
Titel 5.3 Herstelarresten
Hoofdstuk 6 Gewone rechtsmiddelen tegen andere beslissingen
Hoofdstuk 7 Cassatie in het belang van de wet
Hoofdstuk 8 Herziening van arresten en vonnissen
Titel 8.1 Herziening ten voordele van de gewezen verdachte
- Artikel 5.8.1
- Artikel 5.8.2
- Artikel 5.8.3
- Artikel 5.8.4
- Artikel 5.8.5
- Artikel 5.8.6
- Artikel 5.8.7
- Artikel 5.8.8
- Artikel 5.8.9
- Artikel 5.8.10
- Artikel 5.8.11
- Artikel 5.8.12
- Artikel 5.8.13
- Artikel 5.8.14
- Artikel 5.8.15
- Artikel 5.8.16
- Artikel 5.8.17
- Artikel 5.8.18
- Artikel 5.8.19
- Artikel 5.8.20
- Artikel 5.8.21
- Artikel 5.8.22
- Artikel 5.8.23
- Artikel 5.8.24
- Artikel 5.8.25
- Artikel 5.8.26
Titel 8.2 Herziening ten nadele van de gewezen verdachte
Boek 6 Bijzondere regelingen
Hoofdstuk 1 Voorzieningen vanwege de persoon van de verdachte
Titel 1.1 Jeugdigen en jongvolwassenen
Afdeling 1.1.1 Verdachten die ten tijde van het begaan van het strafbaar feit nog niet de leeftijd van twaalf jaar hebben bereikt
Afdeling 1.1.2 Verdachten die ten tijde van het begaan van het strafbaar feit de leeftijd van twaalf jaar maar nog niet die van achttien jaar hebben bereikt
Afdeling 1.1.3 Verdachten die ten tijde van het begaan van het strafbaar feit de leeftijd van achttien jaar maar nog niet die van drieëntwintig jaar hebben bereikt
Afdeling 1.1.4 De raad voor de kinderbescherming
Afdeling 1.1.5 De betrokkenheid van de ouder of een persoon naar keuze
Afdeling 1.1.6 Vordering van de benadeelde partij
Titel 1.2 Verdachten die door een beperking of een ziekte onvoldoende in staat zijn aan het proces tegen hen deel te nemen
Titel 1.3 Rechtspersonen
Titel 1.4 Rechterlijke ambtenaren
Hoofdstuk 2 Procesincidenten
Hoofdstuk 4 Bijzondere procedures
Titel 4.1 Beklag met betrekking tot voorwerpen en gegevens
Afdeling 4.1.1 Beklag met betrekking tot voorwerpen
Afdeling 4.1.2 Beklag met betrekking tot gegevens
Afdeling 4.1.3 Behandeling van het klaagschrift
Titel 4.2 Afzonderlijke rechterlijke beslissing met betrekking tot voorwerpen en gegevens
Titel 4.3 Rechtsmiddelen
Hoofdstuk 5 Bevoegdheden van bijzondere aard
Titel 5.1 Gedragsaanwijzing ter beëindiging van ernstige overlast
Titel 5.2 Bevoegdheden bij het ontruimen van een gekraakt pand
Afdeling 5.2.1 Bevoegdheden
Afdeling 5.2.2 Rechtsmiddelen
Titel 5.3 Bevoegdheden tot het betreden van plaatsen in verband met bepaalde misdrijven
Titel 5.4 Bevoegdheden in geval van aanwijzingen van een terroristisch misdrijf
Titel 5.5 Bevoegdheden in verband met de ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Afdeling 5.5.1 Bevoegdheden
Afdeling 5.5.2 Rechtsmiddelen
Titel 5.6 Bevoegdheden tot vastlegging en raadpleging van kentekengegevens
Titel 5.7 Onderzoek naar gebruik van geweld door ambtenaren
Hoofdstuk 6 Schadevergoeding en kosten
Boek 9 Slotbepalingen
Hoofdstuk 2
Artikel 4.2.2
-
De verdachte is verplicht in persoon op de terechtzitting te verschijnen indien hij zich in voorlopige hechtenis bevindt in verband met de zaak en het bevel tot voorlopige hechtenis niet is geschorst of indien hij zich in detentie bevindt in verband met een andere zaak dan die op de terechtzitting wordt behandeld. Deze verplichting betreft alleen de terechtzitting waarop de zaak inhoudelijk wordt behandeld en voor zover het een misdrijf betreft:
dat wordt genoemd in artikel 1.5.8, eerste lid; of
dat wordt genoemd in de artikelen 141, eerste lid en tweede lid, onder 1°, 181, onder 1° en 2°, 182, eerste en tweede lid, onder 1°, 248c, 252, tweede lid, 290, 296, eerste en tweede lid of 301, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.
-
De rechtbank kan ambtshalve, op vordering van de officier van justitie, op verzoek van de verdachte of van het slachtoffer beslissen dat de verplichte verschijning van de verdachte achterwege blijft in verband met zwaarwegende belangen van de verdachte, het slachtoffer of een van de andere procesdeelnemers dan wel in het geval geen van de procesdeelnemers de verplichte verschijning wenselijk of noodzakelijk vindt.
Artikel 4.2.3
-
Het onderzoek op de terechtzitting vindt in het openbaar plaats. De rechtbank kan bevelen dat het onderzoek geheel of gedeeltelijk met gesloten deuren plaatsvindt. Dit bevel kan worden gegeven in het belang van de goede zeden, de openbare orde, de staatsveiligheid, en ook indien de belangen van personen die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, of de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de verdachte, andere procesdeelnemers of anderszins bij de zaak betrokkenen dit eisen. Het bevel kan ook worden gegeven indien de openbaarheid naar het oordeel van de rechtbank het belang van een goede rechtspleging ernstig zou schaden.
-
Voordat de rechtbank het bevel geeft, hoort zij, zo nodig met gesloten deuren, de officier van justitie, de verdachte en andere procesdeelnemers.
-
Het bevel wordt vastgelegd in het proces-verbaal van de terechtzitting.
-
Tot bijwoning van de niet openbare terechtzitting kan de voorzitter bijzondere toegang verlenen.
-
Tot bijwoning van een openbare terechtzitting worden als toehoorders niet toegelaten personen die de leeftijd van twaalf jaar nog niet hebben bereikt, tenzij de voorzitter in een bijzonder geval anders oordeelt. De voorzitter heeft de bevoegdheid om toehoorders niet toe te laten indien zij de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt. Deze bevoegdheid bestaat niet bij slachtoffers.
Artikel 4.2.4
De rechtbank kan bepalen dat van het onderzoek op de terechtzitting een geluidsopname of een geluids- en beeldopname wordt gemaakt. De voorzitter doet daarvan mededeling.
