Nieuw Wetboek van Strafvordering Laatste controle 30-03-2026, laatste wijziging 18-03-2026.

Inhoud
Boek 1 Strafvordering in het algemeen
Hoofdstuk 1 Inleidende bepalingen en definities
Hoofdstuk 2 De behandeling van zaken door de rechter
Hoofdstuk 3 Vervolging en opsporing van strafbare feiten
Hoofdstuk 4 De verdachte en zijn raadsman
Hoofdstuk 5 Het slachtoffer
Hoofdstuk 6 De getuige
Titel 6.1 Algemene bepalingen met betrekking tot het verhoor van de getuige
Titel 6.2 Verschoningsrechten
Titel 6.3 Verschoningsplichten
Titel 6.4 Bepalingen met betrekking tot de minderjarige getuige
Titel 6.5 Leden van het Koninklijk Huis
Titel 6.6 Maatregelen tot bescherming van getuigen
Hoofdstuk 7 De deskundige
Hoofdstuk 8 De processtukken
Hoofdstuk 9 Overdracht van berichten en het indienen van stukken
Hoofdstuk 11 Enige algemene voorzieningen
Boek 2 Het opsporingsonderzoek
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Titel 1.1 Definities
Titel 1.2 Algemene bepalingen over de uitoefening van bevoegdheden in het kader van het opsporingsonderzoek
Titel 1.3 Algemene bevoegdheid
Titel 1.4 Verslaglegging door opsporingsambtenaren
Titel 1.5 Vastlegging van bevelen en van machtigingen en vorderingen daartoe
Titel 1.6 Toestemming voor onderzoekshandelingen
Hoofdstuk 2 De aangifte
Hoofdstuk 3 Het verhoor door opsporingsambtenaren
Hoofdstuk 4 Deskundigenonderzoek in opdracht van de officier van justitie
Hoofdstuk 5 Bevoegdheden tot vrijheidsbeperking en vrijheidsbeneming
Titel 5.1 Algemene bepalingen
Titel 5.2 Staandehouding en aanhouding
Titel 5.3 Ophouden voor onderzoek en inverzekeringstelling
Afdeling 5.3.1 Ophouden voor onderzoek
Afdeling 5.3.2 Inverzekeringstelling
Afdeling 5.3.3 Maatregelen ten aanzien van de voor onderzoek opgehouden of in verzekering gestelde verdachte
Afdeling 5.3.4 Voorgeleiding aan de rechter-commissaris
Titel 5.4 Voorlopige hechtenis
Titel 5.5 Rechtsmiddelen
Afdeling 5.5.1 Bezwaar tegen het opleggen van maatregelen
Afdeling 5.5.2 Beroep tegen de directe invrijheidstelling van de verdachte
Afdeling 5.5.3 Beroep tegen beslissingen met betrekking tot de voorlopige hechtenis
Hoofdstuk 6 Bevoegdheden met betrekking tot het lichaam
Titel 6.1 Algemene bepalingen
Titel 6.2 Onderzoek aan de kleding en onderzoek van meegevoerde voorwerpen
Titel 6.3 Onderzoek aan het lichaam
Titel 6.4 Onderzoek in het lichaam
Titel 6.5 Overige onderzoeken met betrekking tot het lichaam
Afdeling 6.5.1 Het nemen van vingerafdrukken en gezichtsopnamen ter identiteitsvaststelling
Afdeling 6.5.2 Onderzoek naar gebruik van geweldbevorderende middelen
Afdeling 6.5.3 Het maken van beeldopnamen, het opmeten van lichaamsmaten en het nemen van lichaamsafdrukken, -haar en -materiaal
Afdeling 6.5.4 Onderzoek ten aanzien van fysieke eigenschappen
Afdeling 6.5.5 Het houden van een confrontatie
Afdeling 6.5.6 DNA-onderzoek
Afdeling 6.5.7 Onderzoek naar een ernstige besmettelijke ziekte
Titel 6.6 Onderzoek met betrekking tot het lichaam van een overleden verdachte of slachtoffer
Titel 6.7 Bevoegdheden van de rechter-commissaris
Titel 6.8 Rechtsmiddelen
Hoofdstuk 7 Bevoegdheden met betrekking tot voorwerpen en gegevens
Titel 7.1 Algemene bepalingen
Titel 7.2 Inbeslagneming van voorwerpen
Titel 7.3 Onderzoek van gegevens
Titel 7.4 Ontoegankelijkmaking van gegevens
Titel 7.5 Uitoefening van bevoegdheden in het geval van verschoningsrecht
Titel 7.6 Onderzoek ter plaatse
Titel 7.7 Bevoegdheden van de rechter-commissaris
Titel 7.8 Rechtsmiddelen
Hoofdstuk 8 Heimelijke bevoegdheden
Titel 8.1 Algemene bepalingen
Afdeling 8.1.1 Bevel officier van justitie
Afdeling 8.1.2 Kennisgeving aan betrokkene
Afdeling 8.1.3 Voeging gegevens functioneel verschoningsgerechtigden
Afdeling 8.1.4 Technische hulpmiddelen
Afdeling 8.1.5 Verplichting tot inbeslagneming
Afdeling 8.1.6 Uitstel melding onbekende kwetsbaarheden
Titel 8.2 De bevoegdheden
Afdeling 8.2.1 Stelselmatige observatie
Afdeling 8.2.2 Stelselmatig overnemen persoonsgegevens uit publiek toegankelijke bronnen
Afdeling 8.2.3 Bevoegdheden ten aanzien van een besloten plaats
Afdeling 8.2.4 Pseudo-koop of -dienstverlening
Afdeling 8.2.5 Stelselmatige inwinning van informatie
Afdeling 8.2.6 Infiltratie
Afdeling 8.2.7 Vastleggen communicatie die plaatsvindt door middel van een aanbieder van een communicatiedienst
Afdeling 8.2.8 Vastleggen vertrouwelijke communicatie
Afdeling 8.2.9 Toegang op afstand tot een digitale-gegevensdrager of geautomatiseerd werk
Afdeling 8.2.10 Stelselmatige locatiebepaling
Titel 8.3 Bijstand door burgers bij de uitoefening van heimelijke bevoegdheden
Titel 8.4 Personen in de openbare dienst van een vreemde staat
Titel 8.5 Maatregelen in het belang van de veiligheid
