1. De officier van justitie kan met een persoon die geen opsporingsambtenaar is, overeenkomen dat deze, indien is voldaan aan de wettelijke voorwaarden voor uitoefening van de desbetreffende bevoegdheid, bijstand verleent aan de opsporing door uitoefening van de bevoegdheid tot:

    1. pseudo-koop of -dienstverlening, als bedoeld in artikel 2.8.10, eerste lid;

    2. stelselmatige inwinning van informatie, als bedoeld in artikel 2.8.11, eerste en tweede lid;

    3. infiltratie, als bedoeld in artikel 2.8.12, eerste lid.

  2. De overeenkomst wordt alleen gesloten indien de officier van justitie van oordeel is dat de desbetreffende bevoegdheid niet kan worden uitgeoefend door een opsporingsambtenaar.

  3. Bij het sluiten van een overeenkomst legt de officier van justitie de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde gegevens afzonderlijk vast.

  4. De overeenkomst vermeldt:

    1. de naam van de persoon die bijstand verleent aan de opsporing;

    2. de rechten en plichten van de persoon die bijstand verleent aan de opsporing;

    3. de wijze waarop aan de overeenkomst uitvoering wordt gegeven; en

    4. de geldigheidsduur van de overeenkomst of het tijdstip waarop, of de periode waarbinnen aan de overeenkomst uitvoering wordt gegeven.

  5. De overeenkomst kan worden gewijzigd, aangevuld, verlengd of beëindigd.

  6. De overeenkomst en de wijziging, aanvulling, verlenging en beëindiging daarvan worden vooraf, afzonderlijk vastgelegd en gemotiveerd. Bij dringende noodzaak kan vastlegging van de overeenkomst en van de wijziging, aanvulling, verlenging en beëindiging daarvan voor ten hoogste drie dagen worden uitgesteld. Artikel 2.1.15, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing op de vastlegging van de overeenkomst en van de wijziging, aanvulling, verlenging en beëindiging daarvan.

  7. Zodra niet meer wordt voldaan aan de wettelijke voorwaarden, bepaalt de officier van justitie dat de uitvoering van de overeenkomst wordt beëindigd.

  8. Artikel 2.1.4 is van overeenkomstige toepassing op de persoon die bijstand verleent aan de opsporing.

  9. De officier van justitie kan de persoon die bijstand verleent aan de opsporing door het verrichten van de in het eerste lid, onderdelen a en c, bedoelde handelingen vooraf toestemming geven om bij de uitvoering strafbare handelingen te verrichten. De toestemming wordt vooraf vastgelegd. Op de vastlegging van de toestemming is artikel 2.1.17 van overeenkomstige toepassing.