Artikel 4.2.5
-
De voorzitter heeft de leiding over het onderzoek op de terechtzitting en bewaakt de orde. Hij geeft daartoe de nodige bevelen.
-
De voorzitter kan op grond van klemmende redenen bevelen dat een vraag door zijn tussenkomst wordt gesteld.
-
De voorzitter kan een lid van de meervoudige kamer aanwijzen en hem in zijn plaats belasten met de leiding over het onderzoek. Dit lid oefent de taken en bevoegdheden uit die aan de voorzitter zijn toegekend.
Artikel 4.2.6
-
Tot het nemen van elke rechterlijke beslissing op grond van de bepalingen van dit hoofdstuk kan door de officier van justitie een vordering en door de verdachte een verzoek worden gedaan, tenzij de wet anders bepaalt.
-
Tot het nemen van de rechterlijke beslissing op grond van artikel 4.2.3, eerste lid, tweede zin, kan ook een verzoek worden gedaan door de getuige, de deskundige, het slachtoffer en de persoon die op grond van artikel 1.5.8 het spreekrecht kan uitoefenen.
-
De vorderingen en verzoeken worden gemotiveerd.
-
De rechterlijke beslissingen op grond van de bepalingen van dit hoofdstuk worden gemotiveerd voor zover dat voor de begrijpelijkheid van die beslissingen noodzakelijk is. De beslissingen worden op de terechtzitting uitgesproken.
Artikel 4.2.7
-
Voordat de rechtbank beslist op een verzoek van de verdachte, hoort zij de officier van justitie.
-
Voordat de rechtbank beslist op een vordering van de officier van justitie, stelt zij de verdachte in de gelegenheid daarover het woord te voeren.
Artikel 4.2.8
-
Elke bevoegdheid die de verdachte in dit hoofdstuk is toegekend, komt ook toe aan de raadsman die de op de terechtzitting aanwezige verdachte bijstaat ofwel op grond van artikel 4.2.14 tot de verdediging van de afwezige verdachte is gemachtigd.
-
In alle gevallen waarin in dit hoofdstuk de instemming of het horen van de verdachte of zijn raadsman is vereist, geldt dit alleen ten opzichte van de op de terechtzitting aanwezige verdachte of zijn raadsman.
Artikel 4.2.9
-
De rechtbank zet het onderzoek op de terechtzitting onafgebroken voort.
-
De rechtbank kan het onderzoek onderbreken vanwege de uitgebreidheid of de duur ervan of voor het nemen van rust.
-
De rechtbank kan beslissen dat van het onderzoek dat voor de onderbreking heeft plaatsgevonden een proces-verbaal wordt opgemaakt. Dit proces-verbaal bevat de gegevens, bedoeld in artikel 4.2.68, eerste lid, en de redenen voor onderbreking. Het proces-verbaal wordt ondertekend door de voorzitter of een van de andere rechters en de griffier en wordt voor de hervatting van het onderzoek ter kennis gebracht van de procespartijen.
-
De artikelen 4.2.57, eerste, tweede en vierde lid, en 4.2.59 zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 4.2.10
-
Als tolk wordt slechts toegelaten degene die niet al in een andere kwaliteit aan het onderzoek op de terechtzitting deelneemt.
-
De verdachte die daarvoor redenen aanvoert, kan de tolk wraken. De rechtbank beslist zo spoedig mogelijk.
Artikel 4.2.11
De voorzitter opent het onderzoek door het doen uitroepen van de zaak tegen de verdachte.
Artikel 4.2.12
De voorzitter deelt de verdachte mee dat hij oplettend moet zijn op hetgeen hij zal horen en dat hij niet tot antwoorden verplicht is.
Artikel 4.2.13
-
De rechtbank onderzoekt de geldigheid van de betekening van de oproeping aan de niet verschenen verdachte. Indien blijkt dat deze niet op geldige wijze is betekend, spreekt zij de nietigheid van de oproeping uit.
-
Indien de verdachte in strijd met artikel 4.2.2, eerste lid, niet in persoon op de terechtzitting verschijnt, beveelt de rechtbank de medebrenging van de verdachte, tenzij zonder onderzoek van de zaak zelf blijkt van nietigheid van de tenlastelegging, onbevoegdheid van de rechtbank of niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie. Artikel 4.2.2, tweede lid, is van toepassing.
-
Indien de rechtbank het wenselijk acht dat een verdachte buiten het geval van het tweede lid bij de behandeling van de zaak op de terechtzitting aanwezig is, beveelt zij dat de verdachte in persoon zal verschijnen. Zij kan daartoe ook zijn medebrenging bevelen.
-
Indien de verdachte of zijn raadsman een verzoek tot uitstel heeft gedaan dat door de voorzitter niet is ingewilligd, beslist de rechtbank op het verzoek. Indien de rechtbank het verzoek afwijst, wordt het onderzoek met inachtneming van artikel 4.2.15, eerste lid, voortgezet.
-
Indien de rechtbank een bevel geeft als bedoeld in het tweede of derde lid, of het verzoek, bedoeld in het vierde lid, inwilligt, beveelt de rechtbank de schorsing van het onderzoek voor bepaalde of onbepaalde tijd.
-
Indien een van de vereisten van artikel 4.1.13, niet is nageleefd, schorst de rechtbank het onderzoek, tenzij de verdachte is verschenen. Indien de verschenen verdachte verzoekt om schorsing in het belang van zijn verdediging, schorst de rechtbank het onderzoek, tenzij zij oordeelt dat de verdachte redelijkerwijs niet in zijn verdediging wordt geschaad wanneer het onderzoek wordt voortgezet. Deze beslissing wordt gemotiveerd.
Artikel 4.2.14
De verdachte die niet verschijnt, kan zich op de terechtzitting laten verdedigen door een raadsman die verklaart daartoe uitdrukkelijk te zijn gemachtigd.
Artikel 4.2.15
-
Indien de verdachte niet op de terechtzitting verschijnt verleent de rechtbank tegen de verdachte verstek indien zij geen aanleiding ziet voor:
het nietig verklaren van de oproeping op grond van artikel 4.2.13, eerste lid; of
het verlenen van een bevel tot medebrenging van de verdachte.
Het bepaalde in de eerste zin vindt geen toepassing indien de verdachte zich laat verdedigen door een raadsman die verklaart daartoe uitdrukkelijk te zijn gemachtigd.
-
De rechtbank verklaart het verstek vervallen indien de verdachte alsnog op de terechtzitting of na de hervatting daarvan verschijnt of zich alsnog laat verdedigen door een raadsman die verklaart daartoe uitdrukkelijk te zijn gemachtigd.
