Nieuw Wetboek van Strafvordering Laatste controle 30-03-2026, laatste wijziging 18-03-2026.

Inhoud
Boek 1 Strafvordering in het algemeen
Hoofdstuk 1 Inleidende bepalingen en definities
Hoofdstuk 2 De behandeling van zaken door de rechter
Hoofdstuk 3 Vervolging en opsporing van strafbare feiten
Hoofdstuk 4 De verdachte en zijn raadsman
Hoofdstuk 5 Het slachtoffer
Hoofdstuk 6 De getuige
Titel 6.1 Algemene bepalingen met betrekking tot het verhoor van de getuige
Titel 6.2 Verschoningsrechten
Titel 6.3 Verschoningsplichten
Titel 6.4 Bepalingen met betrekking tot de minderjarige getuige
Titel 6.5 Leden van het Koninklijk Huis
Titel 6.6 Maatregelen tot bescherming van getuigen
Hoofdstuk 7 De deskundige
Hoofdstuk 8 De processtukken
Hoofdstuk 9 Overdracht van berichten en het indienen van stukken
Hoofdstuk 11 Enige algemene voorzieningen
Boek 2 Het opsporingsonderzoek
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Titel 1.1 Definities
Titel 1.2 Algemene bepalingen over de uitoefening van bevoegdheden in het kader van het opsporingsonderzoek
Titel 1.3 Algemene bevoegdheid
Titel 1.4 Verslaglegging door opsporingsambtenaren
Titel 1.5 Vastlegging van bevelen en van machtigingen en vorderingen daartoe
Titel 1.6 Toestemming voor onderzoekshandelingen
Hoofdstuk 2 De aangifte
Hoofdstuk 3 Het verhoor door opsporingsambtenaren
Hoofdstuk 4 Deskundigenonderzoek in opdracht van de officier van justitie
Hoofdstuk 5 Bevoegdheden tot vrijheidsbeperking en vrijheidsbeneming
Titel 5.1 Algemene bepalingen
Titel 5.2 Staandehouding en aanhouding
Titel 5.3 Ophouden voor onderzoek en inverzekeringstelling
Afdeling 5.3.1 Ophouden voor onderzoek
Afdeling 5.3.2 Inverzekeringstelling
Afdeling 5.3.3 Maatregelen ten aanzien van de voor onderzoek opgehouden of in verzekering gestelde verdachte
Afdeling 5.3.4 Voorgeleiding aan de rechter-commissaris
Titel 5.4 Voorlopige hechtenis
Titel 5.5 Rechtsmiddelen
Afdeling 5.5.1 Bezwaar tegen het opleggen van maatregelen
Afdeling 5.5.2 Beroep tegen de directe invrijheidstelling van de verdachte
Afdeling 5.5.3 Beroep tegen beslissingen met betrekking tot de voorlopige hechtenis
Hoofdstuk 6 Bevoegdheden met betrekking tot het lichaam
Titel 6.1 Algemene bepalingen
Titel 6.2 Onderzoek aan de kleding en onderzoek van meegevoerde voorwerpen
Titel 6.3 Onderzoek aan het lichaam
Titel 6.4 Onderzoek in het lichaam
Titel 6.5 Overige onderzoeken met betrekking tot het lichaam
Afdeling 6.5.1 Het nemen van vingerafdrukken en gezichtsopnamen ter identiteitsvaststelling
Afdeling 6.5.2 Onderzoek naar gebruik van geweldbevorderende middelen
Afdeling 6.5.3 Het maken van beeldopnamen, het opmeten van lichaamsmaten en het nemen van lichaamsafdrukken, -haar en -materiaal
Afdeling 6.5.4 Onderzoek ten aanzien van fysieke eigenschappen
Afdeling 6.5.5 Het houden van een confrontatie
Afdeling 6.5.6 DNA-onderzoek
Afdeling 6.5.7 Onderzoek naar een ernstige besmettelijke ziekte
Titel 6.6 Onderzoek met betrekking tot het lichaam van een overleden verdachte of slachtoffer
Titel 6.7 Bevoegdheden van de rechter-commissaris
Titel 6.8 Rechtsmiddelen
Hoofdstuk 7 Bevoegdheden met betrekking tot voorwerpen en gegevens
Titel 7.1 Algemene bepalingen
Titel 7.2 Inbeslagneming van voorwerpen
Titel 7.3 Onderzoek van gegevens
Titel 7.4 Ontoegankelijkmaking van gegevens
Titel 7.5 Uitoefening van bevoegdheden in het geval van verschoningsrecht
Titel 7.6 Onderzoek ter plaatse
Titel 7.7 Bevoegdheden van de rechter-commissaris
Titel 7.8 Rechtsmiddelen
Hoofdstuk 8 Heimelijke bevoegdheden
Titel 8.1 Algemene bepalingen
Afdeling 8.1.1 Bevel officier van justitie
Afdeling 8.1.2 Kennisgeving aan betrokkene
Afdeling 8.1.3 Voeging gegevens functioneel verschoningsgerechtigden
Afdeling 8.1.4 Technische hulpmiddelen
Afdeling 8.1.5 Verplichting tot inbeslagneming
Afdeling 8.1.6 Uitstel melding onbekende kwetsbaarheden
Titel 8.2 De bevoegdheden
Afdeling 8.2.1 Stelselmatige observatie
Afdeling 8.2.2 Stelselmatig overnemen persoonsgegevens uit publiek toegankelijke bronnen
Afdeling 8.2.3 Bevoegdheden ten aanzien van een besloten plaats
Afdeling 8.2.4 Pseudo-koop of -dienstverlening
Afdeling 8.2.5 Stelselmatige inwinning van informatie
Afdeling 8.2.6 Infiltratie
Afdeling 8.2.7 Vastleggen communicatie die plaatsvindt door middel van een aanbieder van een communicatiedienst
Afdeling 8.2.8 Vastleggen vertrouwelijke communicatie
Afdeling 8.2.9 Toegang op afstand tot een digitale-gegevensdrager of geautomatiseerd werk
Afdeling 8.2.10 Stelselmatige locatiebepaling
Titel 8.3 Bijstand door burgers bij de uitoefening van heimelijke bevoegdheden
Titel 8.4 Personen in de openbare dienst van een vreemde staat
Titel 8.5 Maatregelen in het belang van de veiligheid
Titel 8.6 Vermoeden georganiseerd verband en aanwijzingen terroristisch misdrijf
Titel 8.7 Rechtsmiddelen
Hoofdstuk 9 Het verkennend onderzoek
Hoofdstuk 10 Onderzoek door de rechter-commissaris
Titel 10.1 Algemene bepalingen
Titel 10.2 Bevoegdheden met betrekking tot de verdachte
Titel 10.3 Het verhoor van de getuige
Titel 10.4 De benoeming en het verhoor van een deskundige
Titel 10.5 Getuigen aan wie toezeggingen zijn gedaan
Titel 10.6 Voortgangsbewaking door de rechter-commissaris
Titel 10.7 Beëindiging van het onderzoek
Titel 10.8 Rechtsmiddelen
Boek 3 Beslissingen over vervolging
Hoofdstuk 1 Algemeen
Hoofdstuk 2 Bezwaarschrift tegen de procesinleiding
Hoofdstuk 3 De strafbeschikking
Titel 3.1 Inhoud van de strafbeschikking
Titel 3.2 Uitvaardigen van de strafbeschikking door opsporingsambtenaren en lichamen of personen, met een publieke taak belast
Titel 3.3 Waarborgen bij het uitvaardigen van de strafbeschikking
Titel 3.4 Uitreiken en toezenden van de strafbeschikking
Titel 3.5 Intrekken en wijzigen van de strafbeschikking
Titel 3.6 Openbaarheid van de strafbeschikking
Hoofdstuk 4 Het achterwege laten van vervolging
Hoofdstuk 5 Beklag over het niet opsporen of niet vervolgen van strafbare feiten
Hoofdstuk 6 Rechtsmiddelen
Boek 4 Berechting
Hoofdstuk 1 Het aanbrengen van de zaak ter berechting
Hoofdstuk 2 Het onderzoek op de terechtzitting
Titel 2.1 Algemene bepalingen
Titel 2.2 De aanvang van het onderzoek
Titel 2.3 De omvang van het onderzoek
Titel 2.4 Het onderzoek van de zaak zelf
Titel 2.5 De verslaglegging van het onderzoek op de terechtzitting
Hoofdstuk 3 De beraadslaging, de uitspraak en het eindvonnis
Hoofdstuk 4 De behandeling van met de berechting verbonden vorderingen
Hoofdstuk 5 De enkelvoudige kamer
Hoofdstuk 6 Herstelbeslissingen
Boek 5 Rechtsmiddelen
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Hoofdstuk 2 Het instellen en indienen, intrekken en afstand doen van gewone rechtsmiddelen
Titel 2.1 Instellen en indienen
Titel 2.2 Intrekken en afstand doen
Titel 2.3 Informatieverschaffing over ingestelde en ingediende gewone rechtsmiddelen
Hoofdstuk 3 Verzet tegen strafbeschikkingen
Hoofdstuk 4 Hoger beroep tegen vonnissen
Hoofdstuk 5 Beroep in cassatie tegen arresten
Titel 5.1 Beroep in cassatie tegen eindarresten en tussenarresten
Titel 5.2 Beroep in cassatie in het geval van verbonden vorderingen
Afdeling 5.2.1 De vordering van de benadeelde partij
Afdeling 5.2.2 De vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel
Titel 5.3 Herstelarresten
Hoofdstuk 6 Gewone rechtsmiddelen tegen andere beslissingen
Titel 6.1 Bezwaarschriften en klaagschriften
Titel 6.2 Beroep tegen beslissingen van de rechter-commissaris
Titel 6.3 Hoger beroep en beroep in cassatie tegen beslissingen van de raadkamer
Hoofdstuk 7 Cassatie in het belang van de wet
Hoofdstuk 8 Herziening van arresten en vonnissen
Boek 6 Bijzondere regelingen
Hoofdstuk 1 Voorzieningen vanwege de persoon van de verdachte
Titel 1.1 Jeugdigen en jongvolwassenen
Afdeling 1.1.1 Verdachten die ten tijde van het begaan van het strafbaar feit nog niet de leeftijd van twaalf jaar hebben bereikt
Afdeling 1.1.2 Verdachten die ten tijde van het begaan van het strafbaar feit de leeftijd van twaalf jaar maar nog niet die van achttien jaar hebben bereikt
Afdeling 1.1.3 Verdachten die ten tijde van het begaan van het strafbaar feit de leeftijd van achttien jaar maar nog niet die van drieëntwintig jaar hebben bereikt
Afdeling 1.1.4 De raad voor de kinderbescherming
Afdeling 1.1.5 De betrokkenheid van de ouder of een persoon naar keuze
Afdeling 1.1.6 Vordering van de benadeelde partij
Titel 1.2 Verdachten die door een beperking of een ziekte onvoldoende in staat zijn aan het proces tegen hen deel te nemen
Titel 1.3 Rechtspersonen
Titel 1.4 Rechterlijke ambtenaren
Hoofdstuk 2 Procesincidenten
Hoofdstuk 4 Bijzondere procedures
Titel 4.1 Beklag met betrekking tot voorwerpen en gegevens
Titel 4.2 Afzonderlijke rechterlijke beslissing met betrekking tot voorwerpen en gegevens
Titel 4.3 Rechtsmiddelen
Hoofdstuk 5 Bevoegdheden van bijzondere aard
Titel 5.1 Gedragsaanwijzing ter beëindiging van ernstige overlast
Titel 5.2 Bevoegdheden bij het ontruimen van een gekraakt pand
Titel 5.3 Bevoegdheden tot het betreden van plaatsen in verband met bepaalde misdrijven
Titel 5.4 Bevoegdheden in geval van aanwijzingen van een terroristisch misdrijf
Titel 5.5 Bevoegdheden in verband met de ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Titel 5.6 Bevoegdheden tot vastlegging en raadpleging van kentekengegevens
Titel 5.7 Onderzoek naar gebruik van geweld door ambtenaren
Hoofdstuk 6 Schadevergoeding en kosten
Boek 9 Slotbepalingen

Boek 4

Berechting

Artikel 4.1.1

  1. De officier van justitie brengt de zaak ter berechting aan door een procesinleiding bij de voorzitter van de rechtbank in te dienen en deze aan de verdachte te betekenen. De berechting vangt hierdoor aan.

  2. De officier van justitie brengt strafbare feiten waarvan dezelfde persoon wordt verdacht of zaken tegen verschillende verdachten ter gelijktijdige berechting aan indien dit in het belang van een behoorlijke behandeling van de zaak is.

  3. De procesinleiding bevat:

    1. een opgave van het feit dat wordt tenlastegelegd, met vermelding op welke plaats en omstreeks welke tijd het begaan zou zijn;

    2. de wettelijke voorschriften waarbij het feit is strafbaar gesteld;

    3. een opgave van de getuigen, deskundigen, slachtoffers, personen die op grond van artikel 1.5.8 het spreekrecht kunnen uitoefenen en tolken die de officier van justitie voor de terechtzitting zal oproepen;

    4. een opgave van geluids- of beeldopnamen waarvan geen volledig proces-verbaal is opgemaakt.

  4. Indien de officier van justitie met het oog op het bepalen van de straf een niet tenlastegelegd feit op de terechtzitting ter sprake wenst te brengen, wordt dit feit in de procesinleiding kort aangeduid.

  5. De officier van justitie stelt de verdachte de processtukken ter beschikking.

  6. Indien een feit onder verwijzing naar het misdrijf, bedoeld in artikel 372 van het Wetboek van Strafrecht wordt tenlastegelegd, kan in de procesinleiding hetzelfde feit niet tevens onder verwijzing naar een ander misdrijf worden tenlastegelegd.

Artikel 4.1.2

  1. In de procesinleiding wordt de verdachte gewezen op:

    1. zijn recht op rechtsbijstand;

    2. zijn recht op kennisneming van alle processtukken;

    3. zijn recht om stukken in te dienen ter voeging bij de processtukken;

    4. zijn recht om bij de rechtbank een bezwaarschrift tegen de procesinleiding in te dienen;

    5. zijn recht om tot de aanvang van het onderzoek op de terechtzitting de rechter-commissaris te verzoeken onderzoek te verrichten op grond van de artikelen 2.10.2 tot en met 2.10.4;

    6. zijn recht een verzoek als bedoeld in artikel 4.1.4, eerste en tweede lid, in te dienen.

  2. Indien de verdachte de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst, wordt hem een vertaling van de procesinleiding uitgereikt of toegezonden dan wel wordt hij in een voor hem begrijpelijke taal in kennis gesteld van de informatie, bedoeld in het eerste lid en in artikel 4.1.1, derde en vierde lid.

Artikel 4.1.3

De voorzitter van de rechtbank kan ter voorbereiding van de terechtzitting overleg voeren met de officier van justitie en de verdachte. Hij stelt hen in kennis van standpunten die de ander in dat overleg heeft ingenomen en door hem genomen beslissingen.

Artikel 4.1.4

  1. De verdachte kan de voorzitter van de rechtbank verzoeken getuigen en deskundigen voor de terechtzitting te doen oproepen. De verdachte geeft aan de voorzitter de namen en de woon- of verblijfplaats op, of, indien deze gegevens onbekend zijn, een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de getuige of deskundige.

  2. De verdachte kan de voorzitter van de rechtbank verzoeken te bevelen dat de officier van justitie zo nauwkeurig mogelijk omschreven stukken zal overdragen met het oog op voeging van deze stukken bij de processtukken, dan wel dat hem met het oog op de onderbouwing van zijn verzoek de inzage van deze stukken wordt toegestaan. De verdachte kan de voorzitter van de rechtbank verzoeken te bevelen dat de officier van justitie stukken van overtuiging zal overleggen.

  3. Een verzoek wordt ingediend binnen een maand na de betekening van de procesinleiding. De voorzitter kan de termijn ambtshalve of op verzoek van de verdachte met een door hem te bepalen termijn verlengen. De termijn kan met instemming van de verdachte worden verkort. Door de instemming stemt de verdachte tevens in met verkorting van de termijn, bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid.

  4. De voorzitter stelt de officier van justitie in de gelegenheid binnen een door hem te bepalen termijn van ten hoogste twee weken zijn standpunt kenbaar te maken over een verzoek van de verdachte.

