Nieuw Wetboek van Strafvordering Laatste controle 30-03-2026, laatste wijziging 18-03-2026.

Inhoud
Boek 1 Strafvordering in het algemeen
Hoofdstuk 1 Inleidende bepalingen en definities
Hoofdstuk 2 De behandeling van zaken door de rechter
Hoofdstuk 3 Vervolging en opsporing van strafbare feiten
Hoofdstuk 4 De verdachte en zijn raadsman
Hoofdstuk 5 Het slachtoffer
Hoofdstuk 6 De getuige
Titel 6.1 Algemene bepalingen met betrekking tot het verhoor van de getuige
Titel 6.2 Verschoningsrechten
Titel 6.3 Verschoningsplichten
Titel 6.4 Bepalingen met betrekking tot de minderjarige getuige
Titel 6.5 Leden van het Koninklijk Huis
Titel 6.6 Maatregelen tot bescherming van getuigen
Hoofdstuk 7 De deskundige
Hoofdstuk 8 De processtukken
Hoofdstuk 9 Overdracht van berichten en het indienen van stukken
Hoofdstuk 11 Enige algemene voorzieningen
Boek 2 Het opsporingsonderzoek
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Titel 1.1 Definities
Titel 1.2 Algemene bepalingen over de uitoefening van bevoegdheden in het kader van het opsporingsonderzoek
Titel 1.3 Algemene bevoegdheid
Titel 1.4 Verslaglegging door opsporingsambtenaren
Titel 1.5 Vastlegging van bevelen en van machtigingen en vorderingen daartoe
Titel 1.6 Toestemming voor onderzoekshandelingen
Hoofdstuk 2 De aangifte
Hoofdstuk 3 Het verhoor door opsporingsambtenaren
Hoofdstuk 4 Deskundigenonderzoek in opdracht van de officier van justitie
Hoofdstuk 5 Bevoegdheden tot vrijheidsbeperking en vrijheidsbeneming
Titel 5.1 Algemene bepalingen
Titel 5.2 Staandehouding en aanhouding
Titel 5.3 Ophouden voor onderzoek en inverzekeringstelling
Afdeling 5.3.1 Ophouden voor onderzoek
Afdeling 5.3.2 Inverzekeringstelling
Afdeling 5.3.3 Maatregelen ten aanzien van de voor onderzoek opgehouden of in verzekering gestelde verdachte
Afdeling 5.3.4 Voorgeleiding aan de rechter-commissaris
Titel 5.4 Voorlopige hechtenis
Titel 5.5 Rechtsmiddelen
Afdeling 5.5.1 Bezwaar tegen het opleggen van maatregelen
Afdeling 5.5.2 Beroep tegen de directe invrijheidstelling van de verdachte
Afdeling 5.5.3 Beroep tegen beslissingen met betrekking tot de voorlopige hechtenis
Hoofdstuk 6 Bevoegdheden met betrekking tot het lichaam
Titel 6.1 Algemene bepalingen
Titel 6.2 Onderzoek aan de kleding en onderzoek van meegevoerde voorwerpen
Titel 6.3 Onderzoek aan het lichaam
Titel 6.4 Onderzoek in het lichaam
Titel 6.5 Overige onderzoeken met betrekking tot het lichaam
Afdeling 6.5.1 Het nemen van vingerafdrukken en gezichtsopnamen ter identiteitsvaststelling
Afdeling 6.5.2 Onderzoek naar gebruik van geweldbevorderende middelen
Afdeling 6.5.3 Het maken van beeldopnamen, het opmeten van lichaamsmaten en het nemen van lichaamsafdrukken, -haar en -materiaal
Afdeling 6.5.4 Onderzoek ten aanzien van fysieke eigenschappen
Afdeling 6.5.5 Het houden van een confrontatie
Afdeling 6.5.6 DNA-onderzoek
Afdeling 6.5.7 Onderzoek naar een ernstige besmettelijke ziekte
Titel 6.6 Onderzoek met betrekking tot het lichaam van een overleden verdachte of slachtoffer
Titel 6.7 Bevoegdheden van de rechter-commissaris
Titel 6.8 Rechtsmiddelen
Hoofdstuk 7 Bevoegdheden met betrekking tot voorwerpen en gegevens