-
Bij toepassing van het tweede lid wordt het onderzoek opnieuw aangevangen, tenzij de officier van justitie en de verdachte instemmen met voortgang in de stand waarin het onderzoek zich ten tijde van het vervallen verklaren van het verstek bevindt.
-
Indien het onderzoek opnieuw wordt aangevangen, kan de rechtbank bepalen dat bepaalde delen van het onderzoek niet opnieuw zullen plaatsvinden.
Artikel 4.2.16
De voorzitter stelt vast welke getuigen, deskundigen, slachtoffers, personen die op grond van artikel 1.5.8 het spreekrecht kunnen uitoefenen en tolken op de terechtzitting zijn verschenen.
Artikel 4.2.17
-
De voorzitter kan bevelen dat de in artikel 4.2.16 genoemde personen zich zullen begeven naar door hem aangewezen ruimtes.
-
De voorzitter kan, gehoord de officier van justitie en de verdachte, getuigen toestaan tot een bepaald tijdstip weg te gaan.
-
De voorzitter neemt zo nodig maatregelen om te beletten dat getuigen voor het afleggen van hun verklaring op de terechtzitting:
contact met elkaar hebben;
kennis nemen van eerder op de terechtzitting afgelegde verklaringen van andere getuigen en de verdachte.
Artikel 4.2.18
-
Indien het slachtoffer of de persoon die op grond van artikel 1.5.8 het spreekrecht kan uitoefenen, niet op de terechtzitting is verschenen, kan de rechtbank bevelen dat hij zal worden opgeroepen om op een nader te bepalen tijdstip op de terechtzitting te verschijnen.
-
Indien het slachtoffer of de persoon die op grond van artikel 1.5.8 het spreekrecht kan uitoefenen na de oproeping niet op de terechtzitting verschijnt, kan de rechtbank van hernieuwde oproeping afzien.
Artikel 4.2.19
-
Ten aanzien van een niet verschenen getuige beveelt de rechtbank:
de hernieuwde oproeping indien de getuige aan een eerdere oproeping geen gehoor heeft gegeven;
de oproeping indien de officier van justitie de oproeping heeft verzuimd;
de oproeping, indien daartoe binnen de termijn, gesteld in artikel 4.1.4, derde lid, een verzoek is gedaan dat niet is ingewilligd, en de verdachte dit verzoek herhaalt of de rechtbank de getuige ambtshalve wenst te verhoren.
-
De rechtbank kan van de oproeping dan wel de hernieuwde oproeping afzien indien zij van oordeel is dat:
het onaannemelijk is dat de getuige op de terechtzitting kan worden verhoord binnen een termijn die met het oog op een behoorlijke behandeling van de zaak aanvaardbaar is;
het gegronde vermoeden bestaat dat de gezondheid of het welzijn van de getuige door het afleggen van een verklaring op de terechtzitting in gevaar wordt gebracht en het voorkomen van dit gevaar zwaarder weegt dan het belang om de getuige op de terechtzitting te kunnen verhoren;
redelijkerwijs valt aan te nemen dat daardoor het openbaar ministerie niet in zijn vervolging of de verdachte niet in zijn verdediging wordt geschaad.
-
Daarnaast kan de rechtbank van de oproeping afzien indien de officier van justitie en de verdachte daarmee instemmen of hebben ingestemd.
-
De rechtbank kan de medebrenging van de getuige bevelen.
Artikel 4.2.20
-
De rechtbank kan het verhoor van een niet verschenen getuige opdragen aan de rechter-commissaris indien het belang van een behoorlijke behandeling van de zaak daardoor niet wordt geschaad.
-
Daarnaast kan de rechtbank het verhoor opdragen aan de rechter-commissaris indien de officier van justitie en de verdachte daarmee instemmen of hebben ingestemd.
-
Indien de officier van justitie en de verdachte daarmee instemmen of hebben ingestemd kan de rechtbank de voorzitter of een van de rechters die over de zaak oordelen als rechter-commissaris aanwijzen. Deze rechter kan aan het verdere onderzoek op de terechtzitting deelnemen, tenzij bij het verhoren van de getuige is bepaald dat de verdachte en zijn raadsman daar niet bij aanwezig mogen zijn.
-
Het verhoor wordt uitgevoerd overeenkomstig de bepalingen van Boek 2, Titel 10.3.
Artikel 4.2.21
-
Een bevel tot oproeping van de getuige blijft achterwege indien de officier van justitie aanvoert dat:
sprake is van een bedreigde of afgeschermde getuige wiens identiteit verborgen is gehouden; of
hij de getuige heeft toegezegd dat deze op geen andere wijze zal worden verhoord dan als bedreigde getuige of afgeschermde getuige wiens identiteit verborgen wordt gehouden, en nog niet onherroepelijk op een vordering als bedoeld in artikel 2.10.39, eerste lid, of artikel 2.10.46, eerste lid, is beslist.
-
In het geval van het eerste lid, onderdeel b, draagt de rechtbank het verhoor van de getuige op aan de rechter-commissaris, tenzij redelijkerwijs valt aan te nemen dat de verdachte door het achterwege blijven van het verhoor niet in zijn verdediging wordt geschaad. De officier van justitie dient direct nadat de stukken aan de rechter-commissaris zijn overgedragen de vordering, bedoeld in artikel 2.10.39, eerste lid, of artikel 2.10.45, eerste lid, in.
Artikel 4.2.22
Verschenen getuigen worden verhoord, tenzij daarvan wordt afgezien met toestemming van de officier van justitie en de verdachte dan wel op de gronden, bedoeld in artikel 4.2.19, tweede lid, onderdelen b en c. Artikel 4.2.20 is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 4.2.23
De voorzitter bepaalt in welke volgorde de verdachte, de getuige en de deskundige worden verhoord, het spreekrecht wordt uitgeoefend en het overige onderzoek op de terechtzitting wordt verricht.
Artikel 4.2.24
Alle bepalingen in deze titel over getuigen zijn van overeenkomstige toepassing op deskundigen.
Artikel 4.2.25
-
De officier van justitie draagt de zaak voor.
-
De voorzitter kan de officier van justitie vragen stellen over de inhoud en strekking van de tenlastelegging. De officier van justitie kan hierop antwoorden. De voorzitter stelt de verdachte in de gelegenheid naar aanleiding van dat antwoord opmerkingen te maken.
Artikel 4.2.26
-
Indien zonder onderzoek van de zaak zelf kan blijken van nietigheid van de tenlastelegging, onbevoegdheid van de rechtbank of niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie, kan de verdachte dit direct na de voordracht van de zaak door de officier van justitie aanvoeren en toelichten.
-
De officier van justitie kan daarop antwoorden.
-
De verdachte en daarna de officier van justitie kunnen nogmaals het woord voeren. De verdachte krijgt de gelegenheid om als laatste het woord te voeren.