Titel 8.6 Vermoeden georganiseerd verband en aanwijzingen terroristisch misdrijf
Titel 8.7 Rechtsmiddelen
Hoofdstuk 9 Het verkennend onderzoek
Hoofdstuk 10 Onderzoek door de rechter-commissaris
Titel 10.1 Algemene bepalingen
Titel 10.2 Bevoegdheden met betrekking tot de verdachte
Titel 10.3 Het verhoor van de getuige
Titel 10.4 De benoeming en het verhoor van een deskundige
Titel 10.5 Getuigen aan wie toezeggingen zijn gedaan
Titel 10.6 Voortgangsbewaking door de rechter-commissaris
Titel 10.7 Beëindiging van het onderzoek
Titel 10.8 Rechtsmiddelen
Boek 3 Beslissingen over vervolging
Hoofdstuk 1 Algemeen
Hoofdstuk 2 Bezwaarschrift tegen de procesinleiding
Hoofdstuk 3 De strafbeschikking
Titel 3.1 Inhoud van de strafbeschikking
Titel 3.2 Uitvaardigen van de strafbeschikking door opsporingsambtenaren en lichamen of personen, met een publieke taak belast
Titel 3.3 Waarborgen bij het uitvaardigen van de strafbeschikking
Titel 3.4 Uitreiken en toezenden van de strafbeschikking
Titel 3.5 Intrekken en wijzigen van de strafbeschikking
Titel 3.6 Openbaarheid van de strafbeschikking
Hoofdstuk 4 Het achterwege laten van vervolging
Hoofdstuk 5 Beklag over het niet opsporen of niet vervolgen van strafbare feiten
Hoofdstuk 6 Rechtsmiddelen
Boek 4 Berechting
Hoofdstuk 1 Het aanbrengen van de zaak ter berechting
Hoofdstuk 2 Het onderzoek op de terechtzitting
Titel 2.1 Algemene bepalingen
Titel 2.2 De aanvang van het onderzoek
Titel 2.3 De omvang van het onderzoek
Titel 2.4 Het onderzoek van de zaak zelf
Titel 2.5 De verslaglegging van het onderzoek op de terechtzitting
Hoofdstuk 3 De beraadslaging, de uitspraak en het eindvonnis
Hoofdstuk 4 De behandeling van met de berechting verbonden vorderingen
Hoofdstuk 5 De enkelvoudige kamer
Hoofdstuk 6 Herstelbeslissingen
Boek 5 Rechtsmiddelen
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Hoofdstuk 2 Het instellen en indienen, intrekken en afstand doen van gewone rechtsmiddelen
Titel 2.1 Instellen en indienen
Titel 2.2 Intrekken en afstand doen
Titel 2.3 Informatieverschaffing over ingestelde en ingediende gewone rechtsmiddelen
Hoofdstuk 3 Verzet tegen strafbeschikkingen
Hoofdstuk 4 Hoger beroep tegen vonnissen
Hoofdstuk 5 Beroep in cassatie tegen arresten
Titel 5.1 Beroep in cassatie tegen eindarresten en tussenarresten
Titel 5.2 Beroep in cassatie in het geval van verbonden vorderingen
Afdeling 5.2.1 De vordering van de benadeelde partij
Afdeling 5.2.2 De vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel
Titel 5.3 Herstelarresten
Hoofdstuk 6 Gewone rechtsmiddelen tegen andere beslissingen
Titel 6.1 Bezwaarschriften en klaagschriften
Titel 6.2 Beroep tegen beslissingen van de rechter-commissaris
Titel 6.3 Hoger beroep en beroep in cassatie tegen beslissingen van de raadkamer
Hoofdstuk 7 Cassatie in het belang van de wet
Hoofdstuk 8 Herziening van arresten en vonnissen
Boek 6 Bijzondere regelingen
Hoofdstuk 1 Voorzieningen vanwege de persoon van de verdachte
Titel 1.1 Jeugdigen en jongvolwassenen
Afdeling 1.1.1 Verdachten die ten tijde van het begaan van het strafbaar feit nog niet de leeftijd van twaalf jaar hebben bereikt
Afdeling 1.1.2 Verdachten die ten tijde van het begaan van het strafbaar feit de leeftijd van twaalf jaar maar nog niet die van achttien jaar hebben bereikt
Afdeling 1.1.3 Verdachten die ten tijde van het begaan van het strafbaar feit de leeftijd van achttien jaar maar nog niet die van drieëntwintig jaar hebben bereikt
Afdeling 1.1.4 De raad voor de kinderbescherming
Afdeling 1.1.5 De betrokkenheid van de ouder of een persoon naar keuze
Afdeling 1.1.6 Vordering van de benadeelde partij
Titel 1.2 Verdachten die door een beperking of een ziekte onvoldoende in staat zijn aan het proces tegen hen deel te nemen
Titel 1.3 Rechtspersonen
Titel 1.4 Rechterlijke ambtenaren
Hoofdstuk 2 Procesincidenten
Hoofdstuk 4 Bijzondere procedures
Titel 4.1 Beklag met betrekking tot voorwerpen en gegevens
Titel 4.2 Afzonderlijke rechterlijke beslissing met betrekking tot voorwerpen en gegevens
Titel 4.3 Rechtsmiddelen
Hoofdstuk 5 Bevoegdheden van bijzondere aard
Titel 5.1 Gedragsaanwijzing ter beëindiging van ernstige overlast
Titel 5.2 Bevoegdheden bij het ontruimen van een gekraakt pand
Titel 5.3 Bevoegdheden tot het betreden van plaatsen in verband met bepaalde misdrijven
Titel 5.4 Bevoegdheden in geval van aanwijzingen van een terroristisch misdrijf
Titel 5.5 Bevoegdheden in verband met de ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Titel 5.6 Bevoegdheden tot vastlegging en raadpleging van kentekengegevens
Titel 5.7 Onderzoek naar gebruik van geweld door ambtenaren
Hoofdstuk 6 Schadevergoeding en kosten
Boek 9 Slotbepalingen