Titel 7.1 Algemene bepalingen
Titel 7.2 Inbeslagneming van voorwerpen
Titel 7.3 Onderzoek van gegevens
Titel 7.4 Ontoegankelijkmaking van gegevens
Titel 7.5 Uitoefening van bevoegdheden in het geval van verschoningsrecht
Titel 7.6 Onderzoek ter plaatse
Titel 7.7 Bevoegdheden van de rechter-commissaris
Titel 7.8 Rechtsmiddelen
Hoofdstuk 8 Heimelijke bevoegdheden
Titel 8.1 Algemene bepalingen
Afdeling 8.1.1 Bevel officier van justitie
Afdeling 8.1.2 Kennisgeving aan betrokkene
Afdeling 8.1.3 Voeging gegevens functioneel verschoningsgerechtigden
Afdeling 8.1.4 Technische hulpmiddelen
Afdeling 8.1.5 Verplichting tot inbeslagneming
Afdeling 8.1.6 Uitstel melding onbekende kwetsbaarheden
Titel 8.2 De bevoegdheden
Afdeling 8.2.1 Stelselmatige observatie
Afdeling 8.2.2 Stelselmatig overnemen persoonsgegevens uit publiek toegankelijke bronnen
Afdeling 8.2.3 Bevoegdheden ten aanzien van een besloten plaats
Afdeling 8.2.4 Pseudo-koop of -dienstverlening
Afdeling 8.2.5 Stelselmatige inwinning van informatie
Afdeling 8.2.6 Infiltratie
Afdeling 8.2.7 Vastleggen communicatie die plaatsvindt door middel van een aanbieder van een communicatiedienst
Afdeling 8.2.8 Vastleggen vertrouwelijke communicatie
Afdeling 8.2.9 Toegang op afstand tot een digitale-gegevensdrager of geautomatiseerd werk
Afdeling 8.2.10 Stelselmatige locatiebepaling
Titel 8.3 Bijstand door burgers bij de uitoefening van heimelijke bevoegdheden
Titel 8.4 Personen in de openbare dienst van een vreemde staat
Titel 8.5 Maatregelen in het belang van de veiligheid
Titel 8.6 Vermoeden georganiseerd verband en aanwijzingen terroristisch misdrijf
Titel 8.7 Rechtsmiddelen
Hoofdstuk 9 Het verkennend onderzoek
Hoofdstuk 10 Onderzoek door de rechter-commissaris
Titel 10.1 Algemene bepalingen
Titel 10.2 Bevoegdheden met betrekking tot de verdachte
Titel 10.3 Het verhoor van de getuige
Titel 10.4 De benoeming en het verhoor van een deskundige
Titel 10.5 Getuigen aan wie toezeggingen zijn gedaan
Titel 10.6 Voortgangsbewaking door de rechter-commissaris
Titel 10.7 Beëindiging van het onderzoek
Titel 10.8 Rechtsmiddelen
Boek 3 Beslissingen over vervolging
Hoofdstuk 1 Algemeen
Hoofdstuk 2 Bezwaarschrift tegen de procesinleiding
Hoofdstuk 3 De strafbeschikking
Titel 3.1 Inhoud van de strafbeschikking
Titel 3.2 Uitvaardigen van de strafbeschikking door opsporingsambtenaren en lichamen of personen, met een publieke taak belast
Titel 3.3 Waarborgen bij het uitvaardigen van de strafbeschikking
Titel 3.4 Uitreiken en toezenden van de strafbeschikking
Titel 3.5 Intrekken en wijzigen van de strafbeschikking
Titel 3.6 Openbaarheid van de strafbeschikking
Hoofdstuk 4 Het achterwege laten van vervolging
Hoofdstuk 5 Beklag over het niet opsporen of niet vervolgen van strafbare feiten
Hoofdstuk 6 Rechtsmiddelen
Boek 4 Berechting
Hoofdstuk 1 Het aanbrengen van de zaak ter berechting
Hoofdstuk 2 Het onderzoek op de terechtzitting
Titel 2.1 Algemene bepalingen
Titel 2.2 De aanvang van het onderzoek
Titel 2.3 De omvang van het onderzoek
Titel 2.4 Het onderzoek van de zaak zelf
Titel 2.5 De verslaglegging van het onderzoek op de terechtzitting