  5. De voorzitter willigt een verzoek als bedoeld in het eerste lid niet in indien de officier van justitie aanvoert dat:

    1. hij van oordeel is dat de gezondheid of het welzijn van de getuige of deskundige door het afleggen van een verklaring op de terechtzitting in gevaar wordt gebracht, en het voorkomen van dit gevaar zwaarder weegt dan het belang om de getuige of deskundige op de terechtzitting te kunnen ondervragen;

    2. sprake is van een bedreigde getuige of een afgeschermde getuige wiens identiteit verborgen is gehouden; of

    3. hij de getuige heeft toegezegd dat deze op geen andere wijze zal worden verhoord dan als bedreigde of als afgeschermde getuige wiens identiteit verborgen wordt gehouden en nog niet onherroepelijk op een vordering als bedoeld in de artikelen 2.10.39, eerste lid, of 2.10.46, eerste lid, is beslist.

  6. De voorzitter kan, indien de verdachte en de officier van justitie daarmee instemmen, de rechter-commissaris opdragen de getuige of deskundige te verhoren of bepalen dat een van de rechters die over de zaak oordelen, de getuige of deskundige als rechter-commissaris zal verhoren. Deze rechter kan aan het onderzoek op de terechtzitting deelnemen, tenzij bij het verhoren van de getuige of deskundige is bepaald dat de verdachte en zijn raadsman daarbij niet aanwezig mogen zijn. De voorzitter bepaalt of het verhoor op een geluidsopname of geluids- en beeldopname wordt vastgelegd en of van het verhoor volledig proces-verbaal wordt opgemaakt.

  7. De voorzitter willigt een verzoek om voeging dan wel inzage van stukken als bedoeld in het tweede lid niet in indien de officier van justitie met inachtneming van artikel 1.8.5, vierde lid, weigert de stukken over te dragen dan wel inzage van de stukken toe te staan.

  8. De voorzitter stelt de officier van justitie en de verdachte direct in kennis van zijn beslissing op een verzoek als bedoeld in het eerste of tweede lid. Bij inwilliging van een verzoek beveelt de voorzitter dat de officier van justitie de getuige of deskundige zal oproepen, de stukken zal overdragen met het oog op voeging van deze stukken bij de processtukken, de verdachte de inzage van stukken zal toestaan of de stukken van overtuiging zal overleggen.

  9. Indien een verzoek als bedoeld in het eerste of tweede lid wordt gedaan buiten de termijn, bedoeld in het derde lid, zijn het vierde tot en met het zevende lid van toepassing, tenzij de voorzitter van oordeel is dat het verzoek zich gelet op de dag die voor de terechtzitting is bepaald, niet voor inwilliging leent.

Artikel 4.1.5

De voorzitter van de rechtbank kan ambtshalve, op vordering van de officier van justitie of op verzoek van de verdachte, de officier van justitie en de verdachte in de gelegenheid stellen voorafgaand aan het onderzoek op de terechtzitting schriftelijk standpunten uit te wisselen.

Artikel 4.1.6

  1. De voorzitter van de rechtbank bepaalt zo spoedig mogelijk in overleg met de officier van justitie en zo mogelijk in overleg met de verdachte of zijn raadsman de dag en het tijdstip waarop de terechtzitting plaatsvindt.

  2. De voorzitter kan ambtshalve, op vordering van de officier van justitie of op verzoek van de verdachte, bepalen dat de inhoudelijke behandeling van de zaak wordt voorafgegaan door een regiezitting.

Artikel 4.1.7

  1. De voorzitter van de rechtbank kan ter voorbereiding van de terechtzitting bevelen dat:

    1. de officier van justitie nader omschreven onderzoek zal verrichten of doen verrichten;

    2. de officier van justitie stukken zal overdragen met het oog op voeging van deze stukken bij de processtukken, dan wel stukken van overtuiging zal overleggen;

    3. van hetgeen op een geluids- of beeldopname is vastgelegd alsnog volledig proces-verbaal wordt opgemaakt;

    4. de verdachte in persoon zal verschijnen en zo nodig een bevel tot medebrenging geven.

  2. In het geval, bedoeld in artikel 4.2.2, eerste lid, geeft de voorzitter een bevel tot medebrenging tenzij de omstandigheden, bedoeld in artikel 4.2.2, tweede lid, zich naar zijn oordeel voordoen en de verplichte verschijning achterwege kan blijven.

Artikel 4.1.8

  1. De voorzitter van de rechtbank kan de officier van justitie bevelen getuigen of deskundigen voor de terechtzitting op te roepen. Het bevel vermeldt de namen en de woon- of verblijfplaats, of, indien deze gegevens onbekend zijn, een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de getuige of deskundige. Artikel 4.1.4, zesde lid, is van toepassing.

  2. Voordat de voorzitter het bevel geeft, stelt hij de officier van justitie in de gelegenheid binnen een door hem te bepalen termijn van ten hoogste twee weken zijn standpunt kenbaar te maken. Indien de officier van justitie aanvoert dat sprake is van een van de gronden vermeld in artikel 4.1.4, vijfde lid, geeft de voorzitter het bevel niet.

  3. De voorzitter kan de medebrenging bevelen van de getuige of deskundige van wie op grond van feiten en omstandigheden aannemelijk is dat hij geen gevolg zal geven aan een oproeping om op de terechtzitting te verschijnen.

Artikel 4.1.9

Vorderingen en verzoeken op grond van de bepalingen in deze titel worden gemotiveerd.

Artikel 4.1.10

  1. De officier van justitie roept de verdachte voor de terechtzitting op.

  2. De oproeping wordt betekend en bevat de opgave en de wettelijke voorschriften, bedoeld in artikel 4.1.1, derde lid, onderdelen a en b. Artikel 4.1.1, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 4.1.11

  1. De officier van justitie roept voor de terechtzitting op:

    1. de getuigen en deskundigen die hij in de procesinleiding heeft opgegeven;

    2. de getuigen en deskundigen van wie de oproeping door de voorzitter is bevolen;

    3. andere getuigen en deskundigen die de officier van justitie wenst te verhoren.

  2. De voorzitter kan het verhoor van een getuige of deskundige, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a of c, aan de rechter-commissaris opdragen of bepalen dat een van de rechters die over de zaak oordelen, de getuige of deskundige als rechter-commissaris zal verhoren. Artikel 4.1.4, zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.

  3. De officier van justitie roept voorts voor de terechtzitting op:

    1. het slachtoffer dat daarom heeft verzocht;

    2. de persoon die op grond van artikel 1.5.8 het spreekrecht kan uitoefenen en om oproeping heeft verzocht.

Artikel 4.1.12

  1. In de oproeping wordt de verdachte erop gewezen:

    1. bij welke rechtbank, op welke datum en op welk tijdstip de terechtzitting plaatsvindt;

    2. welke getuigen, deskundigen, slachtoffers, personen die op grond van artikel 1.5.8 het spreekrecht kunnen uitoefenen of tolken worden opgeroepen;

    3. dat hij het recht heeft de voorzitter van de rechtbank te verzoeken getuigen en deskundigen voor de terechtzitting te doen oproepen;

    4. dat hij het recht heeft getuigen en deskundigen naar de terechtzitting mee te brengen;

    5. dat hij het recht heeft de voorzitter van de rechtbank te verzoeken om een tolk te doen oproepen;

    6. dat de voorzitter van de rechtbank of de rechtbank de persoonlijke verschijning of de medebrenging van de verdachte kan bevelen indien het wenselijk wordt geacht dat hij bij de behandeling van de zaak op de terechtzitting aanwezig is;

    7. dat hij in het geval van artikel 4.2.2, eerste lid, in persoon op de terechtzitting moet verschijnen en dat zijn medebrenging is bevolen overeenkomstig artikel 4.1.7, tweede lid, dan wel dat de rechtbank, indien hij niet verschijnt, overeenkomstig artikel 4.2.13, tweede lid, zijn medebrenging kan bevelen.

  2. Indien de voorzitter heeft bepaald dat sprake is van een regiezitting wordt dit vermeld in de oproeping. In dat geval wordt in afwijking van het eerste lid, aanhef en onderdelen b, c en d, in de oproeping vermeld dat voor die terechtzitting geen getuigen en deskundigen worden opgeroepen dan wel met het oog op verhoor kunnen worden meegebracht.

  3. Indien de verdachte de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst, wordt hem een vertaling van de oproeping uitgereikt of toegezonden dan wel wordt hij in een voor hem begrijpelijke taal in kennis gesteld van de plaats, de datum en het tijdstip van de terechtzitting en de informatie, omschreven in het eerste en tweede lid.

Artikel 4.1.13

  1. Tussen de dag waarop de oproeping aan de verdachte is betekend en die van de terechtzitting moet een termijn van ten minste tien dagen verlopen. Deze termijn wordt als een termijn in de zin van artikel 1, tweede lid, van de Algemene termijnenwet aangemerkt.

  2. Indien de oproeping wordt betekend op de wijze bedoeld in artikel 1.9.12, tweede lid, kan de verdachte in de akte van uitreiking een ondertekende verklaring houdende zijn toestemming tot verkorting van deze termijn doen opnemen. Indien hij de verklaring niet kan ondertekenen, wordt de oorzaak daarvan in de akte vermeld.

Artikel 4.1.14

  1. De voorzitter van de rechtbank kan ambtshalve, op vordering van de officier van justitie of op verzoek van de verdachte of zijn raadsman beslissen dat de behandeling van de zaak wordt uitgesteld. Artikel 4.1.9 is van overeenkomstige toepassing.

  2. De voorzitter stelt de officier van justitie, de verdachte en zijn raadsman van zijn beslissing in kennis. Hij bepaalt een nieuwe dag en tijdstip van de terechtzitting en beveelt de oproeping van de procesdeelnemers genoemd in artikel 4.1.11.

Artikel 4.1.15

  1. Tot de aanvang van het onderzoek op de terechtzitting kan de officier van justitie de procesinleiding intrekken, ook op gronden aan het algemeen belang ontleend. Hij stelt de voorzitter van de rechtbank en de verdachte hiervan direct in kennis. Indien de verdachte al voor de terechtzitting is opgeroepen, stelt de officier van justitie de procesdeelnemers, genoemd in artikel 4.1.11, eveneens in kennis van de intrekking.

  2. In het geval van intrekking van de procesinleiding stelt de officier van justitie de verdachte tevens ervan in kennis dat hij van voortzetting van de vervolging afziet. Door die kennisgeving eindigt de zaak. Artikel 3.4.2, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

  3. In afwijking van het tweede lid kan de officier van justitie de verdachte direct ervan in kennis stellen dat hij voor het feit waarop de tenlastelegging betrekking heeft een strafbeschikking zal uitvaardigen.

  4. Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing indien de officier van justitie met instemming van de voorzitter van de rechtbank de procesinleiding intrekt omdat hij van oordeel is dat:

    1. de rechtbank onbevoegd is het feit te berechten en de vervolging bij een ander gerecht dient plaats te hebben; of

    2. de zaak moet worden samengevoegd met een zaak waarin bij een andere rechtbank onderzoek is of wordt verricht.

Artikel 4.2.1

  1. Behalve de rechters en de griffier neemt aan de tafel van de rechtbank niemand plaats.

  2. De rechter die als rechter-commissaris enig onderzoek in de zaak heeft verricht, neemt, behoudens bij toepassing van artikel 4.2.51, derde lid, niet deel aan het onderzoek op de terechtzitting.

  3. De rechter die op het beroep tegen het bevel van de rechter-commissaris, bedoeld in artikel 2.10.39, eerste lid, dan wel tegen de afwijzing van een vordering of een verzoek tot het geven van zodanig bevel heeft beslist dat ter gelegenheid van het verhoor van die getuige zijn identiteit verborgen wordt gehouden, neemt niet deel aan het onderzoek op de terechtzitting. Artikel 1.2.13, derde lid, is niet van toepassing.

Artikel 4.2.2

  1. De verdachte is verplicht in persoon op de terechtzitting te verschijnen indien hij zich in voorlopige hechtenis bevindt in verband met de zaak en het bevel tot voorlopige hechtenis niet is geschorst of indien hij zich in detentie bevindt in verband met een andere zaak dan die op de terechtzitting wordt behandeld. Deze verplichting betreft alleen de terechtzitting waarop de zaak inhoudelijk wordt behandeld en voor zover het een misdrijf betreft:

    1. dat wordt genoemd in artikel 1.5.8, eerste lid; of

    2. dat wordt genoemd in de artikelen 141, eerste lid en tweede lid, onder 1°, 181, onder 1° en 2°, 182, eerste en tweede lid, onder 1°, 248c, 252, tweede lid, 290, 296, eerste en tweede lid of 301, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

  2. De rechtbank kan ambtshalve, op vordering van de officier van justitie, op verzoek van de verdachte of van het slachtoffer beslissen dat de verplichte verschijning van de verdachte achterwege blijft in verband met zwaarwegende belangen van de verdachte, het slachtoffer of een van de andere procesdeelnemers dan wel in het geval geen van de procesdeelnemers de verplichte verschijning wenselijk of noodzakelijk vindt.

Artikel 4.2.3

  1. Het onderzoek op de terechtzitting vindt in het openbaar plaats. De rechtbank kan bevelen dat het onderzoek geheel of gedeeltelijk met gesloten deuren plaatsvindt. Dit bevel kan worden gegeven in het belang van de goede zeden, de openbare orde, de staatsveiligheid, en ook indien de belangen van personen die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, of de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de verdachte, andere procesdeelnemers of anderszins bij de zaak betrokkenen dit eisen. Het bevel kan ook worden gegeven indien de openbaarheid naar het oordeel van de rechtbank het belang van een goede rechtspleging ernstig zou schaden.

  2. Voordat de rechtbank het bevel geeft, hoort zij, zo nodig met gesloten deuren, de officier van justitie, de verdachte en andere procesdeelnemers.

  3. Het bevel wordt vastgelegd in het proces-verbaal van de terechtzitting.

  4. Tot bijwoning van de niet openbare terechtzitting kan de voorzitter bijzondere toegang verlenen.

  5. Tot bijwoning van een openbare terechtzitting worden als toehoorders niet toegelaten personen die de leeftijd van twaalf jaar nog niet hebben bereikt, tenzij de voorzitter in een bijzonder geval anders oordeelt. De voorzitter heeft de bevoegdheid om toehoorders niet toe te laten indien zij de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt. Deze bevoegdheid bestaat niet bij slachtoffers.

Artikel 4.2.4

De rechtbank kan bepalen dat van het onderzoek op de terechtzitting een geluidsopname of een geluids- en beeldopname wordt gemaakt. De voorzitter doet daarvan mededeling.

Artikel 4.2.5

  1. De voorzitter heeft de leiding over het onderzoek op de terechtzitting en bewaakt de orde. Hij geeft daartoe de nodige bevelen.

  2. De voorzitter kan op grond van klemmende redenen bevelen dat een vraag door zijn tussenkomst wordt gesteld.

  3. De voorzitter kan een lid van de meervoudige kamer aanwijzen en hem in zijn plaats belasten met de leiding over het onderzoek. Dit lid oefent de taken en bevoegdheden uit die aan de voorzitter zijn toegekend.

Artikel 4.2.6

  1. Tot het nemen van elke rechterlijke beslissing op grond van de bepalingen van dit hoofdstuk kan door de officier van justitie een vordering en door de verdachte een verzoek worden gedaan, tenzij de wet anders bepaalt.

  2. Tot het nemen van de rechterlijke beslissing op grond van artikel 4.2.3, eerste lid, tweede zin, kan ook een verzoek worden gedaan door de getuige, de deskundige, het slachtoffer en de persoon die op grond van artikel 1.5.8 het spreekrecht kan uitoefenen.

  3. De vorderingen en verzoeken worden gemotiveerd.

  4. De rechterlijke beslissingen op grond van de bepalingen van dit hoofdstuk worden gemotiveerd voor zover dat voor de begrijpelijkheid van die beslissingen noodzakelijk is. De beslissingen worden op de terechtzitting uitgesproken.

Artikel 4.2.7

  1. Voordat de rechtbank beslist op een verzoek van de verdachte, hoort zij de officier van justitie.

  2. Voordat de rechtbank beslist op een vordering van de officier van justitie, stelt zij de verdachte in de gelegenheid daarover het woord te voeren.

Artikel 4.2.8

  1. Elke bevoegdheid die de verdachte in dit hoofdstuk is toegekend, komt ook toe aan de raadsman die de op de terechtzitting aanwezige verdachte bijstaat ofwel op grond van artikel 4.2.14 tot de verdediging van de afwezige verdachte is gemachtigd.