-
De rechtbank gaat tot beraadslaging over en doet uitspraak over het gevoerde verweer.
-
De rechtbank verwerpt het verweer als zij van oordeel is dat het ongegrond is of dat de gegrondheid ervan niet zonder onderzoek van de zaak zelf kan worden vastgesteld. De beslissing is gemotiveerd. Het onderzoek van de zaak wordt direct voortgezet.
-
De rechtbank kan ook ambtshalve de nietigheid van de tenlastelegging, haar onbevoegdheid of de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie aan de orde stellen. Zij hoort de officier van justitie en de verdachte. De verdachte krijgt de gelegenheid om als laatste het woord te voeren.
-
Indien de rechtbank het verweer gegrond acht of ambtshalve oordeelt dat sprake is van nietigheid van de tenlastelegging, haar onbevoegdheid of de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie wijst zij eindvonnis overeenkomstig Titel 3.5.
Artikel 4.2.27
-
De officier van justitie kan vorderen dat de tenlastelegging wordt gewijzigd. Hij brengt daartoe de inhoud van de door hem noodzakelijk geachte wijzigingen ter kennis van de rechtbank en vordert dat die wijzigingen zullen worden toegelaten.
-
Indien de rechtbank de vordering toewijst, laat zij de inhoud van de wijzigingen in het proces-verbaal vastleggen. Wijzigingen waardoor de tenlastelegging niet langer hetzelfde feit in de zin van artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht zou inhouden, worden niet toegelaten.
Artikel 4.2.28
-
Indien de tenlastelegging overeenkomstig artikel 4.2.27, tweede lid, is gewijzigd, reikt de griffier de verdachte de gewijzigde tenlastelegging uit, tenzij de rechtbank oordeelt dat ermee kan worden volstaan de verdachte in kennis te stellen van de wijzigingen.
-
Het onderzoek wordt direct of na een korte onderbreking voortgezet. Indien de verdachte daarom verzoekt, schorst de rechtbank het onderzoek voor bepaalde tijd, tenzij zij van oordeel is dat de verdachte redelijkerwijs niet in zijn verdediging wordt geschaad wanneer het onderzoek direct wordt voortgezet.
-
Indien tegen de verdachte verstek is verleend, wordt het onderzoek direct voortgezet indien de verdachte door het achterwege laten van betekening van de wijziging niet in zijn verdediging wordt geschaad. In het andere geval schorst de rechtbank het onderzoek en wordt de gewijzigde tenlastelegging hem zo spoedig mogelijk betekend.
-
Indien de verdachte de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst, wordt hem in geval van schorsing een vertaling van de gewijzigde tenlastelegging dan wel van de wijzigingen in de tenlastelegging verstrekt of wordt die informatie in een voor hem begrijpelijke taal aan hem meegedeeld.
Artikel 4.2.29
De rechtbank kan de officier van justitie en de verdachte in de gelegenheid stellen schriftelijk standpunten uit te wisselen.
Artikel 4.2.30
-
Indien strafbare feiten waarvan dezelfde persoon wordt verdacht bij verschillende procesinleidingen ter berechting zijn aangebracht en de behandeling daarvan op dezelfde terechtzitting plaatsvindt, beveelt de rechtbank de voeging, indien deze in het belang van een behoorlijke behandeling van de zaak is.
-
De rechtbank beveelt de splitsing van gevoegde strafbare feiten indien de voeging niet in het belang van een behoorlijke behandeling van de zaak is.
Artikel 4.2.31
-
De processtukken worden door de voorzitter of een van de rechters ter sprake gebracht voor zover deze van belang kunnen zijn voor de door de rechtbank te nemen beslissingen.
-
Door de officier van justitie en door de verdachte aangeduide processtukken of delen daarvan worden op hun vordering of verzoek eveneens ter sprake gebracht.
-
Het ter sprake brengen van processtukken kan bestaan uit het kort aanduiden, het samenvatten of het voorlezen van de inhoud. Het ter sprake brengen van processtukken bestaande uit geluids- of beeldopnamen kan bestaan uit het kort aanduiden, het samenvatten, het vertonen of het ten gehore brengen van de inhoud.
-
Het ter sprake brengen van processtukken kan achterwege blijven indien de officier van justitie en de verdachte daarmee instemmen. Indien op de terechtzitting een slachtoffer aanwezig is, kan het ter sprake brengen achterwege blijven indien ook het slachtoffer daarmee instemt.
-
Indien een schriftelijke uitwisseling van standpunten heeft plaatsgehad, wordt de inhoud daarvan in elk geval kort aangeduid overeenkomstig het derde lid.
Artikel 4.2.32
-
Eigen waarnemingen kunnen door de voorzitter of een van de rechters ter sprake worden gebracht.
-
Gegevens die geen deel uitmaken van de processtukken maar worden ontleend aan voor een ieder toegankelijke openbare bronnen, kunnen door de voorzitter of een van de rechters ter sprake worden gebracht.
Artikel 4.2.33
De voorzitter toont zo nodig stukken van overtuiging. De voorzitter kan de verdachte, getuigen en deskundigen hierover verhoren.
Artikel 4.2.34
De rechtbank kan bepalen dat door een opsporingsambtenaar dan wel de rechter-commissaris en diens griffier van hetgeen op een geluids- of beeldopname is vastgelegd alsnog volledig proces-verbaal wordt opgemaakt.
Artikel 4.2.35
-
De voorzitter verhoort de verdachte. Hij geeft daarna de rechters, de officier van justitie en de raadsman gelegenheid tot het stellen van vragen aan de verdachte. De voorzitter, de rechters, de officier van justitie en de raadsman kunnen ook gedurende de verdere loop van het onderzoek vragen stellen aan de verdachte.
-
De voorzitter kan bepalen dat de verdachte in afwezigheid van een of meer andere verdachten of getuigen zal worden verhoord.
-
Artikel 4.2.39 is van toepassing.
-
Bij het verhoor van de verdachte wordt zo veel mogelijk onderzocht of zijn verklaring op eigen wetenschap berust.
Artikel 4.2.36
-
De voorzitter kan bepalen dat de vragen met betrekking tot de geestvermogens van de verdachte in zijn afwezigheid zullen worden gesteld en behandeld, en dat de officier van justitie of de raadsman in afwezigheid van de verdachte het woord zal voeren over zijn geestvermogens.
-
Na terugkeer van de verdachte in de zittingzaal wordt hem meegedeeld wat is voorgevallen.
Artikel 4.2.37
-
De voorzitter vraagt de getuige naar zijn beroep en of hij bloed- of aanverwant is van de verdachte en zo ja, in welke graad.