Hoofdstuk 3 De beraadslaging, de uitspraak en het eindvonnis
Hoofdstuk 4 De behandeling van met de berechting verbonden vorderingen
Hoofdstuk 5 De enkelvoudige kamer
Hoofdstuk 6 Herstelbeslissingen
Boek 5 Rechtsmiddelen
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Hoofdstuk 2 Het instellen en indienen, intrekken en afstand doen van gewone rechtsmiddelen
Titel 2.1 Instellen en indienen
Titel 2.2 Intrekken en afstand doen
Titel 2.3 Informatieverschaffing over ingestelde en ingediende gewone rechtsmiddelen
Hoofdstuk 3 Verzet tegen strafbeschikkingen
Hoofdstuk 4 Hoger beroep tegen vonnissen
Hoofdstuk 5 Beroep in cassatie tegen arresten
Titel 5.1 Beroep in cassatie tegen eindarresten en tussenarresten
Titel 5.2 Beroep in cassatie in het geval van verbonden vorderingen
Afdeling 5.2.1 De vordering van de benadeelde partij
Afdeling 5.2.2 De vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel
Titel 5.3 Herstelarresten
Hoofdstuk 6 Gewone rechtsmiddelen tegen andere beslissingen
Titel 6.1 Bezwaarschriften en klaagschriften
Titel 6.2 Beroep tegen beslissingen van de rechter-commissaris
Titel 6.3 Hoger beroep en beroep in cassatie tegen beslissingen van de raadkamer
Hoofdstuk 7 Cassatie in het belang van de wet
Hoofdstuk 8 Herziening van arresten en vonnissen
Boek 6 Bijzondere regelingen
Hoofdstuk 1 Voorzieningen vanwege de persoon van de verdachte
Titel 1.1 Jeugdigen en jongvolwassenen
Afdeling 1.1.1 Verdachten die ten tijde van het begaan van het strafbaar feit nog niet de leeftijd van twaalf jaar hebben bereikt
Afdeling 1.1.2 Verdachten die ten tijde van het begaan van het strafbaar feit de leeftijd van twaalf jaar maar nog niet die van achttien jaar hebben bereikt
Afdeling 1.1.3 Verdachten die ten tijde van het begaan van het strafbaar feit de leeftijd van achttien jaar maar nog niet die van drieëntwintig jaar hebben bereikt
Afdeling 1.1.4 De raad voor de kinderbescherming
Afdeling 1.1.5 De betrokkenheid van de ouder of een persoon naar keuze
Afdeling 1.1.6 Vordering van de benadeelde partij
Titel 1.2 Verdachten die door een beperking of een ziekte onvoldoende in staat zijn aan het proces tegen hen deel te nemen
Titel 1.3 Rechtspersonen
Titel 1.4 Rechterlijke ambtenaren
Hoofdstuk 2 Procesincidenten
Hoofdstuk 4 Bijzondere procedures
Titel 4.1 Beklag met betrekking tot voorwerpen en gegevens
Titel 4.2 Afzonderlijke rechterlijke beslissing met betrekking tot voorwerpen en gegevens
Titel 4.3 Rechtsmiddelen
Hoofdstuk 5 Bevoegdheden van bijzondere aard
Titel 5.1 Gedragsaanwijzing ter beëindiging van ernstige overlast
Titel 5.2 Bevoegdheden bij het ontruimen van een gekraakt pand
Titel 5.3 Bevoegdheden tot het betreden van plaatsen in verband met bepaalde misdrijven
Titel 5.4 Bevoegdheden in geval van aanwijzingen van een terroristisch misdrijf
Titel 5.5 Bevoegdheden in verband met de ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Titel 5.6 Bevoegdheden tot vastlegging en raadpleging van kentekengegevens
Titel 5.7 Onderzoek naar gebruik van geweld door ambtenaren
Hoofdstuk 6 Schadevergoeding en kosten
Boek 9 Slotbepalingen