  2. In alle gevallen waarin in dit hoofdstuk de instemming of het horen van de verdachte of zijn raadsman is vereist, geldt dit alleen ten opzichte van de op de terechtzitting aanwezige verdachte of zijn raadsman.

Artikel 4.2.9

  1. De rechtbank zet het onderzoek op de terechtzitting onafgebroken voort.

  2. De rechtbank kan het onderzoek onderbreken vanwege de uitgebreidheid of de duur ervan of voor het nemen van rust.

  3. De rechtbank kan beslissen dat van het onderzoek dat voor de onderbreking heeft plaatsgevonden een proces-verbaal wordt opgemaakt. Dit proces-verbaal bevat de gegevens, bedoeld in artikel 4.2.68, eerste lid, en de redenen voor onderbreking. Het proces-verbaal wordt ondertekend door de voorzitter of een van de andere rechters en de griffier en wordt voor de hervatting van het onderzoek ter kennis gebracht van de procespartijen.

  4. De artikelen 4.2.57, eerste, tweede en vierde lid, en 4.2.59 zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 4.2.10

  1. Als tolk wordt slechts toegelaten degene die niet al in een andere kwaliteit aan het onderzoek op de terechtzitting deelneemt.

  2. De verdachte die daarvoor redenen aanvoert, kan de tolk wraken. De rechtbank beslist zo spoedig mogelijk.

Artikel 4.2.11

De voorzitter opent het onderzoek door het doen uitroepen van de zaak tegen de verdachte.

Artikel 4.2.12

De voorzitter deelt de verdachte mee dat hij oplettend moet zijn op hetgeen hij zal horen en dat hij niet tot antwoorden verplicht is.

Artikel 4.2.13

  1. De rechtbank onderzoekt de geldigheid van de betekening van de oproeping aan de niet verschenen verdachte. Indien blijkt dat deze niet op geldige wijze is betekend, spreekt zij de nietigheid van de oproeping uit.

  2. Indien de verdachte in strijd met artikel 4.2.2, eerste lid, niet in persoon op de terechtzitting verschijnt, beveelt de rechtbank de medebrenging van de verdachte, tenzij zonder onderzoek van de zaak zelf blijkt van nietigheid van de tenlastelegging, onbevoegdheid van de rechtbank of niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie. Artikel 4.2.2, tweede lid, is van toepassing.

  3. Indien de rechtbank het wenselijk acht dat een verdachte buiten het geval van het tweede lid bij de behandeling van de zaak op de terechtzitting aanwezig is, beveelt zij dat de verdachte in persoon zal verschijnen. Zij kan daartoe ook zijn medebrenging bevelen.

  4. Indien de verdachte of zijn raadsman een verzoek tot uitstel heeft gedaan dat door de voorzitter niet is ingewilligd, beslist de rechtbank op het verzoek. Indien de rechtbank het verzoek afwijst, wordt het onderzoek met inachtneming van artikel 4.2.15, eerste lid, voortgezet.

  5. Indien de rechtbank een bevel geeft als bedoeld in het tweede of derde lid, of het verzoek, bedoeld in het vierde lid, inwilligt, beveelt de rechtbank de schorsing van het onderzoek voor bepaalde of onbepaalde tijd.

  6. Indien een van de vereisten van artikel 4.1.13, niet is nageleefd, schorst de rechtbank het onderzoek, tenzij de verdachte is verschenen. Indien de verschenen verdachte verzoekt om schorsing in het belang van zijn verdediging, schorst de rechtbank het onderzoek, tenzij zij oordeelt dat de verdachte redelijkerwijs niet in zijn verdediging wordt geschaad wanneer het onderzoek wordt voortgezet. Deze beslissing wordt gemotiveerd.

Artikel 4.2.14

De verdachte die niet verschijnt, kan zich op de terechtzitting laten verdedigen door een raadsman die verklaart daartoe uitdrukkelijk te zijn gemachtigd.

Artikel 4.2.15

  1. Indien de verdachte niet op de terechtzitting verschijnt verleent de rechtbank tegen de verdachte verstek indien zij geen aanleiding ziet voor:

    1. het nietig verklaren van de oproeping op grond van artikel 4.2.13, eerste lid; of

    2. het verlenen van een bevel tot medebrenging van de verdachte.

    Het bepaalde in de eerste zin vindt geen toepassing indien de verdachte zich laat verdedigen door een raadsman die verklaart daartoe uitdrukkelijk te zijn gemachtigd.

  2. De rechtbank verklaart het verstek vervallen indien de verdachte alsnog op de terechtzitting of na de hervatting daarvan verschijnt of zich alsnog laat verdedigen door een raadsman die verklaart daartoe uitdrukkelijk te zijn gemachtigd.

  3. Bij toepassing van het tweede lid wordt het onderzoek opnieuw aangevangen, tenzij de officier van justitie en de verdachte instemmen met voortgang in de stand waarin het onderzoek zich ten tijde van het vervallen verklaren van het verstek bevindt.

  4. Indien het onderzoek opnieuw wordt aangevangen, kan de rechtbank bepalen dat bepaalde delen van het onderzoek niet opnieuw zullen plaatsvinden.

Artikel 4.2.16

De voorzitter stelt vast welke getuigen, deskundigen, slachtoffers, personen die op grond van artikel 1.5.8 het spreekrecht kunnen uitoefenen en tolken op de terechtzitting zijn verschenen.

Artikel 4.2.17

  1. De voorzitter kan bevelen dat de in artikel 4.2.16 genoemde personen zich zullen begeven naar door hem aangewezen ruimtes.

  2. De voorzitter kan, gehoord de officier van justitie en de verdachte, getuigen toestaan tot een bepaald tijdstip weg te gaan.

  3. De voorzitter neemt zo nodig maatregelen om te beletten dat getuigen voor het afleggen van hun verklaring op de terechtzitting:

    1. contact met elkaar hebben;

    2. kennis nemen van eerder op de terechtzitting afgelegde verklaringen van andere getuigen en de verdachte.

Artikel 4.2.18

  1. Indien het slachtoffer of de persoon die op grond van artikel 1.5.8 het spreekrecht kan uitoefenen, niet op de terechtzitting is verschenen, kan de rechtbank bevelen dat hij zal worden opgeroepen om op een nader te bepalen tijdstip op de terechtzitting te verschijnen.

  2. Indien het slachtoffer of de persoon die op grond van artikel 1.5.8 het spreekrecht kan uitoefenen na de oproeping niet op de terechtzitting verschijnt, kan de rechtbank van hernieuwde oproeping afzien.

Artikel 4.2.19

  1. Ten aanzien van een niet verschenen getuige beveelt de rechtbank:

    1. de hernieuwde oproeping indien de getuige aan een eerdere oproeping geen gehoor heeft gegeven;

    2. de oproeping indien de officier van justitie de oproeping heeft verzuimd;

    3. de oproeping, indien daartoe binnen de termijn, gesteld in artikel 4.1.4, derde lid, een verzoek is gedaan dat niet is ingewilligd, en de verdachte dit verzoek herhaalt of de rechtbank de getuige ambtshalve wenst te verhoren.

  2. De rechtbank kan van de oproeping dan wel de hernieuwde oproeping afzien indien zij van oordeel is dat:

    1. het onaannemelijk is dat de getuige op de terechtzitting kan worden verhoord binnen een termijn die met het oog op een behoorlijke behandeling van de zaak aanvaardbaar is;

    2. het gegronde vermoeden bestaat dat de gezondheid of het welzijn van de getuige door het afleggen van een verklaring op de terechtzitting in gevaar wordt gebracht en het voorkomen van dit gevaar zwaarder weegt dan het belang om de getuige op de terechtzitting te kunnen verhoren;

    3. redelijkerwijs valt aan te nemen dat daardoor het openbaar ministerie niet in zijn vervolging of de verdachte niet in zijn verdediging wordt geschaad.

  3. Daarnaast kan de rechtbank van de oproeping afzien indien de officier van justitie en de verdachte daarmee instemmen of hebben ingestemd.

  4. De rechtbank kan de medebrenging van de getuige bevelen.

Artikel 4.2.20

  1. De rechtbank kan het verhoor van een niet verschenen getuige opdragen aan de rechter-commissaris indien het belang van een behoorlijke behandeling van de zaak daardoor niet wordt geschaad.

  2. Daarnaast kan de rechtbank het verhoor opdragen aan de rechter-commissaris indien de officier van justitie en de verdachte daarmee instemmen of hebben ingestemd.

  3. Indien de officier van justitie en de verdachte daarmee instemmen of hebben ingestemd kan de rechtbank de voorzitter of een van de rechters die over de zaak oordelen als rechter-commissaris aanwijzen. Deze rechter kan aan het verdere onderzoek op de terechtzitting deelnemen, tenzij bij het verhoren van de getuige is bepaald dat de verdachte en zijn raadsman daar niet bij aanwezig mogen zijn.

  4. Het verhoor wordt uitgevoerd overeenkomstig de bepalingen van Boek 2, Titel 10.3.

Artikel 4.2.21

  1. Een bevel tot oproeping van de getuige blijft achterwege indien de officier van justitie aanvoert dat:

    1. sprake is van een bedreigde of afgeschermde getuige wiens identiteit verborgen is gehouden; of

    2. hij de getuige heeft toegezegd dat deze op geen andere wijze zal worden verhoord dan als bedreigde getuige of afgeschermde getuige wiens identiteit verborgen wordt gehouden, en nog niet onherroepelijk op een vordering als bedoeld in artikel 2.10.39, eerste lid, of artikel 2.10.46, eerste lid, is beslist.

  2. In het geval van het eerste lid, onderdeel b, draagt de rechtbank het verhoor van de getuige op aan de rechter-commissaris, tenzij redelijkerwijs valt aan te nemen dat de verdachte door het achterwege blijven van het verhoor niet in zijn verdediging wordt geschaad. De officier van justitie dient direct nadat de stukken aan de rechter-commissaris zijn overgedragen de vordering, bedoeld in artikel 2.10.39, eerste lid, of artikel 2.10.45, eerste lid, in.

Artikel 4.2.22

Verschenen getuigen worden verhoord, tenzij daarvan wordt afgezien met toestemming van de officier van justitie en de verdachte dan wel op de gronden, bedoeld in artikel 4.2.19, tweede lid, onderdelen b en c. Artikel 4.2.20 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 4.2.23

De voorzitter bepaalt in welke volgorde de verdachte, de getuige en de deskundige worden verhoord, het spreekrecht wordt uitgeoefend en het overige onderzoek op de terechtzitting wordt verricht.

Artikel 4.2.24

Alle bepalingen in deze titel over getuigen zijn van overeenkomstige toepassing op deskundigen.

Artikel 4.2.25

  1. De officier van justitie draagt de zaak voor.

  2. De voorzitter kan de officier van justitie vragen stellen over de inhoud en strekking van de tenlastelegging. De officier van justitie kan hierop antwoorden. De voorzitter stelt de verdachte in de gelegenheid naar aanleiding van dat antwoord opmerkingen te maken.

Artikel 4.2.26

  1. Indien zonder onderzoek van de zaak zelf kan blijken van nietigheid van de tenlastelegging, onbevoegdheid van de rechtbank of niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie, kan de verdachte dit direct na de voordracht van de zaak door de officier van justitie aanvoeren en toelichten.

  2. De officier van justitie kan daarop antwoorden.

  3. De verdachte en daarna de officier van justitie kunnen nogmaals het woord voeren. De verdachte krijgt de gelegenheid om als laatste het woord te voeren.

  4. De rechtbank gaat tot beraadslaging over en doet uitspraak over het gevoerde verweer.

  5. De rechtbank verwerpt het verweer als zij van oordeel is dat het ongegrond is of dat de gegrondheid ervan niet zonder onderzoek van de zaak zelf kan worden vastgesteld. De beslissing is gemotiveerd. Het onderzoek van de zaak wordt direct voortgezet.

  6. De rechtbank kan ook ambtshalve de nietigheid van de tenlastelegging, haar onbevoegdheid of de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie aan de orde stellen. Zij hoort de officier van justitie en de verdachte. De verdachte krijgt de gelegenheid om als laatste het woord te voeren.

  7. Indien de rechtbank het verweer gegrond acht of ambtshalve oordeelt dat sprake is van nietigheid van de tenlastelegging, haar onbevoegdheid of de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie wijst zij eindvonnis overeenkomstig Titel 3.5.

Artikel 4.2.27

  1. De officier van justitie kan vorderen dat de tenlastelegging wordt gewijzigd. Hij brengt daartoe de inhoud van de door hem noodzakelijk geachte wijzigingen ter kennis van de rechtbank en vordert dat die wijzigingen zullen worden toegelaten.

  2. Indien de rechtbank de vordering toewijst, laat zij de inhoud van de wijzigingen in het proces-verbaal vastleggen. Wijzigingen waardoor de tenlastelegging niet langer hetzelfde feit in de zin van artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht zou inhouden, worden niet toegelaten.

Artikel 4.2.28

  1. Indien de tenlastelegging overeenkomstig artikel 4.2.27, tweede lid, is gewijzigd, reikt de griffier de verdachte de gewijzigde tenlastelegging uit, tenzij de rechtbank oordeelt dat ermee kan worden volstaan de verdachte in kennis te stellen van de wijzigingen.

  2. Het onderzoek wordt direct of na een korte onderbreking voortgezet. Indien de verdachte daarom verzoekt, schorst de rechtbank het onderzoek voor bepaalde tijd, tenzij zij van oordeel is dat de verdachte redelijkerwijs niet in zijn verdediging wordt geschaad wanneer het onderzoek direct wordt voortgezet.

  3. Indien tegen de verdachte verstek is verleend, wordt het onderzoek direct voortgezet indien de verdachte door het achterwege laten van betekening van de wijziging niet in zijn verdediging wordt geschaad. In het andere geval schorst de rechtbank het onderzoek en wordt de gewijzigde tenlastelegging hem zo spoedig mogelijk betekend.

  4. Indien de verdachte de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst, wordt hem in geval van schorsing een vertaling van de gewijzigde tenlastelegging dan wel van de wijzigingen in de tenlastelegging verstrekt of wordt die informatie in een voor hem begrijpelijke taal aan hem meegedeeld.

Artikel 4.2.29

De rechtbank kan de officier van justitie en de verdachte in de gelegenheid stellen schriftelijk standpunten uit te wisselen.

Artikel 4.2.30

  1. Indien strafbare feiten waarvan dezelfde persoon wordt verdacht bij verschillende procesinleidingen ter berechting zijn aangebracht en de behandeling daarvan op dezelfde terechtzitting plaatsvindt, beveelt de rechtbank de voeging, indien deze in het belang van een behoorlijke behandeling van de zaak is.

  2. De rechtbank beveelt de splitsing van gevoegde strafbare feiten indien de voeging niet in het belang van een behoorlijke behandeling van de zaak is.

Artikel 4.2.31

  1. De processtukken worden door de voorzitter of een van de rechters ter sprake gebracht voor zover deze van belang kunnen zijn voor de door de rechtbank te nemen beslissingen.

  2. Door de officier van justitie en door de verdachte aangeduide processtukken of delen daarvan worden op hun vordering of verzoek eveneens ter sprake gebracht.

  3. Het ter sprake brengen van processtukken kan bestaan uit het kort aanduiden, het samenvatten of het voorlezen van de inhoud. Het ter sprake brengen van processtukken bestaande uit geluids- of beeldopnamen kan bestaan uit het kort aanduiden, het samenvatten, het vertonen of het ten gehore brengen van de inhoud.

  4. Het ter sprake brengen van processtukken kan achterwege blijven indien de officier van justitie en de verdachte daarmee instemmen. Indien op de terechtzitting een slachtoffer aanwezig is, kan het ter sprake brengen achterwege blijven indien ook het slachtoffer daarmee instemt.

  5. Indien een schriftelijke uitwisseling van standpunten heeft plaatsgehad, wordt de inhoud daarvan in elk geval kort aangeduid overeenkomstig het derde lid.

Artikel 4.2.32

  1. Eigen waarnemingen kunnen door de voorzitter of een van de rechters ter sprake worden gebracht.

  2. Gegevens die geen deel uitmaken van de processtukken maar worden ontleend aan voor een ieder toegankelijke openbare bronnen, kunnen door de voorzitter of een van de rechters ter sprake worden gebracht.

Artikel 4.2.33

De voorzitter toont zo nodig stukken van overtuiging. De voorzitter kan de verdachte, getuigen en deskundigen hierover verhoren.