Boek 3

Beslissingen over vervolging

Artikel 3.1.1

  1. De officier van justitie neemt naar aanleiding van het opsporingsonderzoek een beslissing over het instellen van vervolging tegen de verdachte. Hij neemt daarbij de beginselen van een goede procesorde in acht, waaronder het vertrouwensbeginsel en het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging.

  2. Indien de officier van justitie van oordeel is dat vervolging door middel van een strafbeschikking of procesinleiding moet worden ingesteld, gaat hij daartoe zo spoedig mogelijk over.

  3. Zodra het belang van het onderzoek dat toelaat, maar in ieder geval voordat de officier van justitie vervolging voor een misdrijf instelt, wordt de verdachte zo mogelijk verhoord of, indien hij niet eerder als zodanig is verhoord, op zijn verzoek daartoe in de gelegenheid gesteld.

  4. Ingeval van een misdrijf, omschreven in artikel 245, 247, 248a, 248d of 248e van het Wetboek van Strafrecht en gepleegd ten aanzien van een minderjarige die twaalf jaar of ouder is, stelt de officier van justitie de minderjarige zo mogelijk in de gelegenheid zijn mening over de wenselijkheid van vervolging kenbaar te maken.

  5. Voordat de officier van justitie vervolging voor een misdrijf instelt, roept hij de persoon voor wie krachtens artikel 65, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht door een wettelijk vertegenwoordiger een klacht is ingediend, op en stelt hij deze in de gelegenheid zijn mening over de wenselijkheid van vervolging kenbaar te maken. De oproeping daartoe blijft achterwege als het horen van deze persoon niet mogelijk of wenselijk is in verband met zijn lichamelijke of geestelijke toestand.

Artikel 3.1.2

Indien een vervolging eindigt met een eindvonnis of eindarrest over de vragen, bedoeld in artikel 4.3.1, neemt de officier van justitie zo spoedig mogelijk een beslissing over het alsnog voortzetten van de vervolging. Artikel 3.4.2 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3.1.3

  1. De rechtbank kan verklaren dat de zaak is geëindigd:

    1. op verzoek van de verdachte die is verhoord;

    2. op voordracht van de rechter-commissaris, bedoeld in artikel 2.10.67, tweede lid; of

    3. op verzoek van de verdachte indien in het geval, bedoeld in artikel 3.1.2, of in het geval, bedoeld in artikel 4.1.15, vervolging uitblijft zonder dat de verdachte ervan in kennis is gesteld dat van voortzetting van de vervolging wordt afgezien.

  2. De rechtstreeks belanghebbende die bekend is wordt gehoord, althans hiertoe opgeroepen.

  3. De behandeling van het verzoek of de voordracht is niet openbaar.

  4. De raadkamer kan, indien de officier van justitie aannemelijk maakt dat vervolging zal worden ingesteld of voortgezet, de beslissing telkens voor bepaalde tijd aanhouden.

  5. De beslissing van de raadkamer wordt direct ter kennis gebracht van de rechtstreeks belanghebbende die bekend is.

Artikel 3.1.4

Na een verklaring dat de zaak is geëindigd, kan tegen de gewezen verdachte geen vervolging worden ingesteld of voortgezet voor hetzelfde feit, behoudens in het geval nieuwe bezwaren bekend zijn geworden. Artikel 3.4.3, tweede tot en met vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3.2.1

  1. De verdachte kan tegen de procesinleiding binnen een maand na de betekening ervan een bezwaarschrift indienen bij de rechtbank.

  2. Indien de procesinleiding is ingediend bij de politierechter en de termijn van oproeping minder dan een maand bedraagt, moet het bezwaarschrift worden ingediend vóór het tijdstip van de terechtzitting dat in de oproeping is vermeld.

  3. Indien de procesinleiding is ingediend bij de kantonrechter is een bezwaarschrift niet toegelaten.

Artikel 3.2.2

  1. De rechtbank bepaalt wanneer het bezwaarschrift wordt behandeld.

  2. Indien de procesinleiding is ingediend bij de politierechter, vindt de behandeling van het bezwaarschrift plaats op het tijdstip dat in de oproeping is vermeld. De verdachte behoeft in dat geval voor de behandeling van het bezwaarschrift niet afzonderlijk te worden opgeroepen.