Titel 8.2

De bevoegdheden

Artikel 2.8.7

  1. In geval van verdenking van een misdrijf kan de officier van justitie bevelen dat een opsporingsambtenaar stelselmatig een persoon volgt of stelselmatig zijn aanwezigheid of gedrag waarneemt.

  2. Het bevel wordt gegeven voor een periode van ten hoogste drie maanden. De geldigheidsduur kan telkens voor een periode van ten hoogste drie maanden worden verlengd.

  3. De officier van justitie kan bepalen dat ter uitvoering van het bevel een technisch hulpmiddel wordt gebruikt of geplaatst, voor zover daarmee geen communicatie, als bedoeld in de artikelen 2.8.13 en 2.8.15, wordt vastgelegd. Een technisch hulpmiddel wordt niet op een persoon bevestigd, tenzij met zijn toestemming dan wel in het geval, bedoeld in artikel 2.8.16, eerste lid, onderdeel c.

  4. In geval van verdenking van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld kan de officier van justitie bepalen dat ter uitvoering van het bevel één of meer besloten plaatsen, niet zijnde een woning, worden betreden zonder toestemming van de rechthebbende.

  5. Indien ter uitvoering van het bevel in een besloten plaats een technisch hulpmiddel is geplaatst, omvat het bevel mede het betreden van de plaats om dit technisch hulpmiddel te verwijderen. Het technisch hulpmiddel wordt zo spoedig mogelijk en in ieder geval binnen een maand na afloop van de periode waarbinnen aan het bevel uitvoering is gegeven, verwijderd. De officier van justitie kan deze termijn van een maand telkens voor een periode van een maand verlengen.

Artikel 2.8.8

  1. In geval van verdenking van een misdrijf kan de officier van justitie bevelen dat een opsporingsambtenaar stelselmatig, al dan niet op geautomatiseerde wijze, persoonsgegevens uit publiek toegankelijke bronnen overneemt.

  2. Het bevel wordt gegeven voor een periode van ten hoogste drie maanden. De geldigheidsduur kan telkens voor een periode van ten hoogste drie maanden worden verlengd.

  3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de geautomatiseerde wijze van overnemen van gegevens.

Artikel 2.8.9

  1. In geval van verdenking van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld, kan de officier van justitie bevelen dat een opsporingsambtenaar zonder toestemming van de rechthebbende een besloten plaats, niet zijnde een woning, betreedt, dan wel een technisch hulpmiddel gebruikt, om:

    1. die plaats op te nemen;

    2. daar sporen veilig te stellen; of

    3. daar een technisch hulpmiddel te plaatsen om de aanwezigheid of verplaatsing van een goed vast te kunnen stellen.

  2. Artikel 2.8.7, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.8.10

  1. In geval van verdenking van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld, kan de officier van justitie bevelen dat een opsporingsambtenaar goederen of gegevens afneemt van een persoon, diensten verleent aan een persoon of daartoe strekkende afspraken maakt.

  2. In het bevel kan worden bepaald dat bij de uitvoering daarvan bepaalde strafbare handelingen mogen worden verricht door de persoon die de bevoegdheid uitoefent.

Artikel 2.8.11

  1. In geval van verdenking van een misdrijf kan de officier van justitie bevelen dat een opsporingsambtenaar stelselmatig informatie inwint over een persoon door deel te nemen aan de maatschappelijke verbanden waarin die persoon verkeert of door het hebben van contact met die persoon of met personen die deel uitmaken van zijn maatschappelijke verbanden.

  2. In geval van verdenking van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld en dat gezien zijn aard of de samenhang met andere in verband met die verdenking begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert, kan de officier van justitie, indien het belang van het onderzoek dit dringend vereist en na een daartoe door de rechter-commissaris verleende machtiging, bevelen dat een opsporingsambtenaar stelselmatig informatie inwint over een persoon ten aanzien van wie op grond van die verdenking kennis is gekregen dat hij een of meerdere misdrijven beraamt, pleegt of heeft gepleegd, door hem activiteiten, al dan niet in samenwerking met de opsporingsambtenaar, te laten verrichten.

  3. Het bevel, bedoeld in het eerste lid, wordt gegeven voor een periode van ten hoogste drie maanden. De geldigheidsduur kan telkens voor een periode van ten hoogste drie maanden worden verlengd.

  4. Het bevel, bedoeld in het tweede lid, wordt gegeven voor een periode van ten hoogste zes maanden. De geldigheidsduur kan telkens voor een periode van ten hoogste drie maanden worden verlengd.