Artikel 4.2.34

De rechtbank kan bepalen dat door een opsporingsambtenaar dan wel de rechter-commissaris en diens griffier van hetgeen op een geluids- of beeldopname is vastgelegd alsnog volledig proces-verbaal wordt opgemaakt.

Artikel 4.2.35

  1. De voorzitter verhoort de verdachte. Hij geeft daarna de rechters, de officier van justitie en de raadsman gelegenheid tot het stellen van vragen aan de verdachte. De voorzitter, de rechters, de officier van justitie en de raadsman kunnen ook gedurende de verdere loop van het onderzoek vragen stellen aan de verdachte.

  2. De voorzitter kan bepalen dat de verdachte in afwezigheid van een of meer andere verdachten of getuigen zal worden verhoord.

  3. Artikel 4.2.39 is van toepassing.

  4. Bij het verhoor van de verdachte wordt zo veel mogelijk onderzocht of zijn verklaring op eigen wetenschap berust.

Artikel 4.2.36

  1. De voorzitter kan bepalen dat de vragen met betrekking tot de geestvermogens van de verdachte in zijn afwezigheid zullen worden gesteld en behandeld, en dat de officier van justitie of de raadsman in afwezigheid van de verdachte het woord zal voeren over zijn geestvermogens.

  2. Na terugkeer van de verdachte in de zittingzaal wordt hem meegedeeld wat is voorgevallen.

Artikel 4.2.37

  1. De voorzitter vraagt de getuige naar zijn beroep en of hij bloed- of aanverwant is van de verdachte en zo ja, in welke graad.

  2. Indien gegrond vermoeden bestaat dat de getuige in verband met het afleggen van zijn verklaring overlast zal ondervinden of in de uitoefening van zijn beroep zal worden belemmerd, kan de rechtbank bepalen dat het vragen naar een gegeven als bedoeld in artikel 1.6.1 dan wel het eerste lid door de voorzitter achterwege zal worden gelaten. De rechtbank neemt de maatregelen die redelijkerwijs nodig zijn om de onthulling van dit gegeven te voorkomen.

  3. De voorzitter beëdigt daarna de getuige dat hij de gehele waarheid en niets dan de waarheid zal zeggen. Artikel 2.10.30, tweede lid, betreffende de vervanging van de beëdiging door een aanmaning, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 4.2.38

  1. De voorzitter verhoort de getuige.

  2. De voorzitter geeft daarna de rechters en de officier van justitie de gelegenheid om vragen te stellen aan de getuige.

  3. De voorzitter geeft de verdachte de gelegenheid om vragen te stellen aan de getuige en om naar aanleiding van de verklaring van de getuige opmerkingen te maken.

  4. Indien de getuige tijdens het opsporingsonderzoek nog niet is verhoord en op verzoek van de verdachte wordt verhoord, krijgt de verdachte als eerste de gelegenheid om vragen te stellen. Daarna verhoort de voorzitter de getuige. De voorzitter geeft vervolgens de rechters en de officier van justitie de gelegenheid om vragen te stellen aan de getuige.

  5. De voorzitter stelt de officier van justitie in de gelegenheid om naar aanleiding van de ondervraging bedoeld in het vierde lid opmerkingen te maken.

Artikel 4.2.39

  1. De officier van justitie en de verdachte kunnen met betrekking tot een vraag opmerkingen maken voordat deze wordt beantwoord.

  2. De rechtbank kan beletten dat aan een vraag gesteld door de officier van justitie of door de verdachte of zijn raadsman gevolg wordt gegeven.

Artikel 4.2.40

  1. Indien de getuige bij zijn verhoor zonder wettige grond weigert op de gestelde vragen te antwoorden of de van hem vereiste verklaring, eed of belofte af te leggen, beveelt de rechtbank, indien zij dit in het belang van een behoorlijke behandeling van de zaak noodzakelijk acht, zijn gijzeling voor ten hoogste een maand. De rechtbank beveelt daarbij op welk tijdstip de getuige opnieuw aan haar zal worden voorgeleid. Voorgeleiding vindt in ieder geval plaats binnen twee weken nadat het bevel tot gijzeling is gegeven.

  2. Voordat het bevel tot gijzeling wordt gegeven worden de getuige en zijn advocaat gehoord over de reden van zijn weigering.

  3. De rechtbank beveelt het ontslag van de getuige uit de gijzeling zodra hij aan zijn verplichtingen heeft voldaan of het onderzoek op de terechtzitting is gesloten. Artikel 2.10.36, tweede lid, is van toepassing.

  4. De artikelen 2.10.35, derde lid, 2.10.37, 2.10.38 en 2.10.72, eerste lid, zijn van toepassing.

Artikel 4.2.41

  1. Indien een getuige ervan verdacht wordt zich op de terechtzitting aan het misdrijf van meineed schuldig te hebben gemaakt, kan de rechtbank bevelen dat de griffier direct een proces-verbaal opmaakt, dat door de voorzitter, de rechters en de griffier wordt ondertekend. Het proces-verbaal bevat de verklaring van de getuige.

  2. De verklaring van de getuige wordt hem voorgelezen; daarna wordt hem gevraagd of hij in zijn verklaring volhardt en zo ja, of hij deze wil ondertekenen. Bij gebreke van ondertekening vermeldt het proces-verbaal de weigering of de reden van verhindering.

  3. Het proces-verbaal wordt door de rechtbank ter kennis gebracht van de officier van justitie.

Artikel 4.2.43

  1. Na het afleggen van zijn verklaring blijft de getuige in de zittingzaal, tenzij de rechtbank met toestemming van de officier van justitie en de verdachte bepaalt dat de getuige weg mag gaan, zo nodig met het bevel op een daarbij te bepalen tijdstip opnieuw aanwezig te zijn. De toestemming van de verdachte is niet vereist indien ten aanzien van de getuige het vermoeden, bedoeld in artikel 4.2.37, tweede lid, bestaat.

  2. De voorzitter kan bevelen dat de getuige na diens verhoor de zittingzaal zal verlaten en dat hij op een later tijdstip zal worden binnengelaten om nogmaals te worden verhoord.

  3. De voorzitter kan bevelen dat de verdachte de zittingzaal zal verlaten, opdat de getuige in zijn afwezigheid zal worden verhoord. Na zijn terugkeer in de zittingzaal wordt aan de verdachte direct meegedeeld wat is voorgevallen.

Artikel 4.2.44

  1. Alle bepalingen in Afdeling 2.4.3 over het verhoor van getuigen zijn van overeenkomstige toepassing op het verhoor van deskundigen, met uitzondering van de artikelen 4.2.37, derde lid, en 4.2.40.

  2. De deskundige wordt beëdigd dat hij naar waarheid en zijn geweten zal verklaren.

Artikel 4.2.45

  1. De rechtbank kan aan de deskundige opdracht geven om voorafgaand aan zijn verhoor kennis te nemen van het verslag van een andere deskundige of het verhoor van die andere deskundige bij te wonen.

  2. De rechtbank kan aan de deskundige vragen stellen naar aanleiding van het verslag of het verhoor van een andere deskundige.

  3. De rechtbank kan de deskundige in de gelegenheid stellen om naar aanleiding van het verslag of het verhoor van een andere deskundige opmerkingen te maken.

Artikel 4.2.46

Degene die op grond van artikel 1.5.8 het spreekrecht kan uitoefenen, krijgt de gelegenheid om een verklaring af te leggen. Indien meer dan drie indirecte slachtoffers hebben meegedeeld dat zij van hun spreekrecht gebruik willen maken, en zij het onderling niet eens kunnen worden over wie van hen het woord zal voeren, beslist de voorzitter welke drie personen van het spreekrecht gebruik kunnen maken. De beslissing van de voorzitter laat onverlet dat de echtgenoot, geregistreerde partner of een andere levensgezel het woord kan voeren ter uitoefening van het spreekrecht.

Artikel 4.2.47

De voorzitter en de rechters kunnen degene die het spreekrecht heeft uitgeoefend vragen over zijn verklaring stellen. Nadere vragen van de officier van justitie en de verdachte worden door tussenkomst van de voorzitter gesteld.

Artikel 4.2.48

De officier van justitie legt een lijst met op grond van artikel 2.7.4, eerste lid, inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen over.

Artikel 4.2.49

  1. Indien de rechtbank dit in het belang van een behoorlijke behandeling van de zaak noodzakelijk acht, beveelt zij de oproeping van een getuige of deskundige. De rechtbank kan tevens de medebrenging van de getuige of deskundige bevelen. Artikel 4.2.21 is van toepassing.

  2. Indien de rechtbank het in het belang van een behoorlijke behandeling van de zaak noodzakelijk acht aan een nieuwe deskundige onderzoek op te dragen, benoemt zij, gehoord de officier van justitie en de verdachte, een deskundige en verleent zij hem opdracht tot het uitbrengen van een verslag.

Artikel 4.2.50

  1. Indien de rechtbank dit in het belang van een behoorlijke behandeling van de zaak noodzakelijk acht, beveelt zij dat de officier van justitie nader omschreven onderzoek zal verrichten of doen verrichten.

  2. Indien de rechtbank dit in het belang van een behoorlijke behandeling van de zaak noodzakelijk acht, beveelt zij dat de officier van justitie bepaalde stukken zal overdragen met het oog op voeging van deze stukken bij de processtukken dan wel de verdachte de inzage van stukken zal toestaan met het oog op de onderbouwing van een verzoek tot het doen voegen van stukken bij de processtukken. Artikel 4.1.4, zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.

  3. Indien de rechtbank dit in het belang van een behoorlijke behandeling van de zaak noodzakelijk acht, beveelt zij dat de officier van justitie bepaalde stukken van overtuiging zal overleggen.

Artikel 4.2.51

  1. Indien de rechtbank dit in het belang van een behoorlijke behandeling van de zaak noodzakelijk acht, draagt zij de rechter-commissaris op enig onderzoek te verrichten. Zij duidt het onderwerp van het onderzoek aan en, zo nodig, de wijze waarop dit moet worden ingesteld. Tevens vermeldt zij, in het geval aan de rechter-commissaris het verhoor van getuigen of deskundigen wordt opgedragen, of het verhoor op een geluidsopname of geluids- en beeldopname wordt vastgelegd en of van het verhoor volledig proces-verbaal wordt opgemaakt.

  2. De rechtbank kan bepalen dat de rechter-commissaris naast de hem opgedragen werkzaamheden ander onderzoek kan verrichten dat hij in het belang van een behoorlijke behandeling van de zaak noodzakelijk acht.

  3. In het geval het onderzoek uitsluitend zal bestaan in het verhoren van getuigen of het verlenen van een opdracht aan, het benoemen en verhoren van deskundigen, kan de rechtbank de voorzitter of een van de rechters die over de zaak oordelen als rechter-commissaris aanwijzen. Deze rechter kan aan het verdere onderzoek op de terechtzitting deelnemen, tenzij bij het verhoren van de getuige of deskundige is bepaald dat de verdachte en zijn raadsman daar niet bij aanwezig mogen zijn.

  4. Boek 2, Hoofdstuk 10, is op het onderzoek van toepassing, met uitzondering van de artikelen 2.10.1 tot en met 2.10.9, 2.10.59 tot en met 2.10.65 en 2.10.67 tot en met 2.10.69.

Artikel 4.2.52

  1. De rechtbank draagt het verhoor van een getuige in ieder geval op aan de rechter-commissaris indien:

    1. de getuige een bedreigde of afgeschermde getuige is wiens identiteit verborgen is gehouden; of

    2. de officier van justitie de getuige heeft toegezegd dat hij op geen andere wijze zal worden verhoord dan als bedreigde getuige of als afgeschermde getuige, en nog niet onherroepelijk op een vordering als bedoeld in artikel 2.10.39, eerste lid, of 2.10.46, eerste lid, is beslist.

  2. De officier van justitie dient direct nadat de stukken aan de rechter-commissaris zijn overgedragen de vordering, bedoeld in de artikelen 2.10.39, eerste lid, of 2.10.45, eerste lid, in.

Artikel 4.2.53

  1. Indien de rechtbank het in het belang van een behoorlijke behandeling van de zaak noodzakelijk acht dat een onderzoek wordt ingesteld naar de geestvermogens van de verdachte die zich in voorlopige hechtenis bevindt en dit niet voldoende op een andere wijze kan plaatsvinden, beveelt zij bij een gemotiveerde beslissing dat de verdachte ter observatie zal worden overgebracht naar een in het bevel aan te duiden accommodatie, bedoeld in artikel 90sexies van het Wetboek van Strafrecht, of een instelling voor klinische observatie.

  2. Het bevel kan ook worden gegeven indien de rechtbank overweegt toepassing te geven aan artikel 37b van het Wetboek van Strafrecht.

  3. Het bevel wordt pas gegeven nadat het oordeel van een of meer deskundigen is ingewonnen en de officier van justitie, de verdachte en zijn raadsman in de gelegenheid zijn gesteld om te worden gehoord.

  4. Indien het gaat om een verdachte die zich in voorlopige hechtenis bevindt, is artikel 2.10.25 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de bevelen worden gegeven door de rechtbank.

  5. Indien toepassing wordt gegeven aan artikel 37b van het Wetboek van Strafrecht, geldt het verblijf in de accommodatie of instelling als verpleging van overheidswege. Het verblijf duurt ten hoogste zeven weken. De rechtbank kan te allen tijde bevelen dat het verblijf wordt beëindigd.

  6. Bij toepassing van het tweede lid kan de verdachte worden aangehouden op bevel van de officier van justitie of een hulpofficier van justitie in het arrondissement waarin de verdachte feitelijk verblijft. Na de aanhouding wordt de verdachte direct overgebracht naar een door Onze Minister aangewezen accommodatie of instelling.

Artikel 4.2.54

  1. Indien de rechtbank dit in het belang van een behoorlijke behandeling van de zaak noodzakelijk acht, beveelt zij dat een schouw zal worden gehouden of dat getuigen of verdachten elders dan in de zittingzaal worden verhoord. In dat geval beveelt zij dat de terechtzitting tijdelijk zal worden verplaatst.

  2. De rechtbank is bevoegd ten behoeve van de schouw met door haar aangewezen personen elke plaats te betreden. De rechtbank en de door haar aangewezen personen kunnen de hulp inroepen van de politie en de Koninklijke marechaussee.

  3. De rechtbank is bevoegd naar aanleiding van de situatie op de plaats waar de tijdelijke terechtzitting zal worden gehouden de nodige bevelen te geven voor de wijze van behandeling van de zaak op die terechtzitting.

Artikel 4.2.55

  1. Indien de rechtbank nader onderzoek beveelt of indien zij schorsing om een andere reden in het belang van een behoorlijke behandeling van de zaak noodzakelijk acht, schorst de rechtbank het onderzoek op de terechtzitting voor bepaalde of onbepaalde tijd.

  2. De schorsing voor bepaalde tijd kan zo nodig telkens tot een nader te bepalen tijdstip worden verlengd.

  3. De redenen voor de schorsing worden in het proces-verbaal vastgelegd.

  4. In geval van schorsing wordt een proces-verbaal opgemaakt dat de gegevens, bedoeld in artikel 4.2.68, eerste lid, bevat. Bij instemming van de officier van justitie en de verdachte kan artikel 4.2.70 worden toegepast. Het proces-verbaal wordt ondertekend door de voorzitter of een van de andere rechters en de griffier en wordt voor de hervatting van het onderzoek ter kennis gebracht van de procespartijen. In geval artikel 4.2.70 wordt toegepast, wordt de geluidsopname of geluids- en beeldopname voor de hervatting van het onderzoek bij de processtukken gevoegd.

Artikel 4.2.56

  1. Indien de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt en de rechtbank het onderzoek voor bepaalde tijd schorst, stelt zij de termijn van de schorsing op niet meer dan drie maanden.

  2. Indien de rechtbank het onderzoek voor onbepaalde tijd schorst, stelt zij een uiterste termijn waarbinnen het onderzoek moet worden hervat. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 4.2.57

  1. Indien het onderzoek voor bepaalde tijd wordt geschorst, deelt de voorzitter de datum en het tijdstip van hervatting van het onderzoek mee aan:

    1. de verdachte en zijn raadsman;

    2. de getuigen en deskundigen die nog niet op de terechtzitting zijn verhoord;

    3. het slachtoffer en de persoon die op grond van artikel 1.5.8 het spreekrecht kan uitoefenen; en

    4. de tolken.

  2. De mededeling geldt als oproeping.

  3. De personen, bedoeld in het eerste lid, die bij de mededeling niet aanwezig waren, worden voor de nadere terechtzitting opgeroepen.

