1. In geval van verdenking van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld, kan de officier van justitie bevelen dat een opsporingsambtenaar zonder toestemming van de rechthebbende een besloten plaats, niet zijnde een woning, betreedt, dan wel een technisch hulpmiddel gebruikt, om:

    1. die plaats op te nemen;

    2. daar sporen veilig te stellen; of

    3. daar een technisch hulpmiddel te plaatsen om de aanwezigheid of verplaatsing van een goed vast te kunnen stellen.

  2. Artikel 2.8.7, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.