  5. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld ten aanzien van

    1. de eisen van bekwaamheid waaraan de opsporingsambtenaar moet voldoen en

    2. de wijze waarop de bevoegdheid tot stelselmatige inwinning van informatie wordt uitgeoefend.

Artikel 2.8.12

  1. In geval van verdenking van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld en dat gezien zijn aard of de samenhang met andere in verband met die verdenking begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert, kan de officier van justitie, indien het belang van het onderzoek dit dringend vereist en na een daartoe door de rechter-commissaris verleende machtiging, bevelen dat een opsporingsambtenaar:

    1. deelneemt of medewerking verleent aan een groep van personen ten aanzien waarvan op grond van die verdenking kennis is gekregen dat daarbinnen misdrijven worden beraamd of gepleegd;

    2. samenwerkt met of medewerking verleent aan een persoon ten aanzien van wie op grond van die verdenking kennis is gekregen dat hij een of meerdere misdrijven beraamt, pleegt of heeft gepleegd.

  2. Artikel 2.8.11, vierde en vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

  3. In het bevel kan worden bepaald dat bij de uitvoering daarvan bepaalde strafbare handelingen mogen worden verricht door de persoon die de bevoegdheid uitoefent.

Artikel 2.8.13

  1. In geval van verdenking van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld en dat gezien zijn aard of de samenhang met andere in verband met die verdenking begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert, kan de officier van justitie, indien het belang van het onderzoek dit dringend vereist en na een daartoe door de rechter-commissaris verleende machtiging, bevelen dat een opsporingsambtenaar met een technisch hulpmiddel niet voor het publiek bestemde communicatie die plaatsvindt met gebruikmaking van de diensten van een aanbieder van een communicatiedienst, vastlegt.

  2. De rechter-commissaris kan, op vordering van de officier van justitie, in zijn machtiging bepalen dat deze geldt voor alle nummers en andere aanduidingen waarmee de individuele gebruiker van de communicatiedienst wordt geïdentificeerd, die gedurende de geldigheidsduur van de machtiging bij de gebruiker in gebruik zijn.

  3. Het bevel wordt gegeven voor een periode van ten hoogste twee maanden. De geldigheidsduur kan telkens voor een periode van ten hoogste twee maanden worden verlengd.

  4. Indien het bevel betrekking heeft op communicatie die plaatsvindt via een openbaar telecommunicatienetwerk of met gebruikmaking van een openbare telecommunicatiedienst in de zin van de Telecommunicatiewet, wordt, tenzij dat niet mogelijk is of het belang van strafvordering zich daartegen verzet, het bevel tenuitvoergelegd met medewerking van de aanbieder van het openbare telecommunicatienetwerk of de openbare telecommunicatiedienst. Met het oog daarop beveelt de officier van justitie de aanbieder om medewerking te verlenen. Die medewerking omvat het verstrekken van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gegevens over de gebruiker en over het communicatieverkeer van die gebruiker gedurende de periode waarin uitvoering wordt gegeven aan het bevel.

  5. Indien het bevel betrekking heeft op andere communicatie dan die bedoeld in het vierde lid, wordt, tenzij dat niet mogelijk is of het belang van strafvordering zich daartegen verzet, de aanbieder in de gelegenheid gesteld medewerking te verlenen bij de tenuitvoerlegging van het bevel.

  6. Indien het bevel betrekking heeft op het vastleggen van communicatie zonder medewerking van de aanbieders, bedoeld in het vierde en vijfde lid, kan de officier van justitie bepalen dat indien het belang van het onderzoek dit dringend vereist, ter uitvoering van het bevel een besloten plaats zonder toestemming van de rechthebbende wordt betreden of dat een woning wordt betreden zonder toestemming van de bewoner. Artikel 2.8.7, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

  7. Bij uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, is artikel 2.7.52 van overeenkomstige toepassing in het geval van versleutelde communicatie. Op het bevel, bedoeld in artikel 2.7.52, zijn de artikelen 2.7.2 en 2.7.58 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.8.14

  1. Om toepassing te kunnen geven aan de artikelen 2.7.47, 2.8.13 en 2.8.18 kan de officier van justitie:

    1. met inachtneming van artikel 3.22, eerste en vierde lid, van de Telecommunicatiewet aan een ambtenaar als bedoeld in artikel 3.22, vierde lid, van die wet bevelen dat met behulp van in dat artikel bedoelde apparatuur een nummer als bedoeld in artikel 1.1 van die wet wordt verkregen;

    2. aan een opsporingsambtenaar bevelen dat met een technisch hulpmiddel een nummer als bedoeld in artikel 1.1 van de Telecommunicatiewet wordt verkregen.