  4. De rechtbank kan getuigen en deskundigen die al op de terechtzitting zijn verhoord alsmede tolken aanwijzen wier aanwezigheid op de nadere terechtzitting is vereist. Een vordering daartoe van de officier van justitie of een verzoek van de verdachte wordt toegewezen, tenzij de rechtbank van oordeel is dat door een afwijzing redelijkerwijs het openbaar ministerie niet in zijn vervolging en de verdachte niet in zijn verdediging wordt geschaad.

Artikel 4.2.58

  1. Indien het onderzoek voor onbepaalde tijd is geschorst, worden de personen, genoemd in artikel 4.2.57, eerste lid, voor de nadere terechtzitting opgeroepen.

  2. Artikel 4.2.57, vierde lid, is van toepassing.

  3. Met betrekking tot de oproeping van de verdachte zijn de artikelen 4.1.13 en 4.2.13 van toepassing.

Artikel 4.2.59

  1. Indien de schorsing van het onderzoek is bevolen, wordt het onderzoek van de zaak op de nadere terechtzitting hervat in de stand waarin het zich op het tijdstip van de schorsing bevond.

  2. De rechtbank is bevoegd te bevelen dat het onderzoek op de terechtzitting opnieuw wordt aangevangen.

  3. De rechtbank beveelt in ieder geval dat het onderzoek op de terechtzitting opnieuw wordt aangevangen indien de samenstelling van de rechtbank bij de hervatting is gewijzigd, tenzij de officier van justitie en de verdachte instemmen met hervatting in de stand waarin het onderzoek zich op het tijdstip van de schorsing bevond.

  4. Ook in het geval het onderzoek op de terechtzitting opnieuw wordt aangevangen blijven beslissingen van de rechtbank inzake de geldigheid van de betekening van de oproeping op grond van artikel 4.2.13, eerste lid, beslissingen op verweren van de verdachte op grond van artikel 4.2.26, eerste lid, beslissingen op vorderingen tot wijziging van de tenlastelegging alsmede beslissingen over het verhoren of het oproepen van getuigen of deskundigen voor de terechtzitting op grond van de artikelen 4.2.19, 4.2.22 en 4.2.49 in stand.

  5. De rechtbank kan slechts op de gronden, bedoeld in artikel 4.2.19, tweede lid, afzien van de hernieuwde oproeping van een niet verschenen getuige die voorafgaande aan de schorsing op grond van de artikelen 4.2.19 of 4.2.22 was opgeroepen. Indien de rechter-commissaris die door de rechtbank met het verhoor van een getuige is belast zijn opdracht teruggeeft zonder dat de getuige door hem is verhoord, kan de rechtbank de vordering van de officier van justitie of het verzoek van de verdachte om die getuige op te roepen eveneens slechts afwijzen op de gronden, bedoeld in artikel 4.2.19, tweede lid. De artikelen 4.2.20 en 4.2.21 zijn van toepassing.

Artikel 4.2.60

  1. Indien op de terechtzitting uitsluitend mededeling wordt gedaan van door de meervoudige kamer na een onderbreking of schorsing genomen beslissingen en van de datum en het tijdstip van de nadere terechtzitting dan wel van de sluiting van het onderzoek op de terechtzitting, kunnen die mededelingen worden gedaan door één van de leden van de meervoudige kamer.

  2. De mededelingen worden in het proces-verbaal vastgelegd.

Artikel 4.2.61

  1. Tijdens de schorsing kan de rechtbank het onderzoek op de terechtzitting voor spoedeisende maatregelen tijdelijk hervatten.

  2. De artikelen 4.2.58 en 4.2.59 zijn van toepassing.

Artikel 4.2.62

  1. Nadat de verdachte en de aanwezige getuigen en deskundigen zijn verhoord en het spreekrecht is uitgeoefend, houdt de officier van justitie zijn requisitoir met zijn vordering ten aanzien van de door de rechter te nemen beslissingen. De officier van justitie legt zijn vordering na voorlezing aan de rechtbank over.

  2. De verdachte krijgt na het requisitoir van de officier van justitie gelegenheid voor pleidooi. Hij kan daarbij aanvoeren wat hij voor zijn verdediging van belang vindt.

  3. De officier van justitie krijgt daarna gelegenheid voor repliek en de verdachte voor dupliek.

  4. De officier van justitie en de verdachte kunnen, wanneer zij overeenkomstig het eerste, tweede en derde lid het woord voeren, verwijzen naar stukken die zijn of worden overgelegd. Die stukken worden geacht door hen op de terechtzitting te zijn voorgedragen voor zover de rechtbank daarmee instemt. De instemming wordt in het proces-verbaal van de terechtzitting vastgelegd. De stukken waarop de instemming betrekking heeft worden als bijlagen aan het proces-verbaal toegevoegd.

Artikel 4.2.63

  1. Aan de verdachte wordt het recht gelaten om het laatst te spreken.

  2. De voorzitter kan naar aanleiding van hetgeen de verdachte aanvoert, bepalen dat aan de verdachte, aan getuigen en deskundigen en aan degenen die het spreekrecht hebben uitgeoefend nieuwe vragen worden gesteld en dat processtukken ter sprake worden gebracht. In dat geval krijgen de officier van justitie en de verdachte opnieuw de gelegenheid het woord te voeren overeenkomstig artikel 4.2.62. Aan de verdachte wordt opnieuw het recht gelaten het laatst te spreken.

Artikel 4.2.64

Voor de sluiting van het onderzoek vraagt de voorzitter, indien de uitspraak niet direct wordt gedaan, aan de verdachte die op de terechtzitting door een tolk is bijgestaan of hij bij de uitspraak aanwezig zal zijn. Indien de verdachte verklaart aanwezig te zullen zijn, deelt de voorzitter de tolk de datum en het tijdstip van de uitspraak mee. Die mededeling geldt als oproeping.

Artikel 4.2.65

  1. De voorzitter sluit het onderzoek op de terechtzitting wanneer hij van oordeel is dat het is voltooid.

  2. De rechtbank kan direct uitspraak doen. In het andere geval deelt de voorzitter mee wanneer de rechtbank uitspraak zal doen.

  3. Indien de rechtbank het wenselijk acht dat de verdachte bij de uitspraak aanwezig is, beveelt zij dat de verdachte in persoon zal verschijnen. Met het oog daarop kan de rechtbank de medebrenging van de verdachte bevelen.

  4. De verdachte, bedoeld in artikel 4.2.2, eerste lid, is verplicht bij de uitspraak aanwezig te zijn. Met het oog daarop beveelt de rechtbank de medebrenging van de verdachte, tenzij zij dit met overeenkomstige toepassing van artikel 4.2.2, tweede lid, achterwege laat.

Artikel 4.2.66

  1. De rechtbank doet uiterlijk twee weken na de sluiting van het onderzoek uitspraak. De Algemene termijnenwet is op deze termijn niet van toepassing.

  2. De rechtbank kan de uitspraak vervroegen indien een kennisgeving daarvan tijdig aan de verdachte in persoon wordt betekend. De rechtbank stelt de officier van justitie, het slachtoffer, de persoon die op grond van artikel 1.5.8 het spreekrecht heeft uitgeoefend en de tolk aan wie het tijdstip van de uitspraak was meegedeeld, in kennis van de vervroeging van de uitspraak.

  3. De rechtbank kan de uitspraak op de dag waarop zij zou plaatsvinden voor bepaalde tijd uitstellen. Zij kan de verdachte, de officier van justitie, het slachtoffer, de persoon die op grond van artikel 1.5.8 het spreekrecht heeft uitgeoefend en de tolk aan wie het tijdstip van de uitspraak was meegedeeld, daarvan op voorhand in kennis stellen.

  4. Indien de uitspraak niet binnen de ingevolge het eerste lid geldende termijn is gedaan, heropent de rechtbank het onderzoek en behandelt zij de zaak op de bestaande tenlastelegging opnieuw.

Artikel 4.2.67

  1. Indien tijdens de beraadslaging blijkt dat het onderzoek niet volledig is geweest, kan de rechtbank op de dag waarop de uitspraak zou plaatsvinden bepalen dat het onderzoek op een door haar te bepalen terechtzitting wordt heropend.

  2. De rechtbank bepaalt welk onderzoek nog moet worden verricht. Afdeling 2.4.7 is van toepassing.

  3. Artikel 4.2.58 is van toepassing.

Artikel 4.2.68

  1. De griffier legt tijdens het onderzoek op de terechtzitting de namen van de rechters die over de zaak oordelen, de in acht genomen vormen, al hetgeen met betrekking tot de zaak op de terechtzitting voorvalt alsmede de op de terechtzitting afgelegde verklaringen vast.

  2. De griffier neemt op bevel van de voorzitter een verklaring woordelijk op wanneer de officier van justitie, de verdachte, een getuige of deskundige dat verzoekt, voor zover het verzoek redelijke grenzen niet overschrijdt. Acht de officier van justitie, de verdachte, de getuige of de deskundige de verklaring niet voldoende weergegeven, dan beslist de rechtbank.

  3. De griffier legt een omstandigheid, verklaring of opgave op bevel van de voorzitter vast wanneer een van de rechters, de officier van justitie of de verdachte dat verzoekt.

  4. Het vastleggen van omstandigheden, verklaringen en opgaven tijdens het onderzoek op de terechtzitting door de griffier op grond van het eerste, tweede en derde lid kan achterwege blijven indien van het onderzoek op de terechtzitting een geluidsopname of geluids- en beeldopname wordt gemaakt.

Artikel 4.2.69

  1. De griffier maakt van het onderzoek op de terechtzitting proces-verbaal op indien:

    1. daartoe binnen drie maanden na de uitspraak een vordering door de officier van justitie of een verzoek door de verdachte wordt gedaan;

    2. tegen het eindvonnis een gewoon rechtsmiddel wordt ingesteld; of

    3. een vordering of verzoek als omschreven in artikel 4.3.23, vijfde lid, wordt toegewezen.

  2. Het proces-verbaal bevat in ieder geval de gegevens, vermeld in artikel 4.2.68, eerste, tweede en derde lid. Onder het proces-verbaal zijn begrepen de stukken die daar als bijlage aan zijn toegevoegd.

  3. Het proces-verbaal wordt door de voorzitter of een van de rechters die over de zaak hebben geoordeeld en de griffier ondertekend binnen drie maanden nadat de verplichting tot het opmaken daarvan ontstaat.

  4. Zodra het proces-verbaal is ondertekend, wordt het bij de processtukken gevoegd. In het geval een geluidsopname of geluids- en beeldopname is gemaakt van het onderzoek op de terechtzitting, wordt deze eveneens bij de processtukken gevoegd.

  5. De voorzitter kan desgevraagd een kopie van het proces-verbaal aan een derde verstrekken, indien er geen belangen zijn die zich daartegen verzetten. Indien dat wel het geval is, kan de voorzitter een geanonimiseerde kopie of een uittreksel van het proces-verbaal verstrekken.

Artikel 4.2.70

  1. In het geval een geluidsopname of geluids- en beeldopname is gemaakt van het onderzoek op de terechtzitting, kan de voorzitter bepalen dat een verkort proces-verbaal wordt opgemaakt.

  2. Een verkort proces-verbaal bevat in ieder geval de namen van de rechters en van de griffier, de uitspraken die niet in het eindvonnis zijn opgenomen, gegevens waarvan de wet anders dan ingevolge artikel 4.2.69, tweede lid, vastlegging in het proces-verbaal voorschrijft en een summiere weergave van hetgeen op de terechtzitting is voorgevallen. Onder het verkort proces-verbaal zijn begrepen de stukken die daar als bijlage aan zijn toegevoegd.

  3. Artikel 4.2.69, derde tot en met vijfde lid, is van toepassing.

  4. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de inhoud van een verkort proces-verbaal.

Artikel 4.3.1

De rechtbank onderzoekt op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting de geldigheid van de tenlastelegging, haar bevoegdheid tot kennisneming van het tenlastegelegde feit en de ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Artikel 4.3.2

Indien het onderzoek op grond van artikel 4.3.1 daartoe aanleiding geeft, spreekt de rechtbank de nietigheid van de tenlastelegging, haar onbevoegdheid of de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie uit.

Artikel 4.3.3

Indien het onderzoek op grond van artikel 4.3.1 niet leidt tot toepassing van artikel 4.3.2, beraadslaagt de rechtbank op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting over de vraag of bewezen is dat het feit door de verdachte is begaan, en, zo ja, welk strafbaar feit het bewezenverklaarde volgens de wet oplevert. Indien wordt aangenomen dat het feit bewezen en strafbaar is, beraadslaagt de rechtbank over de vraag of een strafuitsluitingsgrond de strafbaarheid van de verdachte wegneemt en over de oplegging van een of meer bij de wet bepaalde straffen of maatregelen.

Artikel 4.3.4

  1. Acht de rechtbank het tenlastegelegde feit bewezen, het bewezenverklaarde feit een strafbaar feit en de verdachte vanwege dat feit strafbaar, dan legt zij, behoudens bij toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, een of meer straffen of maatregelen op binnen de grenzen bij de wet bepaald.

  2. De rechtbank kan bewezen verklaren dat de verdachte één uit meer strafbare feiten heeft begaan en het bewezenverklaarde alternatief kwalificeren tenzij dat niet te verenigen is met een goede procesorde. Bij een alternatieve kwalificatie kunnen de straffen en maatregelen worden opgelegd die op elk van deze feiten zijn gesteld. Een alternatieve kwalificatie blijft achterwege in het geval beide strafbare feiten niet hetzelfde feit in de zin van artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht betreffen.

Artikel 4.3.5

  1. Acht de rechtbank niet bewezen dat de verdachte het hem tenlastegelegde feit heeft begaan, dan spreekt zij hem vrij.

  2. Acht de rechtbank het tenlastegelegde feit bewezen maar het bewezenverklaarde feit geen strafbaar feit of de verdachte vanwege dat feit niet strafbaar, dan ontslaat zij hem van alle rechtsvervolging ter zake van dat feit. In het geval, bedoeld in artikel 39 van het Wetboek van Strafrecht, kan zij tevens een maatregel opleggen als voorzien in de artikelen 37a, 37b of 77s van het Wetboek van Strafrecht, indien de wettelijke voorwaarden daarvoor zijn vervuld.

Artikel 4.3.6

  1. In het nadeel van de verdachte wordt geen acht geslagen op processtukken die niet ter sprake zijn gebracht tijdens het onderzoek op de terechtzitting, tenzij artikel 4.2.31, vierde lid, is toegepast.

  2. In het nadeel van de verdachte wordt geen acht geslagen op processtukken bestaande uit geluids- of beeldopnamen die niet tijdens het onderzoek op de terechtzitting zijn vertoond of ten gehore gebracht dan wel daar met instemming van de verdachte kort zijn aangeduid of samengevat, tenzij artikel 4.2.31, vierde lid, is toegepast.

  3. In het nadeel van de verdachte worden aan een beslissing geen waarnemingen ten grondslag gelegd waarvan het gebruik niet voorzienbaar is.

  4. In de gevallen waarin de bijstand van een tolk nodig is, wordt in het nadeel van de verdachte geen acht geslagen op hetgeen op de terechtzitting is gezegd of ten gehore gebracht zonder dat dit voor hem is vertolkt.

Artikel 4.3.7

  1. Het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, dient op wettige bewijsmiddelen te steunen.

  2. Het bewijs kan slechts worden aangenomen als buiten redelijke twijfel staat dat de verdachte het feit heeft begaan.

  3. Indien de rechtbank er niet van overtuigd is dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, spreekt zij hem daarvan vrij.

Artikel 4.3.8

  1. Als wettige bewijsmiddelen worden alleen erkend:

    1. de verklaring van de verdachte;

    2. de verklaring van een getuige;

    3. de verklaring van een deskundige;

    4. een schriftelijk stuk;

    5. een geluids- of beeldopname;

    6. de eigen waarneming van de rechter.

  2. Feiten of omstandigheden van algemene bekendheid behoeven geen bewijs.

Artikel 4.3.9

  1. Onder verklaring van de verdachte wordt verstaan zijn bij het onderzoek op de terechtzitting gedane mededeling van feiten of omstandigheden, hem uit eigen wetenschap bekend.

  2. Onder verklaring van een getuige wordt verstaan zijn bij het onderzoek op de terechtzitting gedane mededeling van feiten of omstandigheden die hij zelf heeft waargenomen of ondervonden.

