1. In geval van verdenking van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld en dat gezien zijn aard of de samenhang met andere in verband met die verdenking begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert, kan de officier van justitie, indien het belang van het onderzoek dit dringend vereist en na een daartoe door de rechter-commissaris verleende machtiging, bevelen dat een opsporingsambtenaar met een technisch hulpmiddel vertrouwelijke communicatie, die plaatsvindt anders dan met gebruikmaking van de diensten van een aanbieder van een communicatiedienst, vastlegt.

  2. Indien het bevel een misdrijf betreft waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van acht jaar of meer is gesteld, kan de officier van justitie, indien het belang van het onderzoek dit dringend vereist, bepalen dat vertrouwelijke communicatie die plaatsvindt in een woning wordt vastgelegd.

  3. Het bevel wordt gegeven voor een periode van ten hoogste een maand. De geldigheidsduur kan telkens voor een periode van ten hoogste een maand worden verlengd.

  4. De officier van justitie kan bepalen dat ter uitvoering van het bevel:

    1. een besloten plaats, niet zijnde een woning, wordt betreden zonder toestemming van de rechthebbende;

    2. een woning zonder toestemming van de bewoner wordt betreden, indien het bevel een misdrijf betreft waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van acht jaar of meer is gesteld.

    Artikel 2.8.7, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

  5. Voorafgaand aan de uitvoering van het bevel kan de officier van justitie, na een daartoe verleende machtiging van de rechter-commissaris, bevelen dat een opsporingsambtenaar de besloten plaats of de woning betreedt zonder toestemming van de rechthebbende of de bewoner, om de uitvoering van het bevel tot vastleggen van vertrouwelijke communicatie voor te bereiden.

  6. Het bevel tot betreden, bedoeld in het vijfde lid, wordt gegeven voor een periode van ten hoogste drie maanden. De geldigheidsduur kan eenmaal voor een periode van drie maanden worden verlengd.

  7. Indien de voorbereiding, bedoeld in het vijfde lid, is afgerond en technisch uitvoering kan worden gegeven aan de vastlegging, bepaalt de officier van justitie wanneer de termijn van het bevel tot vastleggen van vertrouwelijke communicatie, bedoeld in het derde lid, aanvangt.