-
Indien gegrond vermoeden bestaat dat de getuige in verband met het afleggen van zijn verklaring overlast zal ondervinden of in de uitoefening van zijn beroep zal worden belemmerd, kan de rechtbank bepalen dat het vragen naar een gegeven als bedoeld in artikel 1.6.1 dan wel het eerste lid door de voorzitter achterwege zal worden gelaten. De rechtbank neemt de maatregelen die redelijkerwijs nodig zijn om de onthulling van dit gegeven te voorkomen.
-
De voorzitter beëdigt daarna de getuige dat hij de gehele waarheid en niets dan de waarheid zal zeggen. Artikel 2.10.30, tweede lid, betreffende de vervanging van de beëdiging door een aanmaning, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 4.2.38
-
De voorzitter verhoort de getuige.
-
De voorzitter geeft daarna de rechters en de officier van justitie de gelegenheid om vragen te stellen aan de getuige.
-
De voorzitter geeft de verdachte de gelegenheid om vragen te stellen aan de getuige en om naar aanleiding van de verklaring van de getuige opmerkingen te maken.
-
Indien de getuige tijdens het opsporingsonderzoek nog niet is verhoord en op verzoek van de verdachte wordt verhoord, krijgt de verdachte als eerste de gelegenheid om vragen te stellen. Daarna verhoort de voorzitter de getuige. De voorzitter geeft vervolgens de rechters en de officier van justitie de gelegenheid om vragen te stellen aan de getuige.
-
De voorzitter stelt de officier van justitie in de gelegenheid om naar aanleiding van de ondervraging bedoeld in het vierde lid opmerkingen te maken.
Artikel 4.2.39
-
De officier van justitie en de verdachte kunnen met betrekking tot een vraag opmerkingen maken voordat deze wordt beantwoord.
-
De rechtbank kan beletten dat aan een vraag gesteld door de officier van justitie of door de verdachte of zijn raadsman gevolg wordt gegeven.
Artikel 4.2.40
-
Indien de getuige bij zijn verhoor zonder wettige grond weigert op de gestelde vragen te antwoorden of de van hem vereiste verklaring, eed of belofte af te leggen, beveelt de rechtbank, indien zij dit in het belang van een behoorlijke behandeling van de zaak noodzakelijk acht, zijn gijzeling voor ten hoogste een maand. De rechtbank beveelt daarbij op welk tijdstip de getuige opnieuw aan haar zal worden voorgeleid. Voorgeleiding vindt in ieder geval plaats binnen twee weken nadat het bevel tot gijzeling is gegeven.
-
Voordat het bevel tot gijzeling wordt gegeven worden de getuige en zijn advocaat gehoord over de reden van zijn weigering.
-
De rechtbank beveelt het ontslag van de getuige uit de gijzeling zodra hij aan zijn verplichtingen heeft voldaan of het onderzoek op de terechtzitting is gesloten. Artikel 2.10.36, tweede lid, is van toepassing.
-
De artikelen 2.10.35, derde lid, 2.10.37, 2.10.38 en 2.10.72, eerste lid, zijn van toepassing.
Artikel 4.2.41
-
Indien een getuige ervan verdacht wordt zich op de terechtzitting aan het misdrijf van meineed schuldig te hebben gemaakt, kan de rechtbank bevelen dat de griffier direct een proces-verbaal opmaakt, dat door de voorzitter, de rechters en de griffier wordt ondertekend. Het proces-verbaal bevat de verklaring van de getuige.
-
De verklaring van de getuige wordt hem voorgelezen; daarna wordt hem gevraagd of hij in zijn verklaring volhardt en zo ja, of hij deze wil ondertekenen. Bij gebreke van ondertekening vermeldt het proces-verbaal de weigering of de reden van verhindering.
-
Het proces-verbaal wordt door de rechtbank ter kennis gebracht van de officier van justitie.
Artikel 4.2.42
De rechtbank kan getuigen tegenover elkaar stellen.
Artikel 4.2.43
-
Na het afleggen van zijn verklaring blijft de getuige in de zittingzaal, tenzij de rechtbank met toestemming van de officier van justitie en de verdachte bepaalt dat de getuige weg mag gaan, zo nodig met het bevel op een daarbij te bepalen tijdstip opnieuw aanwezig te zijn. De toestemming van de verdachte is niet vereist indien ten aanzien van de getuige het vermoeden, bedoeld in artikel 4.2.37, tweede lid, bestaat.
-
De voorzitter kan bevelen dat de getuige na diens verhoor de zittingzaal zal verlaten en dat hij op een later tijdstip zal worden binnengelaten om nogmaals te worden verhoord.
-
De voorzitter kan bevelen dat de verdachte de zittingzaal zal verlaten, opdat de getuige in zijn afwezigheid zal worden verhoord. Na zijn terugkeer in de zittingzaal wordt aan de verdachte direct meegedeeld wat is voorgevallen.
Artikel 4.2.44
-
Alle bepalingen in Afdeling 2.4.3 over het verhoor van getuigen zijn van overeenkomstige toepassing op het verhoor van deskundigen, met uitzondering van de artikelen 4.2.37, derde lid, en 4.2.40.
-
De deskundige wordt beëdigd dat hij naar waarheid en zijn geweten zal verklaren.
Artikel 4.2.45
-
De rechtbank kan aan de deskundige opdracht geven om voorafgaand aan zijn verhoor kennis te nemen van het verslag van een andere deskundige of het verhoor van die andere deskundige bij te wonen.
-
De rechtbank kan aan de deskundige vragen stellen naar aanleiding van het verslag of het verhoor van een andere deskundige.
-
De rechtbank kan de deskundige in de gelegenheid stellen om naar aanleiding van het verslag of het verhoor van een andere deskundige opmerkingen te maken.
Artikel 4.2.46
Degene die op grond van artikel 1.5.8 het spreekrecht kan uitoefenen, krijgt de gelegenheid om een verklaring af te leggen. Indien meer dan drie indirecte slachtoffers hebben meegedeeld dat zij van hun spreekrecht gebruik willen maken, en zij het onderling niet eens kunnen worden over wie van hen het woord zal voeren, beslist de voorzitter welke drie personen van het spreekrecht gebruik kunnen maken. De beslissing van de voorzitter laat onverlet dat de echtgenoot, geregistreerde partner of een andere levensgezel het woord kan voeren ter uitoefening van het spreekrecht.
Artikel 4.2.47
De voorzitter en de rechters kunnen degene die het spreekrecht heeft uitgeoefend vragen over zijn verklaring stellen. Nadere vragen van de officier van justitie en de verdachte worden door tussenkomst van de voorzitter gesteld.
Artikel 4.2.48
De officier van justitie legt een lijst met op grond van artikel 2.7.4, eerste lid, inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen over.