  3. Onder verklaring van een deskundige wordt verstaan zijn bij het onderzoek op de terechtzitting gedane mededeling van wat zijn wetenschap en kennis hem leren omtrent datgene wat aan zijn oordeel is onderworpen.

  4. Een mededeling van de verdachte, een getuige of een deskundige als in het eerste, tweede en derde lid bedoeld die elders dan op de terechtzitting is gedaan, kan tot het bewijs meewerken indien daarvan uit een wettig bewijsmiddel blijkt.

  5. Onder eigen waarneming van de rechter wordt verstaan de waarneming die bij het onderzoek op de terechtzitting door hem persoonlijk is gedaan.

Artikel 4.3.10

  1. Het bewijs dat de verdachte het feit heeft begaan, kan niet uitsluitend worden aangenomen op de mededelingen van de verdachte.

  2. Het bewijs dat de verdachte het feit heeft begaan, kan niet uitsluitend worden aangenomen op de mededelingen van één getuige.

  3. Het bewijs dat de verdachte het feit heeft begaan, kan worden aangenomen op het proces-verbaal dat in de wettelijke vorm is opgemaakt door een opsporingsambtenaar die daartoe bevoegd is en zijn mededeling weergeeft van feiten of omstandigheden die hij zelf heeft waargenomen of ondervonden.

Artikel 4.3.11

  1. Het bewijs dat de verdachte het feit heeft begaan, kan niet in beslissende mate steunen op mededelingen van een persoon die de verdachte niet heeft kunnen ondervragen, tenzij het recht op een eerlijk proces daardoor niet wordt geschonden.

  2. Het bewijs dat de verdachte het feit heeft begaan, kan niet steunen op mededelingen die de verdachte op grond van een wettelijke verplichting tot het verschaffen van informatie heeft gedaan, tenzij het recht op een eerlijk proces daardoor niet wordt geschonden.

Artikel 4.3.12

  1. De rechtbank kent een schadevergoeding toe indien de zaak niet binnen een redelijke termijn is berecht en schadevergoeding in het belang is van een goede rechtsbedeling.

  2. Bij de vraag of schadevergoeding in het belang is van een goede rechtsbedeling kan onder meer rekening worden gehouden met het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het onrechtmatig handelen en het daardoor veroorzaakte nadeel.

  3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de wijze waarop de schadevergoeding wordt berekend en de maximale hoogte van de schadevergoeding.

Artikel 4.3.13

  1. Onrechtmatig handelen bij het opsporingsonderzoek of de vervolging leidt tot strafvermindering indien het daardoor veroorzaakte nadeel langs deze weg kan worden gecompenseerd en strafvermindering in het belang is van een goede rechtsbedeling.

  2. Artikel 4.3.12, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 4.3.14

  1. Indien bij het opsporingsonderzoek of de vervolging bij de verkrijging van bewijsmiddelen onrechtmatig is gehandeld, kunnen deze bijdragen aan het bewijs van het tenlastegelegde feit tenzij het belang van een goede rechtsbedeling zich daartegen verzet.

  2. Bij onrechtmatig handelen door het openbaar ministerie of opsporingsambtenaren kan het belang van een goede rechtsbedeling meebrengen dat de resultaten worden uitgesloten van het bewijs met als doel te bevorderen dat in overeenstemming met de geschonden norm wordt gehandeld.

  3. Artikel 4.3.12, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 4.3.15

  1. Het openbaar ministerie verliest het recht om de verdachte te vervolgen indien door onrechtmatig handelen bij het opsporingsonderzoek of de vervolging een eerlijk proces niet meer mogelijk is.

  2. Het openbaar ministerie verliest, behoudens zwaarwegende omstandigheden, het recht om de verdachte te vervolgen indien het onrechtmatig handelen bij het opsporingsonderzoek of de vervolging niet te verenigen is met de basisvoorwaarden voor een behoorlijke berechting.

  3. De vervolging van de verdachte is niet te verenigen met de basisvoorwaarden voor een behoorlijke berechting indien onjuist of onvolledig verslag wordt gedaan van ernstig onrechtmatig handelen door een opsporingsambtenaar dat met het tenlastegelegde strafbare feit verband houdt en dit verzuim niet tijdig wordt rechtgezet.

  4. Indien het openbaar ministerie weigert om een op de terechtzitting gegeven bevel van de rechter ten uitvoer te leggen, wordt de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard indien dat in het belang is van een goede rechtsbedeling. Artikel 4.3.13, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 4.3.16

Indien het onrechtmatig handelen heeft plaatsgevonden buiten het opsporingsonderzoek of de vervolging zijn de artikelen 4.3.13, 4.3.14 en 4.3.15, eerste, tweede en derde lid, van overeenkomstige toepassing indien dat handelen van bepalende invloed is geweest op het opsporingsonderzoek naar of de vervolging van de verdachte ter zake van het tenlastegelegde feit.

Artikel 4.3.17

  1. In het geval van toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, van oplegging van straf of maatregel, van vrijspraak of ontslag van alle rechtsvervolging neemt de rechtbank een beslissing over de met toepassing van artikel 2.7.4, eerste lid, inbeslaggenomen voorwerpen ten aanzien waarvan nog geen bevel tot teruggave is gegeven. Deze beslissing laat ieders rechten ten aanzien van het voorwerp onverlet.

  2. De rechtbank beveelt, onverminderd artikel 4.3.4, eerste lid:

    1. de teruggave van het voorwerp aan degene bij wie het is inbeslaggenomen;

    2. de teruggave van het voorwerp aan degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt; of

    3. indien geen persoon als rechthebbende kan worden aangemerkt, de bewaring van het voorwerp ten behoeve van de rechthebbende.

  3. Op dit bevel is artikel 2.7.29 van toepassing.

  4. De rechtbank kan de teruggave van inbeslaggenomen voorwerpen onder zekerheidstelling bevelen. Artikel 2.7.30 is van overeenkomstige toepassing.

  5. Artikel 2.7.24, tweede lid, is van toepassing.

Artikel 4.3.18

  1. In de gevallen, bedoeld in artikel 4.3.17, eerste lid, neemt de rechtbank een beslissing over de met toepassing van de artikelen 2.7.56 en 2.8.16, eerste lid, onderdeel e, ontoegankelijk gemaakte gegevens indien de desbetreffende maatregelen nog niet zijn opgeheven.

  2. Voor zover de vernietiging noodzakelijk is ter voorkoming van nieuwe strafbare feiten kan de rechtbank bevelen dat de gegevens worden vernietigd indien het gegevens betreft:

    1. met betrekking tot welke of met behulp waarvan een strafbaar feit is begaan; of

    2. die van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit ervan in strijd is met de wet of het algemeen belang.

    In alle andere gevallen beveelt de rechtbank dat de gegevens toegankelijk worden gemaakt voor de personen, genoemd in artikel 2.7.56, tweede en vierde lid.

  3. In de gevallen, bedoeld in artikel 4.3.17, eerste lid, neemt de rechtbank tevens een beslissing over het bevel, bedoeld in artikel 2.7.57, indien een dergelijk bevel nog niet is opgeheven.

Artikel 4.3.19

  1. Indien ter zake van hetzelfde feit een strafbeschikking is voorafgegaan, maar geen verzet is gedaan, vernietigt de rechtbank de strafbeschikking indien hij de verdachte vrijspreekt, ontslaat van alle rechtsvervolging of veroordeelt. Indien de rechtbank de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie uitspreekt, kan zij de strafbeschikking vernietigen.

  2. Indien de strafbeschikking reeds geheel of ten dele is tenuitvoergelegd, houdt de rechtbank daarmee rekening bij het bepalen van de op te leggen straf of maatregel.

Artikel 4.3.20

  1. Het eindvonnis bevat voor zover mogelijk:

    1. naam en voornamen;

    2. geboortedatum en geboorteplaats; en

    3. woon- of verblijfplaats

    van de verdachte.

  2. Het eindvonnis bevat voorts de namen van de rechters door wie het is gewezen en vermeldt de dag van de uitspraak.

  3. Het eindvonnis bevat het tenlastegelegde en de vordering van de officier van justitie.

Artikel 4.3.21

  1. Het eindvonnis bevat de beslissing van de rechtbank op de vragen die in de artikelen 4.3.1 en 4.3.3 zijn vermeld.

  2. Het eindvonnis bevat, voor zover de artikelen 4.3.17 tot en met 4.3.19 van toepassing zijn, de daarbij vermelde beslissingen.

  3. Het eindvonnis bevat de beslissingen van de rechtbank over de voorlopige hechtenis die volgens de wet op de terechtzitting worden genomen, indien die beslissingen niet al in de loop van het onderzoek op de terechtzitting zijn uitgesproken.

  4. Het eindvonnis bevat de beslissing op een vordering of een verzoek als bedoeld in artikel 4.2.6, eerste lid, indien die beslissing niet al in de loop van het onderzoek op de terechtzitting is uitgesproken.

  5. Het eindvonnis bevat de beslissing over de toekenning van schadevergoeding ingevolge artikel 4.3.12.

Artikel 4.3.22

  1. De beslissingen die in artikel 4.3.21 zijn vermeld, zijn gemotiveerd voor zover dat voor de begrijpelijkheid noodzakelijk is, in die zin dat die beslissingen inzichtelijk en controleerbaar zijn.

  2. Indien de rechtbank in strijd met een door de verdachte uitdrukkelijk voorgedragen standpunt aanneemt dat het tenlastegelegde een bepaald strafbaar feit oplevert of dat een bepaalde strafuitsluitingsgrond of wettelijke strafverminderingsgrond niet van toepassing is, dan geeft het eindvonnis de redenen op die daaraan ten grondslag liggen.

  3. Indien een beslissing van de rechtbank op de vragen die in de artikelen 4.3.1 en 4.3.3 zijn vermeld afwijkt van een ander door de verdachte uitdrukkelijk voorgedragen standpunt, dan wel van een standpunt dat door de officier van justitie uitdrukkelijk is voorgedragen, dan geeft het eindvonnis de redenen op die daaraan ten grondslag liggen indien dat standpunt deugdelijk is onderbouwd.

  4. Indien de rechtbank in afwijking van een uitdrukkelijk voorgedragen standpunt tot een bewezenverklaring komt, kunnen de redenen die daaraan ten grondslag liggen ook worden opgenomen in de aanvulling bedoeld in artikel 4.3.23, derde lid.

Artikel 4.3.23

  1. Het eindvonnis bevat de uit wettige bewijsmiddelen blijkende redengevende feiten en omstandigheden waar de beslissing dat het tenlastegelegde feit door de verdachte is begaan op steunt.

  2. Voor zover de verdachte het bewezenverklaarde heeft bekend kan een opgave volstaan van de bewijsmiddelen waar de redengevende feiten en omstandigheden uit blijken, tenzij de verdachte nadien anders heeft verklaard.

  3. Indien aan de verdachte niet een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel van meer dan een jaar wordt opgelegd, behoeven de redengevende feiten en omstandigheden dan wel een opgave van de bewijsmiddelen waar zij uit blijken niet in het eindvonnis te worden opgenomen. Het eindvonnis wordt in dat geval aangevuld met een weergave van de uit de bewijsmiddelen blijkende redengevende feiten en omstandigheden dan wel een opgave van de bewijsmiddelen indien binnen drie maanden na de uitspraak een gewoon rechtsmiddel tegen het vonnis wordt aangewend.

  4. Aanvulling vindt plaats binnen drie maanden na het aanwenden van het rechtsmiddel. De aanvulling wordt ondertekend door één van de rechters die het eindvonnis hebben gewezen of, indien zij daar niet toe in staat zijn, door de voorzitter van het bestuur van de rechtbank dan wel een door deze aangewezen rechter.

  5. Aan een vordering van de officier van justitie of een verzoek van de verdachte om het eindvonnis aan te vullen wordt gevolg gegeven indien de vordering of het verzoek binnen drie maanden na de uitspraak is gedaan.

Artikel 4.3.24

Het eindvonnis dan wel de aanvulling, bedoeld in artikel 4.3.23, derde lid, geeft in het bijzonder de redenen op die hebben geleid tot het gebruik als bewijsmiddel, indien dat gebruik is betwist, van een verklaring die of een schriftelijk stuk dat mededelingen bevat van:

  1. een persoon met een psychische stoornis, psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap;

  2. een persoon die de leeftijd van zestien jaar nog niet heeft bereikt;

  3. een afgeschermde getuige;

  4. een persoon van wie de identiteitsgegevens niet volledig bekend zijn;

  5. een persoon met wie op grond van artikel 2.10.60, derde lid, of artikel 2.10.63 door de officier van justitie een afspraak is gemaakt;

  6. een persoon die de juistheid van die mededelingen later bij een verhoor door een rechter heeft ontkend; of

  7. een persoon die verdacht wordt van het deelnemen aan hetzelfde feit.

Artikel 4.3.25

  1. Het eindvonnis vermeldt, in geval van oplegging van straf of maatregel dan wel toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, de wettelijke voorschriften waarop deze is gegrond.

  2. Het eindvonnis geeft in het bijzonder de redenen op die de straf hebben bepaald of tot de maatregel hebben geleid.

  3. Indien een strafbaar feit in de procesinleiding ter kennis van de rechtbank is gebracht met het oog op het bepalen van de straf, dan blijkt uit het eindvonnis of daar bij het bepalen van de straf op is gelet.

  4. Indien de in Titel IIIa van het Eerste Boek van het Wetboek van Strafrecht omschreven grond tot vermindering van de opgelegde straf heeft geleid, blijkt uit het eindvonnis in hoeverre deze de straf mee heeft bepaald.

  5. Als de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege is opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, dan geeft het vonnis dit gemotiveerd aan.

  6. Bij toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geeft het eindvonnis in het bijzonder de redenen op die daartoe hebben geleid.

  7. Het eindvonnis vermeldt, in geval van oplegging van een vrijheidsstraf, gelet op de mogelijkheid van deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire Beginselenwet of de voorwaardelijke invrijheidstelling, bedoeld in artikel 6:2:10, welk gedeelte van die straf in ieder geval wordt tenuitvoergelegd.

Artikel 4.3.26

  1. Het eindvonnis wordt uitgesproken op een openbare zitting van de rechtbank. De officier van justitie en de griffier zijn hierbij aanwezig.

  2. De uitspraak wordt zo mogelijk gedaan door de voorzitter of door een rechter die over de zaak heeft geoordeeld.

  3. Voor de verdachte die tijdens het onderzoek op de terechtzitting door een tolk is bijgestaan en die bij de uitspraak aanwezig is, wordt de uitspraak vertolkt.

Artikel 4.3.27

  1. De verdachte die zich ter zake van het tenlastegelegde feit in voorlopige hechtenis bevindt, is bij de uitspraak aanwezig. Een verdachte ten aanzien van wie geen bevel tot medebrenging is gegeven, kan te kennen geven niet aanwezig te zullen zijn bij de uitspraak. Dat geldt niet voor de verdachte, bedoeld in artikel 4.2.2, eerste lid.

  2. Indien een verdachte als bedoeld in het eerste lid, eerste zin, niet in staat is bij de uitspraak tegenwoordig te zijn, of indien een verdachte als bedoeld in artikel 4.2.2 niet aanwezig is wegens toepassing van artikel 4.2.2, tweede lid, wordt het eindvonnis hem zo spoedig mogelijk door de griffier voorgelezen, met de mededeling bedoeld in artikel 4.3.28. De griffier maakt daarvan proces-verbaal op.

  3. Indien de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt in een ander arrondissement dan dat waar de berechting heeft plaatsgevonden, kan de voorlezing van het eindvonnis worden gedaan door de griffier van de rechtbank in het arrondissement waar de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt.

Artikel 4.3.28

Indien de verdachte bij de uitspraak van het eindvonnis aanwezig is, deelt de voorzitter hem mee of een rechtsmiddel tegen het eindvonnis openstaat en, zo ja, binnen welke termijn dat rechtsmiddel kan worden aangewend.

Artikel 4.3.29

Het eindvonnis wordt binnen twee dagen na de uitspraak ondertekend door de rechters die over de zaak hebben geoordeeld en door de griffier die bij de beraadslaging aanwezig is geweest. De griffier brengt het ondertekende vonnis binnen twee weken ter kennis van het openbaar ministerie.

Artikel 4.3.30

  1. De officier van justitie brengt het eindvonnis na ondertekening ter kennis van de verdachte die niet bij de uitspraak aanwezig is geweest.