  2. Het bevel wordt gegeven voor een periode van ten hoogste een maand. De geldigheidsduur kan telkens voor een periode van ten hoogste een maand worden verlengd. Zodra de ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, vaststelt dat het nummer is verkregen, wordt de uitvoering van het bevel beëindigd.

Artikel 2.8.15

  1. In geval van verdenking van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld en dat gezien zijn aard of de samenhang met andere in verband met die verdenking begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert, kan de officier van justitie, indien het belang van het onderzoek dit dringend vereist en na een daartoe door de rechter-commissaris verleende machtiging, bevelen dat een opsporingsambtenaar met een technisch hulpmiddel vertrouwelijke communicatie, die plaatsvindt anders dan met gebruikmaking van de diensten van een aanbieder van een communicatiedienst, vastlegt.

  2. Indien het bevel een misdrijf betreft waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van acht jaar of meer is gesteld, kan de officier van justitie, indien het belang van het onderzoek dit dringend vereist, bepalen dat vertrouwelijke communicatie die plaatsvindt in een woning wordt vastgelegd.

  3. Het bevel wordt gegeven voor een periode van ten hoogste een maand. De geldigheidsduur kan telkens voor een periode van ten hoogste een maand worden verlengd.

  4. De officier van justitie kan bepalen dat ter uitvoering van het bevel:

    1. een besloten plaats, niet zijnde een woning, wordt betreden zonder toestemming van de rechthebbende;

    2. een woning zonder toestemming van de bewoner wordt betreden, indien het bevel een misdrijf betreft waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van acht jaar of meer is gesteld.

    Artikel 2.8.7, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

  5. Voorafgaand aan de uitvoering van het bevel kan de officier van justitie, na een daartoe verleende machtiging van de rechter-commissaris, bevelen dat een opsporingsambtenaar de besloten plaats of de woning betreedt zonder toestemming van de rechthebbende of de bewoner, om de uitvoering van het bevel tot vastleggen van vertrouwelijke communicatie voor te bereiden.

  6. Het bevel tot betreden, bedoeld in het vijfde lid, wordt gegeven voor een periode van ten hoogste drie maanden. De geldigheidsduur kan eenmaal voor een periode van drie maanden worden verlengd.

  7. Indien de voorbereiding, bedoeld in het vijfde lid, is afgerond en technisch uitvoering kan worden gegeven aan de vastlegging, bepaalt de officier van justitie wanneer de termijn van het bevel tot vastleggen van vertrouwelijke communicatie, bedoeld in het derde lid, aanvangt.

Artikel 2.8.16

  1. In geval van verdenking van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld en dat gezien zijn aard of de samenhang met andere in verband met die verdenking begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert, kan de officier van justitie, indien het belang van het onderzoek dit dringend vereist en na een daartoe verleende machtiging van de rechter-commissaris, bevelen dat een daartoe aangewezen opsporingsambtenaar, al dan niet met een technisch hulpmiddel, op afstand binnendringt in een digitale-gegevensdrager of geautomatiseerd werk dat bij de verdachte in gebruik is, met het oog op:

    1. de vaststelling van bepaalde kenmerken van de digitale-gegevensdrager of het geautomatiseerde werk of de gebruiker, zoals de identiteit of locatie, en het overnemen daarvan;

    2. de uitvoering van een bevel als bedoeld in de artikelen 2.8.13 en 2.8.15;

    3. de uitvoering van een bevel als bedoeld in artikel 2.8.7, waarbij de officier van justitie kan bepalen dat ter uitvoering van het bevel een technisch hulpmiddel op een persoon wordt bevestigd;

    4. het overnemen van gegevens die op de digitale-gegevensdrager of in het geautomatiseerde werk zijn verwerkt, of die eerst na het tijdstip van het geven van het bevel worden verwerkt, voor zover redelijkerwijs nodig om de waarheid aan het licht te brengen;