Artikel 4.2.49
-
Indien de rechtbank dit in het belang van een behoorlijke behandeling van de zaak noodzakelijk acht, beveelt zij de oproeping van een getuige of deskundige. De rechtbank kan tevens de medebrenging van de getuige of deskundige bevelen. Artikel 4.2.21 is van toepassing.
-
Indien de rechtbank het in het belang van een behoorlijke behandeling van de zaak noodzakelijk acht aan een nieuwe deskundige onderzoek op te dragen, benoemt zij, gehoord de officier van justitie en de verdachte, een deskundige en verleent zij hem opdracht tot het uitbrengen van een verslag.
Artikel 4.2.50
-
Indien de rechtbank dit in het belang van een behoorlijke behandeling van de zaak noodzakelijk acht, beveelt zij dat de officier van justitie nader omschreven onderzoek zal verrichten of doen verrichten.
-
Indien de rechtbank dit in het belang van een behoorlijke behandeling van de zaak noodzakelijk acht, beveelt zij dat de officier van justitie bepaalde stukken zal overdragen met het oog op voeging van deze stukken bij de processtukken dan wel de verdachte de inzage van stukken zal toestaan met het oog op de onderbouwing van een verzoek tot het doen voegen van stukken bij de processtukken. Artikel 4.1.4, zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.
-
Indien de rechtbank dit in het belang van een behoorlijke behandeling van de zaak noodzakelijk acht, beveelt zij dat de officier van justitie bepaalde stukken van overtuiging zal overleggen.
Artikel 4.2.51
-
Indien de rechtbank dit in het belang van een behoorlijke behandeling van de zaak noodzakelijk acht, draagt zij de rechter-commissaris op enig onderzoek te verrichten. Zij duidt het onderwerp van het onderzoek aan en, zo nodig, de wijze waarop dit moet worden ingesteld. Tevens vermeldt zij, in het geval aan de rechter-commissaris het verhoor van getuigen of deskundigen wordt opgedragen, of het verhoor op een geluidsopname of geluids- en beeldopname wordt vastgelegd en of van het verhoor volledig proces-verbaal wordt opgemaakt.
-
De rechtbank kan bepalen dat de rechter-commissaris naast de hem opgedragen werkzaamheden ander onderzoek kan verrichten dat hij in het belang van een behoorlijke behandeling van de zaak noodzakelijk acht.
-
In het geval het onderzoek uitsluitend zal bestaan in het verhoren van getuigen of het verlenen van een opdracht aan, het benoemen en verhoren van deskundigen, kan de rechtbank de voorzitter of een van de rechters die over de zaak oordelen als rechter-commissaris aanwijzen. Deze rechter kan aan het verdere onderzoek op de terechtzitting deelnemen, tenzij bij het verhoren van de getuige of deskundige is bepaald dat de verdachte en zijn raadsman daar niet bij aanwezig mogen zijn.
-
Boek 2, Hoofdstuk 10, is op het onderzoek van toepassing, met uitzondering van de artikelen 2.10.1 tot en met 2.10.9, 2.10.59 tot en met 2.10.65 en 2.10.67 tot en met 2.10.69.
Artikel 4.2.52
-
De rechtbank draagt het verhoor van een getuige in ieder geval op aan de rechter-commissaris indien:
de getuige een bedreigde of afgeschermde getuige is wiens identiteit verborgen is gehouden; of
de officier van justitie de getuige heeft toegezegd dat hij op geen andere wijze zal worden verhoord dan als bedreigde getuige of als afgeschermde getuige, en nog niet onherroepelijk op een vordering als bedoeld in artikel 2.10.39, eerste lid, of 2.10.46, eerste lid, is beslist.
-
De officier van justitie dient direct nadat de stukken aan de rechter-commissaris zijn overgedragen de vordering, bedoeld in de artikelen 2.10.39, eerste lid, of 2.10.45, eerste lid, in.
Artikel 4.2.53
-
Indien de rechtbank het in het belang van een behoorlijke behandeling van de zaak noodzakelijk acht dat een onderzoek wordt ingesteld naar de geestvermogens van de verdachte die zich in voorlopige hechtenis bevindt en dit niet voldoende op een andere wijze kan plaatsvinden, beveelt zij bij een gemotiveerde beslissing dat de verdachte ter observatie zal worden overgebracht naar een in het bevel aan te duiden accommodatie, bedoeld in artikel 90sexies van het Wetboek van Strafrecht, of een instelling voor klinische observatie.
-
Het bevel kan ook worden gegeven indien de rechtbank overweegt toepassing te geven aan artikel 37b van het Wetboek van Strafrecht.
-
Het bevel wordt pas gegeven nadat het oordeel van een of meer deskundigen is ingewonnen en de officier van justitie, de verdachte en zijn raadsman in de gelegenheid zijn gesteld om te worden gehoord.
-
Indien het gaat om een verdachte die zich in voorlopige hechtenis bevindt, is artikel 2.10.25 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de bevelen worden gegeven door de rechtbank.
-
Indien toepassing wordt gegeven aan artikel 37b van het Wetboek van Strafrecht, geldt het verblijf in de accommodatie of instelling als verpleging van overheidswege. Het verblijf duurt ten hoogste zeven weken. De rechtbank kan te allen tijde bevelen dat het verblijf wordt beëindigd.
-
Bij toepassing van het tweede lid kan de verdachte worden aangehouden op bevel van de officier van justitie of een hulpofficier van justitie in het arrondissement waarin de verdachte feitelijk verblijft. Na de aanhouding wordt de verdachte direct overgebracht naar een door Onze Minister aangewezen accommodatie of instelling.
Artikel 4.2.54
-
Indien de rechtbank dit in het belang van een behoorlijke behandeling van de zaak noodzakelijk acht, beveelt zij dat een schouw zal worden gehouden of dat getuigen of verdachten elders dan in de zittingzaal worden verhoord. In dat geval beveelt zij dat de terechtzitting tijdelijk zal worden verplaatst.
-
De rechtbank is bevoegd ten behoeve van de schouw met door haar aangewezen personen elke plaats te betreden. De rechtbank en de door haar aangewezen personen kunnen de hulp inroepen van de politie en de Koninklijke marechaussee.
-
De rechtbank is bevoegd naar aanleiding van de situatie op de plaats waar de tijdelijke terechtzitting zal worden gehouden de nodige bevelen te geven voor de wijze van behandeling van de zaak op die terechtzitting.
Artikel 4.2.55
-
Indien de rechtbank nader onderzoek beveelt of indien zij schorsing om een andere reden in het belang van een behoorlijke behandeling van de zaak noodzakelijk acht, schorst de rechtbank het onderzoek op de terechtzitting voor bepaalde of onbepaalde tijd.
-
De schorsing voor bepaalde tijd kan zo nodig telkens tot een nader te bepalen tijdstip worden verlengd.