  2. Het eindvonnis wordt, behoudens het vierde lid, aan de verdachte betekend indien:

    1. de procesinleiding of de oproeping voor de terechtzitting niet in persoon aan de verdachte is betekend;

    2. de verdachte noch een uitdrukkelijk gemachtigde raadsman op de terechtzitting is verschenen; en

    3. geen sprake is van een andere omstandigheid waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting of de dag waarop het eindvonnis is uitgesproken de verdachte tevoren bekend was.

  3. Het eindvonnis wordt, behoudens het vierde lid, aan de verdachte betekend indien:

    1. de procesinleiding niet binnen zes weken nadat de verdachte verzet tegen een strafbeschikking ter zake van hetzelfde feit heeft ingesteld, in overeenstemming met de wettelijke regeling aan hem is betekend en aan hem geen onvoorwaardelijke straf of maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming van langere duur meebrengt dan zes maanden;

    2. de verdachte noch een uitdrukkelijk gemachtigde raadsman op de terechtzitting is verschenen; en

    3. geen sprake is van een andere omstandigheid waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting of de dag waarop het eindvonnis is uitgesproken de verdachte tevoren bekend was.

  4. Indien het onderzoek op de terechtzitting voor onbepaalde tijd is geschorst, wordt het eindvonnis aan de verdachte betekend indien:

    1. de oproeping voor de nadere terechtzitting niet in persoon aan de verdachte is betekend;

    2. de verdachte noch een uitdrukkelijk gemachtigde raadsman op de nadere terechtzitting is verschenen; en

    3. geen sprake is van een andere omstandigheid waaruit voortvloeit dat de dag van de nadere terechtzitting of de dag waarop het eindvonnis is uitgesproken de verdachte tevoren bekend was.

  5. Het eindvonnis wordt in persoon aan de verdachte betekend indien:

    1. het op grond van het tweede, derde of vierde lid dient te worden betekend en een van de artikelen 14a, 22c, 38v, 38z, 77m of 77x van het Wetboek van Strafrecht is toegepast; of

    2. artikel 38 van het Wetboek van Strafrecht is toegepast, zodra het eindvonnis onherroepelijk is geworden.

  6. Onder het eindvonnis zijn begrepen de stukken die daarvan als bijlage deel uitmaken.

  7. De officier van justitie brengt het eindvonnis desgevraagd ter kennis van de verdachte die bij de uitspraak aanwezig is geweest.

  8. In geval het eindvonnis wordt aangevuld op de voet van artikel 4.3.23, derde lid, brengt de officier van justitie de aanvulling ter kennis van de verdachte.

Artikel 4.3.31

  1. Indien de verdachte de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst, stelt de officier van justitie hem in een voor hem begrijpelijke taal in kennis van:

    1. de beslissing op grond van artikel 4.3.2 dan wel de beslissing tot veroordeling, vrijspraak of ontslag van alle rechtsvervolging;

    2. indien een veroordeling of ontslag van alle rechtsvervolging is uitgesproken, de benaming van het strafbare feit dat het bewezenverklaarde oplevert met vermelding van de plaats waar en het tijdstip waarop het is begaan;

    3. een opgelegde straf of maatregel, alsmede de wettelijke voorschriften waarop deze is gegrond;

    4. indien een van de artikelen 14a, 22c, 38v, 38z, 77m of 77x van het Wetboek van Strafrecht is toegepast,

      1. alle beslissingen die betrekking hebben op de in deze artikelen bedoelde algemene en bijzondere voorwaarden, vrijheidsbeperkende maatregel of taakstraf;

      2. de datum van ingang van de proeftijd of maatregel, dan wel van de termijn binnen welke de taakstraf moet worden voltooid.

  2. Artikel 4.3.30, tweede tot en met vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

  3. De kennisgeving behoeft niet te worden toegezonden of betekend indien de verdachte bij de uitspraak aanwezig is geweest en deze op grond van artikel 4.3.26, derde lid, voor hem is vertolkt.

Artikel 4.3.32

De voorzitter of een andere rechter die over de zaak heeft geoordeeld verstrekt het eindvonnis desgevraagd aan ieder ander dan de verdachte en zijn raadsman, tenzij dit naar zijn oordeel ter bescherming van de belangen van degene ten aanzien van wie het eindvonnis is gewezen of van derden dient te worden geweigerd. In het laatste geval kan een geanonimiseerd eindvonnis, een deel van het eindvonnis of een uittreksel daarvan worden verstrekt.

Artikel 4.4.1

  1. De benadeelde partij kan zich voor de aanvang van het onderzoek op de terechtzitting met haar vordering in het strafproces voegen door het indienen van het in artikel 1.5.13 bedoelde schadeformulier bij het parket dat in dat formulier wordt vermeld. De officier van justitie die de zaak ter berechting aanbrengt, doet in de procesinleiding opgave van de voeging.

  2. Op de terechtzitting vindt de voeging plaats door de opgave van de vordering en de gronden waarop zij berust bij de rechtbank, uiterlijk voordat de officier van justitie zijn requisitoir houdt. Deze opgave kan ook mondeling worden gedaan.

  3. De benadeelde partij kan haar vordering tot de sluiting van het onderzoek op de terechtzitting intrekken.

Artikel 4.4.2

Indien het schadeformulier op een zodanig tijdstip is ingediend dat van de voeging geen opgave kan worden gedaan in de procesinleiding, stelt de officier van justitie de voorzitter van de rechtbank en zo mogelijk de verdachte en zijn raadsman zo spoedig mogelijk in kennis van de voeging. Hij maakt daarnaast van de voeging melding bij de voordracht van de zaak.

Artikel 4.4.3

Indien de benadeelde partij zich in het strafproces heeft gevoegd, wordt in de Hoofdstukken 1, 2 en 3 onder slachtoffer en onder procespartijen ook de benadeelde partij begrepen.

Artikel 4.4.4

Indien naar het oordeel van de rechtbank de benadeelde partij kennelijk niet-ontvankelijk is, kan zij zonder nader onderzoek van de vordering de niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij uitspreken.

Artikel 4.4.5

  1. De bevoegdheden die de benadeelde partij in deze afdeling worden toegekend, komen ook toe aan degene die haar bijstaat.

  2. De benadeelde partij kan zowel op de terechtzitting als daaraan voorafgaand tot het bewijs van de ten gevolge van het strafbare feit geleden schade stukken overdragen, maar geen getuigen of deskundigen laten oproepen.

  3. De benadeelde partij kan aan de getuigen en deskundigen vragen stellen, maar alleen over haar vordering tot schadevergoeding.

  4. De benadeelde partij kan de voorzitter verzoeken het bevel, bedoeld in artikel 4.2.68, tweede of derde lid, te geven.

Artikel 4.4.6

  1. De benadeelde partij kan haar vordering toelichten voordat de officier van justitie zijn requisitoir houdt. De voorzitter en de andere rechters kunnen de benadeelde partij en de verdachte vragen stellen met betrekking tot de vordering. Gelijke bevoegdheid komt toe aan de officier van justitie.

  2. De benadeelde partij kan het woord voeren over haar vordering telkens wanneer de officier van justitie het woord heeft gevoerd dan wel tot het voeren daarvan in de gelegenheid is gesteld.

Artikel 4.4.7

  1. Na de sluiting van het onderzoek op de terechtzitting beraadslaagt de rechtbank tevens over de ontvankelijkheid van de benadeelde partij, over de gegrondheid van haar vordering en over de verwijzing in de kosten door die partij en de verdachte gemaakt. De beraadslaging over de verwijzing in de kosten vindt ook plaats indien de benadeelde partij haar vordering heeft ingetrokken of indien artikel 4.4.4 toepassing heeft gevonden.

  2. Het eindvonnis bevat de beslissingen over de in het eerste lid genoemde punten. Artikel 4.3.22, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing.

  3. Artikel 4.3.12 is van toepassing op de benadeelde partij.

  4. Indien de benadeelde partij bij de uitspraak van het eindvonnis aanwezig is, deelt de voorzitter haar mee of een rechtsmiddel tegen het eindvonnis openstaat en, zo ja, binnen welke termijn dat rechtsmiddel kan worden aangewend.

  5. De officier van justitie brengt het eindvonnis na de ondertekening ervan ter kennis van de benadeelde partij.

Artikel 4.4.8

  1. De griffier maakt van het onderzoek op de terechtzitting proces-verbaal op indien daartoe binnen drie maanden na de uitspraak een verzoek wordt gedaan door de benadeelde partij, tenzij met het opmaken van proces-verbaal geen redelijk belang is gediend.

  2. De benadeelde partij kan binnen drie maanden nadat de uitspraak is gedaan verzoeken om het eindvonnis aan te vullen overeenkomstig artikel 4.3.23, derde lid. Aan een zodanig verzoek wordt gevolg gegeven tenzij daarmee geen redelijk belang is gediend.

Artikel 4.4.9

  1. In de gevallen waarin een vordering tot tenuitvoerlegging van een niet tenuitvoergelegde straf of maatregel gevoegd wordt behandeld bij de berechting, vindt de voeging plaats doordat de officier van justitie die vordering samen met de procesinleiding bij de rechtbank indient. De officier van justitie doet van de voeging opgave in de procesinleiding.

  2. Tot de aanvang van het onderzoek op de terechtzitting kan de officier van justitie de vordering intrekken.

Artikel 4.4.10

Indien de verdachte onder toezicht van de reclassering staat, roept de officier van justitie de medewerker die daarmee is belast voor de terechtzitting op. Hij doet van het voornemen tot oproeping opgave in de procesinleiding.

Artikel 4.4.11

  1. Na de sluiting van het onderzoek op de terechtzitting beraadslaagt de rechtbank tevens over haar bevoegdheid om van de vordering kennis te nemen, over de ontvankelijkheid van de officier van justitie en over de gegrondheid van de vordering.

  2. Het eindvonnis bevat de beslissingen over de in het eerste lid bedoelde punten. Artikel 4.3.22, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 4.4.12

  1. De officier van justitie kan een vordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht zowel afzonderlijk bij de rechtbank indienen als voegen bij de berechting van het desbetreffende feit.

  2. Indien de officier van justitie voornemens is de vordering afzonderlijk in te dienen, maakt hij dat, indien dit de verdachte niet eerder was gebleken, tijdens de berechting kenbaar bij zijn requisitoir.

Artikel 4.4.13

De officier van justitie draagt de stukken die voor de beoordeling van de vordering van belang zijn over aan de rechtbank.

Artikel 4.4.14

De officier van justitie kan de vordering intrekken tot de aanvang van het onderzoek op de zitting. Na intrekking kan de vordering niet opnieuw worden ingediend, tenzij deze was gevoegd bij de berechting en de officier van justitie de verdachte direct kennisgeeft van zijn voornemen de vordering afzonderlijk in te dienen.

Artikel 4.4.15

De rechtbank beraadslaagt naar aanleiding van de vordering en van het onderzoek op de zitting over haar bevoegdheid om van de vordering kennis te nemen, over de ontvankelijkheid van de officier van justitie, over de vraag of de in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht bedoelde maatregel moet worden opgelegd en, zo ja, op welk bedrag de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel is te schatten en op welk bedrag de betalingsverplichting dient te worden vastgesteld.

Artikel 4.4.16

  1. De rechtbank beoordeelt in geval van veroordeling of aannemelijk is dat de verdachte wederrechtelijk voordeel heeft verkregen ten aanzien waarvan hem op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht een betalingsverplichting kan worden opgelegd.

  2. De rechtbank ontleent de schatting van het op geld waardeerbare voordeel aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen.

  3. Indien de betalingsverplichting wordt opgelegd in verband met een veroordeling wegens een misdrijf waarop naar wettelijke omschrijving een geldboete van de vijfde categorie is gesteld, kan bij de in het tweede lid bedoelde schatting worden vermoed dat:

    1. uitgaven die de verdachte heeft gedaan in een periode van zes jaar voorafgaand aan het begaan van dat misdrijf, wederrechtelijk verkregen voordeel belichamen, tenzij aannemelijk is dat deze uitgaven zijn gedaan uit een legale bron van inkomsten; of

    2. voorwerpen die in een periode van zes jaar voorafgaand aan het begaan van dat misdrijf aan de verdachte zijn gaan toebehoren, wederrechtelijk verkregen voordeel belichamen, tenzij aannemelijk is dat aan de verkrijging van die voorwerpen een legale bron van herkomst ten grondslag ligt.

  4. De rechtbank kan ambtshalve, op vordering van de officier van justitie of op verzoek van de verdachte afwijken van de in het derde lid genoemde periode van zes jaar en een kortere periode in aanmerking nemen.

Artikel 4.4.17

  1. De afzonderlijke indiening van de vordering vindt plaats uiterlijk twee jaar na een veroordeling in eerste aanleg, of, als de verdachte in eerste aanleg niet is veroordeeld, na een veroordeling in hoger beroep.

  2. De bepalingen van Hoofdstuk 1 zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:

    1. de procesinleiding in plaats van een opgave van het feit dat wordt tenlastegelegd en de wettelijke voorschriften waarbij het strafbaar is gesteld de vordering vermeldt;

    2. de artikelen 4.1.11, derde lid, en 4.1.12, eerste lid, onderdeel g, niet van toepassing zijn.

Artikel 4.4.18

  1. De bepalingen van Hoofdstuk 2 zijn van overeenkomstige toepassing voor zover daarvan in Afdeling 4.3.1 niet is afgeweken en met dien verstande dat:

    1. de artikelen 4.2.27 en 4.2.28 niet van toepassing zijn op de vordering;

    2. Afdeling 2.4.5 buiten toepassing blijft;

    3. artikel 4.2.53 buiten toepassing blijft;

    4. de officier van justitie bij de toepassing van artikel 4.2.48 een lijst overlegt van voorwerpen waarop beslag als bedoeld in artikel 2.7.4, eerste lid, onderdeel b, of tweede lid, is gelegd, voor zover daarbij geen bevel is gegeven als bedoeld in artikel 2.7.31;

    5. de rechtbank uiterlijk zes weken na de sluiting van het onderzoek uitspraak doet.

  2. De artikelen 4.3.8 en 4.3.9, 4.3.12 tot en met 4.3.17, 4.3.20, 4.3.21, eerste, vierde en vijfde lid, 4.3.22, eerste en derde lid, 4.3.23, eerste en derde lid, 4.3.26, 4.3.28, 4.3.29, alsmede 4.3.30 tot en met 4.3.32 zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:

    1. het vonnis in afwijking van artikel 4.3.21, eerste lid, de beslissingen bevat over de punten in artikel 4.4.15 vermeld;

    2. het vonnis dan wel de aanvulling in afwijking van artikel 4.3.23 de inhoud van de wettige bewijsmiddelen bevat waar de rechtbank de schatting van het op geld waardeerbare voordeel aan heeft ontleend.

Artikel 4.4.19

Het vonnis vervalt van rechtswege indien de berechting na het instellen van hoger beroep tegen het veroordelend vonnis eindigt in een onherroepelijk eindvonnis of eindarrest dat geen veroordeling inhoudt.

Artikel 4.4.20

Voeging van de vordering geschiedt doordat de officier van justitie de vordering samen met de procesinleiding bij de rechtbank indient. De officier van justitie doet van de voeging opgave in de procesinleiding.

Artikel 4.4.21

  1. Na de sluiting van het onderzoek op de terechtzitting beraadslaagt de rechtbank tevens over de punten in artikel 4.4.15 vermeld.

  2. Het eindvonnis bevat de beslissingen over deze punten. Artikel 4.3.22, eerste en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 4.4.22

  1. Indien behandeling van de vordering naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting voor de behandeling van de zaak oplevert, kan de rechtbank ambtshalve, op vordering van de officier van justitie of op verzoek van de verdachte bevelen dat de vordering wordt afgesplitst van de berechting.

  2. De rechtbank kan het bevel ook geven zonder nader onderzoek van de vordering.

  3. Voor de aanvang van het onderzoek op de terechtzitting komt gelijke bevoegdheid toe aan de voorzitter van de rechtbank.

Artikel 4.4.23

  1. De behandeling van de vordering na afsplitsing vindt plaats op de wijze in Afdeling 4.3.2 voorzien, behoudens het bepaalde in de volgende leden.

  2. De verdachte wordt opgeroepen voor de zitting die door de voorzitter van de rechtbank voor de behandeling van de vordering is bepaald. Artikel 4.4.17, eerste lid, is op de oproeping van overeenkomstige toepassing.

  3. De vordering vervalt van rechtswege indien nog geen oproeping heeft plaatsgevonden als de berechting is geëindigd in een uitspraak die geen veroordeling inhoudt.