  3. Het onderzoek op de terechtzitting wordt niet aangevangen voordat onherroepelijk op het bezwaarschrift is beslist.

  4. De behandeling van het bezwaarschrift door de rechtbank is niet openbaar.

Artikel 3.2.3

  1. Indien de rechtbank oordeelt dat zij niet bevoegd is het strafbare feit te berechten, verklaart zij zich onbevoegd.

  2. Indien de rechtbank van oordeel is dat:

    1. de officier van justitie klaarblijkelijk niet-ontvankelijk is;

    2. onvoldoende aanwijzing van schuld van de verdachte aan het tenlastegelegde feit aanwezig is; of

    3. het tenlastegelegde feit of de verdachte klaarblijkelijk niet strafbaar is,

    verklaart zij het bezwaarschrift gegrond en stelt zij de verdachte buiten vervolging. Indien de tenlastelegging betrekking heeft op meerdere feiten, kan zij de verdachte voor een of meer van deze feiten buiten vervolging stellen.

  3. In alle andere gevallen verklaart de rechtbank hetzij de verdachte niet-ontvankelijk in zijn bezwaarschrift, hetzij het bezwaarschrift geheel of gedeeltelijk ongegrond.

Artikel 3.2.4

Na een buitenvervolgingstelling kan de gewezen verdachte niet opnieuw worden vervolgd voor hetzelfde feit, behoudens in het geval nieuwe bezwaren bekend zijn geworden. Artikel 3.4.3, tweede tot en met vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3.3.1

  1. De officier van justitie kan, indien hij vaststelt dat een overtreding is begaan of een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf is gesteld van niet meer dan zes jaar, een strafbeschikking uitvaardigen.

  2. De volgende straffen en maatregelen kunnen worden opgelegd:

    1. een taakstraf van ten hoogste honderdtachtig uur;

    2. een geldboete;

    3. onttrekking aan het verkeer;

    4. de verplichting tot betaling aan de Staat van een geldbedrag ten behoeve van het slachtoffer;

    5. ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor ten hoogste zes maanden.

  3. Verder kan de strafbeschikking aanwijzingen bevatten waaraan de verdachte moet voldoen. Zij kunnen inhouden:

    1. afstand van voorwerpen die zijn inbeslaggenomen en vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer;

    2. uitlevering, of voldoening aan de Staat van de geschatte waarde, van voorwerpen die vatbaar zijn voor verbeurdverklaring;

    3. voldoening aan de Staat van een geldbedrag of overdracht van inbeslaggenomen voorwerpen ter gehele of gedeeltelijke ontneming van het op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht voor ontneming vatbare wederrechtelijk verkregen voordeel;

    4. storting van een vast te stellen geldbedrag in het schadefonds geweldsmisdrijven of ten gunste van een instelling die zich ten doel stelt belangen van slachtoffers van strafbare feiten te behartigen, waarbij het bedrag niet hoger kan zijn dan de geldboete die ten hoogste voor het feit kan worden opgelegd;

    5. andere aanwijzingen, het gedrag van de verdachte betreffend, waaraan deze gedurende een bij de strafbeschikking te bepalen proeftijd van ten hoogste een jaar dient te voldoen.

  4. Bij het opleggen van een taakstraf en het geven van aanwijzingen als bedoeld in het derde lid, onderdeel e, geldt als voorwaarde dat de verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.

  5. De proeftijd van een aanwijzing het gedrag van de verdachte betreffend loopt niet gedurende de tijd dat hem rechtens zijn vrijheid is ontnomen.

  6. De strafbeschikking vermeldt:

    1. de naam en het van de verdachte bekende adres;

    2. een opgave van het feit als bedoeld in artikel 4.1.1, derde lid, dan wel een korte omschrijving van de gedraging ter zake waarvan de strafbeschikking wordt uitgevaardigd, alsmede de tijd waarop en de plaats waar deze gedraging werd verricht;

    3. het strafbare feit dat deze gedraging oplevert;

    4. de opgelegde straffen, maatregelen en aanwijzingen;

    5. de dag waarop zij is uitgevaardigd;

    6. de wijze waarop verzet kan worden ingesteld;

    7. de wijze van tenuitvoerlegging.

  7. Indien blijkt dat de verdachte de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst en de strafbeschikking is uitgevaardigd wegens een misdrijf, wordt de strafbeschikking of in ieder geval de in het zesde lid bedoelde onderdelen daarvan vertaald in een voor de verdachte begrijpelijke taal. De verdachte die de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst, kan verzoeken dat de strafbeschikking in een voor hem begrijpelijke taal wordt vertaald.

Artikel 3.3.2

  1. Bij algemene maatregel van bestuur kan aan daartoe aan te wijzen opsporingsambtenaren in bij die algemene maatregel van bestuur aangewezen zaken betreffende overtredingen tot wederopzegging de bevoegdheid worden verleend een strafbeschikking uit te vaardigen waarin een geldboete wordt opgelegd.

  2. Verder kan bij algemene maatregel van bestuur aan daartoe aan te wijzen opsporingsambtenaren in bij die algemene maatregel van bestuur aangewezen zaken betreffende misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf is gesteld van niet meer dan zes jaar, welke van eenvoudige aard zijn, begaan door personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt, tot wederopzegging de bevoegdheid worden verleend een strafbeschikking uit te vaardigen waarin een geldboete van ten hoogste € 350 wordt opgelegd.