    5. de ontoegankelijkmaking van gegevens die op de digitale-gegevensdrager of het geautomatiseerde werk zijn verwerkt, en met betrekking tot welke of met behulp waarvan het vermoedelijke strafbare feit is gepleegd, voor zover dit noodzakelijk is ter beëindiging van het strafbare feit of ter voorkoming van nieuwe strafbare feiten. Artikel 2.7.56, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing. Artikel 11.7a van de Telecommunicatiewet is niet van toepassing op handelingen ter uitvoering van een bevel als bedoeld in de eerste zin.

  2. In geval na het op afstand binnendringen in de digitale-gegevensdrager of het geautomatiseerde werk onderzoek wordt verricht met het oog op het overnemen of het ontoegankelijk maken van gegevens als bedoeld in het eerste lid, onderdelen d en e, dient de in het eerste lid bedoelde verdenking een misdrijf te betreffen waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van acht jaar of meer is gesteld, dan wel een misdrijf als omschreven in de artikelen 98, eerste en tweede lid, 98c, eerste lid, 131, eerste en tweede lid, 138ab, eerste tot en met derde lid, 138b, eerste tot en met derde lid, 138c, 139c, eerste lid, 139d, eerste tot en met derde lid, 139g, eerste lid, 140, eerste lid, 142a, eerste en tweede lid, 160, 161, aanhef en onder 1°, 161bis, aanhef en onder 2°, 161sexies, aanhef en onder 1°, 177, eerste en tweede lid, 179, 182, eerste en tweede lid, onder 1°, 197a, eerste en tweede lid, 205, eerste en derde lid, 225, eerste en tweede lid, 226, eerste lid, 227, eerste lid, 231, eerste en tweede lid, 231a, eerste en tweede lid, 232, eerste en tweede lid, 240b, eerste lid, 247, 248a, 248e, 285b, eerste lid, 350a, eerste tot en met derde lid, 350c, eerste lid, 350d, 363, eerste en tweede lid en 420bis, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

  3. Het bevel wordt gegeven voor een periode van ten hoogste een maand. De geldigheidsduur kan telkens voor een periode van ten hoogste een maand worden verlengd.

  4. Na afloop van de periode waarbinnen aan het bevel uitvoering is gegeven, wordt het technische hulpmiddel verwijderd. Indien het technische hulpmiddel niet of niet volledig kan worden verwijderd en dit risico’s oplevert voor het functioneren van de digitale-gegevensdrager of het geautomatiseerde werk stelt de officier van justitie de beheerder van het desbetreffende apparaat daarvan in kennis en stelt de nodige informatie ter beschikking ten behoeve van de volledige verwijdering.

  5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over:

    1. de autorisatie en deskundigheid van de opsporingsambtenaren die kunnen worden belast met de uitvoering van het bevel, bedoeld in het eerste lid, en de samenwerking met andere opsporingsambtenaren;

    2. de geautomatiseerde wijze van vastlegging van de uitvoering van het bevel.

  6. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de toepassing van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, in de gevallen waarin niet bekend is waar de gegevens zijn opgeslagen.

  7. Het toezicht op de uitvoering van het bevel door de ambtenaren, bedoeld in artikel 1.3.10, onderdeel d, en de personen, bedoeld in artikel 1.3.11, eerste lid, onderdeel b, wordt uitgeoefend door de inspectie, bedoeld in artikel 65 van de Politiewet 2012, overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk 6 van de Politiewet 2012.

Artikel 2.8.18

  1. Ter aanhouding van de verdachte of ter uitvoering van een bevel tot uitoefening van een bevoegdheid als bedoeld in Afdelingen 8.2.1 tot en met 8.2.9 kan de officier van justitie bevelen dat een opsporingsambtenaar stelselmatig en met een technisch hulpmiddel de locatie bepaalt van de aan te houden verdachte of de persoon ten aanzien van wie de bevoegdheid wordt uitgeoefend.

  2. Het bevel wordt gegeven voor een periode van ten hoogste een maand. De geldigheidsduur kan telkens voor een periode van ten hoogste een maand worden verlengd.

← terug naar Nieuw Wetboek van Strafvordering