  4. De rechtbank kan bepalen dat de behandeling van de vordering wordt voortgezet in de stand waarin zij zich bevond ten tijde van het bevel tot afsplitsing.

  5. Artikel 4.4.19 is van toepassing.

Artikel 4.4.24

  1. De officier van justitie kan, zolang het onderzoek op de zitting niet is gesloten, met de verdachte een schikking aangaan tot betaling van een geldbedrag aan de Staat of tot overdracht van voorwerpen ter gehele of gedeeltelijke ontneming van het ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht voor ontneming vatbare wederrechtelijk verkregen voordeel.

  2. Indien de schikking wordt aangegaan nadat de vordering is ingediend, trekt de officier van justitie die vordering in als het onderzoek op de zitting nog niet is aangevangen. In het andere geval verklaart de rechtbank de officier van justitie niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Artikel 4.5.1

  1. Onder de enkelvoudige kamer wordt in dit hoofdstuk verstaan: de politierechter of de kantonrechter.

  2. Op de berechting door de enkelvoudige kamer zijn de Hoofdstukken 1 tot en met 4 van toepassing voor zover in dit hoofdstuk niet anders is bepaald.

Artikel 4.5.2

  1. Een zaak kan worden berecht door de politierechter indien een overtreding of een misdrijf ten laste is gelegd en de zaak naar het aanvankelijke oordeel van de officier van justitie van eenvoudige aard is, in het bijzonder ook ten aanzien van het bewijs en de toepassing van de wet, terwijl de te vorderen gevangenisstraf niet meer dan een jaar bedraagt.

  2. De politierechter is niet bevoegd tot het opleggen van een gevangenisstraf van meer dan een jaar. Hij is evenmin bevoegd tot het opleggen van de maatregelen, bedoeld in de artikelen 37a, eerste lid, en 38m van het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 4.5.3

  1. Een zaak kan worden berecht door de kantonrechter indien een overtreding is tenlastegelegd, met uitzondering van:

    1. overtredingen, bedoeld in de artikelen 447c, 447d, 465 tot en met 467 en 468, onderdeel 1°, van het Wetboek van Strafrecht;

    2. overtredingen inzake belastingen, tenzij het betreft een overtreding van voorschriften met betrekking tot parkeren als bedoeld in artikel 225 van de Gemeentewet;

    3. overtredingen, bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 11, eerste lid, van de Opiumwet;

    4. overtredingen, bedoeld in artikel 19 van de Wet afbreking zwangerschap;

    5. overtredingen waarvan de kennisneming bij wet aan een andere rechter dan de kantonrechter is opgedragen;

    6. overtredingen waarvan personen worden verdacht die ten tijde van het begaan de leeftijd van twaalf jaar maar nog niet die van achttien jaar hebben bereikt en die samenhangen met een overtreding als bedoeld in de onderdelen a tot en met e, en de overtredingen bedoeld in artikel 26, tweede lid, van de Leerplichtwet.

  2. Indien de zaak wordt behandeld door de kantonrechter:

    1. kan de verdachte, tenzij de kantonrechter beveelt dat hij in persoon zal verschijnen, zich op de terechtzitting doen vertegenwoordigen door een daartoe specifiek schriftelijk gemachtigde;

    2. zijn de bepalingen over de voordracht van de zaak door de officier van justitie niet van toepassing;

    3. hoeft de officier van justitie niet bij de uitspraak aanwezig te zijn; en

    4. hoeft het ter kennis brengen van het eindvonnis op grond van artikel 4.3.30 niet plaats te vinden, tenzij:

      1. ten aanzien van de verdachte artikel 14a, 38v, 77m of 77x van het Wetboek van Strafrecht is toegepast, of

      2. een vrijheidsstraf is opgelegd, vervangende vrijheidsstraf daaronder niet begrepen, of

      3. een bijkomende straf is opgelegd, waarbij de ontzetting van bepaalde rechten of de ontzegging van bepaalde bevoegdheden is uitgesproken.

Artikel 4.5.4

  1. In afwijking van artikel 4.1.1, eerste lid, eerste zin, brengt de officier van justitie de zaak ter berechting aan door een procesinleiding bij de enkelvoudige kamer in te dienen en deze, vergezeld van een oproeping voor de terechtzitting, aan de verdachte te betekenen.

  2. In afwijking van artikel 4.1.2, eerste lid, onderdeel f, wordt de verdachte ter kennis gebracht dat hij bij de politierechter of de kantonrechter een verzoek als bedoeld in artikel 4.1.4, eerste en tweede lid, kan indienen.

  3. In afwijking van artikel 4.1.4, derde lid, wordt een verzoek, indien tussen de dag waarop de procesinleiding aan de verdachte is betekend en die van de terechtzitting ten minste twee weken verlopen, ten minste tien dagen voor de terechtzitting ingediend. Indien de procesinleiding later wordt betekend, eindigt de termijn op de vierde dag na die van de betekening, maar uiterlijk op de derde dag voor die van de terechtzitting.

  4. Op door de verdachte ingediende verzoeken is artikel 4.1.4, vierde tot en met negende lid, van overeenkomstige toepassing.

  5. Indien de verdachte in verband met de zaak waarop de procesinleiding betrekking heeft van zijn vrijheid is beroofd op grond van een bevel tot ophouden voor onderzoek, tot inverzekeringstelling of tot voorlopige hechtenis, is de termijn van oproeping ten minste drie dagen. Deze termijn wordt als een termijn in de zin van artikel 1, tweede lid, van de Algemene termijnenwet aangemerkt.

  6. Indien de verdachte de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst, wordt hem een vertaling van de procesinleiding en de oproeping uitgereikt of toegezonden dan wel wordt die informatie in een voor hem begrijpelijke taal aan hem meegedeeld.

Artikel 4.5.5

  1. In afwijking van artikel 4.5.4 kan een zaak, indien sprake is van ontdekking op heterdaad door een opsporingsambtenaar, bij de kantonrechter ter berechting worden aangebracht doordat de opsporingsambtenaar een door hem gedagtekende en ondertekende oproeping uitreikt aan de verdachte.

  2. Deze wijze van aanbrengen van zaken is mogelijk bij alle overtredingen waarbij dit niet uitdrukkelijk is uitgesloten. De uitsluiting vindt, gehoord het openbaar ministerie, plaats bij algemene maatregel van bestuur.

  3. Het formulier van de oproeping wordt vastgesteld door Onze Minister. Onze Minister kan nadere voorschriften geven ter uitvoering van dit artikel.

  4. Bij de uitreiking van de oproeping licht de opsporingsambtenaar de inhoud en de strekking daarvan zo mogelijk kort toe.

  5. Wordt een oproeping door de verdachte niet aangenomen, dan geldt het tijdstip van de weigering van de verdachte als tijdstip van uitreiking.

  6. Van de inhoud van de oproeping en van het uitreiken dan wel het aanbieden en weigeren van de oproeping alsmede de reden van weigering maakt de opsporingsambtenaar in zijn proces-verbaal melding.

  7. De oproeping bevat een opgave van het feit als bedoeld in artikel 4.1.1, derde lid, onderdeel a, of een korte omschrijving van het feit, alsmede de wettelijke voorschriften waarbij het strafbaar is gesteld. De artikelen 4.1.12, eerste lid, en 4.5.4, zesde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

  8. De korte omschrijving van het feit wordt bij de aanvang van het onderzoek op de terechtzitting aangevuld of verbeterd. Van de aanvulling of verbetering wordt aan de verdachte uiterlijk tien dagen voor de aanvang van de terechtzitting kennis gegeven.

Artikel 4.5.6

  1. Indien de verdachte is opgeroepen met toepassing van de termijn bedoeld in artikel 4.5.4, vijfde lid, en hij bij zijn eerste verschijning op de terechtzitting in het belang van zijn verdediging uitstel verzoekt, schorst de enkelvoudige kamer het onderzoek voor bepaalde tijd, indien het verzoek hem redelijk voorkomt.

  2. In afwijking van artikel 4.2.19, eerste lid, onderdeel b, beveelt de enkelvoudige kamer ten aanzien van een niet verschenen getuige de oproeping, indien daartoe binnen de termijn, gesteld in artikel 4.5.4, derde lid, een verzoek is gedaan dat niet is ingewilligd, en de verdachte dit verzoek herhaalt of de enkelvoudige kamer de getuige ambtshalve wenst te verhoren.

Artikel 4.5.7

  1. De enkelvoudige kamer is bevoegd een schriftelijk eindvonnis te wijzen. Op vordering van de officier van justitie of op verzoek van de verdachte is zij daartoe verplicht, tenzij daarmee naar haar oordeel geen redelijk belang is gediend.

  2. In afwijking van artikel 4.3.20, vierde lid, kan voor de inhoud van de tenlastelegging naar de procesinleiding verwezen worden. Vermelding van de vordering van de officier van justitie kan achterwege blijven.

  3. Een schriftelijk eindvonnis mag in geen geval later worden uitgesproken dan twee weken na de sluiting van het onderzoek. De Algemene termijnenwet is op deze termijn niet van toepassing.

  4. Indien de rechter die over de zaak heeft geoordeeld tot de uitspraak van het schriftelijk eindvonnis buiten staat is, wordt de uitspraak gedaan door een andere rechter van dezelfde rechtbank.

Artikel 4.5.8

  1. Indien geen schriftelijk eindvonnis wordt gewezen, wijst de enkelvoudige kamer direct of diezelfde dag op een door hem bij de sluiting van het onderzoek te bepalen tijdstip mondeling vonnis.

  2. Het eindvonnis wordt in het proces-verbaal van de terechtzitting aangetekend:

    1. indien de enkelvoudige kamer dit ambtshalve, op vordering van de officier van justitie of op verzoek van de verdachte bij de uitspraak bepaalt;

    2. indien de officier van justitie, de verdachte, of de benadeelde partij uiterlijk drie maanden na de uitspraak daartoe een vordering indient of het verzoek doet;

    3. indien een gewoon rechtsmiddel tegen het eindvonnis is ingesteld, tenzij dit meer dan drie maanden na de uitspraak is gebeurd; of

    4. indien het eindvonnis bij verstek is gewezen, de oproeping niet in persoon betekend is en zich geen omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting of nadere terechtzitting aan de verdachte bekend was, terwijl op de terechtzitting getuigen of deskundigen zijn gehoord dan wel een benadeelde partij zich in het strafproces heeft gevoegd.

  3. Hoofdstuk 3, Titel 3.5, is van overeenkomstige toepassing, met inachtneming van artikel 4.5.7, tweede lid.

Artikel 4.5.9

  1. Behoudens indien schriftelijk eindvonnis wordt gewezen of het mondeling eindvonnis in het proces-verbaal van de terechtzitting wordt aangetekend, blijft het opmaken van het proces-verbaal van de terechtzitting achterwege en wordt de uitspraak binnen twee dagen op een bij de kopie van de oproeping te voegen stuk aangetekend.

  2. De aantekening vermeldt in ieder geval:

    1. de naam van de rechter, de dag van de uitspraak en of de uitspraak bij verstek is gedaan;

    2. indien een veroordeling is uitgesproken, het strafbare feit dat het bewezenverklaarde oplevert;

    3. de opgelegde straf of maatregel, alsmede de wettelijke voorschriften waarop deze is gegrond;

    4. de in de artikelen 4.3.17, eerste tot en met vierde lid, 4.3.18, 4.3.19, 4.4.7, 4.4.11 en 4.4.21 vermelde beslissingen, indien deze artikelen van toepassing zijn.

  3. De aantekening wordt door de rechter gewaarmerkt. Zodra de aantekening is gewaarmerkt, kunnen de verdachte en de benadeelde partij daarvan kennis nemen; de griffier verstrekt de aantekening desgevraagd.

  4. Wordt alsnog toepassing gegeven aan artikel 4.5.8, tweede lid, onderdeel b of c, dan komt de aantekening te vervallen.

Artikel 4.5.10

  1. De afzonderlijke behandeling van een vordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht kan plaatsvinden door een enkelvoudige kamer. Hoofdstuk 4, Titel 4.3, is in dat geval van overeenkomstige toepassing.

  2. Op de afzonderlijke behandeling door de enkelvoudige kamer zijn de artikelen 4.5.4 en 4.5.6 tot en met 4.5.9 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 4.6.1

  1. De rechtbank verbetert op vordering van de officier van justitie, op verzoek van de verdachte of ambtshalve een kennelijke rekenfout, schrijffout of andere kennelijke fout in haar vonnis die zich voor eenvoudig herstel leent, tenzij daarmee geen redelijk belang is gediend.

  2. De rechtbank verbetert op verzoek van de benadeelde partij een kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent in de beslissing op de vordering van de benadeelde partij, tenzij daarmee geen redelijk belang is gediend.

  3. De rechtbank gaat niet tot de verbetering over dan na de officier van justitie en zo mogelijk de verdachte in de gelegenheid te hebben gesteld zich daarover uit te laten. Indien de verbetering de beslissing op haar vordering betreft, wordt de benadeelde partij in de gelegenheid gesteld zich daarover uit te laten. Deze gelegenheid behoeft niet te worden geboden als een procespartij door het ontbreken daarvan niet in haar belangen wordt geschaad.

  4. In het vonnis wordt vermeld op welk vonnis de verbetering betrekking heeft. De verbetering wordt op een door de rechtbank te bepalen dag uitgesproken. De artikelen 4.3.20, eerste en tweede lid, 4.3.26, eerste en tweede lid, en 4.3.29 zijn van overeenkomstige toepassing.

  5. De officier van justitie brengt het vonnis na ondertekening ter kennis van de verdachte. Indien de verbetering de beslissing op de vordering van de benadeelde partij betreft, brengt hij het vonnis eveneens ter kennis van de benadeelde partij. Indien de desbetreffende procespartij de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst, zendt de officier van justitie haar een kennisgeving in een voor haar begrijpelijke taal waarin de inhoud van de verbetering is weergegeven.

  6. Indien de tenuitvoerlegging van het vonnis reeds was aangevangen, kan deze met inachtneming van de verbetering worden voortgezet.

Artikel 4.6.2

  1. De rechtbank beslist op verzoek van de benadeelde partij alsnog bij afzonderlijk vonnis als zij verzuimd heeft te beslissen over de vordering van deze partij die gevoegd is behandeld met de zaak, dan wel over een onderdeel van die vordering. Indien de rechtbank de vordering toewijst, kan zij ambtshalve beslissen de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. De rechtbank gaat niet tot het wijzen van vonnis over dan na de officier van justitie en zo mogelijk de verdachte in de gelegenheid te hebben gesteld zich daarover uit te laten.

  2. De rechtbank beslist op vordering van de officier van justitie alsnog bij afzonderlijk vonnis als zij verzuimd heeft te beslissen over een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel die gevoegd is behandeld met de zaak. De rechtbank gaat niet tot het wijzen van vonnis over dan na de verdachte zo mogelijk in de gelegenheid te hebben gesteld zich daarover uit te laten.

  3. Het verzoek of de vordering wordt ingediend binnen twee weken na de uitspraak van het eindvonnis. Indien hoger beroep wordt ingesteld tegen het eindvonnis, draagt de rechtbank de processtukken pas over aan het gerechtshof nadat op het verzoek of de vordering is beslist.

  4. Het vonnis wordt gewezen met toepassing van artikel 4.4.7, eerste tot en met derde lid, dan wel artikel 4.4.21. In het vonnis wordt vermeld op welke zaak het vonnis betrekking heeft. Artikel 4.3.20, eerste en tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

  5. Het vonnis wordt op een door de rechtbank te bepalen dag uitgesproken. De verdachte wordt voor de uitspraak opgeroepen. Indien het vonnis de beslissing op de vordering van de benadeelde partij betreft, wordt dag en plaats van de uitspraak ter kennis gebracht van de benadeelde partij.

  6. De artikelen 4.3.26, 4.3.28 tot en met 4.3.32 alsmede 4.4.7, vierde lid, zijn op de uitspraak van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het vonnis of de kennisgeving in persoon wordt betekend als geen sprake is van een omstandigheid waaruit voortvloeit dat de dag waarop het vonnis wordt uitgesproken de verdachte bekend is.

Artikel 4.6.3

Een verzoek als bedoeld in de artikelen 4.6.1 en 4.6.2 kan namens de verdachte of de benadeelde partij worden gedaan door:

  1. een advocaat die verklaart dat hij daartoe specifiek is gemachtigd;

  2. een vertegenwoordiger die daartoe specifiek schriftelijk is gemachtigd.

← terug naar Nieuw Wetboek van Strafvordering