Nieuw Wetboek van Strafvordering Laatste controle 30-03-2026, laatste wijziging 18-03-2026.

Inhoud
Boek 1 Strafvordering in het algemeen
Hoofdstuk 1 Inleidende bepalingen en definities
Hoofdstuk 2 De behandeling van zaken door de rechter
Hoofdstuk 3 Vervolging en opsporing van strafbare feiten
Hoofdstuk 4 De verdachte en zijn raadsman
Hoofdstuk 5 Het slachtoffer
Hoofdstuk 6 De getuige
Titel 6.1 Algemene bepalingen met betrekking tot het verhoor van de getuige
Titel 6.2 Verschoningsrechten
Titel 6.3 Verschoningsplichten
Titel 6.4 Bepalingen met betrekking tot de minderjarige getuige
Titel 6.5 Leden van het Koninklijk Huis
Titel 6.6 Maatregelen tot bescherming van getuigen
Hoofdstuk 7 De deskundige
Hoofdstuk 8 De processtukken
Hoofdstuk 9 Overdracht van berichten en het indienen van stukken
Hoofdstuk 11 Enige algemene voorzieningen
Boek 2 Het opsporingsonderzoek
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Titel 1.1 Definities
Titel 1.2 Algemene bepalingen over de uitoefening van bevoegdheden in het kader van het opsporingsonderzoek
Titel 1.3 Algemene bevoegdheid
Titel 1.4 Verslaglegging door opsporingsambtenaren
Titel 1.5 Vastlegging van bevelen en van machtigingen en vorderingen daartoe
Titel 1.6 Toestemming voor onderzoekshandelingen
Hoofdstuk 2 De aangifte
Hoofdstuk 3 Het verhoor door opsporingsambtenaren
Hoofdstuk 4 Deskundigenonderzoek in opdracht van de officier van justitie
Hoofdstuk 5 Bevoegdheden tot vrijheidsbeperking en vrijheidsbeneming
Titel 5.1 Algemene bepalingen
Titel 5.2 Staandehouding en aanhouding
Titel 5.3 Ophouden voor onderzoek en inverzekeringstelling
Afdeling 5.3.1 Ophouden voor onderzoek
Afdeling 5.3.2 Inverzekeringstelling
Afdeling 5.3.3 Maatregelen ten aanzien van de voor onderzoek opgehouden of in verzekering gestelde verdachte
Afdeling 5.3.4 Voorgeleiding aan de rechter-commissaris
Titel 5.4 Voorlopige hechtenis
Titel 5.5 Rechtsmiddelen
Afdeling 5.5.1 Bezwaar tegen het opleggen van maatregelen
Afdeling 5.5.2 Beroep tegen de directe invrijheidstelling van de verdachte
Afdeling 5.5.3 Beroep tegen beslissingen met betrekking tot de voorlopige hechtenis
Hoofdstuk 6 Bevoegdheden met betrekking tot het lichaam
Titel 6.1 Algemene bepalingen
Titel 6.2 Onderzoek aan de kleding en onderzoek van meegevoerde voorwerpen
Titel 6.3 Onderzoek aan het lichaam
Titel 6.4 Onderzoek in het lichaam
Titel 6.5 Overige onderzoeken met betrekking tot het lichaam
Afdeling 6.5.1 Het nemen van vingerafdrukken en gezichtsopnamen ter identiteitsvaststelling
Afdeling 6.5.2 Onderzoek naar gebruik van geweldbevorderende middelen
Afdeling 6.5.3 Het maken van beeldopnamen, het opmeten van lichaamsmaten en het nemen van lichaamsafdrukken, -haar en -materiaal
Afdeling 6.5.4 Onderzoek ten aanzien van fysieke eigenschappen
Afdeling 6.5.5 Het houden van een confrontatie
Afdeling 6.5.6 DNA-onderzoek
Afdeling 6.5.7 Onderzoek naar een ernstige besmettelijke ziekte
Titel 6.6 Onderzoek met betrekking tot het lichaam van een overleden verdachte of slachtoffer
Titel 6.7 Bevoegdheden van de rechter-commissaris
Titel 6.8 Rechtsmiddelen
Hoofdstuk 7 Bevoegdheden met betrekking tot voorwerpen en gegevens