  3. De opsporingsambtenaren maken van de hun op grond van het eerste en tweede lid verleende bevoegdheid gebruik volgens richtlijnen, vast te stellen door het College van procureurs-generaal. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden voorschriften gegeven met betrekking tot de aanwijzing van opsporingsambtenaren, het toezicht op de wijze waarop zij van de hun verleende bevoegdheden gebruik maken alsmede de intrekking van de aanwijzing van een opsporingsambtenaar.

Artikel 3.3.3

  1. Bij algemene maatregel van bestuur kan aan daartoe aan te wijzen lichamen of personen, met een publieke taak belast, binnen daarbij gestelde grenzen de bevoegdheid worden verleend een strafbeschikking uit te vaardigen.

  2. De lichamen en personen maken van de hun op grond van het eerste lid verleende bevoegdheid gebruik onder toezicht van en volgens richtlijnen vast te stellen door het College van procureurs-generaal. Bij algemene maatregel van bestuur worden voorschriften gegeven met betrekking tot het toezicht op de wijze waarop zij van de hun verleende bevoegdheid gebruik maken alsmede de intrekking van een verleende bevoegdheid door het College van procureurs-generaal.

  3. Het College van procureurs-generaal stelt richtlijnen als in het tweede lid bedoeld vast na overleg met de lichamen en personen, met een publieke taak belast, op wier gebruik van de bevoegdheid een strafbeschikking uit te vaardigen de richtlijn van invloed is, dan wel met organen die deze lichamen vertegenwoordigen.

Artikel 3.3.4

  1. Een strafbeschikking houdende een taakstraf, een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen, dan wel een aanwijzing het gedrag van de verdachte betreffend, wordt slechts uitgevaardigd indien de verdachte door de officier van justitie is gehoord en daarbij heeft verklaard bereid te zijn de straf te voldoen dan wel zich aan de aanwijzing te houden. De verdachte wordt uiterlijk bij de aanvang van het horen gewezen op de mogelijkheid om toevoeging van een raadsman te verzoeken.

  2. Een strafbeschikking houdende betalingsverplichtingen uit hoofde van geldboete en schadevergoedingsmaatregel, die afzonderlijk of gezamenlijk meer belopen dan € 2.000, wordt slechts uitgevaardigd indien de verdachte, bijgestaan door een raadsman, daaraan voorafgaand is gehoord door de officier van justitie die de strafbeschikking uitvaardigt.

  3. Van het horen van de verdachte op grond van het eerste of tweede lid wordt een verslag opgemaakt. Indien de strafbeschikking afwijkt van door de verdachte uitdrukkelijk onderbouwde standpunten, worden de redenen die tot afwijken hebben geleid vermeld, voor zover deze redenen niet al mondeling zijn opgegeven. Het opmaken van het verslag kan worden uitgesteld indien het horen van de verdachte op een geluidsopname of geluids- en beeldopname is vastgelegd. De artikelen 2.1.10, vierde lid, en 4.2.34 zijn van overeenkomstige toepassing.

  4. In het geval een strafbeschikking zal worden uitgevaardigd tegen de verdachte, kan de opsporingsambtenaar de verdachte een aankondiging van de strafbeschikking uitreiken. Deze aankondiging kan bij verdenking van een overtreding die met een motorrijtuig is begaan, ook worden achtergelaten in of aan het motorrijtuig. Het model van de aankondiging wordt bij ministeriële regeling vastgesteld.

  5. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen aan het opleggen van straffen, maatregelen en aanwijzingen in een strafbeschikking nadere voorwaarden worden gesteld.

Artikel 3.3.5

  1. Een kopie van de strafbeschikking wordt zoveel mogelijk in persoon aan de verdachte uitgereikt. Artikel 1.9.13, achtste lid, is van overeenkomstige toepassing. Indien uitreiking niet in persoon plaatsvindt, wordt de kopie toegezonden.

  2. In geval de strafbeschikking betalingsverplichtingen inhoudt uit hoofde van geldboete en schadevergoedingsmaatregel die afzonderlijk of gezamenlijk meer belopen dan € 2.000, vindt toezending plaats langs elektronische weg, door plaatsing van een bericht in de elektronische voorziening onder notificatie aan de verdachte, of bij aangetekende brief.

  3. Van elke uitreiking of toezending wordt aantekening gehouden op bij algemene maatregel van bestuur bepaalde wijze.

  4. Indien aan de officier van justitie een verzoek als bedoeld in artikel 1.5.4 is gedaan, wordt aan het slachtoffer een kopie van de strafbeschikking toegezonden. Verder wordt een kopie toegezonden aan de rechtstreeks belanghebbende die de officier van justitie bekend is.

Artikel 3.3.6

  1. De strafbeschikking kan worden ingetrokken of gewijzigd door de officier van justitie die bevoegd is om een daartegen ingesteld verzet ter kennis van de rechtbank te brengen, ook in de gevallen waarin niet overeenkomstig Boek 5, Hoofdstuk 3, verzet is gedaan.

  2. Een wijziging waardoor de omschrijving van het feit niet langer hetzelfde feit in de zin van artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht zou inhouden, is niet toegestaan.

  3. De officier van justitie kan de termijn verlengen die is gesteld bij een overeenkomstig artikel 3.3.1 gegeven aanwijzing.