-
De redenen voor de schorsing worden in het proces-verbaal vastgelegd.
-
In geval van schorsing wordt een proces-verbaal opgemaakt dat de gegevens, bedoeld in artikel 4.2.68, eerste lid, bevat. Bij instemming van de officier van justitie en de verdachte kan artikel 4.2.70 worden toegepast. Het proces-verbaal wordt ondertekend door de voorzitter of een van de andere rechters en de griffier en wordt voor de hervatting van het onderzoek ter kennis gebracht van de procespartijen. In geval artikel 4.2.70 wordt toegepast, wordt de geluidsopname of geluids- en beeldopname voor de hervatting van het onderzoek bij de processtukken gevoegd.
Artikel 4.2.56
-
Indien de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt en de rechtbank het onderzoek voor bepaalde tijd schorst, stelt zij de termijn van de schorsing op niet meer dan drie maanden.
-
Indien de rechtbank het onderzoek voor onbepaalde tijd schorst, stelt zij een uiterste termijn waarbinnen het onderzoek moet worden hervat. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 4.2.57
-
Indien het onderzoek voor bepaalde tijd wordt geschorst, deelt de voorzitter de datum en het tijdstip van hervatting van het onderzoek mee aan:
de verdachte en zijn raadsman;
de getuigen en deskundigen die nog niet op de terechtzitting zijn verhoord;
het slachtoffer en de persoon die op grond van artikel 1.5.8 het spreekrecht kan uitoefenen; en
de tolken.
-
De mededeling geldt als oproeping.
-
De personen, bedoeld in het eerste lid, die bij de mededeling niet aanwezig waren, worden voor de nadere terechtzitting opgeroepen.
-
De rechtbank kan getuigen en deskundigen die al op de terechtzitting zijn verhoord alsmede tolken aanwijzen wier aanwezigheid op de nadere terechtzitting is vereist. Een vordering daartoe van de officier van justitie of een verzoek van de verdachte wordt toegewezen, tenzij de rechtbank van oordeel is dat door een afwijzing redelijkerwijs het openbaar ministerie niet in zijn vervolging en de verdachte niet in zijn verdediging wordt geschaad.
Artikel 4.2.58
-
Indien het onderzoek voor onbepaalde tijd is geschorst, worden de personen, genoemd in artikel 4.2.57, eerste lid, voor de nadere terechtzitting opgeroepen.
-
Artikel 4.2.57, vierde lid, is van toepassing.
-
Met betrekking tot de oproeping van de verdachte zijn de artikelen 4.1.13 en 4.2.13 van toepassing.
Artikel 4.2.59
-
Indien de schorsing van het onderzoek is bevolen, wordt het onderzoek van de zaak op de nadere terechtzitting hervat in de stand waarin het zich op het tijdstip van de schorsing bevond.
-
De rechtbank is bevoegd te bevelen dat het onderzoek op de terechtzitting opnieuw wordt aangevangen.
-
De rechtbank beveelt in ieder geval dat het onderzoek op de terechtzitting opnieuw wordt aangevangen indien de samenstelling van de rechtbank bij de hervatting is gewijzigd, tenzij de officier van justitie en de verdachte instemmen met hervatting in de stand waarin het onderzoek zich op het tijdstip van de schorsing bevond.
-
Ook in het geval het onderzoek op de terechtzitting opnieuw wordt aangevangen blijven beslissingen van de rechtbank inzake de geldigheid van de betekening van de oproeping op grond van artikel 4.2.13, eerste lid, beslissingen op verweren van de verdachte op grond van artikel 4.2.26, eerste lid, beslissingen op vorderingen tot wijziging van de tenlastelegging alsmede beslissingen over het verhoren of het oproepen van getuigen of deskundigen voor de terechtzitting op grond van de artikelen 4.2.19, 4.2.22 en 4.2.49 in stand.
-
De rechtbank kan slechts op de gronden, bedoeld in artikel 4.2.19, tweede lid, afzien van de hernieuwde oproeping van een niet verschenen getuige die voorafgaande aan de schorsing op grond van de artikelen 4.2.19 of 4.2.22 was opgeroepen. Indien de rechter-commissaris die door de rechtbank met het verhoor van een getuige is belast zijn opdracht teruggeeft zonder dat de getuige door hem is verhoord, kan de rechtbank de vordering van de officier van justitie of het verzoek van de verdachte om die getuige op te roepen eveneens slechts afwijzen op de gronden, bedoeld in artikel 4.2.19, tweede lid. De artikelen 4.2.20 en 4.2.21 zijn van toepassing.
Artikel 4.2.60
-
Indien op de terechtzitting uitsluitend mededeling wordt gedaan van door de meervoudige kamer na een onderbreking of schorsing genomen beslissingen en van de datum en het tijdstip van de nadere terechtzitting dan wel van de sluiting van het onderzoek op de terechtzitting, kunnen die mededelingen worden gedaan door één van de leden van de meervoudige kamer.
-
De mededelingen worden in het proces-verbaal vastgelegd.
Artikel 4.2.61
-
Tijdens de schorsing kan de rechtbank het onderzoek op de terechtzitting voor spoedeisende maatregelen tijdelijk hervatten.
-
De artikelen 4.2.58 en 4.2.59 zijn van toepassing.
Artikel 4.2.62
-
Nadat de verdachte en de aanwezige getuigen en deskundigen zijn verhoord en het spreekrecht is uitgeoefend, houdt de officier van justitie zijn requisitoir met zijn vordering ten aanzien van de door de rechter te nemen beslissingen. De officier van justitie legt zijn vordering na voorlezing aan de rechtbank over.
-
De verdachte krijgt na het requisitoir van de officier van justitie gelegenheid voor pleidooi. Hij kan daarbij aanvoeren wat hij voor zijn verdediging van belang vindt.
-
De officier van justitie krijgt daarna gelegenheid voor repliek en de verdachte voor dupliek.
-
De officier van justitie en de verdachte kunnen, wanneer zij overeenkomstig het eerste, tweede en derde lid het woord voeren, verwijzen naar stukken die zijn of worden overgelegd. Die stukken worden geacht door hen op de terechtzitting te zijn voorgedragen voor zover de rechtbank daarmee instemt. De instemming wordt in het proces-verbaal van de terechtzitting vastgelegd. De stukken waarop de instemming betrekking heeft worden als bijlagen aan het proces-verbaal toegevoegd.
Artikel 4.2.63
-
Aan de verdachte wordt het recht gelaten om het laatst te spreken.