Titel 7.1 Algemene bepalingen
Titel 7.2 Inbeslagneming van voorwerpen
Titel 7.3 Onderzoek van gegevens
Titel 7.4 Ontoegankelijkmaking van gegevens
Titel 7.5 Uitoefening van bevoegdheden in het geval van verschoningsrecht
Titel 7.6 Onderzoek ter plaatse
Titel 7.7 Bevoegdheden van de rechter-commissaris
Titel 7.8 Rechtsmiddelen
Hoofdstuk 8 Heimelijke bevoegdheden
Titel 8.1 Algemene bepalingen
Afdeling 8.1.1 Bevel officier van justitie
Afdeling 8.1.2 Kennisgeving aan betrokkene
Afdeling 8.1.3 Voeging gegevens functioneel verschoningsgerechtigden
Afdeling 8.1.4 Technische hulpmiddelen
Afdeling 8.1.5 Verplichting tot inbeslagneming
Afdeling 8.1.6 Uitstel melding onbekende kwetsbaarheden
Titel 8.2 De bevoegdheden
Afdeling 8.2.1 Stelselmatige observatie
Afdeling 8.2.2 Stelselmatig overnemen persoonsgegevens uit publiek toegankelijke bronnen
Afdeling 8.2.3 Bevoegdheden ten aanzien van een besloten plaats
Afdeling 8.2.4 Pseudo-koop of -dienstverlening
Afdeling 8.2.5 Stelselmatige inwinning van informatie
Afdeling 8.2.6 Infiltratie
Afdeling 8.2.7 Vastleggen communicatie die plaatsvindt door middel van een aanbieder van een communicatiedienst
Afdeling 8.2.8 Vastleggen vertrouwelijke communicatie
Afdeling 8.2.9 Toegang op afstand tot een digitale-gegevensdrager of geautomatiseerd werk
Afdeling 8.2.10 Stelselmatige locatiebepaling
Titel 8.3 Bijstand door burgers bij de uitoefening van heimelijke bevoegdheden
Titel 8.4 Personen in de openbare dienst van een vreemde staat
Titel 8.5 Maatregelen in het belang van de veiligheid
Titel 8.6 Vermoeden georganiseerd verband en aanwijzingen terroristisch misdrijf
Titel 8.7 Rechtsmiddelen
Hoofdstuk 9 Het verkennend onderzoek
Hoofdstuk 10 Onderzoek door de rechter-commissaris
Titel 10.1 Algemene bepalingen
Titel 10.2 Bevoegdheden met betrekking tot de verdachte
Titel 10.3 Het verhoor van de getuige
Titel 10.4 De benoeming en het verhoor van een deskundige
Titel 10.5 Getuigen aan wie toezeggingen zijn gedaan
Titel 10.6 Voortgangsbewaking door de rechter-commissaris
Titel 10.7 Beëindiging van het onderzoek
Titel 10.8 Rechtsmiddelen
Boek 3 Beslissingen over vervolging
Hoofdstuk 1 Algemeen
Hoofdstuk 2 Bezwaarschrift tegen de procesinleiding
Hoofdstuk 3 De strafbeschikking
Titel 3.1 Inhoud van de strafbeschikking
Titel 3.2 Uitvaardigen van de strafbeschikking door opsporingsambtenaren en lichamen of personen, met een publieke taak belast
Titel 3.3 Waarborgen bij het uitvaardigen van de strafbeschikking
Titel 3.4 Uitreiken en toezenden van de strafbeschikking
Titel 3.5 Intrekken en wijzigen van de strafbeschikking
Titel 3.6 Openbaarheid van de strafbeschikking
Hoofdstuk 4 Het achterwege laten van vervolging
Hoofdstuk 5 Beklag over het niet opsporen of niet vervolgen van strafbare feiten
Hoofdstuk 6 Rechtsmiddelen
Boek 4 Berechting
Hoofdstuk 1 Het aanbrengen van de zaak ter berechting
Hoofdstuk 2 Het onderzoek op de terechtzitting
Titel 2.1 Algemene bepalingen
Titel 2.2 De aanvang van het onderzoek
Titel 2.3 De omvang van het onderzoek
Titel 2.4 Het onderzoek van de zaak zelf
Titel 2.5 De verslaglegging van het onderzoek op de terechtzitting