  4. Een kopie van de beschikking waarbij de strafbeschikking wordt gewijzigd of ingetrokken wordt aan de verdachte uitgereikt of aan hem toegezonden.

Artikel 3.3.7

Indien tegen de verdachte een strafbeschikking is uitgevaardigd die volledig is tenuitvoergelegd of die door de officier van justitie wordt ingetrokken kan de verdachte, behoudens een daartoe strekkend bevel van het gerechtshof op grond van Hoofdstuk 5, voor hetzelfde feit niet opnieuw worden vervolgd.

Artikel 3.3.8

  1. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen categorieën strafbeschikkingen ter zake van misdrijven worden aangewezen die op daarbij te bepalen wijze openbaar worden gemaakt.

  2. De officier van justitie verstrekt desgevraagd een kopie van een strafbeschikking aan ieder ander dan de verdachte of zijn raadsman, tenzij verstrekking naar het oordeel van de officier van justitie ter bescherming van de belangen van degene ten aanzien van wie de strafbeschikking is uitgevaardigd of van derden, geheel of gedeeltelijk dient te worden geweigerd. In het laatste geval kan de officier van justitie een geanonimiseerde kopie van de strafbeschikking verstrekken.

Artikel 3.4.1

  1. De officier van justitie kan indien het feit naar zijn oordeel bewijsbaar en strafbaar is, afzien van vervolging onder het stellen van bepaalde voorwaarden waaraan de verdachte binnen of gedurende een daarbij te bepalen termijn moet voldoen.

  2. Bij de aan het gedrag van de verdachte te stellen voorwaarden behoort dat de verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt. Ten behoeve van de naleving van de voorwaarden wordt bij de uitvoering daarvan de identiteit van de verdachte vastgesteld op de wijze, bedoeld in artikel 1.4.8, eerste en tweede lid.

  3. Indien de verdachte de gestelde voorwaarden niet naleeft, beslist de officier van justitie over het instellen van vervolging.

Artikel 3.4.2

  1. Indien de officier van justitie afziet van vervolging, stelt hij de verdachte die is verhoord van die beslissing direct in kennis. Door die kennisgeving eindigt de zaak.

  2. De kennisgeving vermeldt op welke gronden van vervolging is afgezien en welke rechtsgevolgen volgens artikel 3.4.3, eerste lid, aan de kennisgeving zijn verbonden.

Artikel 3.4.3

  1. Na een kennisgeving van niet-vervolging kan de verdachte niet worden vervolgd voor hetzelfde feit, behalve in het geval dat:

    1. nieuwe bezwaren bekend zijn geworden;

    2. het gerechtshof een op grond van artikel 3.5.1 gedaan beklag gegrond verklaart en de opsporing van het feit waarop het beklag betrekking heeft of vervolging van de verdachte beveelt.

  2. Als nieuwe bezwaren kunnen worden aangemerkt verklaringen van getuigen, deskundigen of van de verdachte, of andere uit wettige bewijsmiddelen blijkende omstandigheden die niet eerder zijn onderzocht of die na het nemen van de beslissing tot niet-vervolging bekend zijn geworden.

  3. Tot vervolging wordt in geval van nieuwe bezwaren niet overgegaan dan na een ter zake van die bezwaren ingesteld opsporingsonderzoek. De officier van justitie kan het opsporingsonderzoek alleen instellen na een daartoe verkregen machtiging van de rechter-commissaris. Artikel 2.1.14 is van overeenkomstige toepassing.

  4. De officier van justitie stelt de verdachte die een kennisgeving van niet-vervolging heeft ontvangen, in kennis van de instelling van het opsporingsonderzoek, tenzij het belang van het onderzoek zich daartegen verzet.

  5. Indien voor het feit aan de verdachte een bestuurlijke boete is opgelegd of een mededeling als bedoeld in artikel 5:50, tweede lid, onderdeel a, van de Algemene wet bestuursrecht is verzonden, heeft dit dezelfde rechtsgevolgen als een kennisgeving van niet-vervolging.

Artikel 3.5.1

  1. De rechtstreeks belanghebbende kan zich bij het gerechtshof beklagen over het achterwege blijven van opsporing, vervolging of voortzetting van de vervolging van een strafbaar feit, alsmede over het vervolgen van een strafbaar feit door middel van een strafbeschikking.

  2. Beklag over het achterwege blijven van opsporing van een strafbaar feit kan alleen plaatsvinden tegen een beslissing van de officier van justitie op een klacht van de rechtstreeks belanghebbende over niet-opsporing. Deze klacht wordt ingediend bij de officier van justitie onder wiens gezag het opsporingsonderzoek had moeten plaatsvinden of heeft plaatsgevonden. Artikel 3.5.4, tweede en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing. De betrokken opsporingsdienst draagt er zorg voor dat de officier van justitie tijdig alle stukken en inlichtingen ontvangt die voor de beoordeling van de klacht van belang zijn. De officier van justitie neemt binnen zes weken een beslissing over de klacht. Van de beslissing van de officier van justitie worden de rechtstreeks belanghebbende die zich heeft beklaagd en, indien bekend, degene op wie de klacht betrekking heeft direct in kennis gesteld. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de uitvoering van dit artikellid.