-
De voorzitter kan naar aanleiding van hetgeen de verdachte aanvoert, bepalen dat aan de verdachte, aan getuigen en deskundigen en aan degenen die het spreekrecht hebben uitgeoefend nieuwe vragen worden gesteld en dat processtukken ter sprake worden gebracht. In dat geval krijgen de officier van justitie en de verdachte opnieuw de gelegenheid het woord te voeren overeenkomstig artikel 4.2.62. Aan de verdachte wordt opnieuw het recht gelaten het laatst te spreken.
Artikel 4.2.64
Voor de sluiting van het onderzoek vraagt de voorzitter, indien de uitspraak niet direct wordt gedaan, aan de verdachte die op de terechtzitting door een tolk is bijgestaan of hij bij de uitspraak aanwezig zal zijn. Indien de verdachte verklaart aanwezig te zullen zijn, deelt de voorzitter de tolk de datum en het tijdstip van de uitspraak mee. Die mededeling geldt als oproeping.
Artikel 4.2.65
-
De voorzitter sluit het onderzoek op de terechtzitting wanneer hij van oordeel is dat het is voltooid.
-
De rechtbank kan direct uitspraak doen. In het andere geval deelt de voorzitter mee wanneer de rechtbank uitspraak zal doen.
-
Indien de rechtbank het wenselijk acht dat de verdachte bij de uitspraak aanwezig is, beveelt zij dat de verdachte in persoon zal verschijnen. Met het oog daarop kan de rechtbank de medebrenging van de verdachte bevelen.
-
De verdachte, bedoeld in artikel 4.2.2, eerste lid, is verplicht bij de uitspraak aanwezig te zijn. Met het oog daarop beveelt de rechtbank de medebrenging van de verdachte, tenzij zij dit met overeenkomstige toepassing van artikel 4.2.2, tweede lid, achterwege laat.
Artikel 4.2.66
-
De rechtbank doet uiterlijk twee weken na de sluiting van het onderzoek uitspraak. De Algemene termijnenwet is op deze termijn niet van toepassing.
-
De rechtbank kan de uitspraak vervroegen indien een kennisgeving daarvan tijdig aan de verdachte in persoon wordt betekend. De rechtbank stelt de officier van justitie, het slachtoffer, de persoon die op grond van artikel 1.5.8 het spreekrecht heeft uitgeoefend en de tolk aan wie het tijdstip van de uitspraak was meegedeeld, in kennis van de vervroeging van de uitspraak.
-
De rechtbank kan de uitspraak op de dag waarop zij zou plaatsvinden voor bepaalde tijd uitstellen. Zij kan de verdachte, de officier van justitie, het slachtoffer, de persoon die op grond van artikel 1.5.8 het spreekrecht heeft uitgeoefend en de tolk aan wie het tijdstip van de uitspraak was meegedeeld, daarvan op voorhand in kennis stellen.
-
Indien de uitspraak niet binnen de ingevolge het eerste lid geldende termijn is gedaan, heropent de rechtbank het onderzoek en behandelt zij de zaak op de bestaande tenlastelegging opnieuw.
Artikel 4.2.67
-
Indien tijdens de beraadslaging blijkt dat het onderzoek niet volledig is geweest, kan de rechtbank op de dag waarop de uitspraak zou plaatsvinden bepalen dat het onderzoek op een door haar te bepalen terechtzitting wordt heropend.
-
De rechtbank bepaalt welk onderzoek nog moet worden verricht. Afdeling 2.4.7 is van toepassing.
-
Artikel 4.2.58 is van toepassing.
Artikel 4.2.68
-
De griffier legt tijdens het onderzoek op de terechtzitting de namen van de rechters die over de zaak oordelen, de in acht genomen vormen, al hetgeen met betrekking tot de zaak op de terechtzitting voorvalt alsmede de op de terechtzitting afgelegde verklaringen vast.
-
De griffier neemt op bevel van de voorzitter een verklaring woordelijk op wanneer de officier van justitie, de verdachte, een getuige of deskundige dat verzoekt, voor zover het verzoek redelijke grenzen niet overschrijdt. Acht de officier van justitie, de verdachte, de getuige of de deskundige de verklaring niet voldoende weergegeven, dan beslist de rechtbank.
-
De griffier legt een omstandigheid, verklaring of opgave op bevel van de voorzitter vast wanneer een van de rechters, de officier van justitie of de verdachte dat verzoekt.
-
Het vastleggen van omstandigheden, verklaringen en opgaven tijdens het onderzoek op de terechtzitting door de griffier op grond van het eerste, tweede en derde lid kan achterwege blijven indien van het onderzoek op de terechtzitting een geluidsopname of geluids- en beeldopname wordt gemaakt.
Artikel 4.2.69
-
De griffier maakt van het onderzoek op de terechtzitting proces-verbaal op indien:
daartoe binnen drie maanden na de uitspraak een vordering door de officier van justitie of een verzoek door de verdachte wordt gedaan;
tegen het eindvonnis een gewoon rechtsmiddel wordt ingesteld; of
een vordering of verzoek als omschreven in artikel 4.3.23, vijfde lid, wordt toegewezen.
-
Het proces-verbaal bevat in ieder geval de gegevens, vermeld in artikel 4.2.68, eerste, tweede en derde lid. Onder het proces-verbaal zijn begrepen de stukken die daar als bijlage aan zijn toegevoegd.
-
Het proces-verbaal wordt door de voorzitter of een van de rechters die over de zaak hebben geoordeeld en de griffier ondertekend binnen drie maanden nadat de verplichting tot het opmaken daarvan ontstaat.
-
Zodra het proces-verbaal is ondertekend, wordt het bij de processtukken gevoegd. In het geval een geluidsopname of geluids- en beeldopname is gemaakt van het onderzoek op de terechtzitting, wordt deze eveneens bij de processtukken gevoegd.
-
De voorzitter kan desgevraagd een kopie van het proces-verbaal aan een derde verstrekken, indien er geen belangen zijn die zich daartegen verzetten. Indien dat wel het geval is, kan de voorzitter een geanonimiseerde kopie of een uittreksel van het proces-verbaal verstrekken.
Artikel 4.2.70
-
In het geval een geluidsopname of geluids- en beeldopname is gemaakt van het onderzoek op de terechtzitting, kan de voorzitter bepalen dat een verkort proces-verbaal wordt opgemaakt.
-
Een verkort proces-verbaal bevat in ieder geval de namen van de rechters en van de griffier, de uitspraken die niet in het eindvonnis zijn opgenomen, gegevens waarvan de wet anders dan ingevolge artikel 4.2.69, tweede lid, vastlegging in het proces-verbaal voorschrijft en een summiere weergave van hetgeen op de terechtzitting is voorgevallen. Onder het verkort proces-verbaal zijn begrepen de stukken die daar als bijlage aan zijn toegevoegd.
-
Artikel 4.2.69, derde tot en met vijfde lid, is van toepassing.
-
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de inhoud van een verkort proces-verbaal.