Hoofdstuk 3 De beraadslaging, de uitspraak en het eindvonnis
Hoofdstuk 4 De behandeling van met de berechting verbonden vorderingen
Hoofdstuk 5 De enkelvoudige kamer
Hoofdstuk 6 Herstelbeslissingen
Boek 5 Rechtsmiddelen
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Hoofdstuk 2 Het instellen en indienen, intrekken en afstand doen van gewone rechtsmiddelen
Titel 2.1 Instellen en indienen
Titel 2.2 Intrekken en afstand doen
Titel 2.3 Informatieverschaffing over ingestelde en ingediende gewone rechtsmiddelen
Hoofdstuk 3 Verzet tegen strafbeschikkingen
Hoofdstuk 4 Hoger beroep tegen vonnissen
Hoofdstuk 5 Beroep in cassatie tegen arresten
Titel 5.1 Beroep in cassatie tegen eindarresten en tussenarresten
Titel 5.2 Beroep in cassatie in het geval van verbonden vorderingen
Afdeling 5.2.1 De vordering van de benadeelde partij
Afdeling 5.2.2 De vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel
Titel 5.3 Herstelarresten
Hoofdstuk 6 Gewone rechtsmiddelen tegen andere beslissingen
Titel 6.1 Bezwaarschriften en klaagschriften
Titel 6.2 Beroep tegen beslissingen van de rechter-commissaris
Titel 6.3 Hoger beroep en beroep in cassatie tegen beslissingen van de raadkamer
Hoofdstuk 7 Cassatie in het belang van de wet
Hoofdstuk 8 Herziening van arresten en vonnissen
Boek 6 Bijzondere regelingen
Hoofdstuk 1 Voorzieningen vanwege de persoon van de verdachte
Titel 1.1 Jeugdigen en jongvolwassenen
Afdeling 1.1.1 Verdachten die ten tijde van het begaan van het strafbaar feit nog niet de leeftijd van twaalf jaar hebben bereikt
Afdeling 1.1.2 Verdachten die ten tijde van het begaan van het strafbaar feit de leeftijd van twaalf jaar maar nog niet die van achttien jaar hebben bereikt
Afdeling 1.1.3 Verdachten die ten tijde van het begaan van het strafbaar feit de leeftijd van achttien jaar maar nog niet die van drieëntwintig jaar hebben bereikt
Afdeling 1.1.4 De raad voor de kinderbescherming
Afdeling 1.1.5 De betrokkenheid van de ouder of een persoon naar keuze
Afdeling 1.1.6 Vordering van de benadeelde partij
Titel 1.2 Verdachten die door een beperking of een ziekte onvoldoende in staat zijn aan het proces tegen hen deel te nemen
Titel 1.3 Rechtspersonen
Titel 1.4 Rechterlijke ambtenaren
Hoofdstuk 2 Procesincidenten
Hoofdstuk 4 Bijzondere procedures
Titel 4.1 Beklag met betrekking tot voorwerpen en gegevens
Titel 4.2 Afzonderlijke rechterlijke beslissing met betrekking tot voorwerpen en gegevens
Titel 4.3 Rechtsmiddelen
Hoofdstuk 5 Bevoegdheden van bijzondere aard
Titel 5.1 Gedragsaanwijzing ter beëindiging van ernstige overlast
Titel 5.2 Bevoegdheden bij het ontruimen van een gekraakt pand
Titel 5.3 Bevoegdheden tot het betreden van plaatsen in verband met bepaalde misdrijven
Titel 5.4 Bevoegdheden in geval van aanwijzingen van een terroristisch misdrijf
Titel 5.5 Bevoegdheden in verband met de ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Titel 5.6 Bevoegdheden tot vastlegging en raadpleging van kentekengegevens
Titel 5.7 Onderzoek naar gebruik van geweld door ambtenaren
Hoofdstuk 6 Schadevergoeding en kosten
Boek 9 Slotbepalingen