  3. Indien de beslissing waarover is geklaagd, is genomen door een officier van justitie bij een arrondissementsparket, is het gerechtshof waaronder het arrondissement ressorteert, bevoegd te oordelen over het beklag. Indien de beslissing is genomen door een officier van justitie bij het landelijk parket of bij het functioneel parket, is het gerechtshof Den Haag bevoegd. Indien de beslissing is genomen naar aanleiding van het in de uitoefening van zijn functie gebruiken van geweld door een ambtenaar, aan wie bij of krachtens artikel 7, eerste of negende lid, van de Politiewet 2012 of artikel 6, eerste lid, van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten de bevoegdheid geweld te gebruiken is toegekend, is het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bevoegd. Indien de beslissing is genomen door een officier van justitie bij het parket centrale verwerking openbaar ministerie, is bevoegd het gerechtshof in het ressort waar de klager woon- of verblijfplaats heeft. Bij gebreke daaraan is het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bevoegd.

Artikel 3.5.2

Onder rechtstreeks belanghebbende wordt mede verstaan een rechtspersoon die krachtens zijn doelstelling en blijkens zijn feitelijke werkzaamheden een belang behartigt dat door het achterwege blijven van opsporing, vervolging of voortzetting van de vervolging van een strafbaar feit, of door het vervolgen van een strafbaar feit door middel van een strafbeschikking rechtstreeks wordt getroffen.

Artikel 3.5.3

Na een buitenvervolgingstelling of een verklaring dat de zaak is geëindigd, is beklag ter zake van hetzelfde feit niet toegelaten, tenzij degene op wie het beklag betrekking heeft niet de gewezen verdachte is.

Artikel 3.5.4

  1. Het beklag wordt ingediend binnen drie maanden nadat de rechtstreeks belanghebbende in kennis is gesteld van een beslissing van de officier van justitie tot het achterwege laten van opsporing, van vervolging of van voortzetting van de vervolging van een strafbaar feit dan wel tot vervolging door middel van een strafbeschikking, dan wel nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de rechtstreeks belanghebbende met deze beslissing bekend is geraakt.

  2. Het beklag is voorzien van een datum, naam en adres van de klager en geeft aan tegen welke beslissing van de officier van justitie het is gericht. Indien het beklag wordt gedaan namens een rechtspersoon, geeft het aan dat de indiener daartoe bevoegd en gemachtigd is.

  3. Het beklag tegen vervolging door middel van een strafbeschikking kan ook na de in het eerste lid bedoelde termijn worden gedaan, indien de strafbeschikking niet volledig wordt tenuitvoergelegd.

  4. Het gerechtshof stelt de klager in kennis van de ontvangst van het klaagschrift op het adres dat in het klaagschrift is vermeld.

  5. Het gerechtshof draagt de advocaat-generaal op verslag te doen. De advocaat-generaal brengt verslag uit binnen drie maanden nadat hij de opdracht van het gerechtshof heeft ontvangen.

Artikel 3.5.5

  1. De behandeling van het beklag door het gerechtshof is niet openbaar.

  2. Is het gerechtshof kennelijk onbevoegd om van het beklag kennis te nemen, de klager kennelijk niet-ontvankelijk in zijn beklag of het beklag kennelijk ongegrond, dan kan het gerechtshof zonder onderzoek op de zitting beslissen.

Artikel 3.5.6

  1. Het gerechtshof hoort de klager, althans roept hem daartoe behoorlijk op, behoudens in de gevallen, bedoeld in artikel 3.5.5, tweede lid.

  2. Indien het beklag is gedaan door meer dan twee personen, kan het gerechtshof volstaan met het oproepen van de twee personen, van wie namen en adressen als eerste in het klaagschrift zijn vermeld.

Artikel 3.5.7

  1. Het gerechtshof kan degene op wie het beklag betrekking heeft oproepen om hem in de gelegenheid te stellen opmerkingen te maken over het beklag en de gronden waarop dat berust. De oproeping gaat vergezeld van een kopie van het klaagschrift of bevat een aanduiding van het feit waarop het beklag betrekking heeft.

  2. Een bevel tot vervolging wordt niet gegeven voordat degene op wie het beklag betrekking heeft door het gerechtshof is gehoord, althans behoorlijk daartoe is opgeroepen. Artikel 1.6.1 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3.5.8

  1. De klager en degene op wie het beklag betrekking heeft worden in de oproeping gewezen op het recht op rechtsbijstand, bedoeld in artikel 1.2.18, derde en vierde lid, en op de mogelijkheid om toevoeging van een advocaat te verzoeken.

  2. De kennisneming van de stukken vindt plaats op de wijze door de voorzitter te bepalen. De voorzitter kan, ambtshalve of op vordering van de advocaat-generaal, bepaalde stukken van kennisneming uitzonderen in het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer of van de opsporing en vervolging van strafbare feiten dan wel op zwaarwichtige gronden aan het algemeen belang ontleend. Van de omstandigheid dat stukken worden onthouden, worden de klager en degene op wie het beklag betrekking heeft in kennis gesteld.

  3. De voorzitter kan, ambtshalve of op vordering van de advocaat-generaal, bepalen dat in het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer of van de opsporing en vervolging van strafbare feiten dan wel op zwaarwichtige gronden aan het algemeen belang ontleend, van bepaalde stukken of gedeelten daarvan geen kopie wordt verstrekt.

  4. Van de beslissing om van bepaalde stukken of gedeelten daarvan geen kopie te verstrekken, worden de klager of degene op wie het beklag betrekking heeft in kennis gesteld.

Artikel 3.5.9

  1. Het horen van de klager en degene op wie het beklag betrekking heeft kan ook aan een lid van het gerechtshof worden opgedragen.