Hoofdstuk 5

Beklag over het niet opsporen of niet vervolgen van strafbare feiten

Artikel 3.5.1

  1. De rechtstreeks belanghebbende kan zich bij het gerechtshof beklagen over het achterwege blijven van opsporing, vervolging of voortzetting van de vervolging van een strafbaar feit, alsmede over het vervolgen van een strafbaar feit door middel van een strafbeschikking.

  2. Beklag over het achterwege blijven van opsporing van een strafbaar feit kan alleen plaatsvinden tegen een beslissing van de officier van justitie op een klacht van de rechtstreeks belanghebbende over niet-opsporing. Deze klacht wordt ingediend bij de officier van justitie onder wiens gezag het opsporingsonderzoek had moeten plaatsvinden of heeft plaatsgevonden. Artikel 3.5.4, tweede en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing. De betrokken opsporingsdienst draagt er zorg voor dat de officier van justitie tijdig alle stukken en inlichtingen ontvangt die voor de beoordeling van de klacht van belang zijn. De officier van justitie neemt binnen zes weken een beslissing over de klacht. Van de beslissing van de officier van justitie worden de rechtstreeks belanghebbende die zich heeft beklaagd en, indien bekend, degene op wie de klacht betrekking heeft direct in kennis gesteld. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de uitvoering van dit artikellid.

  3. Indien de beslissing waarover is geklaagd, is genomen door een officier van justitie bij een arrondissementsparket, is het gerechtshof waaronder het arrondissement ressorteert, bevoegd te oordelen over het beklag. Indien de beslissing is genomen door een officier van justitie bij het landelijk parket of bij het functioneel parket, is het gerechtshof Den Haag bevoegd. Indien de beslissing is genomen naar aanleiding van het in de uitoefening van zijn functie gebruiken van geweld door een ambtenaar, aan wie bij of krachtens artikel 7, eerste of negende lid, van de Politiewet 2012 of artikel 6, eerste lid, van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten de bevoegdheid geweld te gebruiken is toegekend, is het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bevoegd. Indien de beslissing is genomen door een officier van justitie bij het parket centrale verwerking openbaar ministerie, is bevoegd het gerechtshof in het ressort waar de klager woon- of verblijfplaats heeft. Bij gebreke daaraan is het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bevoegd.

Artikel 3.5.2

Onder rechtstreeks belanghebbende wordt mede verstaan een rechtspersoon die krachtens zijn doelstelling en blijkens zijn feitelijke werkzaamheden een belang behartigt dat door het achterwege blijven van opsporing, vervolging of voortzetting van de vervolging van een strafbaar feit, of door het vervolgen van een strafbaar feit door middel van een strafbeschikking rechtstreeks wordt getroffen.

Artikel 3.5.3

Na een buitenvervolgingstelling of een verklaring dat de zaak is geëindigd, is beklag ter zake van hetzelfde feit niet toegelaten, tenzij degene op wie het beklag betrekking heeft niet de gewezen verdachte is.