  2. Het gerechtshof kan besluiten om de klager en degene op wie het beklag betrekking heeft op dezelfde zitting maar buiten elkaars aanwezigheid te horen.

  3. Degene op wie het beklag betrekking heeft is niet verplicht op de vragen die hem worden gesteld, te antwoorden. Voordat hij wordt gehoord wordt hem dit meegedeeld. Deze mededeling wordt in het proces-verbaal opgenomen.

  4. Het gerechtshof kan op vordering van de advocaat-generaal, op verzoek van de klager of degene op wie het beklag betrekking heeft dan wel ambtshalve, aan de rechter-commissaris of aan de raadsheer-commissaris opdracht geven om nader onderzoek te verrichten of te doen verrichten.

Artikel 3.5.10

  1. Indien het gerechtshof niet bevoegd is te oordelen over het beklag, verklaart het zich onbevoegd. Is het van oordeel dat een ander gerechtshof bevoegd is, dan verwijst het de zaak naar het bevoegd geachte gerechtshof.

  2. Het gerechtshof kan bij het beoordelen van de ontvankelijkheid van de klager in zijn beklag rekening houden met door hem aangevoerde omstandigheden die hebben geleid tot overschrijding van de termijn voor het indienen van het beklag, bedoeld in artikel 3.5.4, eerste lid.

  3. Het gerechtshof kan de klager niet-ontvankelijk verklaren in zijn beklag indien door de klager ter zake van hetzelfde feit al eerder beklag is gedaan en door hem geen omstandigheden zijn aangevoerd die tot een nieuwe beoordeling van het beklag aanleiding geven.

  4. Indien het gerechtshof bevoegd is te oordelen over het beklag, de klager ontvankelijk is en het gerechtshof van oordeel is dat opsporing, vervolging of voortzetting van de vervolging moet plaatsvinden, beveelt het de opsporing van het feit waarop het beklag betrekking heeft of de vervolging voor dat feit. Het kan bij het bevel tot vervolging bepalen dat aan het bevel geen gevolg wordt gegeven indien de verdachte binnen of gedurende een bepaalde termijn voldoet aan een bepaalde voorwaarde, hem door de officier van justitie gesteld.

  5. Het gerechtshof wijst het beklag af indien het dat beklag niet gegrond acht. Het gerechtshof kan het beklag ook afwijzen op gronden aan het algemeen belang ontleend.

  6. Van de beslissing van het gerechtshof wordt degene op wie het beklag betrekking heeft direct in kennis gesteld.

Artikel 3.5.11

  1. Tenzij het gerechtshof anders bepaalt, kan de vervolging niet worden ingesteld door het uitvaardigen van een strafbeschikking.

  2. Indien het gerechtshof een bevel tot vervolging heeft gegeven, kan de officier van justitie niet van vervolging afzien, tenzij het gerechtshof na een daartoe strekkende vordering van de officier van justitie daarmee heeft ingestemd.

  3. De officier van justitie stelt zijn vordering met de gronden waarop van vervolging zou moeten worden afgezien en de processtukken ter beschikking van het gerechtshof.

  4. Het gerechtshof kan in de gevallen waarin het de vordering kennelijk gegrond acht, afzien van een onderzoek op de zitting.

  5. Indien de officier van justitie van oordeel is dat aan de door hem op grond van artikel 3.5.10, vierde lid, tweede zin, gestelde voorwaarde door de verdachte is voldaan, kan hij afzien van vervolging zonder de instemming van het gerechtshof, bedoeld in het tweede lid. Hij stelt de verdachte en de klager in kennis van zijn beslissing.

Artikel 3.5.12

De leden van het gerechtshof die over het beklag hebben geoordeeld, nemen geen deel aan de berechting.

Artikel 3.6.1

  1. De officier van justitie kan hoger beroep instellen tegen de verklaring dat de zaak is geëindigd, bedoeld in artikel 3.1.3.

  2. De termijn voor het instellen van beroep is twee weken na de dagtekening van de beslissing. Het gerechtshof beslist zo spoedig mogelijk.

Artikel 3.6.2

  1. De officier van justitie kan hoger beroep instellen tegen de beslissing tot onbevoegdverklaring of buitenvervolgingstelling, bedoeld in artikel 3.2.3.

  2. De termijn voor het instellen van hoger beroep is twee weken na de dagtekening van de beslissing.

  3. Tegen de beslissing van het gerechtshof staat voor de officier van justitie binnen twee weken na de dagtekening van de beslissing en voor de verdachte binnen twee weken na de betekening van die beslissing beroep in cassatie open.

  4. Op de behandeling van het hoger beroep en het beroep in cassatie is artikel 3.2.2, vierde lid van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de Hoge Raad in het belang van de rechtseenheid en de rechtsontwikkeling kan bepalen dat zijn beslissing, na te zijn geanonimiseerd, in het openbaar wordt uitgesproken.

Artikel 3.6.3

Indien binnen twee weken geen kopie of een geanonimiseerde kopie van de strafbeschikking wordt verstrekt als bedoeld in artikel 3.3.8, tweede lid, kan de verzoeker een klaagschrift indienen bij de officier van justitie, die het klaagschrift en de processtukken zo spoedig mogelijk ter kennis brengt van de rechtbank. De betrokken procespartij en haar raadsman of advocaat kunnen, in afwijking van artikel 1.2.15, tweede lid, niet van de inhoud van de processtukken kennisnemen dan voor zover de rechtbank dat toestaat.

← terug naar Nieuw Wetboek van Strafvordering