Artikel 3.5.4

  1. Het beklag wordt ingediend binnen drie maanden nadat de rechtstreeks belanghebbende in kennis is gesteld van een beslissing van de officier van justitie tot het achterwege laten van opsporing, van vervolging of van voortzetting van de vervolging van een strafbaar feit dan wel tot vervolging door middel van een strafbeschikking, dan wel nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de rechtstreeks belanghebbende met deze beslissing bekend is geraakt.

  2. Het beklag is voorzien van een datum, naam en adres van de klager en geeft aan tegen welke beslissing van de officier van justitie het is gericht. Indien het beklag wordt gedaan namens een rechtspersoon, geeft het aan dat de indiener daartoe bevoegd en gemachtigd is.

  3. Het beklag tegen vervolging door middel van een strafbeschikking kan ook na de in het eerste lid bedoelde termijn worden gedaan, indien de strafbeschikking niet volledig wordt tenuitvoergelegd.

  4. Het gerechtshof stelt de klager in kennis van de ontvangst van het klaagschrift op het adres dat in het klaagschrift is vermeld.

  5. Het gerechtshof draagt de advocaat-generaal op verslag te doen. De advocaat-generaal brengt verslag uit binnen drie maanden nadat hij de opdracht van het gerechtshof heeft ontvangen.

Artikel 3.5.5

  1. De behandeling van het beklag door het gerechtshof is niet openbaar.

  2. Is het gerechtshof kennelijk onbevoegd om van het beklag kennis te nemen, de klager kennelijk niet-ontvankelijk in zijn beklag of het beklag kennelijk ongegrond, dan kan het gerechtshof zonder onderzoek op de zitting beslissen.

Artikel 3.5.6

  1. Het gerechtshof hoort de klager, althans roept hem daartoe behoorlijk op, behoudens in de gevallen, bedoeld in artikel 3.5.5, tweede lid.

  2. Indien het beklag is gedaan door meer dan twee personen, kan het gerechtshof volstaan met het oproepen van de twee personen, van wie namen en adressen als eerste in het klaagschrift zijn vermeld.

Artikel 3.5.7

  1. Het gerechtshof kan degene op wie het beklag betrekking heeft oproepen om hem in de gelegenheid te stellen opmerkingen te maken over het beklag en de gronden waarop dat berust. De oproeping gaat vergezeld van een kopie van het klaagschrift of bevat een aanduiding van het feit waarop het beklag betrekking heeft.

  2. Een bevel tot vervolging wordt niet gegeven voordat degene op wie het beklag betrekking heeft door het gerechtshof is gehoord, althans behoorlijk daartoe is opgeroepen. Artikel 1.6.1 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3.5.8

  1. De klager en degene op wie het beklag betrekking heeft worden in de oproeping gewezen op het recht op rechtsbijstand, bedoeld in artikel 1.2.18, derde en vierde lid, en op de mogelijkheid om toevoeging van een advocaat te verzoeken.

  2. De kennisneming van de stukken vindt plaats op de wijze door de voorzitter te bepalen. De voorzitter kan, ambtshalve of op vordering van de advocaat-generaal, bepaalde stukken van kennisneming uitzonderen in het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer of van de opsporing en vervolging van strafbare feiten dan wel op zwaarwichtige gronden aan het algemeen belang ontleend. Van de omstandigheid dat stukken worden onthouden, worden de klager en degene op wie het beklag betrekking heeft in kennis gesteld.

  3. De voorzitter kan, ambtshalve of op vordering van de advocaat-generaal, bepalen dat in het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer of van de opsporing en vervolging van strafbare feiten dan wel op zwaarwichtige gronden aan het algemeen belang ontleend, van bepaalde stukken of gedeelten daarvan geen kopie wordt verstrekt.

  4. Van de beslissing om van bepaalde stukken of gedeelten daarvan geen kopie te verstrekken, worden de klager of degene op wie het beklag betrekking heeft in kennis gesteld.

Artikel 3.5.9

  1. Het horen van de klager en degene op wie het beklag betrekking heeft kan ook aan een lid van het gerechtshof worden opgedragen.

  2. Het gerechtshof kan besluiten om de klager en degene op wie het beklag betrekking heeft op dezelfde zitting maar buiten elkaars aanwezigheid te horen.

  3. Degene op wie het beklag betrekking heeft is niet verplicht op de vragen die hem worden gesteld, te antwoorden. Voordat hij wordt gehoord wordt hem dit meegedeeld. Deze mededeling wordt in het proces-verbaal opgenomen.

  4. Het gerechtshof kan op vordering van de advocaat-generaal, op verzoek van de klager of degene op wie het beklag betrekking heeft dan wel ambtshalve, aan de rechter-commissaris of aan de raadsheer-commissaris opdracht geven om nader onderzoek te verrichten of te doen verrichten.

Artikel 3.5.10

  1. Indien het gerechtshof niet bevoegd is te oordelen over het beklag, verklaart het zich onbevoegd. Is het van oordeel dat een ander gerechtshof bevoegd is, dan verwijst het de zaak naar het bevoegd geachte gerechtshof.

  2. Het gerechtshof kan bij het beoordelen van de ontvankelijkheid van de klager in zijn beklag rekening houden met door hem aangevoerde omstandigheden die hebben geleid tot overschrijding van de termijn voor het indienen van het beklag, bedoeld in artikel 3.5.4, eerste lid.

  3. Het gerechtshof kan de klager niet-ontvankelijk verklaren in zijn beklag indien door de klager ter zake van hetzelfde feit al eerder beklag is gedaan en door hem geen omstandigheden zijn aangevoerd die tot een nieuwe beoordeling van het beklag aanleiding geven.

  4. Indien het gerechtshof bevoegd is te oordelen over het beklag, de klager ontvankelijk is en het gerechtshof van oordeel is dat opsporing, vervolging of voortzetting van de vervolging moet plaatsvinden, beveelt het de opsporing van het feit waarop het beklag betrekking heeft of de vervolging voor dat feit. Het kan bij het bevel tot vervolging bepalen dat aan het bevel geen gevolg wordt gegeven indien de verdachte binnen of gedurende een bepaalde termijn voldoet aan een bepaalde voorwaarde, hem door de officier van justitie gesteld.

  5. Het gerechtshof wijst het beklag af indien het dat beklag niet gegrond acht. Het gerechtshof kan het beklag ook afwijzen op gronden aan het algemeen belang ontleend.

  6. Van de beslissing van het gerechtshof wordt degene op wie het beklag betrekking heeft direct in kennis gesteld.

Artikel 3.5.11

  1. Tenzij het gerechtshof anders bepaalt, kan de vervolging niet worden ingesteld door het uitvaardigen van een strafbeschikking.

  2. Indien het gerechtshof een bevel tot vervolging heeft gegeven, kan de officier van justitie niet van vervolging afzien, tenzij het gerechtshof na een daartoe strekkende vordering van de officier van justitie daarmee heeft ingestemd.

  3. De officier van justitie stelt zijn vordering met de gronden waarop van vervolging zou moeten worden afgezien en de processtukken ter beschikking van het gerechtshof.

  4. Het gerechtshof kan in de gevallen waarin het de vordering kennelijk gegrond acht, afzien van een onderzoek op de zitting.

  5. Indien de officier van justitie van oordeel is dat aan de door hem op grond van artikel 3.5.10, vierde lid, tweede zin, gestelde voorwaarde door de verdachte is voldaan, kan hij afzien van vervolging zonder de instemming van het gerechtshof, bedoeld in het tweede lid. Hij stelt de verdachte en de klager in kennis van zijn beslissing.

Artikel 3.5.12

De leden van het gerechtshof die over het beklag hebben geoordeeld, nemen geen deel aan de berechting.

← terug naar Nieuw Wetboek van Strafvordering